Part 30
Overal was woeste jacht onder de tuinders, gezweet en gehijg van ploeter en sjouw, zonder opkijken. Alles stond gelijk in bloei, alles in één jacht moest gedaan. Dat ging zoo van half Juni tot Augustus, drie maanden van zwoeg, dat ze ’t bloed onder de nagels brandde, de hitte-zon ziedde en schroeide op hun lijven. Dat was de groote haal van aardbei, erwten en boonen, waarmee de centen voor pacht, grond, en winterwerkeloosheid er moesten komen.
De Ouë gloeide van angstige koorts, hoe de oogst afloopen zou.... Aa’s de boel soo stong aa’s nou, soo loat, kwam die f’rvloekte kermis net in ’t drukst van de boonetait weer; had je de kerels dronke en radbroakt van ’t pierewoaie.. en morrege most hai ’r bai, gong Dirk vente.... hoho! weer bestig daggie veur sain!
II.
Snikhitte schroeide door Wierelandsche polderwei, toen ’s middags Dirk, Kees en helpertje naar hun hooidijk stapten.—Oneindig in wijden kring van wasemend goudlicht, lag jonge bouwgrond aan een kant van den weg, omfloerst in vochtnevel naar horizon, doorbroken van stukken teelgrond. En ver, oneindig, aan andere zij, stil weiland, met gitglans van ’n eenzaam koebeest, ’t hoog behalmend gras, in roestige bevlamming van wilde zuring. Strakblauw, doortrild van zomerbrand, spande de lucht, wijd als ’t land, overstolpend den polder. Dwars door landerijen achter dijkige hoogte, ging glans-felle kabbeling van kanaalwater, naast ’n stuifpad, dat blank brandde in zonnige, heete zanderigheid.—
Masten daar met, achter dijkgroen weggezakte scheepsrompen, schoven voort, als over de verre grasvlakte, tusschen fonkeling en wiegeling van riet. Blanke en goudbrons-brandende roest-zeilen met rag touwwerk, bewogen door de weien van groen-goue waas, vreemd-kleurig, in sprokige grilligheid. Aan alle horizonbochten rond, in oneindigen kring, trilde wazige hitte, nevelig goud-violette floersen, téér naderend lichter sferen van zonnebrand, die schroeide de velden in blauwigen damp. En snikkend, gloeizwaar, bazuinde ’t licht boven de grashalmen, sidderde ’t boven jonge, tooverteer grijsblauwe haver en rogge-akkers, vlamde en spieste ’t op de jonge goudene mosterdvelden, in lichtstuivenden gloed van bloesems.—Fel, als wit vuur, dat koorts-gloeide en in sidder van heet-brandende stralen en vlammen rondschroeide door de lucht; als bol van ènkel razende witte gloeiing, zengde de zon in het blauw, met z’n okerende kringen, z’n vlammig violet, waar niet tegen op te staren was; licht dat werkers-oogen verbrandde, als viel er heete kalk in hun appels. Overal rond, in den polder, ijlde en koortste ’t licht, sloeg ’t de dakjes van boerenstulp in vlam, hel hevig schaterend rood, dat ze trilden en gloeiden als vuur-vlakken in luchtblauw, ’t hemelvuur zèlf doorbevend van hittewaas.—
Polderweg, met z’n heet-zanderige keitjes en klinkers voorààn, lag geblakerd als reep wit vuur in blink-strakken zeng. Hitte dampte uit de steentjes òp.—Langzaam stoof rullige zandstof achter eenzamen boerenwagen aan, langzaam, in loome zwaarte weer neerpoeierend over grasgroen en riet. Nergens koelde schaduw. Hier en daar, in eng boomkringetje om boerderij, alleen wat blauwige korte silhouetjes op heetdampenden grasgrond, weer weggezogen half, midden in vuurkring van goudwit hettelicht.—
Al verder, wààr de kerels stapten, lagen brokken wei, doorvonkt van boterbloem, hoog goudgelen spat van lichtjes, tusschen grasgroen en zuring. Hééle hoeken ver, vervloeiden in bronzige zilvering van siergras, dat wuifde en huifde zacht. Licht wierookte daar zilverend uit, verderop plots doorvlamd van zuringzee, bronsgoud, waar roode glans over heenhuiverde, als windestroom verwoei, en suizelende fluistergolving door heel den polder aanvloeien kwam, er droomgeruisch ging uit groei van halmen.
