Menschenwee

Part 7

Chapter 73,744 wordsPublic domain

Lijzig nog bond de Ouë ’t spantouw om de achterpooten van ’t dier, voor ie melken ging, en lijziger ging ie zitten op ’n melkblok, als ’n stratenmaker op éénpootig krukje, met de melkketel tusschen z’n knieën gekneld, èven òpgelicht, van zich af. Z’n handen eerst nat-sabbelend in z’n mond kneep en trok ie tegelijk in maatgang aan de spenen. Zacht-regenend in bleeke straaltjes, spoot sis-scherp ’t melk-zoet den emmer in. Piet was ook ingeloopen, rugde naast Dirk tegen den muur. Hij hield er van zoo na ’t melken ’n paar lauwe glazen in te slaan. Daar loerde ie nu al op, gulzig maar stil. Dichter had hij ’t lampje naar z’n vader geschoven. Het profiel van ouë Gerrit kwam nu zwart-fijn en scherp op het inslinkende onderkruis van de koe schaduwen, fijn boerenprofiel met lokkenhang, puntig, dat lichtelijk mee-trilde met huid-siddering van koebeest. Maar telkens doezelde schaduwprofiel weg, of verwrong in woeste karikatuur op zwarte dijplekken tusschen huidwit in, als de Ouë, stram voorover bukte op melkblok, naar andere uiers, den emmer in schuineren stand knelde om de straaltjes beter te vangen. Dàn donkerde z’n ingebogen lichaam schaduw-bevracht wèg, tusschen de zwak-belichte schoften van het andere warme koebeest, dat tegen ’m aangedrongen stond, zacht loeide, in wellust om ook gemolken te worden.

—Wa bliksems mooie makelai hep ie tug, heé Ouë, stem-zong Piet.

—Oftie.... huhu.... huhu!.... dofte beklemd stem van Gerrit tusschen flanken-inknelling van de beesten uit.—Onrustig bewoog de wachtende koe z’n achterpooten, drong nauwer òp tegen den Ouë, zacht zwiepend met staart, die opgebonden kronkelde, aan ’t bindtouw. Urinelucht zoog zwaarder door den stal, en het koevuil plompte vet en zwaar-dampend in de groep, vlak voor de kou-uitrookende monden der loom-kijkende kerels.

Telkens vielen er bonkende geluiden in de stal-stilte uit het achterend, en als de koeien met hun ringen schoven waarmee ze vastgetouwd snoerden aan rempaal, echo’de het gebonk doffer door de licht-schemering.

Wemelende reuze-gestalten schaduwden door elkaar, toen de Ouë opstond, strammig van z’n melkblok, z’n vette vuile vingers beschuimd afdoopte in de ketels, Dirk en Piet vlak voor het lampje elkaar over groep en achtergang speelsch-woest heentrokken. Scherp-zwarte profielen, dàn klein omgetrokken en zuiver-gelijkend, dan grof-vage, achteruit verbleekende monsterlijke boerentronies onkenbaar, vervluchtigend ijl, op vuil-wittigen kalkmuur. Koppen braken of zwollen, als de kerels in wilden stoei vooruitsprongen, in vlakke, verdeukte schedelbobbels, tegen bruin-morsig beschot. Groote neuzen, flauw, en zware goliath-handen, ijlden schimmig over den wand, boven bultige silhouet-schonken van koe-beesten. Zoo holde, warrelend en wemelend, een donker spel van schimmen op vale muurbleekte, en de kerels zèlf, zwak-geel belicht, met verduisterde tronies, grof-knuisterig, adem-ingeperst, hijgden uit, in de stal-duistering, stoeiend over de dampende groep.

—Jullie làikt kinders, driftte midden in de Ouë,—neem jai mestkep en kuil wat àn.... ’t loopt er ’tmet over.... eenmoal.... andermoal.

In de voorgang stond Piet te gichelen tegen Guurtje die zenuwachtig haastig doende was in keuken en achterend.

—F’rslik je ’r nie an, Dirk.... de Ouë sòanikt.... hep puur tait tut mur’ge.... nou.... mi stróói-oàfend!....

