Part 42
Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—
Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.
Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.
—Màin segoàr.... moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.
—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.
Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—
Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.—
—Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!....—
—Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.
—Nou wà’ sel ’t?.... betoàl ’k hullie nie? houw tot soo langest je snoater,.... nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!....
—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde....
—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.... en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.... nou, dan wee’k daa’k goar bin!....
—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.
Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.
—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.
—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.... t’met... daa’k... toe he’k de soete fransies sien hep hee?.... Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.... de vrucht wou nie sette.... alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!
—Daa’s net... veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.
—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—
Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.
—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.... da stong t’met nie stil.... Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef....
—Wa?.... sooveul?... soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?
—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.... al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,... ’n woord, ’n woord.... hee?.... wa’ jou Dirk?.... wá’ jou Staine, wa jou.... Gais?.... je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?....
—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.... moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn... aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.... vat je!....
—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.... en dá’ jòar.... f’rdomd.... sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.... nie te f’rkoope.... hee?.... doar stonge wullie.... mit de pet in de ooge hee?.... en op haide?.... op haide?....
—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.... wa’ doene die likkebaire.... niks gedoan hoor!.... sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost... komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.... dan.... dan hebbe hullie.... allain mit de oarbaie opsende.... allainig mit d’r oarbaie.... sien je!.... ’n duusend pop f’rdiend.... in ’n weuk of soo, hee?....
—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.—
—Je suster rissieko.... soake aa’s piere.... soo staif.... om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.... sende sullie ònster goed.... deur Duitschland... Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.... die sloeries! schreeuwde Rink.
—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?... basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.... da’ rooide noa niks hee?.... die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne hee?.... ’n sint ’n mandje hee?.... mit ’n straip of’r de bakke!.... je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.... Moar die skevuit heb f’rdiend... die hep d’r waite... dá’ wai gain uitweg hadde hee?.... mit al ’t goed.... die hep d’r van màin.... van joù.... van jan en alleman kocht.... hee?....
—Of daa’n skurk was, ’n geep..... tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.... die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.... hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!....
—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.... jai!.... ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.... en bestige grond da’ die vent hèp... swoare en lichte.... alles d’r aife bèstig... god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur... moar da rooit nà niks....
Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.... En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.
—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.... kermde Grint.
—Ferrek jai!.... mesiek! mesiek!... aldegoar bluf! doar motte wai àf.... of tie da’ nie weut hee?.... en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.... die hemme nou self poot!.... gain bloas!....
—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.... suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.... aa’s veertien sint ’t kilo....
—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.... is die fint nou heuldegoar daas?....
—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.... nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.... wa motte d’r wai mee?... aa’s je ’t nie goed vin.... la’ ie je stoan!.... Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?
Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.—
—Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.—
—Daa’s kom naige!.... lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.... die suipt gain borrels meer.... die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind....
Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.
—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.... riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.—
—’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!
—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.... vast hoor, schaterde een achter bankrug.... Seg Hassel.... weneer sel je hooi overend sain?
—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.
Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—
Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.
—Wa’ sai je?....
—Daa’k nie weut.... wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.... hooi is bestig.... sit van onder ’n strootje in.... moar bestig hoor!
Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.
—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—
—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.
—Niks gedaan!.... ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.... daa’s achtien bos!
—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.... mit ’n slokkie d’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.
—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.
Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.—
—F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.
Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:
—Nee!.... da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.... hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.... moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!
—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.... Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames... en nóg twai veur main aige hail hee?.... Nou Oàf!.... ik seg je dàn.... da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!—
—Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.... in de eeuwighait in de loorem....
—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.... hai likt s’n urretje op sàin menier.... moar de fint.... ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.... s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!....—Hee.... hee!.... Dirk.... hai jai hoort da’ die trekhonde.... van.... vàn Henk.. de koalbuik.... da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.... se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!
—Nou.... wa nou?.. schreeuwde Rink terug.... daa’s tug krek eender.... al die honger-meroakels.... die tuinders doar.... die Lemperhoek uit.... se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.... en woest aa’s die krenge binne.... se f’rskeure je.... van malkoar.... Bi-jai-’t-Hain!
—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.... main baiste legge d’r vast.... en fraite d’r aige vetje.—
—Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.... laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke....
—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.... die beeste motte f’r aige kossie skarrele.... se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.... Se benne d’r soo ellendig sterk.... en bloeddorstig.... enne uithongerd....
Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.
Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.
III.
Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.
Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—
In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—
Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers, met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.
—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!
—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!