Part 46
Soms leek de roode aarde van binnen uit te gloeien, fel brandend, door gronddonker heen, licht vervlammend uit zengend binnenste.—
Van Lemper-polderkant wolkte paars de lucht, rose, gloedloos, in zachte verglijing van purper-weeke tinten. Dáár in ’t eindeloos luchtstille, was heimvol naspel van zonnegloren, lag groen van bouwgrond er onder, in een koester van licht, brandden langzaam de wolken áán, ruischte een sombere huiver van tinten, ver buiten zonne-komst.
Dammetjes stonden aarzelend te kleurgroeien in ’t stille bouwbrok; rijzen piekten zilverig-brons de lucht in, en klaaglijk geloei van verre koeien woei áán, over weiland en hooi, ver, waar ’t vergalmde in ’t murmelende ochtendgerucht van ’t land.
Verder den polder in, langs de purperende slootkanten, die in ’t nevelzwierige morgenrood en hemelgloei te dampen dauwden, wasemde ’t kanaal als ’n breede bron, lichtend in een kleurigen wiegel en kabbel van schijnsels en dauwglansen.
Als in sprokenland dampten òp, gestalten en kleur-nevelen, in stoeten vlietend, al vlietend en zwevend langs de gouden oevers, verkwijnend en opgeslurpt, sprookjes-grillig in hemelgloei, verschuiflend over ’t rood-begloeide gras.
Door de hemelen oneindig, ging bang-ontzette, stille werking van kleur.
Onder den muur van paars gewolk aan horizon, gistte en bloedde ’t rood als bezworen brand, goud-rood bloed van den gestorven nacht, geofferd aan den naderenden zonnegloor. Geheime vlucht van geruchten ging blank en blond door de ochtendluchten. ’n Angstige stijging en aangloei van kleur en licht, brandde, smeulde, sintelde in ’t hemelwelf. Als begloeide koepel erautte luchten-welf zonnekomst, in dreunenden kleurenzang.
Het land, met z’n aangegloeid groen, de geluidlooze daggroei, de blondroode, de blond-gouden zomermorgen, uit paarsen nacht van hemeldom en sterre-zilverend-duister òpgerankt; de gloeiende ontwaak- en licht-jubel van huisjes en verre boomen; de zang van koeien, in de stilte-eeuwigheid; het stijgen van de vogelenkeeltjes, als harpjes en vedels, in zanggekwinkel,—alles werkte en jubelde door de hemelen, ’t godstille morgenland, herautend de zonnekomst.
Onder ’t muur-hooge wolkenpaars waar Zon moest verrijzen, gloeide vuur-feller òp ’t rood, al hooger in gloed, den verren wolkenomstand bevend bevlammend. En alles kleur-herautte áán ’t felle groote Licht dat komen ging.
Er zat bange ontdaanheid en grootsch ontzag in de kleurwolken, die opdreven ten jubel, nu niets nog verrees!
Maar àchter den horizon, waar ’t zonnevuur gloeide, in een brandenden vlammen-ring van licht, gebeurde al de onzichtbare stijg van de Zon, laaide vuurweg òpen, in walmkleurigen brand, áángloeiend al sterker de wolkenrijken, rondom geschaard in den gloed-bloedenden hemelkoepel.—
Wat stomme landwerkers stapten over polderbrugje van kanaal, naar de dorschen. Onder hun beenen brandde de aarde rood, roodblond, goudgroen, en hun gezichten gloeiden in aureolenglans, omvlamd van hemelvuur, dat uitstralen kwam.
Stom liepen ze áchter elkaar, de stille zwoegers, even starend in den vlammenden horizon, waar ’t licht herautte.—
Eindelijk, ’n kartelende vuurslang, als ’n kronkelflits van bliksem, òmgesmeed in éen schok, éen tril, tot vuur, boorde uit den luchtbezworen brand òp, ontzettend van kracht en hevigen glans, met bevenden rood-gouden-kop fònkelend.
