Menschenwee

Part 25

Chapter 253,715 wordsPublic domain

En vlak daarnaast, erover, ertusschen, duizelden kleurgamma’s van hoog goudgeel, en goud-gloeiende honigkelken, die bruisten en vonkten, vlak tegen het rooie tulpenvuur, in rondsidderenden, zengenden gang langs den grond. En verder, weer akkers, vol donkerend tulpenpurper, als in verdoofden zwijmel uitgedroesemd, met enkele schalen slank er boven uit, stengelende, lichtende kelken, er nog tusschen, als schitterende roemers, hoog geheven in het laaiende licht, dat er bruisend in vervonkte en spatte als schuimende zonnewijn. En rond daarom weer, als nooit eindigende zee, aangolving van nog donkerder kelken, rood doordauwde tulpen, wazig geplooid in half uitknoppende bloem, waar al driftig het zonnegoud tegen opspatte, de beschulpte randjes verterend in gloed.—Daarachter weer koraal-rood gevlam, met ertegen opgedrongen, diep gele en witte lawines van lichtende, luiende kleurklokken.... En heel apart, als vreemde, zoetste, tooverende akkersier, in geheim-zachten geur, die er boven bleef drijven als nevel, tulpen van teederst zangerig lila. Kelken, uitgeschulpt in ’t fijnste rose, blankig doorroomd. Kelken, hoog en groot, als omblazen in waas van venetiaansch glas, met rond-dwalende weerschijnen, besluierd teer-blauw, en roze-rood hier, wazig en blank purper daàr, fijn gebogen in stengelsier. Ver van het helsche demonenrood, het gillende vuur, waarin het licht gepijnigd bruiste, dìe akkers met hun teeren kelkenbouw, uitgegroeid als glanzig uitwaaierend spel van venetiaansche roemers, doorwaasd in kleurmist. Koel en toch vonkend, broos, teeder en toch rank-sterk, zonder brio-brand, doorgeurd en zwemmend onder den nevel van hun eigen zoetsten gouden honinggeur, als temperend de ijlende lichtkoorts van de rondomme vlammen-akkers.—

En vreemd, in ’t lage land, met z’n vochtdamp en prachtig mistend lichtzilver, gloeide daar overal van tulpen, rooie, gele, paarse brand; kleuraangolving van narcissen en hyacinten, zònder oplossing in ’t lichtende, heldere schitter-innige weigroen, en de goud doordampte stille achtergronden van vervlakt duin, zònder rust in ’t avondnevelige waterland, met z’n goudvocht en trillende vloersen.—

Als was daverende stoet Oosterlingen neergestort en verpulverd op de lage landen, als had titanische vulkaan-ruk één heet kleur-doordoopt brok zuideraarde uitgeslingerd en weggespoten, midden in den verbluften Hollandschen Mei, met z’n malsche wei-groening en grazige zoetheid, zoo onopgelost bleven daar gloeien de bollenakkers, helsch opengebarsten brand, uit eerst koesterend groen van prachtig sierloof.

II.

In festoenen hing zoo de Meidag te tooveren, was wintergrauw in Wiereland weggezakt, goudde ’t licht, schooner soms waar geen bollenakkers te koortsen geurden, in de tuinen, op stille laantjes en paadjes; lichtgesprenkel van zon, splinterend rond drommen, goudgroen boomblaar. Omjubeld van licht en kleur stonden de landwerkers in den Meidag, in pracht van werkgebaar, op de groene akkers, warm-rood en blauw bekield, in ’t opene zonneveld of kleurschemerend tusschen rijzenpaadjes.

Plots kwam Meimaand weifelen, verstierf de goudpracht van de jubelende dagen. Als in zatten wellust leien de bollenakkers elken dag weer hun geuren uit te hijgen, tusschen het geploeter der kerels, die niets meer zagen van kleurpracht rondom. Plots was daar, dampige horizon aangewaasd, wuifden wolkenslierten als reuzige veeren, berkenzilverend den hemel door, trok grijzig luchtspel uit zee áán. ’t Groen dreef in tintige wazen, en Hollandsch-ijl, dampte er weer gebroken licht door ’t landschap.

