Part 44
Aan walkant bralden en drongen weer meiden en joodjes, wachtend op laten aanvoer, geschrikt en ontnuchterd plots als ze gèèn dronken tuinder tegenover zich kregen. Tegen half vijf kwam kleine sloep met nieuwe aardbeibakken aanstoomen, en in halfdronken strompeling, stovende hette, woelden de moeë kerels weer tusschen hun kisten in, omdrongen van koopers, groentekarlui en schorremorrie, afzetters, gappende en smokkelende ventertjes, die loerden op afval en verwarring van bezopen boeren.—Er kraterde weer gevloek los, geprijs en gesjacher. Weer toeterden en raasden de kerels met verkeerde bakken, en de nog niet beschonken tuinders, met klaren hartstocht voor verkoop, scherpten en snauwden, elleboogden ruw door de òmdringers heen, in felle taal, om hun dronkeloozen kop te toonen.—
Laatste stuiptrek van sjouw en ploeter, krampte weer plots òp, in den snikkenden hittemiddag aan ’t dok, die stoffig doorzond er geschroeid kookte van licht, en uitsneed z’n strak-blauwe walmende schaduws op de keien. De half dronkenen waggelden weer èven vernuchterd, overeind. Duizenden in drang, driftigden daar bijéén, in woeling en sjacher, voelend bij instinkt dat ’t de laatste aanvoer zijn zou van ’t jaar, aanvoer zòò hevig, zòò vol en overvloedig.—
—De hoogste praiser hep ’m doalik, schreeuwde Dirk, in gul-dronken bui, kregel dat ie niet lekker-broeis, stil en zuipend in de kajuit kon blijven zitten met z’n borrel en z’n pijp.—
F’rdomme.... die Ouë.... nou hai hier in de smoorkook die naimt’ d’r van.... Nou.. wie mot d’r?—
’t Werd ’n jacht, ’n roes, ’n duizelende storm op de beschonken groenboeren, die waggelden in slappen beenstand, en lolden tegen de wijven.—De meiden glommen en vleiden weer, met geile mondjes en lok-lachjes, in glunderige zoete kijkerijtjes. Ze werkten weer met bloote halzen, blank rokkespul en smijig geplooi en gekreuk van d’r jakkies om borsten, d’r spanrokken om dijen.—Flik-zoete lintjes prikten weer òp en de blanke wellustkoppen gierden, en de handen friemelden weer.—
Als ’t niet ging met zoetig gestreel en weeïg gezanik, braakten ze plots uit ’n heeter stroom van smerigheidjes, met satanisch gevoel, in den laatsten sjacher, daarmee de kerels te overbluffen, te prikkelen en te verhitten. Veel venters, bek-àf, stemden toe in prijs, lam en gebroken van sjouw. Anderen, taaier en nuchter nog, hielden vol, begrepen hun eigen kansen, spotten en hoonden, braakten vuil terug uit, weerden de flikflooierijtjes en zoetigen wellusthuiver af, in bijtende woede. Onder gevloek en geraas gaf schorremorrie zich over, omdat ze de waar hebben moèsten, en kalm sarrend hielden de nuchteren hand òp, trechtervormig ingediept, om het zweet-plakkerige geld te ontvangen, vast te zuigen, in d’r zwaar-bronzen klepzakken van stinkende broek.—Een half beschonken stoetje kerels, half al geënterd en vastgenageld in kringetje van brutaal-bijéén gedromd klusje meiden, kreeg plots besef dat ze door bij elkaar hoorende koopers, betoeterd werden. Woest grabbelden de venters terug, rukten hun bakken weer in de karren, schreeuwden en vloekten als razenden tegen de beduusde wijven en handlangers, die op geen verzet meer gerekend hadden. Nu tierden en krijschten de áángeschoten boeren lànger dan de nùchtere, bleven taaier hangen aan hoogsten prijs.—Plots, ’n paar zwaar-beschonkenen, uit de verkoop-groep, verlekkerd op loktaal van meiden, dwongen ’n geel-harige Zeedijkster, vijftig mandjes voor niets mee te nemen. Om ’r heen kletste afgunst van andere wijven, die ’r verdrongen en aanstootten uit nijd dat ze dat niet doen kòn voor de politie. Maar de venters, dreigden de geelharige op ’r bek te ranselen, aa’s se nie toègreep!