Plots gloeide héél de luchtbrand aan, vlammend rood, en de muur van paarse wolken boven den morgengloed, schroeide tot violet-vuur, dampte uit, een azuren waaier van goud, in felle breede stralen, doorspat van trillend roode zonne-fonkels.
Laaie gloed danste en sidderde in nadering van Zonnegloor. Brandgeur rookte rond in de hemelen.—
Al de wolkgrotten, de wolkruïnen, de wolkpoorten en burchten, vlamden in den morgenbrand.—En fèl, in den vuurschijn dromden wolkwezens òp, kleur-herautend in ontzag, langs de aarde, de hemel-randen.—
Op den trillenden vuurkronkel, omgesmeede bliksemschicht, die aangloeide in al heviger fonkel, hèl-rood, dromden de wolkwezens, en nevelgeesten uit violet wolkenrijk neergedaald, al sterker herautend, met aangezicht in gloed geschroeid, gekeerd naar ’t groote licht, naar den Zonnewagen die rijzen kwam, áánschuimen z’n brandende en ziedende wielen in een golfgloed van rooden wonderglans.—
Ontzettend verstild, ging de vlucht van geruchten over ’t landgroen; éen suis, éen fluister van aanbiddend, wachtend leven.—
Mysterisch geruisch van verstommende klanken, harpte wèg, over ’t land. ’t Riet zong zachtsten fluister, de korenhalmen ruischten zang-zachter, de weibloemen, blauw en goud, glansden vreemd, in extatischen gloed.—
Hemelwelf van Lemperpolder gloeide nà, in rose brand, en wolkrijken daar, herautten nà, ontzag voor stijgend hemelvuur. Over heel ’t polderland scheerde ’t licht. Roode dauw dampglansde, en vonkgroen verdruppelde schittervuur in ’t natte goudgroene vochtgras.
Heel de polder, eindloos, zwom in gloedglansen van purperen brand en groen-goud zomer-vuur. Het kanaal wiegde zonnerood, zonnegoud, zonne-paars als ’n schitter-paarlmoeren kleurplas.—
Peinzend-stille bruine paardjes wachtten, laag den kop; githuidige en rood-bonte koeien stonden omfonkeld, omplast in ’t licht, dat steeg, stéég, in laaien gloei. En trillender, de levende vuurbliksem, omgesmeed tot slang, in den fellen hemelbrand onder violetten wolkmuur, gloeide áán. Vuurslang verbeefde rood gevlam op wolkenkring rondom, en z’n spitse kop siste ’t morgenlicht áán, tot heller goud-rood vuur, tot gloeitroon.
De hemel laaide òp, spoot uit vulkanig brandgoud.—Overàl, achter violet-vurig gewolk uit, rookten brandstapels, lekte vlammenrood.—
Plots vuurde òp, hèl-gloeiendst, ’n trillend punt, brok krater-kogel, en lòs achter de lichtende aarde, zweefde òp een bol van ènkel laaiend schitter-hevig vuur, ontzèttend van fonkel-rooden oer-gloed.
In éen schok van licht, laaide heél ’t polderland òp, in roode blinking, goud-groene helheid van hevig licht, als stond de aarde in brand, volgestort met zonnetoortsen.
Een zwijmelende jubel van kleuren en glansen zengde rond de wei en ’t hooiland. Het kanaal, waar de zon laag-scherend, op neerschoot stralenbrand, met z’n gele wipbrug stond in rood-gouden flakker van licht.—
In ontzettend moment van luidloos verschijnen was Zonnebol in z’n daverende helheid, z’n trillend rooden zèng, achter de aarde opgezweefd, en snel z’n goud-vurigen troon genaderd.
In matelooze kracht, stortte hij nu uit, zeegolvend breed, eindeloos licht dat deinde, en roodvlammig golfde en goudwiegelde éérst, maar plots schroeide en zengde, en rondslingerde zonneflambouwen, tusschen ’t gras, tusschen de hooischelven, tusschen beesten, dammen en rijzen.