De kleurlyriek van Mei donkerde àl zwaarder weg, achter luchtgrauw en zilverende gevaarten. Hengelaars, éven achter Wierelandsch haventje, in polderbegin, stonden onrustig aan de rustieke weidammetjes in ’t watervlak te turen, dat soms schitterspatte, zilvervloeiend en rimpelend, of stug terugkaatste wolkdreigende regenlucht, ontzaglijk welvend over polderruimte, waar het stille zilte licht, wijd-neergeplast, nattig glansde over veld en wei. ’s Avonds vooral, lei Wierelandsche polder, stil en oneindig, steeg er dampige watergeur uit de kronkelende plassen, soms éven lichtelijk doortint van avondrood, ging er koele rietfluister langs slootjes en kwaakte er stijgende kikkerzang uit de droomerige, innige oevertjes. Vochtig en doorzilverd wasemden de dagen daar uit. Soms droef plots, in ’t verguurde weer, eenzaamden boven fort en dijken, vage kerktorentjes, als violette puntjes op horizonrond. En zacht, in wissel-licht, schemerden de avonden weer aan, ruischte en fonteinde ’t riet, teer en geheimvol, als fluisterend van nog komende zoete Mei-verlangens; doofde droomerig, op kleine sloepjes en schuitjes, weggegroend tusschen slootkantjes en pluimriet, de kleuren en tinten stil uit. En áánwieken kwam in breede zeilvlucht en zwier, ’n ooievaar door de eenzaame polderlucht, steeg aan anderen kant òp, van donkerende weivlakte, klein leeuwerikbeestje, uitparelend hóóg, zoeten zang, als gewiegde toontjes van fluitlied, stijgend in jubel, doorslierd van zilveren klankjes, tègen het late wolkenspel in, al hooger zwevend tusschen oneindigheid van donkerend weigroen en wijd-eenzame avondlucht.

Er ging gemor onder de tuinders van Wiereland en omtrek. Snerpende vorst hield ’s nachts aan. Wat jonge groente stond gelig, blad-verdord, doorspoeld van regen en ’s nachts vroren fijne vruchtbloesems dood. Schade, schade van allen kant. Nergens meer schoot ’t gewas de aarde uit. Alles klefde en modderde vuil. Overal was geloer van angstige tuinderskoppen naar den grond, op de bedden, angstig gekijk naar onheil en schade. ’t Weer bleef dreigen kil, en windguurte vlijmde langs de akkers, de kerels in ’t gezicht, dat hun handen soms krampten in kou-onmacht.

—Da sel main ’n loatertje worre, gromden ze tegen elkaar, in nood voor hun oogst. Mee klaagden de kweekers, die bang waren voor hun bollen.

Aan Duinkijk, naar zee, stond ’n groepje tuinders te praten, met één kerel op den akker.

—Daa’s puur bot afspronge van alle weer, zei dof ’n lange uit ’t stoetje.

—Daa’s net, de vorst hep hier huishoue.... kaik t’met alle blommetjes dood op die oarbai-bedde.... en kaik die frambose.... die appele!.... die pruime!.... kaik kaik! die peere! d’r is kwoalik veur vier duite meer àn!

Stil liep ’t stoetje door, bleef de werker op z’n akkers, zorgelijk turend naar z’n bedden en vruchtboomen.

Dagen op dagen bleef regen drenken en vorst door de aarde killen, vunsde er vocht uit regengrond, dampig en nattig. Onrustig joegen de tuinders elkaar òp in hun verborgen angst. Dat was nog nooit gezien, zoo slechte maand.

Toen plots, sloeg Meiweer òm, kwam goudpracht weer lichten in goudgroenen gloed over het volgedromde boomenstedeke en dorp.—Heel vroeg in de ochtenden, blankte en purperde de bloesempracht van vruchtboomen weer, als nooit te voren.