Overal klonk dronken, herrieïg en halsstarrig gewawel, verbijsterend uitgesponnen gezeur, vast hakend gestrubbel en gestrij, tusschen de nuchtere koopers, en lachschreiende half-bezopen venters.—
Hitte braadde, priemde de koppen, de wangen, de nekken en drankstank walmde hun heete kelen uit. Te blazen van puf-benauwing, te schelden, vloeken en bonkeren met de morsige knuisten op de bakken, stonden ze, lawaaiend tusschen ratel en wegroffeling van karren, op dreun van gloei-dampende keien. Een aangeschoten groenboer was ingekneld tusschen ’n groepje joodsche vrouwtjes, met lepra-kopjes, gelig, vol huidbarsten, en groot-zwarte kijkers, àllen met zondig besef van hun sabbath-ontheiliging op d’r vergroefde zorgelijke gezichtjes, die klein onder kleurige mutsjes uitpuntten.—Niet los te woelen wist de lange tuinder zich uit den taai energischen babbel en sjàcher der kleine wijfjes, allemaal ’t zelfde gekleed, donker omsjaald, sprekend op elkaar lijkend, met lintkleurige mutjes op d’r glad-gekamde toertjes. En waar hij schoof z’n bewegelijk, zacht-waggelend lijf, schoof koop-heet kringetje van joden-vrouwtjes nauwsluitender mèè. Onder getier en geloei van stemmen, krijscherig en valsch, werkten ze ’m één voor één de waar uit z’n handen, goedkoop, héél goedkoop....
Plots kwam nuchter strenge kapitein,—die nooit iets anders dronk den heelen snik-heeten dag door, dan koffie,—zeggen dat ’t tijd was om op stap te gaan. In jagender tempo nu dromden de prijzers òp, gingen vloekender schokken door koopers en venters. Na ’n half uur was alles leeg, stond de wal schoongeveegd van sjouwers en sjacheraars, kruiers, wijven, meiden, karren en kisten.
In woesten smak laadden de kerels hun bakken weer de boot òp, en dadelijk, nà droeven sein-zang van pijp in den blakerheeten middag, draaide de kaptein havenwoel van groote stad uit, ’t dampige, oversmookte, violet-grauw van hemel, en gloei-kleuren verspoelende IJwater, instevenend.
V.
Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—
Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—
Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.
Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.
’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.
Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.
Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.
’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—
Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—
Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—
Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming, naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—
Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.
—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!
Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.
Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.
Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.
—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.... ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!....
—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder....
—Nou ja.... ik bedoell eigelik in uwès boekkie.... de methoòde.... lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!
Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:
—In drie daaghe te leere.... voor ’t kleinste kind!.... de meledie....
Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—
Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.
En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—
Scherpe jenevergeuren, spiritusachtig zuur, walmden uit buffet van tafel naar tafel. Ze voelden zich smoorheet, de groenboeren, maar lekker, paf-verhit in de kroeg.
Dirk en Klaas Grint bleven vlak bij elkaar. Dirk zoop zwaar dat z’n hoofd heet-kleurig rood te zwellen stond, en z’n kale, blond behaarde nek in vuur schroeide. Grint had stille drinkerskleur, zachtpaars, maar toch keek ie nog helder uit z’n oogen, zonder dat iemand merken kon dat ie al vet was.
Op de haven had Dirk Kees, die karren en bakken terugreed, nog even gesproken. Hij wilde ’m ’n borrel opdringen, maar ’t was niet gelukt. Ze hadden Kees ook èrg schuwerig bekeken weer, als voelden ze zich niet gerust bij den stillen Strooper. Uit angstigen bijval wilden hem ’n paar tuinders nog wat borrels aansmeren, maar Kees bleef weigeren, toèn met ’n vloek.—Dat was z’n kracht! Hij voelde dat, àls ie zuipen ging, hij niet meer ophouên zoù al z’n verdriet, z’n huiselijke ellende en getob over Wimpie’s beroerderigheid weg te spoelen. Nou z’n ventje ’r nog was, hield ie zich sterk.
Nou had Kees Dirk gezeid, dat Ouë Gerrit d’r strak-en-an nog rais ankwam, op de haven. Dat maalde Dirk ’n beetje. Hij voelde dat dàn z’n centen in den zak, bedreigd stonden; dat ie niet meer doen kon wat ie wou, als d’Ouë neerstrijken kwam. Toch verdoezelde die gedachte tot vage verwachting in z’n kop. ’t Heetst in ’m woelde ’t denken aan de mooie meiden van Klaas Grint, vooral aan Geert en de heete Trijn, waar de neven Hassel òòk op loerden. Naast Grint aan ’t stomphouten tafeltje opgedrongen, zaten Jan en Willem Hassel. Klaas Grint sluwigjes, voelde zich lekker tusschen de gesmoorde geilheid der knapen. Hij kon tegen ’n borrel als geen ander.