Op hooge dijken, achter verre forten, die groenend ophoogden in de vlakke stilte, figuurden groepjes maaiers, hoog in de blauwe, trillende hittelucht, achter elkaar, in één slingering, één rhytmisch-breed-uitwaaierende kring van armen, met even ingebogen lijf, goudoverstroomd van licht. En niets anders van ze te zien, heel in de verte, dan de kadans van hun armenzwaai, en fijne neig der beenen, als lichtend uitgehouwen in de oneindigheid van schittergroen en hemelblauw.—
Overal, aan alle zij, onder den polderhemel, wijd als zeeazuur, zalig en lichtend, figuurden de maaiers in pracht van gebaar. En dichterbij, op ’t vlakke land, zilvervlamden als verspringende en rondgeslingerde bliksems, hun blinkzeisen. Nu en dan klonk scherpe rasp van het mes door ’t neer-knikkende gras, in één rhytme-zwaai uitzwierend hun zeis, als drong er hooge maatgang in hun arbeid, rhytmisch in hun handen, tempo en zang in hun fonkelend gereedschap.
Als ze elkaar van ver iets toeriepen, verwaaide lichtelijk hun stemmeklank over de wei, zangerig in ’t zonnedronkene gouden polderruim.
Telkens van ver, één uit de maaiersgroep hief hoog z’n zeis, die stil dan stond te fonkelgloeien als zilveren vlam en plots, wen strijkers vlijmden langs ’t staal, trilde en zonbliksemde, weerlichten afketste in flitsen; zangerige galmen door de blauwe luchtzee verzwierven.
Op zandgrond, snikheet, met kittelsteen midden in, die te gloeien stipten als kogeltjes wit vuur, knerpte en knarste zware klompensjok van Dirk, klonk doffe stap van Kees, die aan stofkant liep. Achter de fortvuurlijn lag hun dijk, nog niet te zien in de wegkromming.
Verheiligd ruischte de stilte-muziek van de weien om hun sjoklijven en in schroeiblaker kookte zonne-oven z’n hitte-adem neer op hun gezichten, beenen, armen en rug. Ze konden bijna niet meer. Rug en hoofd dropen van zweet, en dòòr schroeide zon, op den overal ziedenden polder, dat ’t bloed ze brandde onder de huid.
Eindelijk, na twee uur zwaren, loomen gang, met ingebogen knieën klompklotsend in stikkigen zandstuif, naast elkaar, hoogde hun dijk in ’t zicht. Vlak daarvóór, wiegelglansden de jonge korenhalmen in huivering van leefgenot, groenig grijs, in toover van lichtdauw beplengd; ging er vloeiende golving door de halmen, koelend in zachten fluister, suizend rond de verre stilte, groeizang van de aarde, fluisterzang en suizel, stem van de stilte, heiligend boven het eindelooze vruchtbare werk der boeren.
