Part 43
—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!
Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes, met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.
—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.
—Vrouw Zeune!.... jai doar!!.. is d’r op kommende wège!
—Vrouw Engels.... daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?
Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:
—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.... ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!....
—Gaa’-ais! Kerre.... dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.
Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—
Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen. Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.—
—Nou seg erijs blondje.... vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.... drie pop de honderd!.... hai je dèn je b’komst?
—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!....
Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.—
—Nou blondje.. toe noù!..
Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—
Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.
Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.... kaike.... da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.... En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.... ’n afsproàkie veur d’ aêre week.... Da’ gong... ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!... bloas jai moar maid.... da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.... nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!....
Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel, bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—
Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—
Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—
Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—
Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.
Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—
Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.
Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
IV.
In den middag tegen vier uur, stond Dirk weer met z’n kar aan „Tuinders Geluk”. Loom en doodop, sjouwden de venters aan, ieder uit ’n andere wijk. Om drie uur had Dirk z’n kruier afgedankt, ’n daalder betaald, was ie met al z’n klanten klaar; duizelig en vermoeid van sjok in brandzon, zuchtend naar drank, in wat kroegen hier en daar neergesmakt, en eindelijk ’n uur later, op de boot aangeland. Nou had ie z’n duiten in den zak, wel zeventig pop, die ie zwaar en warm voelde proppen in z’n broek. Hij wou, moèst ’r wat kwijt van. ’t Was ’n heete stroom van geldgrabbel, die ’m bedroesemde. D’r mòst wat gezopen, gezòpen. Nou kreeg ie straks nog de laatste zending aardbei uit Wiereland.—
—Tjonge! Tjonge!.... da most d’r moar gauw van deur.. en dan hè je.. ’t end tug!.. de soàlige soaterdag-middag.... enne de sondag!..., Bi-jai ’t Hain?—
Hij was de kajuit ingestapt, sukkelig, met handen in de zakken ’t trapje af, vragend den kaptein, hoe laat hij de aardbeisloep verwachtte.
—Die ken d’r t’met in ’n ketiertje sain... kaik op dek!.. de lui stoan d’r weer an de kant te dringe!.... kaik die maide!..
—Wa sou ’t.... in ’t harretje van de groote hoal hee?....
Grimmig en nijdig op alles, had Dirk zich in den hellenden boeghoek neergesmakt, languit z’n been op ’n bank, kop en schouders ingediept tegen ’n richel, die ’m pijn priemde in den rug.—Even moest ie toch adem scheppen. Hij zweette als ’n paard.—Z’n hemd dreef van ’t nat en door z’n lichaam rilden koortsige vloeiingen.
—Effe luiere.... veur da’ de bakke d’r ingoane, bromde ie, se’k t’met wel leeg smaite....—
Al meer kerels doken de kajuit in, jolig opgewonden, lichtelijk beschonken en paf van hitte. Beemster, met slaperige oogen en schorre spraak kwam op Dirk áán.
—Allo moàt!.. lolde Beemster, zware kerel, met lupusneus zwerig afgevreten tot op wangplat,—nou gaif jai d’r ’n urretje hee?—of.. of.. hai je d’r al de prins sproke?
—Bestig! Hee Henk.... vaif!.... main brandewaintje!
Lange bediende schoof weer weg in ’t groezellicht van trap-hol buffetje.
Meer kerels dromden in en zwaar nevelde de kajuit, in vaal-groenen rook, grijnzeriger, nu de kisten en manden nog niet van de karren ingesmakt, hurrieden op den vloer. Telkens donkerden reuzige schoenen, broekspijpen, lijven, langzaam zakkend neer, uit ’t licht-felle trapgat, schuifelden de kerels tusschen de sombere vegen en zweverige warrel van rookmist. De vrouwen, vermoeid en gebroken van hitte en zwoeg, vielen als bezwijmden neer, achteruit op de banken. Zwijnige grapjes zinlijkten wat kerels uit op ’n ventster, die plat op ’r rug lag te snakken naar adem. ’n Paar jolige half-beschonkenen drongen òp, maar met rukken van d’r lompe beenen, trapten en snauwden ze de kerels de bankrand af.