Vlak op den kruiwagen liep ie aan, z’n adem, als gouën stoom, fel beschenen door lamplichtstraaltje, tegen achterlijven van koeien opblazend. Z’n gladde komieke kop rimpelde wreed en zijn mond, donker open, boorde duistere schaterlachen, snorkend door den stal. Een narocheling van lol, barstte z’n strot uit. Danserig sprong weer z’n grof-komiekige boerentronie in scherp silhouet op vuilen muur. Dirk bleef staan, lijzig, lachloos.

—Hep tait tut murrige, schaterde Piet weer, krullend met z’n lippen als ’n nijdige aap.

—Daa’s net, terug-deunde met luie stem Dirk.

—Daa’s nèt, bauwde Piet na.... je suster....

Guurt was juist weer met pompstraal ringkinkend, ingedreund. En weer holde Piet speelsch op Dirk aan, vlak bij ’t lampje springend, dat z’n kop scherp-zwart weer troniede op den lichtschemermuur. Plots gaf Dirk onder jolig geschater van Piet en Guurt, z’n broer ’n fellen tik op z’n schoften, dat die woest achteruit sprong, met z’n gezicht naar de stalraampjes, en z’n hoofd-silhouet weg-reusde als angstige goliath-kop. Maar méé trok Dirk, die lui zich sleideren liet met z’n beenen in mestvuil, naar ’t hoekje van Guurt toe, waar ze zingend en lach-schaterend, bek-af, met geweld neerstommelden.

Guurt had aldoor èven gekeken, was met ’r hoofd, voorover bukkend in boen en emmergeploeter, tegen blauw-rood van steenen voorgang, soms net te zien geweest in zwak schijnsel, schimde dan plots weg, klomp-klepperend naar keuken, om met nieuwen boenrommel in ’r handen, weer den stal in te donkeren,—want ’t liefst was ze bij lolligen Piet. Piet, ongedurig, jongen van negentien met botten van rijpen kerel, wou alles aanraken, belollen.

Als ze niet werkten de kerels, zoo in den wintermiddag al, wisten ze met hun leege handen geen raad. Dan stonden ze, uren achtereen, te gapen, te rekken, te smoken, de lange winteravonden verzeurend, tegemoet; avonden, die, als ze niet kaartten of dronken, slakkerig-langzaam over hen heenkropen. Maar stoeilol kwam meestal los in broeiend warmen stal, met dien prikkelenden ammoniak-geur, ’t zoetige hooigeurige onder den heeten diepen stank van uitwasemende dieren.

’t Was onbewust, alsof eigen natuurdrift losgromde, in geilen vechtlust, als voor hen, de opene natuurlijkheid der koeien in vreten en ontladen, zich schaamteloos opgulzigde en weer uitplompte.—

—Seg, skarreloarster, hai je t’met je vraier op sterk woater zet, ’k hep ie sien.... f’rdomd.... met die blaike stadsmuil van ’t staa’thuijs.

—Daa’s jokkes, stem-gilde Guurt uit hoek-donkerte de stal in, onder zwaar geboen, uit ’t duister te hooren, op rinkelige emmers.

—F’rdomd....

—Daa’s jokkes, ikke daan niks.... niks daan ’k....

—Nou stuif nie soo.... jai hep-er t’met an ieder vinger ein..

—Tog hep-ie main nie sien.... jài nie—.. en niement nie.. schreeuwde Guurt, die nu met boender in d’r hand en losfladderende haren van ’t bukken, naast Piet in scheem’ring kwam staan, één arm in heup-zwaarte gedrukt. En hijg-zacht naar adem, woedde ze uit....

—Neenet Pietje, dà’ hai je mis.... glad en al mis.... main sien niement.... je sel Annie sien heppe.... daa’s puur ’n lekkere.... daa’s ’n kreng.... daa’s s’n kwinkkwanker.... mo je hoore.... nou binne se in ’n f’raasderantie.... sel ’k moar segge.... en nou sait sain.... Nou dat de Ouë.... die laileke suipert....

—Dà’ kenne wai.... onderbrak Piet grimmig.... Maar Guurt vertelde door, afgevend op ’r vriendin Annie. Piet keek telkens schuin naar den Ouë en Dirk stond roerloos, vadsig, tegen den muur geleund.—Guurt lach-praatte, telkens haar adem-stoom even beschenen, van ’t donker hoekje uit naar schemeringslicht waarin Piet stond, opjagend de kerels. Hol brokkelde haar hooge vrouwestem af, in wije, klankende stalruimte, gelende schemerdiepte,waar de woordplonsjes instortten, uit niet-zichtbaren menschenmond. Ze had uitgerateld en Piet begon weer of ze niets gezegd had.

