Part 31
Zon was uit zilverdrommigen wolkenstoet doorgevlamd in kringen van violet vuur, begon priem-strak te steken op hooierskoppen. Witte hoeden en strooien kiepen lichtten en blondden in de wei. Naast Kees zat ’n maaier te haren, in hoogrood hemdsbaai, als stil bonk vuur op ’t dijkje, met z’n brons-gladden kop, lichtelijk gebukt, starend naar z’n zeis, lichte klankjes vertikkend op ’t messtaal. Blinkende ringetjes aan groote oorlappen, in verlichting van haartjes, schudden mee, zachtjes, bij elken klop. Dirk harkte aan, naar plek waar Kees te wachten stond met groote steekvork, die fonkelde tusschen ’t gras, als stilsidderende, kromgebogen bliksemstraal. Telkens als Dirk wat stapeltjes aangeharkt had, lanste Kees in geweldigen priem, z’n scherpe steekvork ’t hooi in, ruischte en kraakte ie met lange slierten ’t begin van den hoop bijeen.—Dirk rondom, harkte bijzij den dijk, naar zich toe, en hooger in ’t krakende hooi lanste Kees z’n vork telkens in, met z’n knie in ’t heet-gouden gestapel, z’n bovenlijf gebukt, inrukkend tegen de hoopjes, dat dieper de staalpunten priemden en vastboorden ’t hooi op de tanden. In trage kracht heesch ie zich terug aan den vorksteel, dat òprees de vracht, en plots in forschen zwaai hief ie de vastgepriemde stapeling boven z’n kop, dat z’n kiel, onder de armen spande en ritste, wilde hooiharen z’n gezicht inwoeien.—Langzaam, en waggelend éven met den gouden hooiklomp boven z’n weggezakt hoofd, droeg ie z’n vracht dan naar hoogeren berg.
—Onder de poàrepluu! lachte helpertje, die in kleine, zwakke zwiertjes, Dirk hielp anderen dijkkant aanharken.
—Poà.. re.. pluu, hijg-sprak Kees, die juist weer ’n geweldigen hooiwolk opgeprikt en vastgeboord had, met heftige knie- en lijfrukken, er mee aansjouwend in gestrekten armhef boven z’n hoofd, dat vuurrood gespannen stond van krachtzwel. Rondom, wilder ruischten en sliertten hooihalmen weg; in z’n oogen, haar en mond. Diepe geur zoette rond. De grond onder hun voeten kraakte en ritselde in trilling. Van alle dijkkanten en op weihoeken wuifden wolkslierten, blond gestrooi, met de dansende beweging van de blanke harken, die opstapelden. Zwaar uit te hijgen wachtte Kees even, verzwelgend en inzuigend den zoeten hooistroom, waar ie tusschen te adem-drinken stond. Rondom kringden windkoelingen sterkere hooigeuren áán, dat de kerels dronken duizelden in den zoeten walm. In Kees’ hals prikte ’t hooi, in z’n haar en ooren piekten heele dotten. Rondom, nog wachtend op aanharking van klein-gouden stapels bij z’n voeten, keek ie in ’t groen, zag ie naar, in ’t licht weer opkleurende maaiers, met hun zeiszwaai beheerschend oneindigheid van luchthang en grasgolving. Grijsblauwig en zilverig dampte van verre ’t wolklichtspel en overal vlindertjes wiekten rond, in den stildroomrigen zwier van hun kleurenmanteltjes. Fijner in lichtgezeef, boekette op, uit de bebouwde polderbrokken, bloesem van erwten, kapucijners en tuinboonen, wittig en rozerood, als blank-treuzelend gefladder van kapelletjes en klapwiekend gespartel van vastgeprikte vleugeltjes op bronsstekelig rijzenhout. Akkerhommels in rood en brons fluweel kringden in zangerige gonzen over hun hoofden, en kikkerkwaak, vroeg-zomersch, in zwelling en uitsterving weer van geluid, verdreunde uit teer-groen bekroosde slooten, hun eentonigen broei-zang van zonne-leven. Doodstil in stommen moord, ging door de eindeloosheid van groen, en zwier van zoete geuren, de worsteling van insekt op insekt, in den zoeten dronken koester en zwijmel van licht en glansen; bloedde de hartstocht van den vraat, de stemlooze marteling en prooi-vernieling van zwak en sterker leven; bleef dreunen de kikkerzang, landelijk monotoon zwellend en verstervend; bleef gonzen de hommel, vonkglinsterde de goudvlieg in glanzen van pauweveerig licht, als vredigde er heilige rust in de graszee, paradijslijk, zonnekoesterend en kleurestreelend.—
Werkers sliertten òp hun hooi, àl hooi in één staar naar hun arbeid. Kees had ingeboord weer ’n hoogen opgeharkten stapel en stootte toe, met z’n knie hevig persend, als priemde ie den dijk mee aan z’n vork, drie, vier keer, telkens heftiger inboomend, dat z’n steel trilde en veerde in z’n geweldige werkklauwen. In één zwaai weer zwierde de zwaar beladen vork boven z’n hoofd, dat diep wegzakte z’n zweettronie in de hooiwolk, kwakte ie ’t kruipende, krakende gehalm neer op den al hoogeren berg, waar het als stortend watergeruisch goud-heet overheen vloeide.