Uit de beukenlaan liep ’n lange, magere tuinder met de zeis op den rug, zilveren bliksems vlijmend en flitsend boven z’n hoofd, als zenboom bewoog op z’n krommige schouers. Achter dichtgegroeide, begroende rijzenlaantjes met erwten, op de akkers, klonk klare mannestem, zangerig en diep, in de hooge gouen lichtglorie en morgenblauwte, tusschen zang van kerse-diefjes, alt-volle melodiëerende merels en nachtegaalslag, schuchter, toch vloeiend. Eén wild getjirp en getjilp, fluiterig gedraal van zoet-lokkende lentezangetjes en geluidjes, waar doorhéén galmde, in vibreerende sonore diepte, de menschenstem, verborgen achter ’t groen van vruchtboomen en haag, dat ’t daverde door de zoet-geurende zonneruimte. Overal harpte takkensier in moestuinen, en weelde-bloeseming. De groene hagedoorn stroomde van licht, en op al de labyrinthpaadjes en laantjes verjubelde groen-goud, lagen hoog doorzond, de doodstille wegjes in den reinen Meiglans om Wiereland, volgestrooid en doorwaaid met zoetsten geur, licht-bedroesemend in zwijmel. In pracht van stilte en licht, stond ’t wilde hakhout rondom te dauw-druppen, en bladergroen te zwemmen in zonnegoud. Wondere lentelicht dauwde en vloeide er, één sneeuwing van maagde-blank uit de vruchtboompjes, in hun mystieke gratie van heerlijken takgroei, geheimvol neigende standen, als spraken ze ’n taal van zachte tinten, gebukt onder het zware, vrucht-sappige leven. De boomen en boompjes, van noot, morel, peer, appel en pruim dààr, harpten in bruidswit, bloesemsneeuw, in blankste gamma, overwaaid met goudstof dat er van kapellenvleugels poeiert, blank-ijl, in het dansende dronken geurlicht. De bloesemen erop, breed-uit in takwiegeling, als stille glans-ruikers van heilige pracht, toch beschroomd in hun overvloed, teer in hun maagde-adem, als verblankte bruidszielen, omstraald door de Meitoortsen van goudglans.

Verwrongen de takken, de kleine verkromde stammetjes gebukt, ernstig van vol leven dat ze droegen, stonden andere pereboompjes weer als geheiligde kommuniekinders, in gewijde schittering, stil nu en hoogblank, in het zachte groene land, roerloos. Tusschen die in weer, op ’t doordauwde grasgefonkel rijden òp, zacht-rose sneeuwige appelboompjes, als hooggegroeide boeketten, in zacht-wadend goud; stammetjes, bescheiden teruggekrompen, als in angst voor de zoete purpering van bloesemweelde. Weer andere, kleiner en ranker, gebogen in bidhouding, heilige bekoring van groei, stil gebaar van schoonheid, toch overzegend met lichtende bloeseming, ònder de hoogeren, in luisterend leven. En overal van de paden, op lichte koele wuifjes, zoelde ààn, geur van linden, kastanje en sering.

In wondre verjonging praalde het stugge grauwe winterstedeke weer, van goudschemer en groen. Langs de weggetjes, woest gestruik bij slooten, zeefde Meilicht, stonden hoogslanke, wilde waterboeketten, fijnrose koekoek. Teere zilvering blankte langs de greppeling, woest doorgroeide oeverbeekjes, hoog belommerd, met zilverend pluimgras, riet, goud-gloeijende brem en doovenetel. Felle boterbloempjes glansden als gepolijst; en overal rondom, hooggele toetjes en vlekjes van roze koekoek, even paars getoorts van hondsdraf, laag gekruip van madeliefjes en akkerhoorn.—Soms in de blanke Meimaand, uit de fijne darteling van lichtende glanzen en deinende, brooze tinten, schoten òp hoog-roode papavers, kopjes-wiegelend op slanke stengeling.

Ook de straatjes van Wiereland, nauwe kronkel van arbeiderswijkjes, zwommen in bloeseming en geur, groenden in boomenpracht, waaiden vol Meihoning en doordrènkende grasgeur. Overal waaide ’t vol lichtjes en zonneflitsjes, vol goud-gevonk en lommering, zoemde gevleugel van insekten en goudhaantjes, die aandreven als vurige arabeske, in slingerende lijn door de lucht, vliegjes met groenstalige schijnseltjes en goud-beschubde lijfjes.

