Menschenwee

Part 56

Chapter 563,504 wordsPublic domain

Raak stootten de agenten ze als gestruikelde paarden op de beenen, en hoshos in boei, sleepten ze de geschonden furies naar ’t stadhuis. De schrale Lies liet zich sleuren langs de keien, half op ’r buik, waar de geboeide handen onder krampten als korte vinnen. In modder sleepte ze voort, tot eindelijk twee helmmannen ’r bij de beenen en losharige kop oplichtten, haar brankarig voortsjokkerden onder woest gegier, schel gefluit en geschater van meeschuifelenden menschendrom.—

’t Blondje, trapte en spoog dat de helmmannen ’r mepten in de verwoede tronie, stompten op de hijgende borsten, sterker haar knuisten bijeenknellend in de boeien. Maar ze trapte zich naakt dat de helmmannen ’r telkens den vuurrooien rok, en ’t schuimende ondergoed moesten neerslaan. Achter den dronken stoet áán, in trein-woesten daver, trampelden kijkers in joelkring, en voorbij ging ’t in den oranjigen walmgloed van fakkels, gaspitten en lampetten.

Duister gegier, getrampel en fluiterig-oproerig geraas brasten in donk’re hoeken, en voort rukten de agenten, recht uit naar ’t Stadhuis.

—D’r goan d’r vier Kerkfoarters de bak in, krijschten jochies, kerels en meiden dooreen, met angstklank van politieverzet in de ontstelde toch oproerige stemmen, vechtlustig doortrild van haat tegen ’t helmstoetje.

Dwars door de kermishitte, in ’t demonengoud en pralig gefonkel, rukten ze voort de ordemannen, en plots zwenkten ze steegje door, op ’t stadhuis áán. Toen, met ’n sleur rukten ze de meiden stoep-end òp, en stootten ze waggelend de gang in. Dof gekrijsch uit de dronken meidenkelen heeschte nà, verward, rochelend als uit moordkelen, klam en verwurgd, en met slag van baas-zijn, smakten de agenten de deuren voor de neuzen van kijkers en meeloopers dicht, dat ’n rouw gejoel uit den menschendrom opraasde, in ’n woeste alliteratie van wraak, al was ’t maar in hoongeluid alleen.

Stom en strompelend waren de geboeide furiën de bak ingeduwd.

Even verbluft maar, braste en bruiste de stoet weer voort, satanisch d’r woelzangen verkrijschend in oproerigen vechtlustigen jubel, rennend naar Baanwijk, of daar wat gebeuren ging.

VI.

In zwierige herrie hosten de Hassels en Grintjes, Hazewind en Rink vóórop, door ’t korte Klooster-steegje van Haven naar Baanwijk.

Telkens kleurvlammend in warmer tintenbrand, fel, in de duisterende avondvergouding, schoten lijven van prachtige meiden door ’t licht, parkietig, groenroode rokken en jakken; paarszilverig bekraalde japonnen, geel gouden en bronzen manteltjes, pronkerig dooreenschuifelend in ballettigen warrel.

Wild hosten de goud bekapte boerinnen, hun hoofdtooi in fonkelende cier uitblinkend onder ’t fijne mutsengaas, met de glanzende kurketrekkers bij de slapen, naast hoed-bepluimde, slank-prachtige meiden in den warmen wasem en damp van ’t lichtgevloei.

Rauwe krijsch, zwirrelde achter de Hassels en Grint’s áán in ’t steegje, en schimmige rompen met bangen schaduwsleep stortten plots in ’n vlaag van kraamgloeilicht, vlak voor hen uit weer vervlammend. Oranje helle gloed sloeg daar tegen de tronies áán, de monding van kloostersteeg uitgolvend. In gril en kras streepvlamde de gloed op voorhoofden, dwars over neuzen en monden, vrat hel in op kleeren en schouders; beschminkte in wond’ren brand oranjevlammig, wild en huiverend-woest, kaken en wangbrokken, soms plots in warrel van wind verschemerend naar roodgeel, rossig oranje en bleekgoud.—

Omzoomd in beverig rosgeel schuifelden de Hassels en Grintjes voort, en ver achter hen aan, in schemerrood dromden al meer romp-donk’re dringers, verklonk hijgend rauw gejoel van nieuwe stoeten, zich stortend en wringend in den steegdrang, ineengeperst tusschen engen kronkel van huisjes, karren en hekjes, als ’n benauwende bent z’n duistere opstanding beworstelend.