—Aa’s die hoop daan is, sal t’met tait sain Kees, zei kalm Dirk, voortharkend rond z’n broer, die even angstig keek of z’n hooge hoop ook helde.
—Nou.... dà dotje nog hee?.... ’k mô nog sluite!
In ’t rond liep Kees met nieuwe zwaar-bevrachte vork, hoog in de lucht, òm den grooten hoop, zoekend ’n plekje waar de stapel neergeruischt, meteen ’t best de kop afgesloten kon worden.—Langs en om z’n hoofd en lijf fladderden en sliertten al grooter losrafelende hooidotten, als vlokken licht, die gouïg door de lucht zwierden en omkronkelden de zwoegende werklijven.—Diepe geurscheuten al stèrker zwoelden rond, in zonnigen zwijmel, als vloeide er koorts van heete mirre uit ’t zwaar-bevruchte land. ’n Laatste stoot nog boorde Kees in, dat de vork sidderde in z’n klauwigen greep, met hevigen zwoeg van z’n kronkelend, inbukkend en krachtuitzwellend lijf en dampende hijgborst.—Hijg-zwaar zwaaide blonde wolk boven z’n kop, sloot ie de hoop, blond uitbergend boven z’n reuzige schonken en hooggeheven armen. En overal nog in fijne verschuiving van halmen op den hoop, ging wit-gloeiende schittering van steekvorktanden tusschen den goudklamp, voorzichtig, als tastten daar lichtende, stalen vingers in brandend goudhaar.—
Kees’ lijf dampte van zweet en z’n rood-paars hitte-gezicht verdroop nattig vet. Zwaarder blaasbalgde z’n borst van moeheid en hitte, en door z’n kop hamerde ’n bloedstroom, als zou ie te barsten springen. Wezenloos wat minuten, bleef ie doodop staren voor zich uit, in den kleuren rondstrooienden wolkenhemel van paars en zilvering, zonder dat ie lucht en aarde zag.
’n Half uur later stapten ze naar huis, met vorken en harken op schouêrs. Rondom dreunde kikkerzang, afbrekend inééns, dat plots stèrker de stilte op ze aanviel; dàn weer zwelkroppend aanklakkerend in zangdeun, verinnigend de doorzonde zwaarkleurig bewolkte geur-lucht. Het licht, lager al, zeefde schuine glansen over de rijzen, die berkenzilverden en bronsden in halve schijnsels, tusschen het weigroen knoesterig inknuppelden. Zeisengalmen van heel vèr woeien áán op ’t wegpad. Sonoorder nog in zaligen fluister van wei-avond, zong de zachte, toover-fijne ruischmuziek, geheimvol van ’t gras en koornhalmen uit. Stiller schoven en spreidden de glansen tusschen vonkgroen en goud-gele bloemekelkjes, en rustiger in stommen stap gingen Kees, Dirk en helpertje naar huis, op ’t nog branderige zand en kei van hoofdweg.