En nou vond ie ’t ’n zalige lol, zoo happie nà happie in te zuigen, zonder ’n cent te dokken, in woesten naijver van drie kanten opgepookt tot vrij zuipen; dàn door Willem, dàn door Jan, dàn door Dirk.—Piet mankeerde nog, hinnik-lachte ’t cynisch in ’m. Tusschen hùn halsstarrige, zwijg-nijdige boerenpassie in, wreed en moordend, warmde hìj z’n zuipbegeerte. En telkens als Willem zag, dat Dirk trakteerde, riep hij ook den kastelein, bestelde voor Grint in ’t wild erop los. Grinneken bleef Klaas er om, en trotsch voelde ie zich, in z’n dronken kop, dat hij toch de vader was van zulke lekkere meiden.
—Nou, drink jullie d’r moàr, d’rfeur binne jullie vraigesellekerels hee?.... Moar.... van màin goant nie hee?.. van màin hee?.... ikke hep d’r maide en klain goed....
Hij grinnikte Grint, veegde met z’n dikmorsige vingers langs z’n neus.—De kerels knikten, grinnikten mee. En Grint lachte erger, met dronken stemmeschuur in z’n schater, omdat zij grinnikten.
In tijen had ie zooveel zaken niet gedaan, als vandaag. En hij, helsch genietend als ie iets niet hoefde te betalen, z’n duitjes bezuinigen kon, maar toch loerend op wat lekkers, hij kòn ’r niet over uit, dat ’t nou bij hèm puur was: mond ope, portemenee dicht....
Joliger klokkerde ie z’n borrel in, langzaam roerend, elk happie, dat dadelijk weer aangeschoven stond onder z’n hand. En iedere borrel als ’n lafenis door z’n keel, spoelde wèg vermoeiing van smorenden dagzwoeg.—
Stiller, in dronken zwijg,—zwijg toch van huilend, woedend-woesten hartstocht, op z’n neven, schooiers die loerden op zìjn meid,—bleef Dirk naast Klaas Grint geblokt.—En lolliger werd Klaas, aangeprikkeld door den gonswarrel van stemmen in de herberg, den dronken zoem van kakelaars, venters en koopers en allerhande kroegtypen dooréén. Laag en diep, met z’n gloeiende glasvlammen, rookerig, verweerd van hitte, verronkte de kroeg z’n dronken reutel van geluiden. Jan en Willem schoven al dichter naar Grint toe en trakteerden weer. Langzaam genot-innigend ging de zuip rond, langzaam en demonisch. Dirk zag den ouen Gerrit niet opdagen. Vond ie lekker! Rond ’m woelde de herberg al voller met drommen bestoven zweetkerels, bek-af van sjouw. Waggelend en krijscherig sloegen hun lijven, massaal en reuzig door den heet-rooien rooknevel.—
Troepjes met blazende, gloeiende zweettronies bleven waggelen voor ’t buffet, de glaasjes tegen ’t licht geheven, dronken zeurderig en spraak-zangerig; plasten het vocht hun kelen in, onder knars van hun klompen op zandgrond. Van alle hoeken spogen groenboeren en venters in de bezande spuwbakken hun pruimen, zopen en vloekten ze. Op klein bankpuntje, dat open kwam tusschen ’t kroeggedrang, smakte zich haastig ’n werker neer, met grauw-moeën kop, en reuzige geknauwde handen bevend-uitgestrekt naar ’t buffet, in snak naar drank-koeling.
Tegen tien uur stapte Grint òp, z’n schitteroogen verkleind van stille beschonkenheid. Dirk mokkend en pruttelend, waggelde zacht mee òp, grabbelde duizelig in z’n diepe klepbroek, waarvan de grove voornaad vettig spande tusschen glimmig smeer. Alles betaalde ie.—
Willem en Jan opstuivend, streden, duwend en vechtend, dat zij de helft er moesten bijplakken. Dirk zei niets, gaf, zachtwaggelend, ’n stommen nijdigen wenk aan kastelein dat ’t, zóó als hij ’t wou, in orde was. Kalm schoof herbergier kleingeld terug op natbeplaste tafel, dat Dirk naar zich toeharkte, kleverig, maar vallen liet op zandgrond en in spuwbak.
—Nie d’r strooie hei Dirk? baste ’n kerel met diepe fagotstem.
—Aa’s je te veul hep, is màin d’r nog! gierde ’n ander.
Nieuwe drom kerels klomperde in, stapte langs en voorbij Dirk, die gebukt zoekend, in zachten rondtast, lijf-zwaaiend, ruw op z’n handen getrapt werd. Bloed zakte ’m naar den kop. Rauw vloekte ie uit, en flauw loerde ie rond op den grond, maar half beseffend of van hèm of van Grint wat duiten weggerold waren.—Lodderig staarde ie òp naar Klaas die gierde, z’n buik met z’n vuisten betamboerijnde van lol.