Uit donk’re kroegjes in ’t steegje, verraasde getier en misbaar achter groene gordijntjes, schor-rumoer en dreunig zanggezeur. Schunnige muzikanten trombonden daar uit, schel-valsche zangscheuren, basdiep en dreunend.

Telkens ritsten groene gordijnen weg van de roe en rossigden de kroegholletjes goudrookig open, met hun bedompten petroleumwalm, verstikkende danszaaltjes, kermissnel ingericht voor sprong en zuip.

Kerels met oranje doeken, boevige kroegtypen en zweetende meiden zwelgden daar in dollen warrel, en tusschen de moffenblazers zanikte ’n valsche harmonika zuchtenden zang, waarom heen, in kanaljeuzen kankan, handen tot poorten geheven, de heete meiden, grinnikend en zinnerauw, verwoelden in kring.—Door ’t steegje heen verklonk in getemperd gerucht, bachanaal van de geel-dampige dansholen.

Tegen donkeren inham bij lage kaduke krottenrij, waarvan de gevellijnen in nachtzwart schimden, en kronkelpad slingerde naar doodsche huisjes, buiten den kermiswoel verstillend als leeggemoord,—zat ’n blinde in schemer van droef-lichtende nachtkaars. Z’n kale kop, tegen verweerden roestmuur, vermurmelde ie nederige smeekende bedelwoordjes, één uitgemagerde beefhand vooruitgekromd met bakje.—Schimmig stààrde z’n blinde tronie, even beschemerd in bleek wasschijnsel en reuzig silhouetten rug en hoofdschaduw op ’t verweerde baksteen van den roestmuur. Langs ’m wrongen en drongen de kermisgangers, nijdig uitvallend tegen den schooierigen blinde, dat hij zich zoo maar, met z’n ellende en duistere droefnis, dwars door hun pret te kijk kwam stellen.

Op Baanwijk brandde ’t avond-goud gas door rossigen nevel van reuzelige stanken. De bont-stralende kramen stonden er als gigantisch speelgoed in ’n ravijn van toortsgloed. Ze flonkerden in gondelierige à-giornopraal en spiraligen kleurenbrand. En alkleurig licht ademde uit, zengde den paars-duisteren nacht rondom.

Door boterige oliestanken, zoetig, ranzig en prikkelend, nevelde de lichtval, en de wisselglanzige kraamruitjes, in hun doorvlamd rood en kobalt, verschoten in kleurige spiegeling, weerkaatst geel en amber-diep schijnsel, glissend en spelend over glas-glanzingen, in brekenden klater van prismabrand en avondvonkenden luister. En tegen overal wijkende achtergronden van rood-rossigen damp, vlamden de bakovens van verre, als ’n smidsestad in smokerig oranje-helle omgloeiing; in uitdonkerende verwaaiing en oplichting van likkend vuur en zwarten walm; dàn weer als altaren waarop takkenbosjes knetterden en uitrookten. Waar, achter begloeiden mist, de koperen warm-vlammende meelpotten, tempelig in glorie van amber en goudgeel uitlaaiden, glimmerenden brand van hel-gepoetst koper.—En achter en tusschen de vlammende altaren en gouden meelpotten, in flakkerenden damp, de blank-beservette wafelentafeltjes, omflonkerd van vuur-glans uitschietende karafjes en glazen, alles in blank-zilverende sfeer, gloeiend in rijtjes, tusschen de rooddonkere overgordijnen, stoeltjes en knussige salonnetjespracht. Rij aan rij, achter de ovens, troonden de dikke baksters op de hooge zetels, als vervette mythe-godinnen, in de blonde wreedheid van hun geblankette tronies, scheppend uit de meelpotten, den druipenden lepel uitstortend over de poffertjesplaten, waarop ’t knetterde, siste en babbelde.—Er boven uit vergeurde ’n helsche lekkerheid van boterig zoet, tusschen prikkeligen bakoliestank. De takkenbossen knetter-vlamden; flakkerende smookgloed karnavalde allegorische lichtgroepen in een duizelenden schroei, en angsthellig ’t oranjig demonengoud van de ovenvlammen vèrdampte walmen over de vloekzang-geruchten. Rond den knetter en rook-rooden bak van poffers en wafels; rond de klepperende geluiden van tangen, sis-roosters en ijzeren platen, dreunden de helsche orgelkelen tegen elkaar in, in schellen tingel; en rauw van verslempende misère schreide de menschenzang rond, van de lichthoeken neerjammerend in den duisteren nacht, overal om ’t stedeke, ontzet en dreigstil.—