Achter hen aan, wat later stapten telkens tuinders van ’t land op de klinkers, stil naar hun kluis, uren vèr.—
III.
Ouë Gerrit keek grommig, toen ie hoorde, dat ’t hooi nog niet heelemààl overend was gezet. Maar de kerels raasden en vloekten op den Ouë, want hij wist toch, dat ze zich tot ’t hemd toe in zweet gezwoegd hadden. ’s Avonds stond ouë Gerrit ’n pijpje te smoken, in uitgezwoelden zomeravond.—
Met woederig gevoel in ’m, van allerlei opgepropte nederigheidjes en teleurstellingen, bleef ie wat drentelen voor den dorsch van Janbuur, die al aan ’t òpsteken was. Daar stond ie nou, smokend voor schimmig verlichten dorschingang, naar de duistere stolp wat afgehakte bitse woorden, met onzekeren stemmeklank, tot Jan Brakel opgooiend, die boven op den berg, met z’n kop bijna tegen de pannen schoof, verdonkerd tusschen balken en binten. Daaronder groezelde, meer in ’t weifellate licht, hooiwagen met ’n kerel erop, die zware vorken naar z’n baas opstak, met forsche rukzwaaien ’m begravend in een graf van halmen, onder de duistere pannen. In druiping van zweet op z’n mager, uitgebeend gezicht, stond de daggelder op uitgespannen wagen in schemerenden dorsch, te hijgen, telkens met meer rukken en tragere stooten de vork vastpriemend in ’t hooi. Achter z’n, met grillige schaduw schuw-verduisterd hoofd, bonkten donkere doffe stooten en stampen van paardpooten tegen beschot, walmde uit, zoetige wasem van strooiigen stalstank. Even telkens, in buk en wrong van z’n lijf, als ie inlanste z’n vork, kwam z’n rood bezweet gezicht wat meer in ’t licht schimmen. Donkerig-grauw rood van uitputting, smalden z’n kaakhoekige wangen beenig vooruit.—Ver boven z’n hoofd, in de duistere diepte der stolpzoldering, hapte ’n vierkant klein glas-pannetje ’n lichtgat in ’t donker, waarin soms plots bij ’n zwakken harkhaal, brok gezicht van Janbuur op den berg vagelijk òpschemerde, en weer snel wegdonkerde in de geheimzinnige stolpdiepte.
Zwaar van klank en natrillend in ’t duister, klonk Janbuur’s stem uit de zoldering, tusschen het zachte geruisch en geritsel van z’n gehark.—Ingebocheld aan ingang, bleef Gerrit luisteren, z’n kielblauw droevig verpaarst in den schemer.—Onrustig had ie z’n pijpje mondhoek ingebeten, nu en dan optrekkend reutelenden zuighaal, vernevelend z’n hoofd achter rookwolken.
—Hai je je boel dan nog nie te hoop?.. wa’ luie broàsims die jonges van jou tog-en-binne, dolde Janbuur, uit berg-duister.—
Ouë Gerrit voelde zich nijdig worden, hoorde dol-klank maar half.
—Ho!.. ho!.. wa’ saa’k segge!.. vier en vaife en nie genog.... aa’s je wa’ forrekies hooi allainig neudig hep!.. bi’ je gàuw kloar.... huhu!.... huhu!.... de kerels hewwe nog wá’ meer aa’s hooie hee?..
Bleek vaalde schemering op de vuil kalkwitte muren van dorsch. Al donkerder zwartten wielen, voorkrat en dissel van den hooiwagen, tusschen de donkere hooge gebinten en ’t verduisterd gevaarte van stolp. Donkerder kromde en zwoegde gestalte van werker op den wagen en angstiger onder z’n verdonkerende gebaren kermde, in de lugub’re dorschstilte, z’n zware hijg-borst.—Z’n kop wasemde in ’t zweet en voort ging z’n vork in het ruischkrakend hooi, hieven z’n donkere armen stapel op stapel naar den stolp, waar ’t neersiste, op den al hoogeren, duisteren bergrug. Z’n beschemerd lijf schimde er verkromd en vergroeid als schimmige karyatide, waggelend op de lager-zinkende vracht, in krampige worsteling met het droog-wilde veerende hooi, dat onder z’n voeten uitsprong en tegenspartelde als levende aren.—
Z’n schimmig gezicht, bij vastboring van hooi, grauwig-rood alleen even te zien bij beenige kaken, in den omhuivenden schemer van ingang, draaide telkens donkerend wèg naar den baas, en stom sloeg z’n stille late avondzwoeg door het afbrekende gepraat van ouë Gerrit en Janbuur op den klamp.—
—Kaik ke’rais die Kerkvoarter doár.... die is d’r puur van f’morge halfdrie an ’t gangetje! en nou.... sel t’met naige uur weuse hee?.... één skoffie hep ie had.. daa’s doenig hee? één skoffie van ’n kwertier t’met! daa’s doenig hee?
