Menschenwee

Part 6

Chapter 63,741 wordsPublic domain

Ouë Hassel liep op bonkig struik-ruw terrein, vlak achter notaris Breemsma, die ’m nu en dan vriendelijk aansprak en grapjes maakte op z’n doorregend, groenig slap-vilten hoedje, dat met den rand plat afgeslagen, om z’n zilver-harigen kop heenrondde en z’n lokken, in zilveren kluwen tegen z’n nek opdrukte. Plots zag Gerrit ’t fijn-ranke gouden schuif-potloodje van notaris vallen. Uit de onbeholpen handschoen-handen was ’t weggegleeën, onder vraag-beantwoording van jonkheer. Hassel, die al ’n paar uur op ’t prachtige potloodje loerde, geen oog meer voor koop over had, heelemaal vergetend, waarvoor ie gekomen was, zag ’t vallen, precies op zandplek, tusschen het nattige gestruik en blarengrond.—Maar net deed ie of ie mee zocht, intusschen, beverig van hartstocht en verrukking, z’n zwaren klomp-voet op de plek drukkend, waar ie wist dat ’t potloodje liggen moest. In schijn van zoek-ernst, drukte ie het hevig éven in den blader-grond, zonder dat notaris iets merkte, met z’n achterste juist naar hem toegebukt. De smal-hooge jonkheer was doorgeloopen en bleef staan op ’n kruispadje met z’n stok tikkend tegen ’n paar struiken, uit speelsige leegheid. Maar verbaasd-wrevelig keek ie om naar notaris Breemsma, niet begrijpend, wat ie op één plek daar uitdraaide.

Beef-angstig-blij, had ouë Gerrit, nog al doend, alsof ie ingespannen meezocht, plots ’n wilde greep gedaan onder z’n voet in modderig zand, en zoo maar, wild in z’n jekkerzak afgeduwd, gis-voelend met z’n slijk-klauw in de voering, of ie iets stijfs tusschen het grondvuil gegrepen had. En snel-tastend voelde ie dat t’r zat, stijf, glad er tusschen.

—Daa’s daan, daa’s daan juichte ’t woest-dol in ’m van binnen. En strak ingehouen, met hevige beving in z’n stem vroeg ie notaris, liefjes, of ie ’m al had, naarstig bukkend naast Breemsma en wegduwend met z’n smerigen graaienden klauw, struiken en modder voor notaris, die met z’n handen niet grabbelen wou in ’t vuil. Zoo vriendelijk en lief vond ’m notaris, dat ie, onder scherp rondgeloer op grond, overal heen, maar mompelde.... dank je wèl Hassel, dank je wel....

—Drommels, ik dacht dat ik ’t maar zoo voor ’t oprape had, zei de notaris bedremmeld, nog even den achter zich loerenden bode een sein gevend om iets z’n gang te vertragen.

—Huhu! huhu! da ke je puur so hewwe, perste in zwaren bukstand en harkig gekrabbel onder knoestig gestruik, de Ouë eruit, de zwarte aardkluiten aan brei drukkend voor notaris oogen. Stil, met zwaar ernst-gezicht doorzoekend voelde Gerrit hart-bonkende verrukking, dat ie zoo vlak bij notaris stond, dat ding zóó maar in z’n zak had en dat ie zóó netjes kon liegen, netjes kemedie speule en zóó gejaagd en rustig tegelijk bleef.—Hij zou ’t wel kenne uitgiere van lol, van pret.... moar stil, soek en kaik aa’s ’n dooie soo strak, hou je goed.... jesis wà’ soàlig....