—Nou skarrel jai moar roak, se weite ’t.... je bint t’r ’n dunne!.... jai mi je faine snuut.... Kaik, daa’s nou main weut! moar.... jai jài.... kraigt nooit ’n man.... mit je witte lintjen goan jai de kist in.... beduuf’l jai nog moar soveul.... jai knikkert mit je vraiers....

—Dà’ lieg je.... heftigde Guurt weer, uit donker hoekje op ’m afspringend van ’r bukkig hijgend geboen.

—Louw.... allegoar louw.... die tochtige maide.... an ieder vinger d’r éin.... en allegoar moak je hullie dààs.... Jesis Dirk.... wa trek jai roar smoel.... aas ’n bunsem op de sprenkel.... gierde Piet’s stem.

—Hait puur lol, bromde Dirk goeiig, onverschillig even met z’n schoften schurkend tegen den muur,.... suinigies an.... suinigies àn.... goan se gangetje.... se gangetje....

Ouë Gerrit was heelemaal klaar met melken, ’t viel ’m nog mee. Niks meer noodig, voor se aige ’n paar kan, en de rest veur de venter. Nou g’n zorg meer an z’n kop.... ’t potloodje zat er.... stilletjes.—

Twee koebeesten was genog, tege Maart moste ze tug weer weg....

Met woede-woelingen boorden de koeien hun snoeten in ’t hooi, zoekend naar lijnkoek, die komen moest. Dirk had er al ’n paar uit den dorsch gehaald, waar ze half lagen te broeien naast de voerbieten, op ’n berg. Vóór de drinkgang zat ouë Gerrit op z’n knie, naast ’m ’t lampje, tusschen beschot en voor-loop, nauw opgedrongen. De grillig vlekkerige koekoppen sloegen wilder hun ringen tegen de rempalen dat ’t echo-bonkte. Zwaar-woest en gretig stonden hun oogbollen, donker, vol lust, en van uit hun geketenden neergedrukten stands wrongen de koppen zich òp, in wild geronk besnuffelend de halfduistere handen van den Ouë.—

In brokken duwde ie de lijnkoeken in hun vadsige, lebberende kwijlbekken, of liet ze vallen tusschen het hooi. Woelig omwolkten de beesten dan den dorren stapel, in woest gesnuffel. Toen de koek op was sneed de Ouë de bieten in groote blanke plakken, ze tusschen het voer werpend. Gretiger gulzigden de donkere koppen in rauw-raspend geslik. Lijf-wasem sloeg overal van de beesten af, en hun bekken dampten zwaar. Vocht droppelde langs het beschot, warm-broeiend, tot vèr van de dieren àf. Woest bleven ze omlekken de donkere handen van den Ouë, die in z’n hoek, geknield, suffig ze zat te bekijken, niet meer denkend om z’n beesten, alleen, stil-zalig, en roezerig na-genietend, om wat ie weer zou te zien krijgen vannacht. En nou, in die warmte, oog-soezend in ’t dunne licht-straaltje, viel ’m ineen in, ’t heele tooneel. Hoe hij had gestaan, de notaris, en hoe raak z’n greep was geweest, met al dat zand en die rotte bladeren.

Guurt kwam de melktesten aansjouwen, die in hun lichtig glazuur, steen-bruin glanzerden in het scheemrig lamplichtje. Sieperend zeefde ze melk uit den ketel in de testen. Poesje, was zacht aangeslopen en geestig-fijn, tast-sluipend met z’n kopje in de test, bleef ’t in drinkbuiging, zacht ingehouen, met z’n bedonsde pootjes op testrand staan, schuchter, terugkrimpend in z’n blank poes-dons, bij elk stal-geluid, bàng dat ze ’m snappen zouen in z’n snoep. En fijner nu, herhaalde ’t z’n snoep-beweeg, vlak bij het lampje dat op steenen kleurgrond lichtte. Fijner schaduwde z’n kopjes-rond, snorlijntjes en punt-oortjes tegen beschot, en in schuchteren snoep-stand, boog méé, scherp zwart silhouetje, gratielijk met staart en sluippootjes.