Vlak naast den dijk waar de Hassels hun hooi op hoop gingen zetten, stonden vijf maaiers, met één kleintje, knie-diep gezakt in de hooge, golvend blonde graszee. Gelijk’lijk, in gevoelden maatgang neigden hun ingebogen beenen, vlijmde en raspte hun sissende sneeslag, door ’t blond-hooge gras. Stap voor stap drongen ze voort, zich zelf zettend in den goud-lichtenden kring van hun arbeid, één rhytmus, de zeis scherend langs den grond, naast elkaar, als doorvlijmde en schoren zij de aarde. Vóór hun borsten de sidderende grashalmen, zee van goudbronzen golving, doorvlamd van zuring, neerknakkend in één vlijmsnee, getroffen plots, door flits en fonkel-slag van zonnesikkels.—Mannetjes klein, naast elkaar, met even slag van zeis-ruimte tusschen de lichamen, de gezichten doorbronsd, met schaduw van kleine hoedjes op bloot-bronzen nekken. Mannetjes klein, vóór de graszee, met heet hemd-rood van uitproppende mouw onder kiel, hun pilo en zwarte broeken, half verzonken in ’t blonde gras, tusschen zilveren bevertjes en weeldetooi van groei; of naakter ten voeten uitstaand, op ’t kale afgeschoren lichter gemaaide weigroen,—zóó ging hun stap, hun rustige gang, ’t gegolf tegemoet, borsthoog. En vol, door trillende hittelucht en hoogblauw azuur, klonk zeisenzang. Telkens van meer dan één zen, fonkelstreepte wit bliksemlicht àf door wei-oneindigheid, leken de maaiers overstroomd en verzwolgen in kokend, neerschroeiend zonnevuur, en sidderde golvenvloei van graszee. Maar aldoor weer, in al andere hoeken, de zee ebde terug, onder den zonne-sikkelenden slag der maaiers, vlak onder hun warme voeten uitgroenend in hoogeren gloed.—
Achter den dijk nu, waar de Hassels werken gingen, aan linker polderzij ver, rondom, rondom, rijde weer maaier naast maaier. Eén groepje in pracht van diep-rooden baai-brand van hemden, gloeyend traag-bloedend in ’t zonnegoud, stond daar, de linkerarm verbogen om kruk, rechterhand om korten dol, èven rechterbeen gratievol en zachtkens geheven, in lichten kadans en meezwenk van linkerdij, ver de armen tèlkens in àchterwaartschen zwaai, en rhytmisch in schommel naar vòren weer, vlammende cirkels van zeisslag rondblinkend in wijdbeenschen trèk.
Halmen zwikten voor borst en beenen, in golvend zwad van goud, achter hun brandende hielen aan. Zoo, in zeilend gebaar van hoogste pracht, figuralen gang van zeisen, klonken ook uit dièn polderhoek op de flitsende zens, in cirkelende scherpte, met vonkende booglijnen van ’t mes, trillende bliksems weg-slangend van flikkerende zeispunt tot zeispunt, heen en weer; ging er ritseling en schuifeling als gloeiende sissen door ’t gras. Ook dààr braken de maaiers de golving, keerden zij de deining, de eeuwige, van ver aanvloeiende graszee, ver-zwaden ze de neer-gemaaide kringen, stapten ze voort, vaster, al verder, al vèrder en kleiner in het zengend heet rood van hun hemdbaai, naar den geweldigen horizon, die doorwaaid nevelde van gouen vochten, dampend violet, omvlamd dan en weer door den wit-blauwen bliksem van opgeheven zeis; verechode den zoetluidenden klank-zwier van hun strekels. Prachtig in gouen golving bleef achter hen aanrijen ’t gemaaide zwad, groenden fel-heet en glanzig-moireerende laaggeschoren hoeken, waar spreeuwen-wacht uit òpzwermde, tuk op omgewoeld aas.
Dirk had ’t eerst z’n kiel losgerukt aan hals, pafbenauwd en hijgend van hitte. Gretig greep ie naar drinkkruik die ’t helpertje op z’n rug droeg. Heet, uit ’t verzengende blik, zoog ie ’t lauwe vocht op.—Met genot was Kees ’n endje tegen koeltewindje ingeloopen op den dijk, dat nu en dan over den schroeigrond luwde.
—Nou moste wai moar ophoàrke Dirk, en nie beginne woar jai stoan, riep Kees.