Niets kwam te zien. Notaris had in wanhoop ook gegrabbeld in ’t zand-nat en z’n vuile vingers streek ie, met viezig gezicht àf langs boomstammetjes. Erger voelde notaris wrevelblik van den jonkheer. Ouwenaar wilde niet langer wachten, en voor ’m hoorde notaris al den bode opjagen, die naar huis wou en schor nu van schreeuwen, doorkrijschte:

—Dertien, dertien mi je dertiene, veertien.... veertien mi je veertiene.... nog twintig kwart daarenboofe....—

Woedend voelde Breemsma zich, woedend op den grond, de struiken, ’t potloodje, den natten vuilen modder.... Maar vooral voelde ie vernedering in ’t brutale minachtende gekijk van den jonker. Wat ’n branie, wat ’n vent om hem zoo z’n minderheid te laten voelen, nog wel, tegenover die lamme kerels. Ja hij moest wel mee, anders zou ie van Van Ouwenaar wel weer ’n uitbrander krijgen, zooals laatst toen ie op ’n veiling ’n half uurtje te laat was gekomen.—Wat had ie toen niet ruwe beleedigingen over zich heen gesmeten gekregen, en ’n afstraffing, zoo maar, waar al die leelijke kerels bij waren. Ze hadden gegrinnikt....

Verdraaid, wàt lam nou.... dat potlood.... ’n goud ding.. Kijk ’m nijdig zijn.... ook geen vent om mee te spotten.... Maar kalm houen.... doen alsof ie niks merkte, weer vrindelijk lachen en anekdoten oprakelen; anders was ie verdomd z’n klant kwijt. Wel tien notarissen voor hem, die ’r op loerden.... Maar lànger kon ie niet zoeken.

Hassel zag ’t en zwaar-lekker, met zoete inzuiging van z’n eigen valsche woorden, zei ie langzaam:

—Aa’s je van de plek goat.... heppie ’t puur kwait....

Notaris grinnikte, sjokte met vuurrood hoofd van bukken, weer voort, achter tuindersstoet òp, vriendelijk-glimlacherig weer naast den stuurschen jonkheer.

II.

Toen Hassel zag, dat ’r voor hem toch geen koop meer was, dreef ie met ’n paar andere tuinders af, door ’n zijpad, modderend nog ’n half uur door zand en struiken, moe en hijgend maar met ’n oplaaiend hevig genot in ’m, van z’n diefstal.—Aan ’t Wierelandsche haventje kwam ie uit. Kringetjes-spuwers en leegloopers stonden daar voor kroegen, en aan straatjeshoeken gegroept. Z’n zoon, Kees den Strooper, zag ie ’r óók. Hij zou den vent wel steenigen willen, zoo woest was ie, alleen àl bij ’t zien van dat uitgeslepen bakkes. Nou moest ie sain twee maal in ’t gemoet loopen, op de veiling en hier.... bah....

Stil, in troostelooze kleurvaalte lag het breeë havenplein, met z’n droef-kaal boomgerij, dat droom-vaag in het vuil-bruine, donk’re water spiegelde. De spoordijk, die dwars ophoogde, voor het ontzaglijk-wije Wierelandsche polderland, lag scherp, in afsnijding van de luchtruimte, alleen te zien, als men hoog op huizen-stoep van ’t haventje stond, duizel-zwaar overstolpt in wintergrauwen wolkenhemel.

Uitgestorven sufte ’t haventje, met enkele schuiten en booten dwarsliggend, aan den walkant, stug-vaal van kleuren, menie-rood en rauw-groen, die waterig-flauw in wal-spiegel afbraken in vloeiende kleur-scherven. Ouë Gerrit was een van de havenkroegjes binnen geloopen, had snel ’n brandewijn met suiker in één slok ingeborreld, met niemand sprekend, hòlde naar huis, vol van hevig genot. Duizelig, met z’n modderhand, tastend in z’n zak naar het potloodje, dat ie nog niet eruit had durven halen, liep ie over den weg, in zoete zalige stille opwinding.

