Menschenwee

Part 66

Chapter 66249 wordsPublic domain

Als ’n verschoppeling liep ie ’n pad af, z’n huis voorbij met ’n smart-knagend wee, eindeloos van angstige gejaagdheid, in ontzette vereenzaming van leven, niet wetend waarheen.—Z’n rotte natte plunje verzweette regenstank om z’n lijf. Hij voelde zich bang voor de nachten, die komen gingen, in diepe aanstarende donkering. Hij voelde zich bang; verlangde in schreiend heimwee naar den dood, of naar den heeten zuip die z’n brein verbrandde, z’n hartzeer verdoofde, z’n denken aan z’n jongen gloeiend verwarmde. Twee kerels slungelend langs den weg, wouên ’m vroeg al in den morgen meetronen naar de kroeg. Wat deed ie daar suf te mummelen, alsof ie ’n tik op z’n hersens had gekregen.. luilakken in den regen. Hij weigerde; straks zou ie ’r zijn. En de kerels begrepen maar niet waarom ie eerst nooit gezopen had, en nou z’n neus verfde, erger dan een van hen allen.—

Om Wiereland droefden de akkers weer grauw en stil in de late herfstsombering. Op ’t grondbrok van ouë Gerrit stond Bolk bij ’n nieuwen baas te spitten, twee steek, en heel tegen den verren horizon, in mistige bronzing van ’t bollenland, de stomme silhouetten van Dirk en Piet.—

In grauwige somb’ring druilden de bosschages, en windruisch huiverbleekte achter boomen en laantjes. Leeggedroefd in de wintering kniesden kaal-wijd weer de velden; stille werkers zwoegden op ’t aardeland. Schemer regende, vertriestte over hun bukkende en verdonkerende gestalten.

En wijd-rondomme, eindelooze herfstweedom van ’t land zonk uit, verdempend geruchten, in donkerende verstilling van leven.—

EINDE.