Zoo bleef de Meiemaand rondgaan in ’t stedeke en dorpjes-zeeweg. Door de tuinen en uitgebloeide bollenvelden, vergeurden de seringen hun weemoedsgeur in avondrood, kwam ’t schemergoud in nog heiliger nimbusval glanzen, roodblond en gloedloos, droom-teer, als van bijbelschen boschbrand, niets verterend. ’t Licht verstierf over de kleine, stille dorpshuisjes, even néervloeiend voor de raampjes, plintjes, kozijnen, ze bewasemend vol rooden goudglans, als staarden ze òp de ruitjes, naar de Zon, die wijd-plechtig verzonk, in wolken van wond’re violet, en staartglans van pauwendauw.

III.

Loom slofte Kees den weg naar zee af, met doffen klomp-schuur, zandwolken voor zich uitpoeierend. Eindelijk dan was ie bij de sekretarie van Duinkijk, doodop van verveling en lanterfanterigheid.

In de zoete lenteavond-scheemring van weibrok, achter Van Ouwenaar’s landgoed, vaagden vorm-fijn, twee stille, peinzende paardjes, grazend in halslagen kop-hang. Avond was aangefloersd in heilige rust. Overal rond droomden wazig, in duister dampig violet, tonige bosschages, en hoog aan een zij van den weg, dromden dennen, donker op zwaar begroeide glooiingen, waarachter ver, woeste duinstreek schemer-mistte, tusschen jachtgrond van Van Ouwenaar, tot aan zee. Waziger in rust, dommelde andere tuinkant, vlak-bewerkte moestuinderij, met ver, teer paars verschiet op duingolvingen. Uit de pastorie, schuin over Kees woning, glansde avondlampje op ’n kamer, roodzacht kapje, in goud-oranjen lichtkring. Stil zat dominee in mijmer, in ’n rieten tuinstoel, aan den weg. Sigaren-rook krulde wolkerig loom om z’n in schemer verduisterd gezicht. Loome koe-gestalten, in de wei, vlak vooraan, stapten over donkerend avondgroen gras, in loggen gang, stap voor stap. Onder hun koppenduister raspte graas-geluid òp, ritseling in de avondstilte, zacht als eerste haperende zeisslag van maaier.—

Kees voelde niets om ’m van de weirust. In ’m gromde wrok, driftige lust om iets uit te schreeuwen. Hongerdrift was ’t die ’m wrevelde, en verveling dat ie nog overal z’n kop stootte, wààr ie vroeg naar werk. Tegen pluktijd, hooitijd, zou ’r misschien wat voor ’m zijn. Koortsige drift jeukte er in ’m, om iemand te pakken, te ranselen, als ze ’m maar een woord in den weg zouen leggen. Hij voelde, dat ie ’r gek van zou worden, overal teruggestooten en tòch lachjes en schampere lolgezegden over z’n niks doen. Op ’n bulterig brok duinweg, uitgegraven voor tuinderij, vaagde ’n gestalte op de akkers, donkerend.

Dat most kweekertje Reeker zijn.—Zou sain d’r nog erais veur ’t lest vroage.

—G’noafed Reeker!....

—G’noafed.... Kees nie?.... joa! Kees!.... zei Reeker. Zangerig-klaar galmde z’n stem van de akkers in de scheem’ring.

—Mooi weer hee?....

—Daa’s net.... fierkant somer.... wá’ doe jai nou?....

—Ikke hep sien noa ’t onhail.... se hebbe d’r gister hier drie honderd muise pakt.... da tuig.... freet wortel en bol op.... je sou se kroàke!....

Kees luisterde niet meer, stond even droomerig te turen ’t veld òver, met een been op prikkeldraad. Boven een wijen akkerhoek vloeide nog wat geel hemellicht, met rooie teere sikkelveeren doorwuifd.—De nacht dekte donkerder, al donkerder land en boomen. Reekertje was opgeloopen, stond stil onder het gelige luchtbrok, in het avondgedroefde, verzonken akkergroen, toch in duistering van gestalte. Vol klonk Kees’ stem door avondstilte.

—He je t’met gain kerel noodig Reeker?