Plots vloekte Dirk weer, stapte in wijen waggel, onzeker naar de deur. Grint had ’t geld uit den spuwbak gegrabbeld, ’t nattig en bevuild Dirk in de hand geduwd. Maar die beweerde nou, met dikken tongstotter, dat ’t van hèm niet was, dat hij d’r puur nies verloren had.
—Zoo’n geep! gierde Willem Hassel hoonend.
Stom bleef Dirk voor zich uitkijken met z’n neus bijna op de deur gedrukt. En toch nijdig, gloeiend nijdig was ie, als ’n bromvlieg onder vangstolp. Niks nog kon ’r bij ’m uit. Alles zat opgepropt. Hij voelde den roes over ’m heen gloeien, benevelend, versuffend. Hij hoorde àlles half verward. Alleen heet-stellig maalde ’t in ’m dat ie nou meeging naar de mooie meiden van Grint, naar de lekkere Geert, Trijn, Cor en Annie.
—Nou... ik bin d’r op haide op stàp... mond ope.... portemenai toe.... schaterde Klaas opgewonden.
Geen woord zei Dirk, vroeg ook niet of ie mee kon. Hij strompelde zacht zwaaiend naast Klaas, de herberg uit, als hoorde ie bij ’m.—
—Nou.. aa’s hai.... had d’r sels is.. binne wai ’t ook, bromde Willem en nàbromde ’m Jan.
Daar zat Grint ’r ’n beetje mee, want de mannen hielden áán.—... Duufels, doar droeg ie twee, drie dronken kerels in huis.... heet op s’n maide... Moar sullie hadde sain tug soo rejoàl d’r van late snoepe!.. Allainig Dirk!.... die wou die puur wel kwait!.. Die keek d’r soo suur.... soo ’n naidas!.. Da’ konne s’n maide nie bestig hebbe.—
Hij had al rond gezien op de donkere haven, of ouë Gerrit d’r ook rondscharrelde bij ’n kroeg om ’m mee te sleuren. Want Willem en Jan waren ook veel betere partijen voor z’n meiden.. Zat veel meer loodpot! Die mochten haarlie bescharrelen zooveel ze wouen.... Als ’t maar niet tot kinderen kwam! Maar nou zag ie geen ouë Gerrit, geen Kees, geen Piet. Dan most de brombeer d’r ook maar bij; kon toch vast geen kwaad.
—Mô je nog ’n afsoàkker Kloas? vroeg plots, voor ’n rot kroegje staanblijvend Dirk, met bleeke strakheid in z’n kop en tril-trekjes om z’n lippen.
—Dankkie uit ’t hartje kaèrel! Ik hep d’r t’met.... t’met wá’ bai màin stopt, veur ’t nest hee?.... ’t mog d’r weer ’n weekie sain.... dan kraige sullie alletait van main ’n lik uit de flesch hee?.... Jammer da’ sullie d’r aige nou t’met juist an ’t boene binne....
—Selle wel waiser wese.. lolde Willem sabbelend op z’n woorden.... aa’s d’r jonge kerels komme.... da treft d’r nou net ellèndig mooi!
—Niks gedààn jonges! Je houê d’r jullie fesoen!.... daa’s onder en boòfe de wet sait hee? jonge maide is d’r hiet brood.. paa’s d’r op!
—Nou,.. sullie wete d’r woar Brammie de mosterd hoàlt, piekerde dikbullige Jan.
—Tu.. tu.. tu.. manne,.. hield in dronken energie Grint vol.... main maide binne d’r onskuldig aa’s ’n kerk-kruissie hee?.. ’t binne d’r netuurlik jonge skepsels hee?.. en se binne d’r soo ellendige goeie kooksters, enne meroakels goeie huishousters....
—En Train is d’r tug soo’n ellendig-knap swoàrtje, brulde dikbullige Jan huilerig, lachend van dronken aandoening.
—En Geert.... da’ liefe bakkesie! schreeuwde Willem.
Dirk gromde wat, dreigend onverstaanbaar voor Klaas en de neven, die maar zwegen, uit angst dat ie ’t herhalen zou.—
Recht over ’n weibrok stuurde Klaas op z’n erf en huisje ààn, dat stil en klein achter hagen en vruchtboompjes donkerde tusschen het verduisterd groen, midden in geheimzinnige murmeling van zomeravondland, weemoedstil en geruchtloos.—