Menschenwee

Part 35

Chapter 353,602 wordsPublic domain

Naast den aardbei- en erwtenpluk ging rond op de akkers woeste rooidrift van bollenkweekers. Van alle kanten, in diepe voren ingekneld met hun knieën, schoven ze voort, de rooiers, ’t gloeiend akkerzand in klauwigen wroet opengravend, den heeten zandstuif naar zich toewaaiend, de longen in. Hun verschroeide bronzen koppen, strak en gebukt van ernst, dampten en zweetten in gloeistof, hun heele lijf ingehurkt, verteerde in drogen schroei van zand en lucht. De zon in z’n vroege Juliglorie daverde hoog in ’t eindloos blauw, ingeschroeid in kringen van roodviolet licht en gouden kransen, woelend de lichtende hemelzee rond.—En de lichtlansen harpoenden neer over de gloeiende akkers, die in dorre, schorre hette smachtten naar regen.—

Lèvende hitte trilde en golfde op de rooiershanden in den grond, als groeven ze in lava, en ’t zengende licht koortste en kookte zóó, dat de akkernevelen in ’t verre blauw wit en fijngrijzig vervloeiden van warmtewaas. De zandgrond, hoogpaars blinkend en heet, lag naakt in woestijnige zonnemarteling, met den opengegraven grond al heeter uitdampend onder hun knieën en gezichten. Van alle kanten uit breede hurkrij van rooiers, fonkelden schaalranden in ’t licht, rooibakken éven opschitterend fèl als scherven zonbeketst glas of schilferend metaal in brandgloed. Tusschen de bollenbedden bochelden in gedrochtelijke standen rooizakken, half of heel gevuld, als onthalsde kerels, enkele buiken en rompen, zonder armen, potsierlijke dans van wittig-bepoeierde karikaturen, die keken en lachten uit hun komische plooien. Kerels, in zweetzwoeg, sjouwden van en naar ’t pad, ladend de zakken op karren. Rijen rooiers, in brons, pracht-warm rood en blauw gekiel, ingehurkt verzakt in de zandvoren, knielden naast elkaar, in woesten grabbel rukkend met hun vingers ’t zand open, wroetend dieper den grond in, tot ze de bollen met heel ’t wortelennet, beklonterd fijn gevezel, er uitgegraven hadden. Telkens één uit de knielende rooiersrij, gooide de rooibakken en schalen, opgestapeld met bollen, leeg in ’n groote zeef. Van vijf, zes hoeken tegelijk soms, ging er schurend sis-scherp zeefgeluid over de akkers, rond kerels in zonnevuur, met de groote zeven in de handen, waar bronzige stofwolken onderuit stormden, òver gekromde ruggen en ingebukte koppen van rooiers héenwarrelend in wilden stuif, dat àl de werkers, momenten weggedampt vernevelden in ’t bronzige stofgoud, langzaam weer bijtrokken als gestalten van ènkel licht.—

Het licht, in koortsige wellustgamma’s van kleurhitte, sloeg, schroeide, bazuin-dreunde om hen heen, tegen ze áán.—De laaiende zomerbrand regende z’n zonnevuur neer, rond en op de werkers, die groefden, groèfden en woèlden in den akkergrond; in de gloei-heete aarde die hen teisterde en martelde. Als bij rooversstoet in oostersche sprook, ging er ’n graafdrift onder de stomme werkers, kampend tegen ’t zonnevuur, om schatten te vinden, schatten op te delven, in koorts en jacht van arbeid, bàng betrapt te worden door anderen. Knieën stramden en pijnden als in zweer, polsen en handen kreunden stil. Gezwollen kronkelden klauw-pezen, in bange paarse benauwing, en kreten van werkersgramschap stootten òp dat zwollen kop-aderen en slapen. Hun longenhijg trilde door de lucht als zachte zuchten van machienzuiger. Maar alles toch van hùn ploeter smoorde tegen den grond, die uitbraakte brand van zand. Dieper graaiden hun pijnvingers, feller gloeiden hun polsen in de blakerende aarde, de aarde die zelf kreunde en kermde onder den zwarten zwoeg der mannen; onder de orgieënde voluptueuse lichtrazernij, den heerlijken, goddelijken almacht-brand van zon.

Doffer in den grond smakten hun klonterende bollen in de bakken en fonkelschalen en stiller schoven hun knieën vóórt door de heete voren, natrillend nog van hun lijfsvracht.—

Zóó, elken dag rondom den pluk van aardbei en erwt, lag het bollenland in den gloeienden zwijmel van zomerbrand.