Is d’r dut ’n hette.... main goed.... brant d’r puur op ’t laif.... zuchtte vrouw Zeune, donkere rokkenvracht, klefferig en doorbroeid, van d’r heupen schuddend en weer luchtigjes vasthakend om ’r vette middel.—
—Daa’s net! ikke sweet d’r aa’s ’n os hee?.... ik ken d’r gain stap meer! vast nie!
—Pak ’n happie!.. Beemstra gaift ’n rondje!..
—Bestig, gretigde verhit, met uitgedroogde stem, de brei-vrouw.
—En jai gele medààm? hep ie de klantjes beet had hee?.. hep je d’r op gefigelaird.. mô jai ’n happie?
Gele medam bedankte, zat verschrompeld in ’n hoekje te blazen, met ’r lange wollige mantelmouwen over ’r vingers verzakt. Haar mond stuipte in zenuwtrekken. Ze kon geen syllabe uitbrengen meer, òp van smoorhitte en vermoeiing.
—En jai vrouw Zeune?
—Nou, wel twee, schraapte ze mannerig uit, enne.... gaif d’r de gele medam ’n affekoatje.... an ’n boere jònge hep sai ’n sussie dood!
Woeste schater barstte los, rochelend gelach, dat in de rook-kajuit als schreistemmen verklonk.—Achter dampgroen gierden de koppen, lichtten de wellustmonden, flikkerden de oogen en verschoven kramperig van heete pret, de lijven.—Achter bankbeschot stampten boerenknuisten grof en hamerhard, tegen ’t hout, in lol.
—Wai selle d’r ’n affekoatje gaife.... Hee Henk!.. Klus d’r es ’n aitje.. smait da’ hard-stikke vol mi brandewain!.... en suiker.... en dan sel sai lurreke.... hei! medam.... sing d’rais mee!
Enne.... se stonge.... doar op toeters te bloase.. Toe da’ nou waa’s doan Kwam d’r ’n man veur main stoàn Enne die sprak.. wil je rais goàn kniele?.... Ikke wist d’r nie wa-àt te doene.... Moar hai.... gaf main ’n soen.... En sai.... wài rèdde hier.. sie.... ie.... le!..
Schor en valsch-rauw zwabberde z’n stem achter rookwolkerige duisternis uit, en ’n demonische krijsch van dronkemans-passie ronkte door z’n lied....
—Daa’s nou ’n hails-maid.... rochelde z’n dronken proets, dat als geschrei verdoften in de rook, en z’n kop gloeide áán plots baardig en donker, in ’n zuig-ophaal van z’n gouwenaar, die even roodvonkte en sterretjes vervuurde.—
Klaas Grint bonkerde hakke-zwaar de kajuitstrap af, met Rink achter zich aàn.—Daarachter nog drie tuinders en ’n vrouw met ’n steekmuts, doodmager met krokodillige, bruine kop-snoet, en valschen oogenloer.
Rink scheerde de zoldering met z’n pofpet al liep ie ingebukt met z’n kop.
—Krikemejenne!... daa’s s’n afferekòansche smoorte hee?.. god hait de sege! moar nou bi’k tug t’met deurmidde loope hee? zuchtte de reus, paf en onmachtig neersmakkend op ’n bank. Met twee handen tegelijk schuurde ie ’t zweet van z’n gezicht, met ’n grauwlinnen zakbrok.
—Moei!.... moei!.... ’t sel wá’.... bromde Dirk, z’n pijp nijdig uitblazend, dat donkergroene damp z’n kop omstòòmde.—
—F’rek.. bloas jai ’t siellemint van je paip d’r nie uit?.. ik sit hier veur main pelsier...., lolde Grint naar Dirk.
—Moei, bromde Dirk, doorblazend, bolwangerig, dat ’t vuur weer uit den gouwenaar spatte in pijl-fijne dansjes.... moei, nou bi’k van drie uur t’met in de kous.... jai.... jai?....
—Ikke.. ikke.. aarzelde stem van Rink, nou eerlijk sait.. sait d’r dan van vier hee!....
—Da lieg-gie glad, sloeg Beemstra, de zanger er tusschen in, want om vaif uur stong je te haige an de boot nà oasem hee.... en je weut:
Ikke liep d’r.. o.. òp en nair ’t waa’s koud.... en slecht wair.. Och waa’s ’k moar bai moeder ge.. blai.. iife!