Guurtje had z’n eten in bed gestopt, onder de dekens en toen ie, toch grimmig van ’n leeg-weeïg maaggeprikkel instapte, vroeg ie gauw z’n kliek. Bij het suffe gezicht van z’n vrouw was ie al weer uit z’n humeur. Zij zat maar zonder ’m aan te zien, te suffen voor het raampje, met ’r ellebogen op tafel, te staren op het doodsche keipadje, naar ’n vuil kind dat voorbijkloste, naar ’n berooid-kale kip, die aan ’t drentelen was op ’t leege weggetje, naar ’n venter, en al maar voor d’r, de leeggevreten tuinderij, afgeknaagde singels, met d’r nattige vuil-gele hooi-klampen, stil en dreigend, en d’r omgespitte grondbrokken.—Bijna uit z’n humeur, toen ie d’r lamme snuit zag.... Alleen het gladde zalige wrijven over het potloodje, hield ’m stil-ingespannen. Tot vier uur bleef ie zitten smakken, blijerig denken, alleen in z’n vreugde, stopte ie pijp na pijp.—

Piet en Dirk waren van het avondland huiverkil thuisgerumoerd en bleven op ’t achterend, vlak bij keuken-warmte zitten schemeren, turend door ’n klein raampje, dat uitkeek op smederij van Willemse in de Bikkerstraat. Moeder Hassel en Guurtje zaten daar al van bij vieren. Dat was gewoonte bij Wierelanders in wintervroege donkerte, om licht te sparen, tot ’t broodje van half zes. In het donkere warme achterend-hok, gloeiden alleen, nu en dan, schijnsel-rooie gezichten òp, van vrouw Hassel en Guurt, die vlak tegen ’t raampje opgedrukt tuurden, als smidse, aan overkant van nauw straatje aan het hijgen ging, en van uit de open werkplaats ’n vlammenlicht, bevend over de oud-behuifde geveltjes heenijlen liet, dat de brokkelige lage krotjes te branden stonden in rosse gloeiing, verzwevend en wisselend, soms oplaaiend in dampend rood, dan verflauwend plots, met opdoeming van schaduw-schimmen wonder-wild en fantomig uit schemerstraatje. Telkens als smidsjongen trok, aan blaasbalg, ijlde ’n metaalgloed als brandende oker over de huisjeskrommingen, heet roodgoud neerschroeiend op ’n vuil-kronkelig gangpoortje. En telkens stapten menschen, nu donkere straatfiguren, uit zijweggetjes, in den lichtgloed, als magisch éven beschenen, met opglanzing fèl, van rooie koppen, lachend en satanisch, onbewust van hun rossige kleur-huivering, die wonder-diep en vizioenig gezichten en handen, vergroeien liet in vreemd avond-goud; alles rondom, dan plots donkerend verdween in zijweggetjes buiten brand-kaatsing. Het verweerde poortje stond even dan in gloed, als burcht-ingang, geheimzinnig vergroot, met achter zich, spitsen en tinnen in duisteren glimsels. En van overal kropen in rosse schijnsels de straatkrotjes bijéén, fel in vuurlijn afgestreept tusschen hevige schaduwen op kei en grond, angstig en ontzaglijk van geheim-kleurig duister.... Tot plots de smidse stil uithijgde en voor ’n poosje ’t straatje weer te droef-schemeren lag, stil en nietig, met z’n vuile mosdakige schemerdroeve krotjes.