Janbuur blufte op ’t werk van daggelder, alleen om ouë Gerrit te hinderen.
—Moar da’ mot sait.... hai hep dan ook ’n fesoenlik duitje.. doàr sit ’m alles in Blommepot.... daa’s ’t geheim vat je?.. wa’ jài nie kwakkelt.... mi je blommetjes s’murreges knippe!—’n fesoenelik doàggeld.—Zwaarder griste en kraakte ’t hooi onder hooiers kousen, en even uit stolpduister kwam lijf van Janbuur naar voren bukken, z’n donkere kop, turende laag in den dorsch, die volgegrauwd diepte van schaduw en schemer.
—Hee.. Joap!.. schreeuwde ie, naar den wagen, hoeveul vorkies nog, ’t wort main puur te donker!
—Nog drie, dan is ’t daan, kreunde dof stem van daggelder. Z’n donker lijf ging voort in zwoeg, lanste en vorkte ’t laatste hooi òp. Z’n armgebaren vaagden nog schimmiger, verdiept tegen ’t weifelende dorschduister van achtergrond, geheimzinnige hal van verdonkerde binten en kruispalen. Soms vréémd, lichtte oogenwit om appelkrans, nog èven schichtig onder hoedrandje en verduisterd gezicht uit, als ie opzij keek naar den berg.
Ouë Gerrit, leeg-wrevelig, niet wetend meer wat te zeggen, zei zacht goeien avond, klompklotste wèg, loom, vol kregel naar huis.
Den volgenden ochtend schommelden bij hem twee wagens hooi van één dijk in, die de jongens uit angst voor regen, maar opgestoken hadden.
Op balkvoeting stond ouë Gerrit in ’n erfhoek, achter bollenschuur, klaar. In open lucht zou daar ’n berg neergebouwd worden. Regen spatterde en windrukken stootten òp uit oprijlaan, waar de voerman één wagen ingereden had.—’t Geurde over hun hoofden. Kalm, als onder zonnegouden en blauwenden hemel, vorkte voerman ’t hooi van z’n wagen. Piet stak òp, naar den Ouë. Met vertrokken rimpels in z’n gezicht, stond die omsparteld van regen en windgeslier, bangelijk ruggekromd en beverig de opgeworpen stapels naar zich toe te rollen en op te bossen.—Diep zonk ie in broeihooi, dat z’n enkele blauwe kielromp krommig tusschen ’t matgoud gehalm uitbochelde.—
—Wa he jai ’n mooie vork, lolde Piet.... jai lait d’r ’n borrel glad, moar de bulle binne tog in orde.
—Joa jonge, ironiseerde terug voerman, afvegend zweetgezicht met mouwvest-end, en neerharkend hooihaar langs wielen en raambalken. Joà jonge, dá’ f’rboast jou hee?.. jai hep kwoalek ’n goed stuk gereedskap sien hee?....
Lachend en sneller vorkte ie af, dat Piet wegzonk tot de borst in de stapels.
Ouë Gerrit, in strammen buk, hijgend en puffend op de voeting, doorstriemd van regen, schuw van nattigheid, waggelde hooger, al hooger op hooiklamp, woelde, struikelde en verstrompelde tusschen het broeische gehalm, wreef telkens één hand tusschen lokken en baard. In zichzelf gromde ie, waarom ie maar niet, nà de pluk, wat hooi gekocht had.—Zou ie niks te maken hebben gehad met gemaai en gedroog, net als verleden jaar, al was ie ’n beetje bedonderd met de kwaliteit.—
—Wa hondeweer hee?.. f’rduufeld aa’s ’t droog is.... mot tug droog saine aa’s ’n hart saa’k moar segge!....