Dollendans van licht zonnesprankelde, spartelde en priemde, lanste en pijlde uit den hemel, die zelf, als immense koepel van zonnevuur polderland òmstolpte.
Alles beefde in den ochtend òp met ’n schok van fel genot. Ruisch van goudvleugelenden wind woei áán, tusschen een bazuinstroom van zomervuur. Kwinkeleer jubelde òp, losschaterend, onder de gouden hemelpoorten als orgelkelen, hoog in ’t kleuren-ruim uitzingend.—
Een zomerende bloesemgeur wasemde uit de rood-begloeide, wonder-glinsterende weien, en zonnevreugd omdaverde de bebouwde aarde.
De Lemperpolderlucht wolkbrandde in nagloei van ’t eerste zonnevuur. Afgebrokkelde vlammepoorten ver-rookten er kleurwalm. ’n Weg dáár, onder poortendom, lag open naar hemelburchten, waar teer-rose verschieten schemerden. Karperkleurige lichtschubben ringden boven de poorten, en vèr, heel vèr, onder hoogste, vurig bezonde wolkenruïne, hingen lampions van zonnegloeiing tusschen gouden regenbogen in ’t blauwend firmament.
Zonnegod luidde z’n goudene licht-klokken uit, in ’t brandende hemelruim. De Juliochtend bleef jubelen van lichtglorie, tot plots zonnebol onder violetten wolkmuur wegdook. Er tegenover, in geweldigen kring, was plots ingestort ontzag’lijk bouwsel van kleurwolken.
Als ’n stukgewaaide gothische kathedralen-stad in hemelruim, bleven zwerven en zweven daar, brokken gloeiend brons, karmijn, en purperen gloed-scherven, roode torenspitsen en klokkengouden cijferplaten, blinkend tegen ’t sterker jubel-blauwend azuur.
Wolken als kruisramen en bevlamde vensterbogen kathedraalden er, doorrinkeld van geel, doorstroomd van bloedrood, kanteelen en schipstukken, in vlammenpracht, doorstookt van laatste schijnsels.
Stille werking van zonnebrand vergloeide overal.—
’t Kanaal bleef wondre allegorieën-stoeten uitdampen, in paarlemoeren schitter.
Plots achter den hoog violetten wolkmuur, langzaam verzilverend bij ’n gloeihoek, vuurde de zon weer uit, niet meer als ’n rood-barende bol, trillend van zengenden stralenflikker, in hel vulkanenvuur wonderstil uitzwevend achter donkre aarde, maar nù, als felle goudkokende krans, violet bevlekt en rood-groen ompijld, ruischend verterend in wit-goud vuur.—
Eerste toovertoortsing van ros-rood, was weggeschroeid. De weiden groeiden aan, eindloos in ’t licht, en boven ’t polderland, sloeg een warrelwind woeling in ’t zonnige, hel-schitterende gras en koren, blinking in de wolklucht, en vluchtstoei in de schaduwen. Goudlicht stoof òp, glijdend, schuifelend in wisselglansen over ’t land en de gods-zonnige heet-doorschitterde slootkanten.—
De wind, zwoel en wild zwabberde over ’t ruischende riet, en de korenhalmen in zacht-zwellende aar, zwiepten in sterken druisch.—
Overal in blinkende pracht, heet, zonde ’t morgenland, gloeiden de stolpdaakjes en blakerde hoeven-wit-gegevel. En eindeloos ’t heet-gezoende gras-groen gloeide, tusschen de blonde hooischelven. Blauwer ’t hemeldom koepelde uit, verbleekend de kleur-wolken in ’t stralend, brandend blauw. De wind doedelzakte en joedelde op spothoorns wildjolig, door ’t heete land, blies zwoelen tocht in dagsnikke hitte, blies kuilen in de tarwe, knakte halmen, besliertte in ruischschrik al woester ’t riet, stoof zandwolken langs polderweg op, kolkerend hoog.