Bestig vond Dirk dat. Die Kees, wâ die kerel tog werke kon. Allegoar knapte ie hullie op. Verduufeld aa’s tie nie twee Piets en twee Dirke veur sain rekening nam. Dá’ most ie tog eerlijk segge!
Onder ’t neergemaaid hooi haalde Dirk twee steekvorken uit.—Kees was langzaam den langen hoogen dijk, die doorstoofd gloeide van hoogovenhitte en hun voeten ver-blakerde, afgestapt; begon aan slootkant, vlak bij het soms doodstille, dàn plots kopjeswiegelende riet, te harken. Dirk en helpertje werkten aan anderen dijkkant in de laagte, naast teeltbrok velderwten en boonen.
—Wá’ nat nog in soo’n hette hee?.... schreeuwde Dirk naar Kees, onder het hoog uiteenzwaaien en opslingeren van ’t hooi, met witblinkenden houten hark de lucht ingraaiend.
—Daa’s net, sel f’doag wel nie waier komme aa’s keere....
Laag aan Kees’ kant lag niets dan weiland, waar op alleen figuurden donkere en in licht-zwemmende maaiers, zwart-brons, in kiel-fèl rood of wit-bekleerd.
Alles beheerschte hun zwierkringen, tusschen het gesuis en gehuiver van halmen, het blondgoud geglans van stengels en riet, de diepe oneindigheid van hemelblauw rondom, de reuzenkom, met z’n eeuwige stilte-druisch en lichtgespeel.—Den ganschen dag bleven Hassel’s harken woelen in ’t broeiende hooi, in lichte opslingering en uitristeling der afgevlijmde halmen, dat ze in hitteschroei al drooger kraakten onder den stap der mannevoeten. En pal op hun nekken en koppen, die dropen en parelden van heet zweet, doorzengden de gloeiharpoenen van zonnebol, weerhaken met giftpunt van kokend licht in hun lichamen priemend, dat er dolle gloei bruiste binnen in hun aderen.—Zonnevuur bleef uit ’t diep azuur, trillend heet blauw, neerschroeien, piekend en martelend hun vel, terugkaatsend in zeng van den grond op hun beenen, handen, oogen, als werkten ze in vlammenrijk van cyklopen, in hellestraf overal ingesloten tusschen hoogovens, die uit hun schroeiende muilen, lava en kokend licht verkraterden.—Als blaasbalgde daàr, achter zonnevuurbol, een demonenmuil de zonne-brand òp tot hoogeren helwitten gloei; als ging de gouden aarde vervloeien in hemelsmidsen waarin de zon vuur neerlekte, z’n vlamkronkels, z’n vlammebliksems van rood-wit, geel-wit, groen-wit licht. En stiller na elken windluw, dorstig in snikhitte en zomerbrand, stond roerloos ’t gewas, de brandende, goud-hevige mosterdakkers, in schallend blakergoud, de jonge koornvelden, dampig blauw-grijs van zware hette, de blank pluimige karwij, week geurend door zoetige hooilucht, in broeisfeer van warmte-nevelen.—
Den volgenden dag om tien uur, stonden de Hassels weer op den dijk. Verspreid op de hoogte, hooide ’n groep tuinders, die den boel haastig moesten binnen hebben. De vroege zomerhitte was afgedreven. Polderhemel, ontzaggelijk in wijdheid, wolkte zwaar betrokken. Weer vreesden de mannen voor onweer en regens, eer één hooi binnen kon zijn. Vandaag moest ’t op hoop, en als ’t kon, de dorsch ingereeën. ’n Week later, zaten ze gesmoord in aardbeien, erwten, kwam de zware ventdrukte. Dan kon er niks meer gehooid. De boeren, kalmer in arbeid, hadden tijd, werkten rustiger aan hun hooibouw. Kees harkte weer, en Dirk met helpertje zwaaide uitpluimende hooislierten de lucht in, als blond gewolk. Zwaar paars-grauwe zwerklucht dreigde boven hun hoofden, in ontzaglijke ruimte. Vèr, aan wazigen horizon, nevelend verzonken, droomden torenspitsjes, vaag violet en donkerrood gedak van dorpjes en boerderijtjes. Altaarstilte trilde wijd over het donker schaduwend weigroen. Nu en dan wiegde zoet-lief gefluit òp van leeuwerik, de lucht inzwierend hooge jubel, die uit de zilvergrauwe hemelzee neerzegende in zwellenden klankenval, vervlietend over vlakte-eeuwigheid.—Even soms geelde zon, ijlde schaduw in vlucht van adelaarswieken over de kleur-treurende weien.