En heller de avondgouden lampenbrand van kramen en olieboltentjes, met hun kleurige dekzeilen en kakelenden lichtwarrel, vlamden, goudden, rossigden en barnsteenig-geelden in flonkerige sfeer, als speelgoed van reuzen.—

Drom na drom schoot er langs, en de boomen voor de tenten, tusschen de dolle hossers, als levende van schrik verstarde wezens, knokelden en knoestten in hun gekerfde schors, half belicht, de donkere kruinen angstiglijk verruischend hoog in ’t nachtzwart.

Op Baanwijk stonden armelijk verlicht, tusschen sjofele oliekoektentjes, roetig omwalmd van lampetten, de palingstalletjes in geel-schichtig lichtwaaisel, omhuifd van nachtzwart; de zuur- en eierkraampjes in nog valeren pittengloei. Achter de zuurtonnetjes in walmig geelrood, wonderbronzig verbangden tronies van kerels die schreeuwden tegen ’t beverig getoorts en gewaai van licht, dat rosgeel schemerleven op de zondige zorgmommen rookte.—

Telkens wat schooierige stelletjes, waggelend en brallend, bleven strompelen voor de kraampjes en vraatzuchtige monden hapten lever, verkwijlden zuur; gretige handen pelden stinkende eieren, en ontvleesden paling. Broeirige vischstank borrelde tusschen de bakolielucht.—

Kerels en wijven lalden áán, bebonkerden de wrakke kraampjes met hun vloeken en razernijen, de tronies gedoopt in den wond’ren bronsgouden flakkergloed, en omkropen van schaduwleven, dat meesloop wen menschen zich tusschen de lichtdamp drongen; schimmen als zwart-walmige nagenieters van kermisjool. Schaduwkoppen monsterlijk doorhakt, verdeukt en misvormd spookten donker onder en òver ’t laag gespannen zeildoek, dwars tegen bakken en tonnen òp, warrel van schimmen, plots bij verschuif van stoetjes raadselachtig stil verdwijnend dòor de wrakken heen, of neerstortend in lichtval van voorbij-kruisend licht.

Achter de armelijke kar-kraampjes, in hun droeve prachtsfeer van geelrood en bronsros lichtgetril, half omdampt in ’t nacht-duister, lichtten de hooge roodbehangen speelgoedtenten, minachtend de donk’re ruggen naar de wrakstalletjes gekeerd. Ze schitterden in hun fel-kleurigen ballonnetjesgloei, illuminatieachtig-hel, gegierlandeerd langs de lijnen van vensters en gevels, doorvonkt van lichtjes.—

Het rood-gouden, rood-gele en dampig-bronzige licht stortte, druischte neèr op den verblindenden flonker van poppetjes, gegarneerd in prachtbonte kleeren, omstrooid van kleurtjes, geflikker en geschitter; omgloeide woelige snuisterijen, paardjes, schaapjes, met vurige keelbandjes; karretjes, tooverbekertjes, ringspellen, alles geurend in den lokkenden reuk van nieuw speelgoed. En overal in de tenten, wond’re fonkel en tintel van koperen belletjes en kralen, als indische gordijnen neerhangend, doorvlamd van licht. Overal kleurige doozen, speelgoed-geurig en houtvervig, vol zilveren kraaltjes, goudbronzen, melkwitte en aluminium-blanke snoertjes. Overal in lichtdruisch, toov’rige slinger van brandend malakiet en wijnrood geparel, onder den fellen stangboogglans òpflitsend tusschen geurig zaagsel, als sprookjes-schatten rondgestrooid op goud en zilverpapier; fonkelende parels en snoeren paars en geel, vurig groen, karmijn en wonder glanzend blauw, opeengehoopt als ’n vlammend wereldje van zonnig kindergeluk.