Het wipbruggetje met z’n zonnig begloeid geel hek en ophaalleuninkjes stond heller in gouden vlam, ànders weer dan in z’n eersten rooden wondergloed, bij zonnekomst.
Als wind, moe van blaas op joedelende spothoorns, ergens aêmechtig neerlag op ’t land, gloeide de grond in hel zomervuur, knetterden de halmpjes in ’t groen-gouden schitterlicht, knapperden de aren, dreef de dag áán, op ’t stille goud-zilveren licht, ’t wit-heete goud-schroeiende van zomerpolder, vibreerende de eeuwige fluister-stille verte van Hollandsche wei-eenzaamheid.
Zangerige geruchten wiegden áán, zengend zonnegoud blakerde de hoeven en erfjes, waar boerenmeiden stapten naar dorsch, en bronzen werkkoppen langs de brandende hooischelven schoven.—
Langzamerhand kwam er licht gewerk van hooiers op het land. Windzang joedelde tusschen de bergjes in flapperenden stoei. Klankvage morgenmuziek luidde òp over ’t ochtendland, week aarzelgeruisch, murmelend van ver en dichtbij.—
En overal, van allen kant straalde en vlamde de landelijke ochtend, door ’t rust-zalige van wei en hooi, den blonden zonnevurenden halmenzang; op klaverrood, paars bloemsel en geel; op den gouden trillenden brand van schelven.—De roode helschaterende gloei van stolpdaakjes vlamde in ’t blauw-trillende luchtvuur; eindlooze doorzonde weilanden dampten in malschen schitter, van ’t gouden poldervocht doorsapt en de wondre fijne zonnige slootgloei hèl lichtten als kobalten plassen, verwiegend zomervuur. En rònd ’t hooiland, de weidengloed met z’n koeblanken schitter, zwart-begitte en bontrooie glansen, van ’t grazend-zonnige vee.
Zoò, de nevel-gouden morgen, schitter-blakerde wild met den stoeiwind er achter, die doedelzakte op spothoorns, en dravende zilvervloten door ’t lichtruim joeg, tot soms hij plots zwoel en paf lam lag op de velden. En heel aan den horizon rondom de dorpjes trilden in dampig goud, als naderden de torentjes en huisjes daar den eind’loozen polderkring van groen en licht.
II.
Tegen half negen, op boerenkar hortten Kees, Dirk en ouë Gerrit hun hooidijk òp. Dirk mende, wou alleen hebben, dat de Ouë meeging om rond te harken in den windstoei. Te vroeg was ’t nog om op te steken. De boel klamde nat. Ouë Gerrit omtastte de hoopjes, bromde wat in den wind, keek angstig naar den heet-blauwen hemel.—
—Hoho!.... op die smalle daik.... daik hier.... ke.. je.. ke.. jè vast nie teuge wind inkeere hier!.... daa’s niks gedáan.... hee!.. aa’s jullie d’r nou eerst.. rais.. huhu!.. die mikmak anharke.... hee!—schreeuwde Ouë Gerrit naar Dirk en Kees, die de boomen boven de wielen van boerenkar, met handen en voeten in de binten stampten. Z’n stem verwaaide in windvlaag, zwabberde klankloos naar de kerels, die aan dijk-end stonden.
—Sel wel op poote sette, Ouë, schreeuwde Dirk norsch,.... wai beginne d’r van hier.... eerest die hoopies op de woâge.. in vaif kaire is ’t doan....
—Allejeesis! da wordt dur ’n karwei tut an den oafed! hee.. riep Kees gebluft.
—Daa’s net, en teuge àcht.... mi die vuile oafeddamp.... is ’t suinege Job! je naimt d’r de boel nat in, moar ’t mot!.... die duufelsche oàrebaie.... en errete skreeuwe om onster hee? Hèp je nie.... dan mò je nie!.... ik wil d’r hier morge nie weer stòàn!