—Spait main, moar t’met ke’k nog mi main jonges besti of.... In de pluk.... op tuin.... dan is ’t wá’ aers!.... Bai de groote hoal.... dàn m’skien.... Moar nou.... ’t is niks daàn, hoor.... f’r wá’ hei je selfers nie ’n lappie hee?....

Kees stond te turen, in één houding, schemer-akkers op, waar stilte wijd-om staarde....

Wá’ nou.... vroeg die kerel naar de bekende weg?.... Wist ie nie dá’ t’r veur sain geen grond was?....

—Wá’ nou?.... je wee tog suiver, dat t’r hoast niks niemedal grond is.... en daa’k niks kraig sonder borg.... al ses.... wá’ ses?.... al tien keer bi’k weest bai netoàris en bai alderlai volk hier.... moar vast niks hoor!.... vast niks!.... d’r is nie één die goed wil stoan.... ka’ jai d’r nie wá’ op finde?....

Kees had nog wat ouë vriendschap met de Reekertjes. Vroeger had ie veel vooral voor hèm gedaan bij strooptochten. Nou dacht ie, dat dìe vent nog wel es wat helpen kon.... Maar „’t speet” Reekers weer duivels. Stil wrokte de tuinder in zichzelf, dat ie d’r mee begonnen was. Wat had ie te klesse mit soo’n hongerlijer.... die skooier!.... Nou ja, vroeger,.. vroeger was vroeger! Toen most hai ook stroope.... Hai borg?.... dá’ kon ie denke!.... Pas d’r self indroaid.... en dan ankomme mit soo’n lid!.... Ieder most moar veur s’n aige sorge.... sien dat tie ’r boven op kwam!....

Zoo had ’t even stil, in z’n hoofd geredeneerd..

—Neenet Kees, aarzelde z’n stem in de starende schemerstilte van akkers en straatweg.... dá’ wee je, aa’s ’k je pelsiere ken.... mi d’een of den aêr.... groag!.... duufels groag!.... Moar borg stoan.... dá’ kennie.... Main waif sou me van veure d’rin, van achter d’ruit trappe!.... Eenmoal andermoal.... ik hep selfers kooters.... ikke mó’ main aige rekenskap gaife!.... Eenmoal.... andermoal.... aa’s ’k je pelsiere ken.... mi d’een of den aêr.... Groag!.. ik erinner main nog bestig, dá’ je main vroeger.... veul vroeger.... te freete hep gaife.... da je main op stroop.... wel van de twintig beesies.... tien hep loate.... eenmoal andermoal Kees.... tjonge.... aa’s ’k wa hep!.... moar....

Kees tuurde weer in den akkerschemer, die stiller staarde, verder naar duin.... Niks zei ie, maar ’t wrokte heet, heet van binnen.

Dá’ tuig! niks had d’een voor d’aêr over, of ze motte wete dat ’t vast goed gong.... dan.... dan ha’ je je man.... Moar ’n kwinkwanker aa’s hai, hellepe mi ’n lappie.... ’n skorem sonder rooie duit.... dá’ gong nie.... Veur d’r aige siel en salighait poere.... Verder kon ieder d’r krepeere.... wá’ tuig.... nie een die d’r noà je omkeek!....

Baloorig was Kees doorgesloft, rhytmisch in klosgang langs de wegstilte.—Stiller droomden de verdonkerde boomen in de scheemring; ’t gele luchtbrok, boven den tuinder was verbleekt in groenige vaalheid. Zoele geurtjes wuifden op windefluister aan, door hakhout en gras. Zachter verzonken de akkers in ’t wije geduister, en overal rondom ruischte het groote avondzwijgen van land en lanen. Doodstille huisjes, ver van elkaar, verdoften in sluimerrust, glansden in teer raampjesgoud van lamplicht, zacht droomrig, als heilige kluisjes. Voor ’m lag de lange wilgenlaan naar zee in boomschemer, waar dunne luchtstreep boven waasde, teer-groenig, heel ver.—Vogeltjes kweelden en weedomden rondom, in zoete zangetjes, zaligdroeve murmel van vleiende fluitertjes. En nu en dan zeilde ’n zwaluw, vlak over z’n hoofd naar den grond, de duindonkering in.

