Part 38
Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—
Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.
Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.... rotte joòd!
Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—
Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.
—Hooggè.... wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.... den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.... voor tè stellèn.... Ik ben.... tandhéélkundigèn... mijn naam is... Jaack Ròzel... woonàchtig.... sedèrt.... drie-en veertig jàren.... te Rottèrdam.... nùummééroo zès-en-zèstig.... alwàar ik.... prakkiseer.... sedert veertig.... jarèn.—Ik ben.... dèn zoon van dèn.... èx-èx-professor.... te Montabilie, gènaamd.... Jaack Ròzel, seni-or.... waarvàn ik.... den eer heb.... den èchten, den eenigèn afstammèlingg.... tè-zijn.... Ik represènteer.. zijnen.... nagedàchtenis.... en verkondig den volken.. zijn sàluut!
Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:
—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.... genees.... àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.... Ik.. gènees àllen zinkes.... àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.... en... stòringèn.... gèlijk gij dat.... ondèrvindt.... van profèssèuren.... gèlijk gij mààr.... wilt.... luistèrèn!—
Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.—
—Noemt mìj.... éénen.... leugènààr.... noemt mìj.... éénen.... bedrièger.... éénen galèiboef.... indien ik.... ù niet... den geëèrden argumènten... toon... Maaààrrrr!!.... stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.... àllen doktòren.... àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.... kènnen.... Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.... en èchten.... afstammèlingg vàn.... Profèsseur.... Jaack Ròzel.... Senì-or.... zijnèn vàder.. te Montabilie.... begràven.... mèt mùziek.... en militairen eèren.. Allen kennèn.... Jaack Ròzel.... Juni-or!.... wien ik.... dèn eèren heb.... hièr tè zijn.... Voor wièn ik.... Hedèn.. mijn beproèvingen.... zal amploi-jèèren!....
In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—
In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.—
—Ik.... Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.... van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.... zoòwel àls van kolièkèn.... van klièrèen.... zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.... van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.... van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.... En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.... zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.... kostbàren vocht vàn.... Valura.... in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—
In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:
—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.... pùbliek.... met dit.... vocht.... van Valura.... geneès ik.... wondèren!.... Met dit vocht.... heb ik reeds.. genèzen.... dèn kòning van Itali-en.... dèn koningin van Spanje.... dèn oud-kroonprins van Groenland.... den princes van Montàbilie.... den èrfgraaf van Havana.... dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.... dèn dekens.. èn dèn.... bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.... duurzàmen.... vocht.... mijnèn.... geëerden hoordèrs.... verricht ik.... geneesingen.... dien gèèn.... doktèr.... gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.... gèèn àrts.... gèèn profèsseur, gèèn spiritist, gèèn hypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.... gèèn Christèn.... gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.... na-verrichten!.... Maaààrrrr!.... mijnèn vrienden.... Eenigèn.... druppèls, van dit.... duurzàmen vòcht.... in dèn mond.... eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.... daarnà hèt vocht.... uitgespògen.... dèn mond.... nagèspoeld met koud water.... èn wèg.... èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.... Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.... aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.... geëerden.... aanwezigheid.... dien er.... mààr wil.... den proef laten nèmen.... Ik bèn.... Jaack Ròzel.... Juni-or.... woonàchtig te Rottèr-dam.... Reeds sedert.... veertig jàren.... trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.... graties!.... voor-niets-niemèndal!.... Alleen vòòr dit.... flèschje.... betaalt gij....—Dat-wil-zeggen.... Ik ben.... hier niet.... gekomèn.... om wat.... te verdiènen.... maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.... een weldààd.... Maarrr!!.... al zoudt.. gij mij.... vijfèn.... twintig guldèn.... willen gevèn.... ik zou dezèn.... niet akcepteeren.... Ik bèn hier.... òm ù.... van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.... van Valura.... spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.... òntdekt.... ten tijdèn.... vàn het.... middernachtelijk uur.... door mijnèn.... vader.. profèsseur te Montabilie.... door zijnèn.... handèn.... den handèn.... van Jaack Ròzel.... Seni-or.... dit vocht.... met zijn..... geheimen sàppen.... kùnt gij.... krijgèn.... Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.... van vijf-en.... twintig.. gulden.... Voor gèèn twintig.... gèèn vijftien.... gèèn tien.. gèèn negèn.... gèèn acht.... gèèn zevèn, gèèn zes.... gèèn vijf.... gèèn vier.... gèèn drie.... gèèn twee.... gèèn één gulden.... Maaààrrrr! dit vocht.... waarmeè ik.... genees.. àllen zinkèns.... àllen koòrtsen.... àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.... kost slèchts.. dèn prijs vàn.... vijf-èn-twintig centen.... En al.... woudt gij.... mij nu gèven.... na te hebben.... gèzien.... den wondèren van mijn wèrken.... op hèt lijf en den ledèn.... den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.... al woudt gìj.... mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.... ik zou.... hèt.... niet.... aanvaardèn.... omdat ik.... een weldààd.... voor den armen bèdoel....—
Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.
Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—
Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.
Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:
—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.... Is er.... een-ònder u.... die soùffreert.... aan pijnèn.... ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.... het strottenhoofd.... hij komèn.... tot mij.... opdat.... ik hèm.... òp slag gènees.... onmiddèlijk.... Ik ben.... Jaack Ròzel.. Juni-or.... heeren en dames!.... zoon vàn.... profèsseur.. Ròzel.... Seni-or.... woonàchtig tè.... Montàbilie.... Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.... lijdendèn is ààn pijnèn.... ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.... hij komèn.... tot mij!.... Mijnèn.... vriendèn.... en ik.... zal hèm.... dadèlijk.... genè-zen.... zonder smàrten.... met dit.... geheimen.... wondèr vocht.... van Valura!.... Laàt u.... hèden.. niet terughoùden, door.... àngsten of.... valschèn.. schaamtèn’s.... Want ìk trek.... zònder pijnèn.... en zònder àngsten....
Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.
—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.... t’met stol ie.. je koàsies.... kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.
—Nièmand.. mijnèn vriendèn.... behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.... niet dèn.. proevèn.... heeft gèzien.... gelukkèn.. Komt ééns hier.... gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!
—Komp nou op de koffie hee?.... die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.
—Leg.. uw.... kaasjès.... maar hier.... nèder!.. mijn vriend.... Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.... Neen! kom niet.... àllen drie!.... tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.... Gij.... àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.
Wat schèèlt u?... en waar mààkt gij.... u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.
—Nou?.... joa kaik.... doàr.... achteràn.... in main bek hee?.... aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.
—Hoe is ùw.. naam.... jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?....
Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.
—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.... dien doet u.. pijn? niet jongèling?....
Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.—
—Hier hèbt gij.... pijn nièt?....
—Nou.... nou.... auw!.... ik f’rek puur fé’ pain!....
—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!....
De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.
—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!
—Hoekke motte ’t weuse?.... stamelde de gevraagde verlegen.
—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.—
—Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.
—Wá’ he’k main slinger!.... dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander....
—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.
—Kom bai màin op de koffie Joàp!....
Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:
—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.... gèachten.... vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.... geëerden oogèn.... den kòst.... te gevèn.... ziet toè... hoe mijn... vocht vàn... Valura.... wondèren.... uitrichten.... zal.... Dezen jongen vriend.... ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.... koortsèn.... en zinkès.... van wegèn.... den verròtting.... èèns kies.... nièt waàr vriend? Gij lijdt.... gij hebt.... duldeloòzèn.. smarten.... in dèn ochtend.... wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn....