Julizon blakerde en wind joedelde in zwoeltegloeiing. Felgoud omschoten, trilden de hooischelven in ’t bazuinende vlammelicht, en er onder wasemde ’t doorgloeid gras, smeulende hette uit. Ouë Gerrit scharrelde rond tusschen ’t hooi, los neergemaaid op dijk, dat droog veerde onder zijn klompen. Den wagen had Kees ’n eindje hooger smaller dijk opgereden.—
Dirk die het hooi opbouwen ging, was karbuik ingeklauterd, liet z’n klompen neerklakkerend afsullen van z’n paarse kousen, op ’t grintpad. Zon gloeide, maar telkens stootte onrustiger òp, zoeltig-zoete windflapper en rilde zwierd’rig ruischend leven, onder halmen en riet.—
Hemelkoepel stolpte eindloos blauw nu, hoog vuur van lucht, en van alle polderhoeken stapten loom de laatste hooiers òp.
—F’rek.... stong ’k t’met moàr ook in de wai.. mi die vuile wind.. Sel je strak en-an wà belaife, verzuchtte Dirk naar Kees,—sullie kenne d’r beest t’met mi sain kop.... in de wind sette.... moar hier.... op dâ smalle kreng f’roer je vast gain vin! Moar ’t mot hee?
—Daa’s net, ’t mot, kauwde Kees gemoedelijk na, tusschen z’n dunne lippen, met ’n sisstraal z’n pruimpje ’t hooi inspuitend. Rood onderspul van boerenkar, veeren en wielen, vlamde hèl onder krat en buik-end. Dissel gloeide rood als ’n kromgebogen bazuin, en z’n koperen punt stond zon-beketst, goudfel te fonkelen. Op ’t land vèr onder hun dijk, kwam drukker beweeg van hooiers. Witte zonnehoeden en blank-strooien, bewogen op de brons-bezonde koppen, onder ’t opsteken. Karren met hard-groen zijwandsel, rood krat en wielspul, knetterden heet-rood van ver tegen ’t glinstergras, in laaien zonneblink, warm omvocht van hette, zwoele, dampige, smorende polderhette, òpnevelend uit fluweelmalsch gemaaiden grond.
Dirk kon ’t maar niet verkroppen, dat ie nou niet op ’t land ’n hooihoek had, schold tegen den Ouë, waarom ie toch juist dàt vervloekt dijk-end nemen moest.
—Hoho.. main Kristus jonge!.... da’ ke’k tug nie helpe hee?.... da’ d’r nou toefoàlig wind op de ruimte stoan.... hee?.... Hu! hu! sullie hewwe main da’ daikend tug nie f’rkocht, mi-sonder wind hee?
—Nou.. furt moar Kees, gooi op! norschte Dirk,—.... die laileke kwinkkwankers, f’rkoopje je alles mi wind hee?.... Hee Ouë!?.... aa’s ’k boòfe ’t roam bin, kaik jui d’r dan wâ de wind wil.. hee?..
Diepe hooigeuren, honingzoet, zwijmelden om den wagen heen, en warmer broei van licht en aarde wasemde òp zomergloeiing van polders, koortsig en zengend. ’t Rondom gemaaid gras op de weien, warm-groen, fluweel-doorgloeid, zong hoog in ’t schitter-licht z’n wonder lied van innigheid en de blankhouten harken gristen en ritselden door ’t hooi, met gerucht van grazende koeietongen.—
—Loà poard effe loope hee? riep Ouë Gerrit naar Dirk onder ’t opharken.
—Dá’ mô je moai maine, hai blaift d’r vast woar ie stoan!.. is ’t main knol?