Lichtgroen, kortgeknipt kaal, vlekten en hoekten de gemaaide brokken, tusschen de donkere, malsche sappigheid van uitgroeiend gras. Diepe zwijmel van zoeten hooigeur woei uit, over polderzee, alle windkringen mee, zoelde in prikkeling dàn als week-warme reuk van versch gebakken brood, dàn als rozen-aroom en honingdauw.—Geurprikkeling vloeide over de werkerskoppen, rondwentelend, verwaaiend en weer terugvloeiend in de oneindige hemelkom en graszee van polder. Groot en geweldig uit verren horizon stoetten áán, verbrokkelde wolkpoorten, waaronder wierookvaten en zilveren wolklampen wazige glanzen te dampen brandden.—Goud-dof geelden de mosterdakkers, en grijsteer vlekte karwij-sier tusschen donk’re klaver en erwtenranken.
In wissel-licht van zwerkzwaar hemelruim, stonden de hooiers en maaiers, dàn duister, als silhouetten, dàn oplichtend in stroomen zilverig geglans, uit blauwe hemelgaten onder poortendrom neerspuiend.—Breed hun machtig gebaar zeilde door de lucht, in rhytmischen gang van zeisencirkeling, als dwongen ze de aarde tot baren. En inniger, de naklank van zeiszang, galmde door de kloosterheilige weistilte, als strekels vlijmden langs ’t staal. Telkens donkerder, verreuzigden nù hun figuren in dreighemel onder wisselspel van licht, en breeër wiegden hun kringen; stonden ze hoog, bezwerend in devoot maaigebaar, wat met onvruchtbaarheid de velden sloeg.—
Dieper en heiliger, elke minuut méér naar den avond, staarde de stilte boven de vroomheid van hun zwoegkoppen, stiller en in siddering weer, zweefden de handen in geheime kringen van arbeid, schuifelden hun stappen, hieven de zeizen zich, en woelden òp de harken hooi, in den onmeetlijken unisonen stilte-ruisch van aarde- en hemelzee.—En telkens op àndere dagen, in ànder licht, stonden de hooiers onder woest paars wolkspel. Nachten van paarse angsten, gedrochtlijke wolken trokken voorbij, bòven hun hoofden. Plots daarachter uit, éven weer trillend zomerlicht, blauw-bloeiend en jubelend. Dwars daar doorheen weer, stille jacht van aanzilverende wolkdrommen, optrekkend, heel van verre horizonbrand, opjagend, in verduisterende dreiging en rond-donkerend de reuzige polderkom. Niets beefde in de stilte dan de raspige, rits’lende vlijmsnee van de zeisen, de maaiers plots reuzig bijéén op dijkengroen, donker en ver, in duisteren heersch over het onrustige aardleven.—
Dan het ritselend, krakerig gestoei van opwolkend hooi, dofblond geslier door ’t luchtangstige zwerk; dieper en plechtiger daarin, de groote werkzwijg der zwoegers, eenzaam in ’t zilvergrauw van stille hemelzee.