Zoò, hevig gloeide de lange laan van speelgoedtenten, met d’r lokkende en tokkelende kleurtjes, hun flonkerigen lichtzang, verproestend hun glansjubel, verlachend hun rood en groen, hun gouden zevenklapperenden gloed, hun vlammige zonnetjes van parels en kralen. Hevig lokten ze de kermisgangers aan, lokkend en tokkelend d’r lichtmelodie, dat ze verbluft stand hielden voor ’t front, uìt razenden hoswarrel.

Tusschen de Jutskoppen schreeuwden wat spullebazen „bezienenswaardigheden” uit; rauwe kermisspeech met angstigen suggestieklank in d’r melodramatieke moordstemmen afgedreund.—

—Hier is te sie-en ’t gruufelijke seemonster.. met drie-dubbele rij tande.. geschote deur een Inlans metroos, tèrfijl dit gruufelijke monster, besig was een lèfendig mins te verslinde!..

Moordhol timbreerde z’n stem, en vlak naast ’m klonk ’n andere zang....

—Hierr staat te kijk.. ’n meisje uit de binnelande van Suid-Aùstralië.. dewelleke leefendige konijne eet, alsmede.. tabak en gras.... Uw lieden zult haar hoore in heur gebed aan de maan!.... En hoe sij de bleekgesichte bloedig skalpeert.... Tien cents slechts per persoon en per lid.—

Angstig en zwaar melodramatiekte z’n schorre stem van de estrade àf en in valen schemer geelde z’n gezicht even òp in den flakkerschijn van ’n kleine flambouw boven de tenttrap. Bij elken aandrommenden hosstoet, herhaalde ie z’n bange woorden-vracht,.... dat ze de leefendige konijne.. verslindt met d’r slagtande, glas kouwt en brandende sigare freet.

Hossers uithijgend, bleven staan en luisterden. Naar rechts werd z’n stem overschreeuwd door ’n buurman die opriep de massa om te kijken naar de Zuid-Afrikaansche Boerenworsteling, leefendig voorgesteld in beelde.... Met ’n ècht slachtveld waar de lijke, bloedend en onthoofd op neerlegge....

Rond den krijsch der spullebazen, paf-knalden, knetterden en mokerdreunden de Jutskoppen. Stel voor stel stoette vóór de reklameplaat van ’t wilde meisje en suggestiever huivergriezelde stem van den omroeper.

—Verslind leèfendige konijne.... veur de ooge van ’t publiek, eet glas en brandende sigare.... skalpeert de bloedige menscheschedels.... Over twee minute sal de nieuwe voorstelling een aanvang neme.... Bereids zijn er duizende en duizende mensche reeds ingetrede.... Volgt hen en offert uw dubbeltje voor ’t zien van een natuurgedrocht, het grootste monster der wereld!

—Waa’n smoel, lolde Hazewind, wijzend met klownig gebaar naar de kannibalen tronie van de beverfde wilde-vrouw-reklame,—.. En waa’n skort hep se om d’r heupies.. op dá terain binne de Wiereloànse neutedopjes tug veul fesoenelaiker.. ikke konsteteer van da main maid ’n heule rokkebeweging om d’r meroakel hange hep....

Woest flodderde ie ’n brandenden zoen op ’n wang van blonde Cor, die ontsteld, met gaperigen mond en waanzinnige oogen, naar ’t reklamebord, met ’t wilde meisje er op, stond te kijken.

—Stik, bitste ze in schrik.