—Je ken.... die jonges ook niks.. late doen.. droog-komiekte voerman weer van den wagen, lager beenend den karbuik in, onder al zakkende hooivracht, snel-rustig stapels neervorkend rond Piet’s lijf. Piet lachte van zenuwachtigheid voelde wel dat voerman ’m nàm, met al haastiger afwerping van z’n vorken. Geweldig in werkdrift lanste Piet z’n vorktanden trillend vast, in de krakende, ruischend-blonde woeling om ’m heen, duwde ie dieper en gejaagder den steel in ’t hart van de nattige stapels, dat ie grootere vrachten vastpriemde en in woesten zwaai boven z’n kop sloeg.—
Heviger zwollen z’n slapen en aderen, en vlug, als kon ie geen til meer uithouên patste ie z’n vracht tegen ingebukt achterlijf van ouë Gerrit, dat die schokte op z’n voeting en voorover strompelde.
—Ho-ho! main kristus.... waa’n drift!.... is da hooie!.. je laikt puur daas!....
Piet hoorde niet, wou niet achterblijven. Regengespat en windgeruk splinterden en joeg om z’n warm gezwollen zweethoofd. Hooibroei verhitte z’n lijf en springende stroo-sprieten priemden in z’n oogen en hals, jeukten in z’n ooren.
Zoet dampte hooigeur rond, op ’t zwoel-smoezelige erf, over den natten glimmerigen moestuin, onder de grauw-wazige lucht. Hooigeur honingde rond, rookte in Piet’s beregenden mond. Woester en driftiger werd ie van binnen. Dier-zwaar hijgde z’n borst, en geweldig in werkstilte lanste z’n vork in de zwoele stapels. En hooger om hem, in kalmen sar, begutste voerman ’m met gouden golvensmak, als moest Piet stikken.
Erger, èrger giftte ’t in Piet. De zwoel-warme geur maakte ’m woestiger, duizelig, de regen plekte natter op z’n handen, jeukerig en piekend, en de wind joeg ’m op, lawaaide in rukken om z’n fladderkiel. Vloeken kon ie. Al drie maal was ’t gekeerd, en nou wèèr regen! Heeter broeide in de nattigheid ’t blond gegolf om z’n lijf en polsen. Hij trapte er op, woelde, wankelde, stampte en spoog er z’n pruimsap in. Hoe meer ie weg rukte, hoe sneller voerman stapels op ’m neerdrommen, neervloeien liet. Heftiger en veerkrachtiger, als in helsche spanning van al z’n spieren, nagelde Piet grootere stapels aan z’n vork, nauwelijks meer te tillen, hief ze langzaam, in heupwringende kracht-ruk boven z’n kop, en kwakte ’t woedend neer op ’t lijf van Gerrit, die hem niet meer bijhouden kon.
—Da goan soo nie.... je laikt hooikoors hewwe.... wa skeel jou?....
Paarsrood van uitputting bleef Piet hijgen éven. Zweet en regen, glibberden natte kringen om z’n neus en mond, die glommen als met boter ingewreven.—
Het balkraam, boven de wielen van hooiwagen, kwam al bloot, zoo snel-zeker had voerman af gestrooid, toen Piet nog in den om hem héén gebouwden, uitheupenden berg stond te woelen met z’n vork, niet wetend meer waar ’t eerst de stalen tanden in te harpoenen.—
Stiller was ie gebleven, want zonder woord òpenlijke ruzie had voerman ’m klein gekregen, in zwijgenden krachtworstel.
Na uren kreun-stillen zwoeg eindelijk, stond de berg overeind, voelde Gerrit zich blij dat ie in den regen, toch doorgezet had. Dadelijk, met zwart zweetig vervuild gezicht, hooidotten, tusschen z’n haar en nek gepaveljot, doorzogen van regen, was Piet weer den tuin ingeklomp-klotst, om te rooien.—
IV.