III.

Het half-zesje stond klaar in de woonkamer. Vrouw Hassel en Guurt hadden hompen brood met kaas en roggebrood, zoo maar, op kale tafel klaar gesneden. De koffie stond te bakken op petroleumlichtje dat knepperde en stonk. Zwaar stoelgestommel rumoerde voor allen rustig zaten en gebeden hadden. Met handpalmen verkreukten en trokken ze hun brood af. Moeder Hassel schonk koffie.... koffie was haar eenige troost. De dokter had gezegd, dat ze ’t niet moest drinken, maar ze vergat ’t. Vroeger al had haar hevige drinkhartstocht elk bezwaar overrompeld. Ze mòest drinken. Den heelen dag dronk ze, dronk ze, spoelde ze iets weg in ’r, door dien heet-zoetigen smaak. Wel dertig kommetjes sloeg ze in. Dat was ’t eenige dat ’r staande hield, en ’r verdriet verdoofde. Daarom stond ’t wit-steenen koffiepotje, koud en bruin-besopt aan alle kanten, roetig-ingebrand bij den bodem, den heelen dag op ’t stinkende petroleumpitje. Bakken mòest ze. Water bij eerste treksel, water bij tweede treksel, al slapper, valer, viezer sop, klonteriger en grondiger; daarop weer nieuw gedrop. Zoo klieterde heel Wiereland bij de koffie. Overal in de tuinders- en werkmanskrotjes stonden de bemorste petroleumstelletjes, duffig en roetig-vies; stond vaal-bruin blad met grauw-steenen kopjes, uitgeschulpt en bepuist, naast ’n nikkel komfoortje, vuil-verbrand of pracht-blinkend.

—Skenk main nog wa’ leut, snorkte Piet tegen Guurt, met ’n bons z’n kopje op tafel dreunend.

—Nou, lachte Guurt, jai hep t’met ’n dam lait.... se kenne d’r puur ’n spaiker op je moag glaikkloppe.... wat ’n pens!..

—Kaik die, waa’t hekkepunter.... wat ’n bemoeial, sou je d’r nie ’n druil om d’r hoet ketse?....

Vlug, lacherig nog om Piet’s vraatzucht, schonk Guurt in. Stil gesmak zoog door ’t kamerke, dat sufte in z’n dof-geel lamp-schijnsel, waarin de staartklok alléén, met z’n koperslagwerk, zacht òpglimmerde in lichte, schichtige glans-veegjes. Telkens nog bonkten ringrukken van de koeien uit den stal, of het snikken even van ’n herkauwende, zuchtte tegen de half-opene kamerdeur. Bij nieuwe broodhompen sperden wijer open de kaken, lebberden de monden, lui en vadsig in de broeiige kachel-warmte en loom tiktakte de friesche, met iets van winterigen slaaplust in z’n slingergang.

Vrouw Hassel zat jammerlijk stil en verlaten te kijk-suffen onder het scheefhangende lampje, met z’n geel-rood vuil vlammetje en naargeestig schijnsel. Half afgezakt van haar stoel zat ze, in ’r vettig bruinige huisjapon, die bochelde op ’r rug. Haar afgeleefd rimpelgezicht leek grauw-zwart. D’r grijzig groezel-haar, dat flodderig los uitslonsde onder de smerige, bij de ooren gepunt-kruide steekmuts, die schedel-naakte gleuven door het gaas schemeren liet, overhuifde zwaar en donker ’r klein monsterlijk gezicht. Telkens gulzigde ze ’n slok koffie in, dat ’r magere keelkrop er van natrilde en beet dan weer op de punt van ’r vettig schortje.

Tranen pinkelden plots in ’r brandende oogen die gloeiden, alsof er kalk ingewaaid was. Om ’r breed-dunnen kwijl-mond, waar op afzakte, pappig wangvleesch, dat als los vel zwabberde op kakement, in teistering doorgroefd, doolden trekken van verlammenden angst, spanning om te willen volgen wat om ’r heen gebeurde, vast te houen wat ze dof hoorde. Even na ’t schemeruur hadden ze d’r weer geknauwd, waren, ze ’r weer op ’t lijf gevallen met vergeet-dingen.