Angst en wrevel kwam in z’n hart op, nou ie Wimpie ging zien. Wrevel om de geloofsfratsen, al begonnen met de Vasten, en de Maria-maand, Mei.—Woedend was ie geweest dat ’t mannetje den goeien Vrijdag puur droog broodhomp had geslikkerbikt en niks meer!—En dàn, dat snikken om z’n kruiske op Asch-Woensdag.... van stof mòakt.... tot stof sel je weerkeêre.... Netuurlik!.... Skoàp!.... Wat ’n Paschen en Hemelvoartsdag ’t feur ’t manneke weust was!

Was de pluktaid d’r moar;.... de oarebaie,.... de peule, de vroege groentes!.... Wa sou die se smere!.... Femorge had ie Wimpie op ’n poar kiste mi s’n bedje in ’t sonnetje set.—Veur ’t huisie!.... Wa’ ’n lol dá’ kereltje had hep!.. Enne.... wat ie bleek sien hep? godskristis.... kon die d’reis selfers ’n lappie grond kraige?.... Soue se sain nou moar feur los wille!.... Wa’ da kereltje invalle was!.... een-en-al been!.... die f’rekte vaste.... bai ieder feestdag! ’t skoap! f’morge hep ie lache en songe.... mi se ooge knippertje speult teuge de son!.... In joàre had ie gain licht soo sien.... stakker!.... Enne nou Ant weér mi’ d’r swangert laif.... Dat tie nou tog nie van d’r afblaive kenne hep.... Had soo duivels s’n aige sait.... Had ie moar ’n hoekie.... ’n lappie.... Snof’rjenne wá’ sou die poere!.... Tut ie d’r bai neerviel!.... Nou niks.... veur ieder kon ie krepeere.... D’r woàre wel meer aa’s hai.... veul, veul meer!.... moar die krege d’r nog es los werk!.... die gonge stiekempies noa kerk.... likte pastoor of dominie.... of dokter of netoaris.... Nee, da gong sàin nie af.... dá’ bleef sain in s’n keel sitte.... Nou stroope dààn.... ook gain freete.... wá’ nou?.... Dá’ rooit ná’ niks.... ná’ niks.... aa’s tie nou erais poere gong, ergens wait hier vandaan!.... kon die d’r moar is de wereld in.... Moar wie holp sain.... wie?

Enne Wimpie?.... hai sou ’t vast besterrefe.... enne tog.... ’r moar van komme ’t most.... Waa’s tie nou moar knecht! Se konne ’m veur sain part soo veul bloedsuige aa’s ze woue.... aa’s tie moar wa had.... kaik! d’r was ie ’r....

Tegen ’n duinhoogte, woest naar voren dreigend uit vlakken grond, diep in ’t pad, lag z’n huisje, donker, met geel lichtje, uitprikkend achter naakt ruit. Avondlucht, wijd en geheimvol groen-teer schemerde wijd áán, van de duin-zee.

Angst duizelde in z’n hart, nou ie instappen ging met leege handen, eeuwig met leege handen.... En woest, met wrevelgevoel, kwam ie zichzelf opporren! Wat donder! wá’ kon hai ’t helpe!.... Aa’s s’n waif ’t ’m zuur moake gong, sou die d’r van mekoar splintere.... En aa’s d’r moer wá’ sai sou die d’r ’n kruk op d’r test stuksloan....

Gram-zwaar in barsche-zwijg, stapte ie in, kwakte zich op bed, zonder ’n woord, zonder Wimpie zelfs te durven aankijken.—

’n Week later klompkloste Kees weer in den avond, den weg naar zee àf, opgeruimd en veerkrachtig. Dirk, z’n broer, had ie gesproken.. Hij kon meehelpen. Ouë Gerrit had gegromd, en bang-strak gezeid, dat als Kees op ’t land stond er ongeluk kwam over ’t huis. Maar Dirk, Piet en Guurt waren vóór ’m, hadden geantwoord dat ie hongerde, dat ’t zoo niet langer blijven kon; dat ’r te veel werk was voor hun handen, dat ’r anders toch ’n vent gesteld moest worden, daalder daags.... En Kees was al heel blij als ie zeven pop kreeg voor de heele week.—