Vroèger in den ochtend, kropen de werkers op de akkers, làter bleven ze wroeten, donkerend in den schemer. Van alle kanten onder de tuinders, joeg werkkoorts, onrustten oogen en handen. Kees was drie avonden in de week, om nog ’n extraatje te verdienen, bij ’n ander aan ’t sla-steken, voor ’n baasje, die wat akkers kroppen van ’n grooten kweeker gekocht had.
Van Beek achteraan, waar ’t werk tegen half negen klaar was, liep ie òver naar den avondpatroon, om de sla uit te dragen, te bakken. Baas Booker zelf werkte mee, tusschen de nog helgroene lange krop-regels, stak snel de sla met klein mesje van den grond, ze zuiverend, en handig afscheurend ’t rot zanderig blad. Zoekend loerden z’n oogen tusschen de regels in, wáár de grootste propten; en telkens in buk, zonder opkijken sneed ie àf, keerde snel elke krop òm, nekte met scherp mès ’t vuil er van, smeet ze gestoken weer néér op den grond. Zoo ging ie voort, in één buk, de oneindige groene regels langs, springend dan hier, dan daar tusschen de kroppen, waar net èven plaats bleef voor z’n klompen om te staan.
Kees, met drie andere nazwoegers, vulden de bakken, sjouwden drie vier op elkaar, voor d’r buik, langs de greppels en loopkanten van bollenpaden naar de karren, aan ’t eind van de lange akkers. Hun lichamen kraakten en persten van zwaren sjouw, telkens als vrachtbakken afgedragen moesten worden naar ’t eindpad. Achter Kees hijgde aâmborstige kerel, kuchend en vloekend de kisten voor z’n buik tillend, in zwaar moeë armenstrekking.
—Wa’ dá’ goed nog donders swoar is, kreunde zwak z’n stem. Bij elken vrachtsjouw hing z’n tonglap ’n end z’n zacht-kermenden mond uit, als van bezweeten hond.
—Wa’? die poar bakkies, blufte ’n ander, sterke knoest, toch zwaar hijgend onder ’t tillen en versjouwen. Jai kâ d’r nie uitdroage.... loà ’n aêr die sinte hebbe hee!....
Aamborstige kerel zweeg,—Hij kòn niet spreken, z’n stem was wèg.—Hijgen alleen, hijgen deed ie, met ’n gevoel alsof er wat brak onder z’n zij en borst. Den heelen dag in zonhitte verploeterd en nou nòg z’n na-avond verzwoegen... nee, hij zag ’t nou.... hij kon ’t t’met niet meer houên. Vanavond voor ’t laatst. Zoo bromde ie in zichzelf, zwijgend voorttillend en versjouwend met ’t zweet op z’n moe lijf vergloeid, kuchend en ploeterend in de greppels.
Avondgoud was in wonderen rooden gloed over hen heengedampt, had hun koppen verbronsd, de velden van stervend loof, pastèltintig fijn beglansd, en de groene boomdrommen en hagen, laag langs de aarde doorgloeid in laat goud-vurige pracht; verstillend ’t land, de groei-zware akkers, vèr-zaligend ’t zachte geruisch dat nauw hoorbaar, als lichtste fluister uit ’t loof aanzwoelen kwam.
En laat, nà zonnedamp en rood-brons lichtgevloei, bleven ze nog stapelen en steken, laden en afrijen, tot de aarde, zwartdonker onder hun klompen wegduizelde in ’t nachtduister. Van alle kanten bonkten karren van sla-stekers aan, trokken de kerels in de avondkoeling naar de Haven, waar sjacher-rumoer hurriede, en davering raasde van wegtrekkende en aanratelende vrachtwagens. Uitgeput en gebroken van hitte-marteling en vermoeienis, duwden de werklijven achter hun karren áán, sleepsleur van loodzware vrachten, duwend met armen, buik en beenen; wat kerels, bij elken kar vòòrop, met hangtouw striemend gespannen over hun doorgroefde ruggen. Zoo, in rijen achter elkaar, ratelden hun vrachtkarren heen en terug door de zoel-koele lucht, door den heerlijk-neerdauwenden zomernacht, met overal ’t azuurfluweel van de hemeldonkering tusschen erfjes, tuintjes en gevelbrokken; ging hun laatratelend kargeploeter door de stille, deftige straatjes, waar burgers en notabelen in hun opgepronkte tuintjes thee dronken, lachten en babbelden; groote kinderen nog joolden en sprongen. En nu en dan, tusschen donker belantaarnd dennetjesgroen van villátje, vlamde een rood-bekapt cierlampje op, vèr uit tuinduister perspektief, tooneelvreemd, in rood-diepen gloed, als ’n vurig fantoom van sprookje, droomrige glanzen rondom verwazend, den fluister-duisteren tuin-nacht in.