En Guurt had ’t hardst meegekrijscht, blind voor d’r smart, zelf zich lekker, sterk, frisch, jong voelend. Nou was vrouw Hassel weer uit haar beetje opgeleefde vreugd gestooten. In één zag, hoorde ze weer alles veel slechter, vatte ze niets, ging ’r ’n lijm’rige verbinding van woorden door ’t hoofd, suizelde en spande ’t overal in ’r, hoorde ze geruisch, verdoffend om ’r héén, van stemmen en àldoor achteréén, fluiterig gegil door de hersens diep in ’r ooren. En telkens slokte ze gulziger ’r koffie-vocht lekker, warm, smakkend en opzuigend de zoetige vuilheid, die ’r niks zei, niks verweet, niet aan ’t schrikken maakte.

Paf-rust loomde ’r weer in ’t kamerke, waarin de dingen, boers-knus aanglinsterden. Klein-stijf stond in ’n dwarshoek, schuintjes, ’n pronkschoorsteentje, zelf-getimmerd plankje, omspannen met vaalrood lapje, koper-bepend. Om de lakzwarte glimkachel lag morsvuil, ingetrapt kolengruis en ’t plaatje dofte blikkig. Glanzerig van politoer-lichtvleksel, in rood-bruine gladheid stond er tegenover mahoniehout linnenkastje, parmantig-stijf, op klein-breed poot werk, aan hoeken versierd met poppetjes-spul, fel-kleurig steen, en tegen het blom-grof, geel behang, hingen los-opgehaarspelde gore haarwerkjes en kleur-stervende chromo’s, koningen met pelzen en Zwitsersch meer-blauwsel. Alles bakte en loomde ’r vergeten in boerenknusheid. De grof-rooie stoelen, met hevig geel bies-streepsel stonden te drenzen in den doffen lampschijn. Alleen de kwikzilverige vaasjes, buikig-rustig, op het mahonie-kastje, vroolijkten met breed-mondige lichtstreepjes. Naast de kachel, achter vuilen kolenbak, pronkte rijk-ongedeerd, koperen standaard, met schep, koperen tang en pook, sierlijk gebogen en zacht-beflonkerd, smetteloos voornaam lachend tegen den vuil-roetigen pook die ernaast op ’n stoel lag. In ’n anderen hoek van laag-balkend kamerke wemelde ’t van portretten, op klein tafeltje met goor-stijf-krullig haakwerk belooperd. En vlak achter vrouw Hassel donkerde ’n korf met tortelduifje, dat uit z’n beduisterd kamerhoekje klagelijk koekeroede.

Tusschen stemgepraat en eetgesmak, bij stilte-poozen, weemoedigde ’t duifje, uit ’t licht geschoven, in z’n korfje, op ’n voetstuk van gebroken bloemstandaardje, dat sidderde als ’t diertje sprong. Zacht klagelijk koekeroede z’n zwel-kropje, als ’n kindje, dat ergens ver, zacht te schreien en te snikken lag. Plots trok Guurt ’t meer in den lichtkring, toen ’t juist, wil-venijnig zich-zelf in z’n veertjes zat te snavelen, hals verdraaiend diep. Bij ’t geschuif, plots vooruit, in ’t licht nu, dat z’n korfje inschemerde, dook z’n kopje onder de veeren weg, begon ie stil te loeren voor zich uit, stil, als luisterend naar wat gezegd werd door Guurt. Dan weer keek ie bijzij àf met z’n donkere karmijn-oogjes, die kniploos stonden, staàr, stil. In één weer kropte dan, uit teeder donsborstje klagelijk kindergekreun, heel zacht en als van ver, koekeroekoe, koekeroekoe, melancholiek in de paffende, scheemrige kamerke-rust. Guurt, met dikken vinger, krauwde z’n nekje, door korf-tralie heen onder staal-blauw glans-kraagje vol violette weerschijntjes en groenige schubbetjes. En geestig, onder ’t krauwen, vonkten donker, z’n rooie gloed-oogjes van lekkerheid, ging dommig-dwars z’n teer kopje als om te luisteren, weemoedden weer z’n koekeroe’s klagelijk kamerke in.