Guurt kon niet afzien van den rossigen brand, die telkens op den vuur-verwilderden kop van den smid vóórop uitschoot, als de balg aan ’t laaien ging. Ze hoorde àchter ’t hok-raampje, het getemperde geluid van z’n hameringen op de gloei-lichtende wielen en hoepels.—Met pret in ’r, zag ze ’t vonke-sterren, de vuurspatten om de donkere hoofden en rompen van andere werkers dans-kringen en zweven, en alles weer heelemaal wegduisteren als de smidse tot rust kwam. Dan zocht ze in den zwakken zwaveligen nastroom van den gloed, hun hoofden, maar zag niets dan vage vormen van travaille, wiel-bonken en donkere karbrokken, groote hoefbogen, ijzerrommel en walsen, die als vergramd in de halve werkplaats-duistering zwarten uitlijnden.—Vrouw Hassel zag niets, zat met ’r donker hoofd maar te staren in schemerstraatje, tot plots vlammengloed van overkant haar kwam bebloeden, en wilden angst gaf aan ’r suffe hoofd met ’r magere hand aan d’r mond gekneld. Guurtje, tegenover haar, in ros-gouën schijn, begloeid als in tooverballet, het fijne hoofd, met die weeke trekken, als ’n Elsa, omlicht alleen, het gezicht en haardos. En plots weer schimden de vrouwenhoofden weg, met stilte tusschen de lichamen. ’t Was als ’n visioen van monsterachtige leelijkheid en vreemde sage-fijne schoonheid, dat koppenleven der vrouwen, weggezonken in het diepe zwart van kamertjes-donkerte. En zwaar tikte achter het hout beschot, door de stilte, de staartklok, langzaam, als wou ze telkens blijven staan. Tot plots weer, het raam in gloed òpschoot en de lichtkoppen uit de droomrige donkering van ’t kamertje opdoemden, het star-oogende, grauw-rossige bevende kakement, met den vertrokken breeden angst-mond, bevende skelet-hand van vrouw Hassel en de zoekende oogen volgevloeid van rood licht; daartegenover het sage-grillige prachthoofd van Guurt, in magischen haarbrand tegen de rosgouën raampjesruit, enkel hoofd en buste met verdonkering van lijf. Telkens en telkens zoo, verzinking van gezichten in donkre kamertjes-diepte, als de smidsevlam kromp, en vaag de halfduistere smeden weer heel gewoon te zien waren, peuterend onder kleine gasvlammetjes op donkere draaibanken.

Moeder Hassel was vandaag nog stiller dan anders, en toch kon ze helderder iets afdenken.... Nu juist voelde ze haar vreeslijk leed, zwaar alléén-leed, dat niemand van ’r begreep. Ze was altijd een gezonde vrouw geweest en, hoewel nooit heel slim, toch zuinige huismoeder. Tot ze, voor twee jaar inéén zoo’n rare knellende verdoffing in ’t hoofd had gevoeld, alsof er kruisbanden om ’r schedel gingen striemen en telkens gloeiingen er tusschen door, heete opstijgingen van iets naar ’t hoofd. Zoo, inéén, was ze zenuwachtig bang en huilerig geworden. En dan àlles vergeten, vergeten. Soms had ze de grootste moeite om te weten wat er in haar eigen huishouen omging. En niemand geloofde of begreep hoeveel smart ze had, hoeveel pijniging en marteling. Guurt was ’n meid die alleen aan d’r zelf dacht, dat voelde ze nog wel. En de jonges, ruwe kwinkkwanken die ’r afbluften.... Maar haar man was de ergste. Die was opschrikkend woest tegen ’r, duivelig, venijnig. Die porde en mepte ’r veel, altijd in ’t geniep. Dan kneep ie, maar valsch-bang, dat anderen iets merken zouden. En nou, wist ze zelf niet wat ’r met ’r gebeuren ging. Meestal kon ze niets denken, was ’t ’r dik en zwaar in ’r hoofd, watterig en benauwd.... Zoo zat ze nou weer te mijmeren....

Nou.... wa’ mos ze nou puur van denke?.... da ha je’t,.. kwait!.... kwait....