—Nou furt dan.... furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.... stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:
—Gij hoort hèt.... gèacht pùbliek.... ùw vriend lijdt.. pijnèn... smàrtèn... zièt toe... hoe ik... dezen.. jonggèling.. éénigen.... dròppels.... van dìt.... gèheimèn.... vocht toèdien.... zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.... Maar houdt hèt.... geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.... ter exploiteering der kràchten.... vàn mijn... geheimen Valurasavochten... blijkt dit... koelen vocht saamgèsteld.... uit bestanddeèlen van wònderen.... dien ik niet.. zeggèn mag!.... Maaààrrrr! waarmeden.... ik allen.. pijnen.... gènees.. bij koningen en princen.... gravèn.. en baronnen.... tot bij den vòlken.... van dèn.. laagsten ràng..
Ik zeg nù.... tòt u.... gij jòngen vriend! neemt dit.... koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.... voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.... en nooit wèder.. kèèrèn.... Alzóó.... spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.... vriend.... het speeksel.. ùws monds.... Schaamt ù niet.... voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.... Drink nù eens.... één slok.... vàn dit.... ijskoud heràldisch wàter.... dat is heraldischen spijzèn.... vàn oòrsprong. Egyptisch.... zòò juist!.... spoel daarmèden uit.... den ònreinhèden.... uws lichaams.... spoelt dàt.... àlles, dat meèleed aan uwen.... spieren.... en pezen.... gewrichten.... en gebeènten.... laat uwèn... mond verkoelen.... èn wèg.... wèg.... èènsklaps.... zijn àllen pijnèn! Spreekt vriend.... spreekt.... hoe.... voelt gij.... u? Waar is ùw.... pijn?... Waar?... zoo éénsklaps verdwènèn?.... Sprèèk!.... sprèèk!....
Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft... Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.
—Welnu.... jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.... spreekt tòt u.... gèlijken.... tòt uw naasten.... vriendèn en maagdèn.... en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig.. te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.... uw eensklàps.. heeft genezèn.... van àllen pijnen.... àllen smarten.... àllen zinkens.... àllen rheumatismen.... waarmedèn.... uw aangèzicht.... bezwangèrd wàs.... Spréékt!... Hebt gij pijn? nù nog?
—Nou f’vloekt.... nou hè’k puur main droai... dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..
Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:
—Maaààrrrr!!.... nu zièt gij.... dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.... Dezèn jeugdigèn vriend.... door mij àànschouwt.... begeeft zich tòt mij.... zoekend.... naar genèzing.... van dèn martelingèn.... des kiespijns.... Hij komt tòt mij.... uw allèr vriend.... met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.... vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.... geeft hèm.... eenìgen druppèllèn.... van mijn vocht... En éénen.... minuut.... staat hij hier.... hij drinkt vàn dit.... ijskoud heraldisch wàter.... en spoelt zich.... ònder... mijn toezicht.... En eensklaps... weg... is àllen... pijnen.... àllen koortsen.... Onthoudt nù.... geëerden menschen.... dàt hij èènen.... mìnuut.... voor hij.... hier kwaamt.... voòr mijnèn tafel.... nog hinkten.... nog jammerden en weènden.... van smàrten....
En spreekt nù.... weer jonggèlingg!... En zeg.... niets.. dàn dèn.. waàrheid.... àlleen en uitsluitend den wààrheid!..
Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..
—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.
—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.
—Aa’s ’t gain mesièk is!....
—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.... en je sien ’t puur veur je aige lampies.... die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.
—Tu tu tu.... sou d’r rais kaike.... mi’ de aêre hee!..
Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.... wa’ hitte!.... Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.—
—En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..
’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—
Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.
—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?
—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.... barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.... de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.... hee?..
Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:
—La’ jai je nie naime Piet!.... aa’s t’r pain is mo je.... f’rdomd,.... mo’ je ’t uitskraife.... aa’s ’n kerel!
—Nou.... da’ kaa’n je op toetere!.... riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.
—Ja vriend.... indièn gij.... ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.... moetèn opgèvèn.
—Nou seg... hep gain loàrie... ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.... debies!....
Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.—
—Ja vriènd.... in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.... verwijdèrd.... moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,... Zòò.. juist zòò!.... Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.... zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.... zondèr.... schokkèn.... zonder stòòten.... zonder smartèn.... zondèr soufrànsèn....