Plots gaf Guurt ’t korfje weer ’n duw achteruit, dat tortelduifje wegdonkerde in ’n hoek, en schrik in z’n wijnrooie oogjes stolde. Ouë Gerrit had Guurt wat gevraagd, die lijmerend onverstaanbaar antwoordde met vollen mond.

—Nou joa.... sel ’k moar segge.... fa’n koniggin Fillemientje.... hai je nog wat lese kenne.... eenmoal.... andermoal....

Klank van groote onderdanigheid was er in z’n stem gaan beven, en met vreemd-rilligen eerbied sprak ie den naam van Wilhelmina uit. Dirk schoof stil Guurt z’n koppie toe.—Kijkend naar d’r vader, schonk ze gedachteloos in, gansch bevangen door het denken aan de rijke almachtige koningin....

—Hée doedelsak, lachte Piet, haar tegen den arm stootend, genog, je skinkt t’r snof’rjenne noast....

—Aa’s se nouw t’met trouwe goat Ouë, schokkerde Guurt, alsof ze niets gehoord had, door,.... aa’s sai nouw trouwe goat de koniggin.... hep sai dan d’r femilje.... en magge die d’r na kaike?....

Ouë Gerrit schaamde zich altijd ’n beetje voor de groote kerels en z’n meid dat ie d’r niks van wist, en dat tie nie lezen kon. Brutaal, lukraak stootte ie ’r maar uit:

—Wel joa.... sel d’r ommirs puur niks.... skele kenne.. dà moak niks, loa se kaike!.... je hep ’r ven dit.... en ven dàt.... op soo’n dag.... hoho.... ho.... se komme uit de hooge!.... sel ’k moar segge.... en mit hoarlie pakkies àn.... afain.... fiere en vaife en nie genog.... enne....

—Nou joa, hield Guurt vol, die nog niets wijzer was.

—Toe maid, gromde Dirk, die nauwelijks wist dat ’r ’n koningin bestond, skenk in, je skenkt t’r noast....

—Nee, jokkes, verdedigde Guurt, maar nog niet loslatend haar vader:

—Moar .... enne.... nou.... aas d’r puur hooge....

—Kaik tug veur je.... doedelsak, je skenkt op main poote, helhoak....

—Main kristus, waâ jokkes....

—Nou grinnikte Piet, skeelt t’met gain koe.... skeelt t’met gain koe.

—Jesses wà’ kerels.... wa hep jai smoor in.... en jullie.. jullie.... wete d’r ook gain snars van.... weet jai ’t moeder?....

Ze schrok op, vrouw Hassel. Niemand vroeg haar ooit wat over zulk soort dingen.

—Gut.... schokte ze stemhaperend.... da wee’k nie.... al t’met....

Schuw brak ze af, gejaagd, want nou, waarachtig, nou wist ze niet eens meer waarover ’t ging, wàt Guurt gevraagd had. Haar leerig gezichtsvel fronste samen in monsterlijke rimpeling, en haar grijs-grauwe brauwen dottigden krampend. Vergeten, vergeten, smartte ’t stil in ’r, met ’n snikhuil, maar uiterlijk bleef schrei-loos haar gelaat. Alleen lichtelijk sidderden haar kaken. Plots sprong Dirk woest op, bonkte z’n stoel tegen den muur dat duifkorfje trilde en vrouw Hassel opschokte van ’r zitje.