In aandacht sloeg Kees z’n hark òm, werkte Dirk, en verderop, al de hooiers slierten geuren in den wind, met de woelige lijn van blanke harken door de lucht. Plots brak sterker zon door, dampten de wolken wèg in zilverige zoomen, kleurde feller òp karwijbloei, sneeuwig; fonkelde de mosterd, hoog schallend-goudgeel, dampten de akkers in diep-groen, vloeide, stoeide en dartelde ’t licht weer over de werklijven. Zeisen bliksemden weer in de lucht, en glans van heiligheid vloeide weer over de geweldige werkdaad van maaiers en hooiers.
Dagen aanéén bleef ’t hooien op de dijken, in zonnedavering of zilvergrauw, de kerels in zwijg, tusschen de eeuwige stilte van eindloos land en hemel. Sterker stoeiden en wiegden de glansen, gebroken en vernevelend, gedrenkt in hooigeur, in diep zalige reuken van bloeiend jong zomergenot, dat zwijmelend en luchtig leefde vóór broeihitte en zonnevuur hèviger neerschroeien kwam op polder; laaiende zomerbrand die voeten, oogen en lijven van werkers moordend neersmakken zoû, in aêmechtigen hijg. Groot-machtig van gebaar stonden de zwoegers in de vochtige, volwasemende lichtkom, hijgend en sliertend, verstomd in hun arbeid, in hun stillen staar naar de aarde, geweldig in hun koortsige jacht, die verbronsde, de bazalten ernsttronies, onder gloeiende uitdampende hette van grond en hemelruim. Daar midden in stonden ze, in pracht en hoogsten òpbloei van zaad en gewas, tusschen de éérste uitvloeiing van zomerkoortsende groeiwellust der aarde, die uitstorten wilde, uitstorten moèst, haar vrucht-zware zwangerschap, brandende baring, onder luchtstolp van onèindige breedheid. Brons strakten de werkkoppen, als in donker bazalt gehouwen tronies, bestoft en grauw-rood doorvlekt van zweet, en hóóg in gang, sliertten de zware gereedschappen. In eindlooze tragedie van lucht en lichtspel, in koorts-strakken jubel en zonnebrand, stonden ze en zwoegden door, blind voor de pracht van ’t leven, ’t zingende groen, het heete blauwe vuur van de zengende lucht.
Hoog boven hun hoofden stroomden geurselen rond van zoetste welriekendheid, geuren als van vruchten en rozen, bruisend appelensap en druivenaroom, dronken-makende wierook van wei- en aarde-wijn, vervloeid uit wond’re gouden hofjes van ’n zonne-paradijs. Graanloof en hooi, karwij en klaver, graszwaden en bloemenhoning, stortten zoetste stroomen geurenwellust uit, diepste kern van geur-heerlijk aardleven, in onstuimige opborreling en bruis van sappen. Hoog boven hun hoofden waasde de honigdauw uit flonker-gouden lichtschalen, dauw druppend op hun handen, hun oogen, verstroomend tot waar de blink-helle zeisen vlijmden, ònder het zoete gras. De aardgeuren rookten in ’t licht als zichtbare adem van heliotropen. Dáár, in die ontzaglijke groene wereldkom baarde de eeuwige stilte, werkdaad der maaiers, hooiers en planters, heiliging van hun arbeid; stonden rond hen geschaard, àlle gestalten van bevende, warme, trillende aardevruchtbaarheid, doorgloeide passiën van aardbestaan. En midden in hemelpracht en aardewellust, sloeg de daad van hun goddelijken arbeid òver, in neermartelende afbeuling en hitte; werd woesten weedom en weenende eenzaamheid om hun lichtende gestalten uitgestort. Dáár, in de verste verlatenheid van het jagende leven, ging hun zwarte zweetzwoeg, hijgden hun borsten, werd de pracht van werkgebaar, de zwelling van hun nooitzinkende krachten, tot martelende aêmechtige zwijmel, naast den koortsheeten weelde-opbloei van rijpend gewas. Heet geurleven stoof, spatte, sapte, gistte òver, òm hen heen.—Glanzing en kleuren brandden triomf van zonnegloei rond hun voeten, en de alkleurige bebouwde aarde in baring en in weeën, stortte uit in geilen zwijmel, haar vruchtheerlijken rijkdom. Hun handen maaiden en zaaiden, hun oogen keken, hun lijven zwoegden, zuchtten, zwollen, krampten onder den werklast. En stilte, eeuwige stilte bleef trillen onder oneindigen luchtewelf.—En stiller daarin nog, koortste en verschroeide hun lijfzwoeg, dorde en droogde hun leven op, stonden ze neergebeukt in bronzing van koppen en gloei van prachtlijven, in één kramp van arbeid versteend; voortzwoegend tot den avond, zwijgzwaar, geradbraakt in pijning van elk lid.