Nou liep ie rustig naar huis, blij om Wimpie, dat ie eindelijk, eindelijk heel stil kon zeggen, dat ’r wat was, dat ie ’m ààn kon zien, en z’n wijf ’m nou es niet kon uitschelden, waar ’t kereltje bij lag.—

Zoet woei lenteavond licht z’n longen in, en telkens even rekte ie zich de spieren, spande ie z’n kracht, om vooruit te weten of ie ’t nog wel uithouen zou, of ie nog wel wieden, kruipen, hurken, harken en spitten kon in den grond.—

Volgende week stond Kees op de Beek.—Z’n vader had ’m niet gegroet, niet aangekeken zelfs. Ouë Gerrit wist dat Kees kon aardwroeten in de tuinen als de beste, maar hij had gruwelijk ’t land aan ’m, was bang voor z’n spullen en Kees’ geloer; geloofde stellig dat ’r ongeluk op ’t huis lag, als hij in z’n nabijheid werkte. Toch, Dirk wou Kees hebben, hield wel van den kerel, zonder vast zich rekenschap te geven, waarom. Blij was ie, dat ’r ’n paar flinke handen meewerkten, nou de Ouë maar weinig meer hielp. En Guurt had Kees ’n gehavende broek van Dirk gegeven, met schoone kiel.

Kees, aan ’t wieden, rustiger nu in z’n arbeid, schoof handig z’n peulenschoffel tusschen de boonen. Dirk werkte af, rond de rijzen in, met z’n handen nawiedend, waar de schoffel niet bij kon.

De zon stond al hoog, en hitte dampte er òp uit de zweetkoppen der werkers, die gloeiden, pal in ’t zonnegesteek. Dirks blonde kop stond in glans, en de rossige vlekken er in, brandden als schedelvlammetjes achter z’n petje. Kees, reuzig, met ’n vuil-gelen strooien hoed, schonkigde boven de rijzen uit, die knoesterig en kaal-vermergeld, in het sappige gewas en kleurlicht, dorden. De lichtgroene aardbei-bedden, akker aan akker, omrasterd van prachtkleur verglinsterende hagenwanden, als ingesloten tuinen, dampten uitgestrekt, met warrelende witte bebloeseming. Overal op de akkers rond de werkers, vlekten kleuren in ’t sappige groen, rood, wit en hoog glansgeel gespikkeld van bloemen en bloesem, licht-blij daverend in ’t zonnegevonk.—

Vijandige oom Hassel stond ’n greppel verder met z’n zoons, zwaargebouwde kerels blauwkielen, bedrijvig wroetend in de aarde. Ouë Gerrit kromde met den rug naar z’n broer toe, dol jaloersch, zwellend van gift op al wat oom Hassel had en deed, glunderig loerend naar z’n akkers, die met sla en aardbeien voor waren in groei. Ook frischte al ’t diep-groen sier-loof van wortelen bij ’m op.

Dat maakte Gerrit helsch. Hij wou ’t zijn kerels wel wat uit den grond zien trekken, zoodat ’t gauw, heel gauw ver boven teelt van z’n broer uit zou staan.—Toch was ie blij dat bij hèm ten minste ’n hoek rhabarber al hoog in stengel en blad bloeide, prachtig jong, vlak voor den neus van z’n broer, waar die op kijken moest, terwijl bij dièn de rhabarber, laag in ’t blad, kwijnde.—Telkens loerde Gerrit stilletjes en voorzichtig, om te zien, glunderig of broer Hassel niet naar z’n rhabarber keek.... En telkens ook keek z’n broer naar hem, of Gerrit niet naar zijn aarbeien en wortels loenschte. Dan stootten ze op elkaar in met hun loer, keken ze weer tegelijk, strak voor hun uit, met woedende gezichten, omdat geen van de twee wou laten zien, dàt er haat, jaloerschheid tusschen hen was, ze iets om elkander gaven.

Oom Hassel stond te schoffelen, groote magere vent, in gelig werkhemd.—