Wá’ kwait....? Nou, kwam ’t er niks opàn.... Ze kon nie.... nie....? wá’ nie?.... Main kristus.... Skande!.... skande.... wácht.... wá’ had ze ’t nou over?.. Stil,.... da gong ’t weer.... weg.... gut.... ja.... wacht nou há’ s’m.—Dá’ ze t’met niks onthouwe ken.... wacht se mos sich nou moar puur inprate da’t van selvers betert gong.... Zoo te mijmeren zat ze, met heete knelling in ’r doffe hersens, te grienen in het donk’re kamerke, voelde ze weer drukkende neveligheid in ’t hoofd, vergat ze weer wat ze zoo voor ’n paar tellen nog bedacht, kwam er licht gesnik in ’r keel, maar dàt hield ze in, uit angst, instinktief al, voor geschreeuw, wetend dat ze d’r uitscholden en snauwden als ’t gemerkt werd. Toch zat ze altijd in angst. Ze wachtte altijd achter, naast ’r, ’n roep, ’n krijsch, ’n stoot of woede-slag. Die wachtte ze nòu, uit ’t donker op ’r suffe kop, zoo pàl op ’r af, dat ze schrok als ’r heelemaal niets was en ze uit ’r doffe staar tot herinnering kwam, èven heel kort. Maar dan kwam indommeling weer, bewusteloos en toch hoorend, als even vóór den slaap. In die suizelige dommeling bleef ze voelen knaag-smart van iets dat ze niet begreep van’r zelf, vooruit wetend, dat ze toch alles weer vergeten ging, dat alles er door verkeerd zou gaan, maar zij ’t niet verhelpen kon. ’t Bangst was ze voor de snauw-giftige duwen van Guurt, en nog banger voor de driftige venijnige uitbarstingen van den Ouë. Zoo opgejaagd, niet wetend wat te doen, wachtte ze weer op nieuwe snauwen, voelde ze grimmiger aandreiging van vreeslijke rampen, zoo vlak tegen haar lijf. Dàt gevoel vergat ze weer als feit, maar bleef dan nog in nawerkenden vagen weedom, angstig zenuw-spannend, eng ingekerkerd tusschen angst-gevoelens, in ’r grommen. In haar week-watterig-dichtgestopt hoofd, spande en ònrustte ’t, als knaging van ’n woord dat men kent, maar dat niet wil invallen, toch door de ooren klankt, brandend op tongepunt. Al ’n paar jaar leefde ze in zoo’n martelende angst-spanning, zich erger, benauwder voelend, van maand tot maand, duizeliger, en doezeliger achter in ’t hoofd, al sterker vergetend, stommer smart uitsnikkend, van dingen die ze niet wist te zeggen. De dokter was er bij geroepen, had hooge rekeningen gestuurd, drankjes, drankjes uit eigen apotheek, zonder eind, ook de jonge arts werd er bij gehaald en in potjeslatijn hadden ze uitgemaakt dat ze ’r beide niks van snapten. Alleen de jongste mompelde iets van.... dementie.... hersenverweeking.... Toen ouë Gerrit ’m vroeg, wat ’t was, had ie z’n schouders opgehaald en alleen gezegd: „maar geduld hebben.” In dien tijd had zij alle moeite gedaan om er van af te komen, zonder drankjes. Want eerst dacht ze ook dat ’t aan haar zelf lag. Toen wou ze, wou ze onthouen, iets dat ’r eenmaal inzat. Ze groef ’t in ’r hoofd, metselde ’t in ’r geheugen, met drift. Dan begon ze te zweeten, te zwellen in onrust, in benauwing en lag ze in stille worsteling met de dingen die ze hoorde en wist.. Ja.. ja, nou had ze ’t nog.. ’t bleef.. ’t bleef.. nog.. nòg!.. Maar dan, heel zachtjes, kwam er verslapping, was ze vreemd-ver afgedwaald van wat ze moest, wilde weten, ging ’r de heele boel ontglippen.... Dan wist ze plots niet waarvoor ze zich toch zoo inspande. Er begon raar, wezenloos gedoezel in ’r hoofd te broeien, gedruk en iets heet-suizends kwam in ’r opstijgen.. Eindelijk dofte alles uit, ontspande en dommelde tegelijk wèg haar wil; begon weer dat stille smart-geknaag, zonder dat ze wist waarom. Plots dan, in het duister van ’r indommelen hoorde ze ’n schreeuw, zag ’n woedegezicht, rammelde ’n vloek boven ’r hoofd, drong ’n vuist op ’r aan;—nou hoorde ze stemmen van ’r zoons, ’r man, dat ze dat weer en dit weer vergeten had. Niks meer kon ze zich herinneren.—Alles klonk weer nieuw voor haar, en kort, heel kort dan, begreep ze, dat ze weer die dingen vergeten mòest hebben. Dàt pijnigde ’r erger. Sterker drong bij tijen de angst op ’r aan wàt ze beginnen moest, als dat zoo door ging. Onder hun hoon, hun schimp bleef ze radeloos, staar-bleek voor zich uitzien als levenlooze, omdat ze niet zeggen kòn, met geen woord, tegen die woedende gezichten, wàt er in ’r gebeurde. In die oogenblikken, dat ze om ’r heen dreigden in woest gekrijsch met woede-gebaar, voelde ze, onder haar eigen staren of ze stikken ging, dichtsnoering van ’r keel, met net nog ’n heel klein beetje lucht om te ademen. Bij elk nieuw verwijt sidderde ze, voelde ze in zich ’n angst van ’n rat die achter traliewerk wordt opgejaagd, wou ze zich ergens aan vastgrijpen, waaraan ook.