Volgenden dag weer stonden ze op de lichtdaverende zonne-velden, als ingesloten tusschen hoogovens en kraterende hette; stonden ze stom, met rondom orgiën van licht, onder oneindige luchtendrama’s, geheel dood voor de lèvende godspracht van vruchtenland en wellust van aarde-groei.—Geweldig in lichtmacht trokken weer ochtend en avond over hen heen. Elken dag méér naar den oogst, dropen hun handen zwaarder van aardsappen, donkere en lichte, vloeiende en heetgistende; kwam zengende zonneharpoening, die ze verschroeide en martelde in hevig gesteek, dat hun huid klefte en branderig verhitte onder hun goed; kwam sjouw-vracht als gewichtenzwoeg ze verkrommen in gang, tot de avondzon wat koeling bracht; nimbus-rood damplicht omzeefde de avondweien. En zoo, in de vroege zomerhitte voelden ze áán de werkers, dat komen ging, elk uur nàder, de hooggroei van polder, de goudzang van ’t graan, de davergloei van tarwe, rogge, haver, als maaierszwaai was weggesikkeld, en àchter hun arbeid, ’t land in gouden korenbrand oplaaide; vloeiend goud, dat zingen kon. Als de oogst van golvend levensrijp, uit alle aardhoeken kwam opjubelen, in feilen hoogen goud-brand, en vogelenkweel over hun koppen verwaaide. Als in de oneindige stilte van ’t land, opengebarsten vruchtzwijmel, in heete baring van leven, de zaden uitstortten; één fluistering er suizelde van halmentaal, de ziedende geboorte van korrels en zaden luidloos gebeurde in de stille oneindigheid van lucht en grond. Als uit de zwel-aren en verwemelende strooiing van levend zaad bij elken windestoot, groèi de aarde doorstroomde, doorschokte, in krampigen sidder van hevig, levenbarend genot. Als er ging, groot unisoon fluistergeheim, koor van arengeruisch, òver den geheiligden arbeid van handenzwoeg, die gezegend daar stond, in groei en goudkoorts van ’t licht. Als de heete, felle jubel van hun zwoeg, de aarde uitgewellust was, brandend gekust, en wèèr razend overgekust door passie-schroeiende Zon; hun heilige arbeid omwaaid lei van winden, de zangerigen en gierenden; omzwijmeld en bedronken van geuren, dóórschroeid van kleuren. En ’s nachts, verkoeld weer door wijd-om fonkelende sterrenwemel van polder, diep donkere blauwing van hemelkring, met z’n goud lichtenden wondren flonker van nachtglans, onder dàn nog oneindiger transen die arbeid stil duisterde; onder ’t stille lichtgepleng van de zilveren sterrenlampjes, die flonkerden boven de duistergroene aardewei. ’t Land dàn weggevaagd droomde in wazen van nacht, immens en sidderend van stilte en roerlooze verten.—
Doorgeharkt was er dagen, in zwijg. Kees was naast Dirk gaan staan.
—D’r mot nou moar op hoop set hee? wá’ d’r stoan, stoan d’r dan.