Met rumoer ging ie den stal in, achteruit op straat. Guurt was gretig in Wierelandsch krantje gaan koekeloeren of ze ook iets van de koningin lezen kon, van wie ze boven haar slaapstoel twintig beeltenissen had hangen, in al andere standen en leeftijden. In ’r egoïstische voorstellingen, waan-zeker en achterhoeksch-bedompt, wemelde ’t van licht, goud en juweel, als ze aan de koningin dacht. En hoog, op ’r verheven stoel zag ze Wilhelmientje zitten. Van de kranten-berichten begreep ze niet veel; uit ’n behoorlijken zin kon ze juist niet wijs worden.... Als t’r zoo stond, in die deftige krantentaal, voelde ze zich kregel, ’t verwarde hààr voorstellingen, want die alleen leefden voor haar. ’n Paar dingen maar, licht, juweelen en goud, overal goud en ’n hooge stoel, ’n troon,—dat alles omgedraaid en omgedraaid in allerlei variaties, bedacht en bekeken met haar achterhoekschen weelde-hartstocht, dat ’t sterde en fonkelde voor d’r oogen. En nou die kranten! Maar half lezen had ze geleerd. Dirk voelde heelemaal niets voor ’t feest; wist niet eens waar Den Haag lag. Toch zou ze doorlezen. Knusserig schonk ze zich nog ’n kopje leut in, en naast ’r, schoof bevend-gulzig, de blauw-doorpeeste grauwige beef-hand van ’r moeder, die ook weer hebben wou. Plots kwam Dirk weer in, plompte zich weer neer bij de kachel. Guurt frommelde ’t krantje op zij. Niks snapte ze ’r van. De Ouë zat met ingezakt lijf in z’n op schoot gedrukt en tabakspot te morrelen, lijmerig z’n pijp vullend, vingerdiep, den tabak met duwetjes bedaard inplettend.—Vroolijk snaterde Guurt weer op....

—Hep jullie hoort van die raike vent van Duinkaik.... die hep s’n aige veur s’n kop skote....

—F’rdomd! riep in verbazing ouë Gerrit uit, onder zuigend aantrekken van z’n pijp.

—Of tie!.... de kommenai is d’r vol van.... en de slager sait ’t ook.... en welk gast je d’r spreekt.... de heule ploats weut ’t.... s’n aige doodskote....

—En ikke hep hoort dat tie valle is, zei Piet, leuk-ontgoochelend ’t nieuwtje van Guurt.

—Main kristus! wa jokkes, sloeg Guurt de handen met ’n klets in mekaar.

—F’rhange, zei plots, kort-stug Dirk, f’rhange, da heppe se main sait....

—Wie sait dà’ nou....?

—Kees....!

—Kees, Kees, bromde de Ouë, da beest.... die hep s’n skoenlappertjesmoandag weer.... sal dronke weest sain.... t’met nooit nuchter hoho!....

—Da lieg je Ouë.... da lieg je.... driftte Dirk met ’n slag op tafel.

Stil bleef de Ouë doordampen in snelle zenuwtrekjes aan z’n pijp, omwaasd in rook. Maar verjenne, wat keek die Dirk leelijk. Waarom most ie dat ook zegge. Hij wist tug da Dirk geen kwaad op Kees kon hooren. Hij bleef zwijgen, zuigend reutelende haaltjes uit z’n pijp. Guurt wou geen ruzie, ze had er genoeg van. Nog volgepropt zat ze met nieuws.

—Nou die soon van die kwinkkwank in de Bikkerstroat.. die sosiaal?... die hep mit se moeder motte f’rhuise.... hai hep skult bij de slager en skult bij de bakker en skult bij de kruienier.... en se motte d’r of.... en ’t heule spul mot f’rkocht.... murrege....

—Daa’s puur klets maid, sarde Piet weer leuk.... hai hep skarrelt mit Mie van de metselaar.... en da sit nou mit jonk.. en nou hep ie van d’r broer op s’n ribbekast hat.... en nou durft ie nie meer op stroat komme....

—Niks van woar.... sloeg Guurt weer ’r handen de lucht in met ’n klets tegen elkander.... Mie sit nie mit jonk.... en s’dient in Amsterdam....

—Nou, bitste Piet.... seg.... is m’ ook ’n happie!.... wa sou dat? hep se doar g’n dam legge kenne.... kom sussie?.. kaik m’rais in main fieselemie.... seg, kaik nou nie soo onnoosel....

—Seg Piet, vleide plots stern-zacht Guurt, van-oàvent is d’r in de Son soo’n prèchtige kemedie.... toe, neem màin nou d’r is mee?

—Jai hep main noodig, debies, neenet snurkert, da’ lapje main nie!

—Main kristus, ik hep nooit niks.... nooit, driftte Guurt gemaakt; heé Piet.... toe.... wees d’r nou erais ’n oardige knoap!.... ik hep aêrs soo’n dooie Sinterklòas.... se speule van moorde.... soo vreeselik.... je weut wel daa’k ’r dol op bin....

—Nee Guurt, daa’s niks veur jou.... dan grien je....