Zalig-zomersche geuren, zonnig-zwoel en dooràdemd van bloemenzoet, zwierven rond, in de lucht en wei-zee. De schelpruischende polderstilte, de mijmer-zachte wuif van ’t slootriet, en de halmenfluister trilden door de heete schitterlichte lucht als koelte-suizel en droomrig geklots van golfkabbeltjes, soezend slaperig, tegen blank-zonnend strand.—Eindlooze ruimte van bevend licht, hemelblauw en groen, lag er tusschen de werkers. Als oneindige kom, volgeschuimd met lucht en groen, gloeide de lage polder onder den hemelkoepel, blauw-barnend-vuur, waar de wind in zonnig-zwierige vlagen doorheen dartelde, huppelend en stormend, zacht joedelend en stoeiend, alsof honderden kwelgeesten tartend zang-doedelden door ’t snikheete land.—De hooibergjes verbroeiden in zonnevuur, dat lèvend op ze neerlekte, ze kontoerde in een trillenden zoom van heet goud.—Naar bouwgrondkant van polder was druk gewoel van blauw- en baairoodbekielde kerels en wijven tusschen de erwten en veldsla. Daar achter en òm, dromde ’t vee luierend bijeen, slaperig traag in de drukkende hitte. De koppen opeengedrongen, koester-broeiden ze in de gouden vocht-warme wei van verre, begit, als met waterplassen glanzig oversmakt, in smeiïg schitterlicht, verglijend tusschen de plooi-glanzende blanke huiden. Op verren dijk, aan horizon, gingen traag twee boerenkarren, donker-kleintjes, als speelgoedwagentjes, tegen blauwen hemel in. Dichter bij de Hassels, waasde ’n nevel dauwig licht over ’t gras, wonder beglanzend ’t heete groen, dat hoog-gloeide, fel verschitterde, elk halmpje, in één fellen brand van goud.
Kees stak òp. Met z’n scherpe tandvork boorde ie diep in de schelven, en in kreunende rukken smeet ie den karbuik vol. Dirk met branderigen zweetkop, sloeg òm z’n rollen, en bouwde breed uit, naar één hoek. De eerste opsteek smakte makkelijk op Dirk neer, gloeiend in z’n handen.—Kees alleen kreeg telkens bij opzwaai van z’n vastgeboorde hooivracht, volle laag van windjoedel, die in ruk-stooten om zijn blauwe kiel heengierde, dartel-woest, en sarrend bossen van z’n vork afzwiepte en rondsliertte op den dijk.
—Nou, ikke seg je, dá’ de wind dwars veur de woàge blaift Kees! kermde stem van Dirk, ’t opgestoken hooi hijg-zwaar omknellend, aemechtig tusschen z’n armen.—
—Daa’s main dunk ook! zei Kees ademloos, wá’ hitte! ik sweet d’r nou al aa’s de pest, ’t is soo duufels broeis, ’t hooi! je brant d’r t’met je almenak àn.
Dirk bromde hoog van z’n kar wat terug in den wind, met z’n bevenden zweetmond geperst tegen ’t hooi dat Kees òpgesmakt had.
Eerst rechts, dan links, waggelend en woelend z’n paarswollig bekouste voeten in ’t heete goud, rolde ie de stapels òp, vast inéenpersend met z’n heele lijf, uitbouwend bij de hoeken. Ouë Gerrit liep onrustig rond de kar; loerde dàn naar de lucht, met verschroeide knipperoogen, dàn tegen ’t woelige lijf van Dirk òp, dat in z’n kielblauw ’n helle plek zoog in den vuurblauwen hemel.
Rood-bezweet drupte de nijdige zuchtende zwoegkop van Dirk, woest omprikt van z’n hard-geel haar.