—Stik jai mi je Volledamse maid, rauwde Rink.
Achter ’m bonkte op bank-beschot, de kerel met z’n lupusneus, zwaaide met z’n borrel, krijschte in zang.
—Aa’s d’r alles brandt.... brandt woater ook! moar ikke seg!....
—Jai houdt je bek, jai sait d’r niks.... je hep f’rdorie gain tait da’ je slikkebikt, schreeuwde Grint midden in.... hee Henk?.... main ’n brandewain!....
—Main ’n biertje feur ’n f’randering!
Stroom borrels kwam aanspoelen. Met teedren hartstocht pakte de venter die bier had besteld, z’n flesch bij den hals, klakte ’t klepje er af en schonk, schònk in starend genot naar het blanke schuim, met zaligen huiver hoorend het koele geruisch van ’t bier in z’n glas. Gretig smakte ie z’n lippen in ’t bruis-blanke, rijzende schuim.—In één teug was z’n glas leeg. Heesch riep ie al naar ’n tweede fleschje terwijl ie ’t eerste nog leegschonk, zacht bij den hals, in verliefden tast. Even hief ie z’n glas tegen ’t licht, onder de kijkgaten, waar ’t òpkleurde in roodbruinen gloed, klaar en schuimzoet, en weer stortte ie z’n drank met één haal in z’n dorstigen duisteren strot, als ’n verkoelende lafenis.—
In elken hoek werd gezopen, geschreeuwd en geraasd. Dronken lachklanken proestten uit, rolden en dreunden geluid van kijvende en strijdende stemmen rond. Heet en opgejaagd werd ’r afgerekend onder elkaar, wat gekocht was op veiling. Telkens uit schetterklubjes brak gloeiende herrie los, dat zachtwijs gesust werd door „netoaris”; stille drinker die ’n heel buffet kon leegslurpen, zonder dat één ’m wist te betrappen op malle streken. Hij loerde maar rond, legde bij en suste; loenschte tòch met z’n rooie verhitte drankoogen of d’r iets voor ’m afviel. Overal werd ie tusschen geroepen, ingesleurd bij z’n arm, z’n jas, z’n broekspijpen, z’n schoenen, overborreld met kookstroom van hùn centenpassie, hùn gekwebbel en gevecht. Over en weer telkens de briefjes werden nagezien en boerenkoppen, met snuggere oolijkheid keken strak, bleven draaien op d’r stuk, wilden eenvoudigste rekensommetje niet vatten.—Eindelijk, bij beetjes en brokjes, werd geld afgeschoven, toch nog in gierigen klem en vasthou van elken cent.
Dwars door zingende en waggelende drinkebroers in schaduwen van den boeghoek, met hun glazen geheven in ’t doorrookte zilverlicht van de kijkgaten, nu uitgebrand in zinkende zon, barstte gestrij los van ’n paar kleine pachters, hoog in krijsch de zangers overschreeuwend.
—Nou ik sel d’r doodvalle.... ik bin d’r op ’t land lieferst veur.... tien gulde boas.... aa’s veur vàiftien knecht....
—Nou, ik wil d’r groag.. wa’ binne wai d’r veur boase?.. je kè je land nie beskaite.... fesoenlik!.... je sit d’r in d’r aifigheit in smorende sorg.... je loop de rissieko.... van dit.... en van dat.... en aa’s ’t November is.... mô je je pachte betoale.... hai je d’r gain de half van!.... mô je laine.. en borge beklomppe en ’s winters.. hai je nood.... nood maa’n! nie te fraite.... En hullie.... de vraigeselle-daggelders.... hullie hebbe d’r kossie binne.. hullie hebbe d’r nooit nie-en-sorg!.. hullie fraite.... en snurke.... aa’s wai d’r onster blind sitte te telle veur sinte.... veur de pacht.... veur hooi in je poar beeste.. de raise, en.... je soad.... je hout.. je mest.. En t’met f’rdiene wai minder aa’s hullie.