Achter Hazewind joelden Dirk en Willem, Henk Hassel en Rink met hun meiden, omsloten in drom van kijkers. Geert en Trijn luisterden angstig gespannen naar den impresario, die voor de tent, met z’n rosgeel beschemerde tronie en z’n moordstem, hun de keel snoerden van angst. Dirk en Willem dansten eng omkringd van armen en schouders. Piet en Annie zoenden elkaar dat ’t klakkerde en woest trombonde Rink, boven allen uitreuzigend:

—’t Maiske frait d’r puur laifendige kenaine.... bi-jai-’t-Hain!.. Daa’s d’r nog us ’n skepsel.... dâ set d’r sooie an de daik! da mo’k sien.. en jai Hoasewind! daa’s ’n bestige kukkerint veur Kees de strooper hee?

—Enne glas frait s’ook! enne brandende segoàre... waa’n koorakker hee? waa’t maid hee, huilerig extazieerde Trijn, de vurige Trijn.

—Over twee minute.. sal de voorstelling ’n aanvang neme.. heere! dames! voorsiet u van een plaats,—suggereerde de stem van de estrade. Stoet op stoet nu, drong voor ’t loketje, schoof weg achter ’n koelisseachtig schot.

—Doar saine wai van g’diend, juichte Dirk, dâ mo’k sien.. sloàchte mit de tande.. daa’s puur main werk!

—Nee.... neenet! nainet! ik goàn nie, goàr nie, griezelde Annie.

Waa’n maid, vuurde Trijn weer òp, daa’s prêchtig.—Ze rilde vooruit al van bang-griezelig genot. Stille Guurt Hassel, schuchter bewaakt door Jan Grint, die haar nà den draaimolen-aanval nog maar geen zoen had durven geven,—wou ook wel kijken.

—Da waa’s d’r puur aas ’n kemaidie mi bloed, vond ze.

Ze hield zoo dol veel van vechtpartijen met messen, en dat zou niet minder zijn. Ze zou gaan griezelen en rillen zooveel ze wou.—

Met hun allen, de weerbarstige Annie meegesleept, drongen ze de tenttrap òp.

Dirk nam plaatsen aan ’t loketje, en wèg hosten ze op den trillenden plankengrond achter ’t beschot. Ze waren warempel al wat te laat.—

Vóór hen, op tooneelig hokje, in schuwgeel, zwavelig licht, grijnsde en gilde ’n soort bezetene negerin, met krakerige stem, rauwe fausset, elk woord als ’n wreeden vloek uit ’r zwellenden keelkrop scheurend. Op ’r kapsel wuifden woeste veeren, donkere haartooi in schitterenden koperen ring saamgekranst.—Haar kangoeroe-kop grijnsde met maskerige wreedheid van ’n hellemonster. Haar harde gele oogen waanzinden wild rond. Woest verkoeterwaalde ze schorre klanken met den impresario, die laag vóór d’r stond op den plankengrond, bij ’t publiek. Met ’n krom zwart zwaard hakte ’t „meiske” in driftstuip op den kerel áán, die haar ophitste met stootende tongverdraaide woorden, en elken kletterslag op z’n blooten kop, met z’n groot zwaard, in snelle zekerheid afweerde. Stank broeide er uit de menschenprop op in ’t halfduister. Allen staarden in ontzag naar den grijnzenden duiveligen vrouwekop op tooneeltje, waarover ’n zwavelige lichtschemer flakkerde, d’r gele oogen nog geheimzinniger verwoestte.

—Dat is gain maid, f’rvloekt! schreeuwde plots ’n matroos. Nou heb ik tog twintig joar gefàre moar nooit-nie he’k soo’n loeder sien.. dàt wee’k tog ellendig-best.... daa is.. god-alle jesis! ’n gefèrfde Amstirdammur!

Ontzet publiekje liet grommen den kerel, staarde, staàrde in bange suggestie. Bij ’t levend konijntje verorberen werd ’t Annie te benauwd. Ze rilde en griende toen ze ’t bloed over de zwart-bronze handen zag stroomen; de tong hoorde raspen tegen de haarhuid òp, den kinnebak zag lekken in ’t warme bloed, en de apig-lenige vingers de ingewandjes ingraven.—

—Kaik! kaik.. da stuipt d’r in hemmes klaufe, gierde Dirk woest, die ken d’r puur ’n bairtje slagte!