Van de duizend laantjes uit, òm Wiereland, zwoelden warm-zoete geuren áán, van bloeiende meidoorns. Ook de zijwijkjes tusschen de deftige Reekerstraat in, wijkjes van werkers, zoelden en zwommen in geuren van meidoornzoet, schemerden donker en zwaar volgegroeid met hoogkronende kastanjen en lindeboomen, duistere reuzen in den avond, daar opduikend voor de kleine raamruitjes, die stil opstaarden tegen stammen-machten.—Geluidloos, als karren voorbij gerateld waren, vroomden de werkwijkjes in avondrust, ging zwellend en stervend boomgeruisch, in zoete wiegeling en week gefluister door ’t zware duistergroen; vaagden de krotjes laag-gevelend achter de reus-boomen, neergedrukt en gesmoord onder hun boschweelderigen takkenhang. Vóór de verdonkerde deurtjes, aan weerszij van de smalle straatjes, duisterden wat rompige, hurkende kerels en vrouwen, platzittend op de steenen, in spraakloozen zwijmel, genietend na zwoèg, van meidoorngeur en bloemenzoet, aanwaaiend in zachten windruisch en koele luwte, van allen kant.
Kees sjokte, doodòp, van de Haven terug door de achterwijkjes. Enkele kleine raampjes lichtten gouïg-mat in lampglans, uitlijstend achter boomdonker. In valen groezelschijn van klein petroleumlicht, sjofelden achteraan wat winkeltjes òp, met vervuilde magere uitstalling van blauwe en rood bemantelde heiligen-beeldjes, kruisjes en goud-kransige moeder Maria-plaatjes, strak-hard van kleur, verteederd en getemperd wat in armoedig-valen lampglans. Begijntjesachtig, tusschen de beeldjes, achter ’n winkelraampje, geelde uitgeputte gapende vrouwe-kop, armleunend op toonbankje.
Hoog, de overal uitstekende toren van Katholieke kerk, donkerde uit verren boomendrom òp, overheerschend in geheim-zwarten ernst, de armoewijkjes. En ruischvoller, in zachten huiver golfde uit, bòven de ingezonken donkere krotjes, boomenzang van kruinen, zachte suizel zuchtend door de avondstraatjes, volgevloeid van zomergeuren en gekruid meidoornzoet.
Kees’ gezicht, even opgelend in schamele lantaarn, de éénige in ’t diepe straatje, schoof voort op z’n donker lijf. Hurkende kerel had in ’t voorbijgaan z’n gezicht gezien.
—Nog òp de klompe Kees, schreeuw-vroeg ie, in hurkzit vóór z’n donker huisje.
—Da’ sien je.... hee? moar nou smeer ik sàin, zei Kees afgemat,.... van half drie in de kous.... daa’s t’met twintig uur, an één stuk,.... ke’ je je aige voele in die hitte!
—Nou, ikke van drie tut naige.... main waif hep vinte waist.... moar sai is d’r tut op haide, f’rdorie nòg nie.... hep jai d’r nie sien?.... hep puur al twai kair an de hoafe waist.... lag d’r aêrs al langerst in.... ikke si’ puur te wachte mi’ de sloap in main lampies....
—Tog is ’t nou paa’s lekker hee?.... je sou d’r f’rtoetert soo sitte blaive aa’s je ’t kòn lappe, mi’ je kin op je knieë, hee? zei met zwaar-volle stem, een van overzij, uit ’t duister ingehurkt, z’n rug tegen z’n huisje opjeukend.