Kees had z’n òpsteek boven ’t hoofd gezwaaid, maar ’n zware vlaag, rukkerig en fel-tartend, woei er heele dotten af, in sliertenden gouden harenstroom óver z’n worstelenden vergramden kop héén, die volgewaaid blondde van hooipijltjes. Vloekend gooide ie ’t restje op z’n vork weer neer, drong op nieuw met woedestooten de tanden in de schelf, die trilde in omlekkende hitte van zonnevlammen. Zwaar-kreunend perste ie z’n lijf tegen den steel, rukte ie weer òp ’n reuzige vracht, vàstgebeten tusschen de stalen vorkkaak. Langzaam stapte Kees naar den wagen met schuifelpasjes, bang voor nieuwen windwarrel, die weer hoonend en joedelend aanfloot, zacht tochtte om ’m heen, en tartend, verraderlijk koeltjes òmstreelde.
Dirk kroop àl hooger den wagen òp, stond in ’t gouden gevaarte gezakt, bezweet te wroeten, te verbroeien en verbranden.
—Nou Dirk, mô je hebbe? schreeuwde Kees tegen den wind in.
—Hier, an de kop! krijschte Dirk terug, van veure òp!.... f’rdomd.. aa’s je.... aa’s je loàie ken! in soo’n wind!.. je wee nie.... wá’ je-doèn.... hee!.. Ouë kaik d’r uit! goàn ’t wèl?.... of se’k te wait uit?....
Kees was met z’n reuzigen stapel boven den kop geheven, naar ’t voorkrat geschuifeld vlak bij ’t paard, en Dirk op den wagen, kroop knielend naar voren in waggel, op ’t brandende hooi.—Ouë Gerrit met de hark in z’n hand, kwam schouderkrommig aansjokken, in fladdering van lokken, onder z’n maaiershoedje uit, keek angstig òp naar den wagen.
—Nou.... skaif.... skaif!.... nog nie.... ho-ho! da’ gong! Moar paa’s d’r op! hu! hu! da’ je nou noar achter goàn! gunters! aêrs kom je t’met in ééne sai van de wind te hange!
—Zachies an Kees! zachies an! dofte Dirk’s stem uit hooi-hoog blond gevaarte, afgebroken, doorhijgd van vermoeienis,.. zach... ies an!... ik hep... sain... saa’k stikke... nog nie beet!
Kees schuurde hooger òp z’n vork langs ’t voorkrat, rekte zich op z’n teenen. Rond z’n kop en borst dartelde de wind weer, fluit-zangerig, verzwiepend blonde hooifladders. Hooger òp, blies ie Dirk in klefferig heetrooie zweet-tronie waar angstige kommer op spande en jammerde. Woelig waggelend hurkte z’n romp al hooger op ’t veerende, krakende hooi-blond. Z’n kiel, violet-blauw uitgewasschen en verdropen van kleur, flapperde wijd en bolderig, en z’n geelharige zweetkop, stramde rimpelig als ’n beschminkt chineesch masker. Zonnevuur daverde, omlekte ’t hooigoud verspieste er gloeipijlen in, uitrookend in hitte, dampend in de hooi-gloeiing van den wagen, die met zwel-lijn geweldig tegen ’t blauwe hemeldiep opbergde.
Ouë Gerrit was weggegaan, harkte weer op dijk-end waar ’t grint gloeide en knerpend piepte onder z’n sjokkerig-tragen klomp-klos.—
Z’n hel-witte klompen, blank geschuurd, dribbelden tusschen de schelven op zonnigen grond, soms bij hiel en neus achter de hoopjes uit, alleen te zien.
In martelende worsteling tegen windrukken woelde Dirk op den al hoogeren hooiwagen, angstig-breed uitgebouwd. Van één hoek ploeterde ie, knie-waggelend z’n vingers vastgehaakt in de schroeiende rollen, naar den ander.—Hij gromde en z’n rooie kop zweetdruppelde als was ie met water begoten. Z’n lijf stond in walm van zweet, poriede open in rauwen vleeschgeur.—Kreunend en hijgend rolde ie de opgesmakte gouden golven heet uitéén, met den heeten beuk van z’n bronzen knuisten en naarstig verdeelde, perste en bouwde hij uit aan één kant, trapte en voegde weer terug naar andere zij.