Meisjes en vrouwen vergilden kreten van afschuw. Maar doorschokt van brandende passie, bloeddronken, drongen Dirk en Rink nog meer naar voren, de meiden heeter omknellend en meesleurend.

De furie Marie Pijler schaterde. Geschok en getier raasde door ’t tentje.

De roode, bang-begloeide tooneeldoeken, waartusschen ’t kangoeroesche grijnswijf sprong als ’n hellemonster in Vitus-dans, schroeide telkens áán, in den lichtflakker. Onder ’t vreten rimpelde ’r kop als ’n oudwijvenmasker; groefde en grijnsde de wellustmond.—Bloed lekte ze van d’r vuilgrauwe lippen en brok voor brok van ’t uiteengescheurde konijntje verdween in den stinkenden bloedmuil, geweldig elastisch en rood-groot gesperd.—

Guurt griezelde, genoot in schokken van huiverenden wellust. Ze zou zich zoo, in die bloederige beestigheid best op Rink hebben kunnen smakken, op den gierenden reus, dien ze in ’t spokende flakkerlicht verliefderig lokte met ’r prachtoogen.—Annie had de kijkers gesloten, stond in donkeren nàstaar te sidderen. De blonde furie kalde tegen de vurige Trijn en Dirk hijgde van genot.

Allemaal in ’t hok griezelden, staaroogden in heete ontroering wat ’r nòg gruwelijkers volgen zou.

Alleen de matroos, Wierelander van geboorte, bleef onwillig staren op bloederigen vraatmond.

—Da waa’s d’r ’n k’nain van spek! daa’t is gain waif.. dat is ’n kerel, ’n geverfde hassebas.. gaif d’r ’n lel da se duiselt..

—Sou jai maine.. Nou.. doas glad-en-al mis, bazuinde Rink’s stem uit ’n vaal-lichtenden hoek, ’t is d’r ’n ègt ekserploàr.. ’n heul ègt swart meroakel..

—Kaik d’r gele smoel... juichte Dirk hoonend, en d’r lampies.. ’t gal is d’r deur d’r bloed hainsloàge! daa’s main weut!

—Waa’n kakkerlak! kom d’r hier.. sloan ik je tronie deur viere! wou jai main segge van hoe ’t mot weuse? ikke heb d’r twintig joar in Oostinje foàre.. enne nou.. in de foestain! Sou ikke nie van de toart had hebbe?

—Oostinje.. jai mi je dronke gleuf!.. en die maid is d’r tug heuldegoar van Estroalie!

—Nou wat, sputterde verblufd dronken drenzerige matroos.. dat is.. god-aldegoar-een-pot-nat! Estroalie is d’r Ostinje.. enne Ostinje.. Estroalie..

—Hou tug je bek.. soa’k d’r mi je test.. saa’k d’r mi je test.. wai sienne d’r nie..

—Sien.. sien.. gaif d’r ’n lel.. daa’s se.. daa’s se duiselt!

—Als de heere nu nog brandende sigare te misse hebbe.. zal ’t vraatsuchtigste monster der wijreld se alle opete!

Van alle kanten gloeiden uit ’t halfduister punten áán. Dirk had eerst z’n sigaar vuurhel aangeblazen, stopte ’n einde, ’t monster zelf in d’r lenige bronzen klauwen.

—Hier swoart meroakel, doar hai je ’n happie, eet d’r f’rsmoakelik..

Blaasbalgend laaide ’r muil in ’t vuur, dat de vonken in haar duivelende grinniktronie spatten, lippen en kin telkens even gloedrood opvlamden.—Haar naakte lijf in schaamlap omplooid, danste nerveus met klapperende sprongen op de kreunende en trillende tooneelplanken. Haar armen pagaaiden en doller ’r keelkrop verkrijschte zang. En telkens, als vuurpunt van nieuw brok sigaar, ’t hevigst opgloeide in ’r blaas, sperde ze de kaken, d’r grauwe lippen er in botten streel overheen aaiend, beet ze toe, kauwde en spoog ze vuur, achtereen, verslindend sigaar op sigaar.