Vanmiddag zat ze in ’r donker hoekje, stil schemeruurtje, rustiger, nou ze geen verwijt-stemmen hoorde, veiliger zich voelend omdat ’r duisternis om ’r heenlag. Vandaag was alles weer beter gegaan. Ze had veel meer onthouden, voelde zich ook vrijer in ’t hoofd, ruimer, en stiekem had ze zich voorgenomen af te zien van ’n nieuw doktersbezoek, omdat van zelf de boel wel zou beteren. Heel even blij zat ze in ’t donker, dat ze nou wat minder gespan om ’r schedel voelde, dat ze weer veel gemaklijker op de namen van de menschen kon komen, beter op ’t eten had gelet, weer veel van ’r huishouding zag.

’n Adem-zware stemmings-stilte suisde door ’t warme achterend, paffig-warm en pik-duister. De smidse stond stil aan overkant. Dirk en Piet ronkten lichtelijk tegen muur-duister aan. Guurt zat roerloos, denkende aan ’n stoeipartij met ’n paar heertjes van de sekretarie, kale ventjes, die in hun heerige poenigheid diepen indruk op haar maakten. In d’r berekend verzet tegen hààr rijke, waarop zij loerde, die doodelijk van ’r was, had ze afspraakjes gemaakt, voor donkere laantjes-wandelingen om de tuinderijen. Maar zij wist wat ze deed, bleef zonder hartstocht. Ze zou zich daar niet te grabbel gooien, zooals zooveel meiden van de plaats, voor en zonder geld. Alles was fijn spel bij ’r, berekend op prikkeling, nou es naar de Wierelandsche Harmonie, dàn naar de kemedie. Daarvoor gebruikte ze àllen, loerend toch op één. Al was heel Wiereland nijdig op ’r, scholden ze ’r uit voor scharrelaarster, ’t liet ’r koud, ze wist wat ze deed.

Ouë Gerrit was uit den dorsch naar den stal gesjokkerd.

—Heé Guurt, ’t lampie!.... schreeuwde ie zwaar-hol uit den grooten stal, ’t achterend in, waar z’n stem geweldig in het duister kamerke stortte, tusschen de schemermenschen, in de pafrust. Gauw had Guurt je ’n lampje op schouwrand boven den stalhaard geschoven, haastig weer in ’t donker terugwijkend. Ze zat zoo lekker, zoo lekker d’r kansen te berekenen. De Ouë sukkelde en bonkte nog wat aan den haard, die vlak bij den stal rookte, op steenmiddenwegje, naar achterend. Met den vuurlepel rammelde ie dof en bonkend tegen den beugel, waar boven, zwart verbrande buik van konkelpot glimmerde.—Knetterend speelde er blauwig gevlam tusschen takkenhout. Duister-ruim schemerde de stal, en ronde ruitjes, hoog, als wilde oogen-sperring, in den bleekvuilen muur, staarden, nog doorlatend schemer-avond van buiten, groenig schemerlicht dat in valen schijn tegen de oograampjes opzweefde. In dàt licht, lijnden nog even donker op, takkronkels, stronken en schors-bulten van boomen op erf, bij brokken te zien door de starre-oogen van raampjesrond, uitkrampend in avondlijk schemergroen.