—Nainet daa’s dondere!.... moar je bint dur tùg alletait je aige hair en maister.—Aa’s je d’r knecht bin.... mó’ je feurt.... aa’s ’t hard stikke raigent.. en je wil skeule.... d’r uit.... ho! wacht erais effetjes!.... segt de boas.... werrek aers ka’ je spuite! aa’s je d’r is vaif menute te langer skoffie houdt.. d’ruit sait de baos! je ken d’r je aige nie-en-roere!.. je heb van ochend tut nacht te werke.... en nie òm te kaike.. fort.. fort.... nainet, loate sullie d’r moar ’n poar sinte meer hebbe aa’s wai.... je heb d’r tug je aige mikke.... je hep je aige lappie grond.... je bin d’r je aige boas.... je hep d’r ’n aige groentetje.... je kèn d’r boofe òp! je kèn d’r nog boàs blàife....
—Ik ruil d’r doalik.... doalik! schreeuwde ’n ander.... se kenne main lappie-en-kraige... aa’s ik d’r moar ’n beetje fesoenelike dagwerk hep.. van de honderd knechte f’rdiene d’r naigtig meer.... aa’s d’rlie aige boasies.... en de loodpot!.. doar komp d’r alles op neer, hee?
—Nou betoal jai d’r.... naige, tut tien gulde ’t roe hee? veur je kwoàje grond.... en tug is d’r veul te wàinig hee? hoe sit da’? daa’s tug ’n meroakel hee?.... je weut ’t hee?.... dure mest.... g’koope groente!.... daa’s alletait sòò.... en ikke twoalf vaiftig ’t roe.... daa’s bestig hoor!.. en nou, di joar is ’t bai main net mis.... Ikke seg d’r moar, ’n vroege somer.... ’n goeie somer hee?
—Moar jai roaskalt.... jai springt d’r van de hak op de tak.. ’n vroufemond goan de waoreld rond! wel of gain grond.... ikke bin d’r liefert knecht.. aa’s soo’n òngelukkig suinig boasie aa’s wai d’r binne.... wai f’rdiene minder aa’s hullie.... te veul om te sterrefe.... te wainig om te laife.... En veul meerer sorg.. en wài binne d’r pachters!.. nou hai je allain fraihaid.. da je of’r je aige te segge hep.. Daa’s ’m d’r ’n veurdeel!.. nou sel d’r gain besemsteel je bekolle.... en je segge.... je mò’ werrekke.... hee?.. je mag d’r nou heùlegoar uit je àige krepeere! kom ’t is d’r aldegoar ’n klus.... hier!.... Bi-jai ’t Hain!.. kom boòfe!
Zang, overstemde ’t spreekgeschreeuw van bank naar bank.
’n Drom kerels trampelde en lolde schorrig als bezetenen, in rood-groenen rookwoel, beklonken en rinkelden hun glaasjes.—Dirk was met z’n stelletje makkers naar dek geklauterd, had z’n kisten ingehaald, en in woesten sjouw weer bak en mand, leeg en licht, in stapels, op dek neergesmakt. Aardbeigloei was weg. Leege duffe mandjes en kisten stonden omslierd nog van stronken groen en verlepte bladeren.—Dekknechten en venters sjouwden weer op, pàf van ploeter, in moordende stofwalm van zonnebrand, die òpsloeg uit keien en boot.—
—Nou he’k tug nog gain hap daan van f’rmurge eerste skoft hee? klaagde ’n klein tuindertje, gebarend met handen, hoofd en schouders tegelijk.
—Wa sou ’t.... jai suipt d’r veur fraite en drinke g’laik, geep! snauwde ’n meidventster, gauw weghollend om kisten op te pakken naar achterdek, waar ze haar naam hoorde schreeuwen in alarm-krijsch.
Al meer venters keerden terug van hun zwerftocht door groote stad, half-dronken, luidrùchtig ondanks hun radbraking, of slap in elkaar gezakt, de heele reis làng zacht-rammelend met geld in d’r zak, waar zweethand op rustte, de wacht hield.
De karverhuurder, gewikste Amsterdammer, sloeg handig tusschen de kerels in, liet hen betalen, onder lolletjesstoei dòòr, pret waarnaar ze luisterden, kinderlijk, dronken-naief gierenden goedig, met huilerige schaters, de oogen nattig, in vaag bewustzijn verzwommen.