Elken nieuwen dag om hen heen, met z’n uitzwijmelend bloemenvuur, gloeide in kleuren en glansen, bloedde in rood, goudde in warm geel als een reuzig goud-dampend kerkraam, vàn de aarde geheven, hoog en oneindig, tot in ’t hel-lichtende azuur. Elken dag in den brand van zijn eigen kleurengloed, verrees als ’n reuzig kathedraal-venster, met z’n scharlaken bloeding van vitrails en rosetten, in ’t laaiende licht. Zóó zaligde de hemel in godlijk kobaltblauw, ’t azuur van middeleeuwsche vitrails, in den azuren droom van heilige figuren. Zoo kleurde de aarde in het zingende brons en extatische geel van z’n gloeiende glas-verven, omdampt in den aureolenden goudglans van altaarlicht.—

Zoò, in ’t bloedrood van ruitenbrand, als ontzàglijk kerkraam met z’n bogen en gierlànden, vlamden de bloemende zonnedagen in ’t azuur, gloeiend, kleurdampend en jubelend in de oneindige glorie van zomerleven.

En daaronder stom, de werkers, de geloovers van den arbeid, de zwijgende devoten van den machtigen zwoeg op ’t land.—Stommer en gekneusder elken dag weer, schoven hun knieën door de voren, ’t schitterheete zand. Dieper groeven hun klauwen den hitte-adem van de aarde naar hun longen. En geweldiger in de zonnelaai ging het schuurgeluid van hun zeven over de akkers, de wolkenstuif van het bronzen zand òver hun gekromde ruggen. Alsof de aarde, de stille rooiers nòg eens wou overstroomen met den trillenden zeng van haar zonne-lava.—

Verder op ’t land, naar den zeeweg, stonden de werkers onder de eindlooze hemelblauwing, met zware armhalen rottend loof van hyacinten en krokussen weg te schoffelen, hun lichtgestalten uitlijnend in de trillende hittelucht. Hoeken, in prachtigen kleurenschimmel, teer pastel, toonfijn, als tinten van doffe poeier, lagen tusschen gerooide bronzen akkers; loof dat zingend stierf in laatste kleurenkoorts. In donzig groen-dòf en goudlila,—als er op oud hekwerk uitvocht,—pastelden de akkers met rottend loof, verneuriënd ’n doodenzang van tinten tusschen ’t fel-jubelende zomergroen van boomen, hagen en pluimgras.—

Duffe lucht van rot geblaar, als vunze stank van aardappelenkelder, verstoofde in de zonnehitte, vervloeide tusschen de glansen van ’t oud goudleer-rood en bronsgroen, dat zacht golfde en moireerde soms in windwuif. Midden in den doodenzang van ’t bolblad, stonden de rooiers, wegsliertend in woeste onverschilligheid de stervende bladeren, met harkende, breede halen van hun blinkscherpe schoffels, ’t loof als vuil ophoopend in de greppels. Van allen kant over de akkers, wiekten ààn, in droomerige zwiertjes, kleur-teere vlinders, in lichtcier bemanteld, fluweelen scheepkens van glansen, droomerig zeilend in luchteblauw, zonder richting wiekvleugelend door het hittewaas, plots rustend op zonnevonkend boomgroen van hagen, of verdwijnend tusschen getemperden pastelgloed van ’t stervend loof.—Van allen kant kwam aanfladdering van pauwoogjes, stralend prachtkoloriet van atalanta en goudvosjes, als toef sidderschoone kleurenveeren uiteengewaaid over de akkers.—Gloeinaakt schroeide ’t land, in wit-violette hette naar horizon vernevelend, waar vèr, vlinderwiekjes met hun kleurgloed loomer verzwijmelden in zoet rooksel van geurenden, zonnigen bloemendamp.—

Tegen half vier, op derde schoft, zakten de rooiers in hagenluwte neer. Even rustten de gebroken polsen, gekneusde handen, zeere toppen. Schuw van pijn, gingen de zwartgroene vermartelde klauwen, in gretigen hap, naar ’t brood. Groepjes rengelden slaperig van uitputting, in mat-zoet ledengerek. ’n Paar werkers wreven hard hun verstijfde knieën. Anderen weer, nog stiller en strammer in hun kort schoft, schooierden plat op den buik, in de half-schaduwende koelte van singelhoek, handen onder de kin gehaakt, kop éven op, als bezwijmden starend zonder te zien, naar akkers die vóór hen verblakerden.