Ouë Gerrit moest melken, de eenige vaste arbeid ’s avonds aan hem overgelaten. Uit den duisteren hoogen dorsch, waar kouë vocht van de hooge dak-welving afvloeide, donker en griezelig-vreemd, midden in, hooiberg-gevaarte opsteeg, had ie luk-raak uit den hoek een arm vol hooi gegrepen, op den tast, en het in den stal-voorgang onder de donkere koe-koppen gesmeten. Ellendig vond ie ’t in den dorsch. Daar was ie altijd onrustig, in die zwarte ruimtekilte. Dan was ’t lekkerder in den broeiwarmen stal. Zware urinelucht en meststank zoog er doorheen, met bijtenden ammoniakgeur, verzwevend door het donker. Heel achteraan, in ’n hoek, stonden de twee koeien op hoogtetje.—Guurt kwam brommend uit het donkere achterend, waar de jongens nog ronkten, en moeder te suffen lag, het kleine petroleumlampje nadragen.

Voorzichtig zette ze ’t neer op ronde raampjesrichel. Hol klonk gestap van Guurt op steenen groep, en dof-schimmig onhoorbaar sloop Hassel op z’n paars-wollen kousen, door de leegte, dwars tusschen kleur-schimmige rempalen heen. Uitgestorven donkerde de stal, die gebouwd was voor twintig koeien. Zooveel had ie ’r vroeger bezeten. Nou maar, in verarming twee, die ie niet eens houen kon op de wei.—

Dirk kwam loom uit ’t achterend, de stal in, gapen uitstootend die hol vergalmden in de halve duistering. Met z’n handen, diep weggefrommeld in z’n groote zakken, bleef ie, lijzig koeiig kijkend, om den Ouë heen en weer drentelen.

—Hâ je nog wà’ vangst op vailing Ouë, vroeg Dirk.

—Hoho!.... ho.... ho.... niks te meer.... smeer’ge boel.... allegaer els.... saa’k moar segge.... els.... vier en vaif en nie g’nog.... skorumsootje....

—Zoo, bromde Dirk, zich uitrekkend, onder heviger gaapuitstootingen.—Toen, kijkend naar de beesten, leunde ie tegen den muur, onder het lampje, in geel-schemerig stallicht verdoezeld, bij een van de oog-starende raampjes.

Guurt scharrelde rond bij de pomp, op steenen middenwegje, naast den haard, klompklotsend. Ring.. ring.. ring.. ring.., stompte ’t uit donkeren hoek daar, met knarsingen van overhalenden slinger tusschen geweld-klettering van waterstroom in emmer. Even lichtte rossig òp soms ’n hand, ’n brok gezicht, ’n rokpunt, als ze overbukte dicht bij den haard. In den hoek, vóór de groep, schemerde ’t zwak-geel lampschijnsel op koei-kruisen en schonken, die heuvelig afschaduwden tegen beschot áán en op dwarsmuur, als drommedarisbulten, vaal-zwart. In de stank-uitwasemende groep lag koevuil te dampen, om den kruiwagen, die nog vol mest, beklonterd achter de beesten, op achtergang stond. Plots viel er stilte, toen de pomp uitgeklaterd had, en de dreunende ring-rings stomden. Overal door den groot en hollen stal, ging kruip’rig schaduwspel over steenen vloer en muurhoeken. De Ouë had eindelijk, lijzig, ’t melkblok op de stalstoep gelegd. Zacht op de koebil patsend, schoof ie ’t blok tusschen de warm-wasemende snoffelende dierlijven. In licht vreugdegeloei dat zacht-bazuinig en weemoedig-zangerig verhuilde in den stalschemer, draaide één koe d’r kop naar ’m toe, zich loswringend van ’t touw dat vastgesnoerd zat aan de groen- en blauw beverfde rempalen. Met z’n smoel duwde de andere koe, de loeiende terug. Wolkerig woelde op ’t hooi, dat de beesten uit vóórgang van den een naar den anderen kant trokken en scherp sneed door de stilte, hun grissend grazen en kauwen, hield soms plots even op, druischte dan weer ààn, als vloeide ’t zeis-geruisch van ’n maaier door ’t donker heen.