Hazewind braakte van pret. De meiden gilden van schrik, maar Cor en Annie hadden er genoeg van. Ze wouen niet langer blijven. Guurt was woedend dat ze weg gingen. Geert Grint holde ook mee, de jongens drongen op, Willem naast Geert, Dirk dadelijk er hanig-haastig bij.

Jan Grint drong zacht mee, maar Guurt snauwde, beet van ’r àf, volgde in wrevel. Ze was weer nùchter, verwenschte de gloeierigheid van den zwartkrulligen Jan, die z’n oogen uitschroeide.

Vlak voor hen uit, stormde uit kijktent er naast, ’n schater-drom, die daar ’n reuzin van zevenhonderd pond had bekeken.—

—Alle jesis waa’n hurk! hep jullie sien? da binne d’r fierkant tien van main maid, lalde ’n vent, slap-lachend en in bochelige verwringing de tent uitzwaaiend.

Meiden, dierlijk verhit in smerige taalwellust van kerels bij ’t reuzinnewijf, barstten eenmaal op straat, mee uit; lebberden zich vast op de zuigmonden der hysterische drinkebroers, verkrijschend na elken zoen, hun vuile liedjes.

De meid-tailles omkneld, de monden op elkaar gezogen, hosten ze in blinde razernij, de lijven in branderige lusten op een geplakt, door de paukende roffeling en dreuning van de gemartelde orgels.

Stoet bij stoet, in zwalkenden krijsch, holde achter de Hassels en Grints áán, en telkens, dronken zwaaiende paren, strompelden uit ’t duister in den brandschijn van kramen en spellen. Van zangmond tot zangmond ging de flesch rond, en heele rijen lam gezopen en verflodderd, braakten langs de boomen, verstrompelden tusschen ’t schaduwduister van tentruggen, smakten daar spuwend neer, in rauwen ronk, in zucht en bral, wezenloos uitrochelend ellendegeschrei van verrampte dronkaards.

Van allen kant op Baanwijk gruizelden en smakten flesschen en kruiken, en ’t stortend geraas van glas rinkelde tegen de keien.

Op middenlaan van Baanwijk, achter de oliekoektenten en speelgoedkramen brandde het rosse luchtrood van kermisnacht ’t bangst, tusschen de paarse duistering van schuttingen en wat eenzame somnambule-krotjes. Langs de allée vlaagde moordende klankstorm van dronken kelen, eindeloos van misère, raasden de boertjes en wijven òp, met kleurige narrige mutsen òver hun petten gekruifd.—

Bij verre uitvlamming van koperen bakovens bleven ze trampelend staan, met de gloedweerkaatsing, roodbevend op de geknauwde tronies, aangevreten van passie. Hel-omlijnd in den lichtgloei, ging spartelend beweeg weer van armpjes en beentjes; kaprioolden ze waggel-zwaar tegen elkaar op, om en om meiden, de korpulente nekken scheef, dat hun vloeimutsen krampten slaapmutserig over hun tronies, hun boeketten en linten wegsliertten her en der. Hun breede broekjes en pijjekkers schaterden mee in kanaljeus-lachende plooikronkels.

Drie vloeimutsen op elkaar had de reuzige slungel zich op z’n pofpet geplakt, en in den dansenden waggel van z’n schonkig lijf en botten zeehondenkop, ging rond ’n flapper van serpentines, rood, geel, groen en blauw, in den oranje-verdampenden hemelgloed.

Plots week in achterwaartschen kankan de heele boertjesstoet en hinkende slungel-herkuul, naar duisteren hoek, stond stil ’t geraas, verduisterden al meer en meer achterkoppen van boerinnen met den glanzenden schemer van hun zilveren en gouden kappen tusschen de tentruggen.

Van den polder àf lag havenwoel open, kraterend, goudspuwend en roodsmokend overdampt als ’n vuurregenende heksenbrand, waar stank rondsmeulde van geschroeide menschenbouten.