—Daa’s ook ’n klus, kaik sàin te goàpe legge noà oàsem! schreeuwde er één, spottend wijzend op ’n kerel, die ’t zòò martelend benauwd had, dat ie van z’n rug telkens op z’n buik draaide, uit de schaduwreep wegwoelde, en eindelijk pal onder gloeisteken van zonnevuur, op den rug, met oogendicht gezicht naar den hemel, voor dood bleef liggen. ’n Ouë vent naast ’m zat recht òp, met z’n schouers tegen ’n haag, lijzig te happen uit stukkenzak.

Sarrende bromvliegen gonsden om hun zweethoofden, loerend op warmtewasem van nat vel. Drie kruiken gingen rond, en zwaar-gretig klokten slokken verkookt water de heet-droge kelen in. Maar roerloos de kerel op z’n rug, ùit de luwte gerold, met z’n kop naar den hemel, armen boven z’n hoofd gerekt, lag daar dwars in moeë bezwijming. Hij kòn niet drinken, niet één verkoelingsslok. Hij kòn niet spreken, te machteloos zelfs om vliegendans op z’n dichtgeschroeide oogen en bezweet gezicht af te slaan. Stom liet hij zich maar bekletsen van lolwerkers, omzoemen van insektenwarrel. Stom bleef ie hijgen als half vermoord werkbeest, stom en uitzinnig van hitte.—

Van verre tuinen, de gouden vlierboomen vlamden als hooggele boeketten laaiend goud, hoog tegen hemelblauw geheven. Magere popels, wilgen in lichte zilvergrauwe ritseling naar duinkant, rankten star in de strakke hitte. Rietbergen op bollenakkers grauwden aschblondig. Naar den zeewegkant, achteruit op Duinkijk, groenden zware boomen, dichtgegroeide laantjes met eiken, beuken en wilgen, dooréén.—Soms poortten verschietjes òpen, als violette nisjes, ingediept onder ’t akkerbouwsel; lag er paarse nevel tusschen de kruipende halve boomschaduw te dommelen, loom van hitte.

Langzaam, wat laantjes achteruit, door dalenden zonnegang in brand gezet, ópenden zich als zonne-hofjes, dartelend en spartelend in schuinen zonnedamp, die overal onder zwaarhooge struiken dòòrvonkte. Langzaam week wazigviolette purpering van schaduw achter muren van licht, in sprookjesschemer.—Teergrijs en blauwpaars zengden òp de akkers wat schuurdaken.—Hel-roode stolpjes kleurschaterden fel in de gloeiakkers, vèr van elkaar. Eén leien schuurdak stond in zòò fellen zonschitter, zòò verblindend in uitstraling en fonkeling over de naakt-lage bollenakkers, dat ’t was, of dààr ’n aardebrok begon weg te gloeien, in ’t vonk-hevigste zilvervuur van licht. In helstrak hemelblauw vlamde ’t daar, straal-sterrelend; ’n uitbarsting, of de zon ’n stuk lawa-leven van háár leven, zengender en trillender, in helle fonkelsliert als woest goden-altaar van zilvervuur, op de verbaasde aarde had neergestort.

En telkens uit de zijlanen, die in reuzekring van groen en schaduw om de akkers dromden, stroomde zoete reuk áán van waggelende hooiwagens, en meidoorn zwangerde z’n hartstochtaroom uit, als om Wiereland te verzwelgen in geuren.

Soms, van de akkers àf te hooren, bonkerde in loomen waggel, ’n hooiwagen langs de landhaag, nu en dan bij open plek, achter boomstammen te zien, in ’t goudgestroom van z’n haren, zoetste hooirook in den zonzwijmel van akkerbrand uitstortend.—Van boschkant uit, ergens diep verborgen, verklonk koekoekzang, eentonig, toch vreemd-verhalend van minne-romantiek. Eentonig ontroerend zong koekoek dóór, in de gloeiende middaghitte, vreemd-lokkend geluid; optooverend visioen van koel-groen boomendonker, waar, op dàtzelfde middaguur, nimfen gevaarlijk-angstig stoeiden met van-zinnen-geschroeide faunen.—Geluid dat òpriep, fantoom van koelend bladerenlommer, waarònder de nimfjes en satyrs speelsch plasten in waterzilver; met schaterjubel kringdansten, doorholden onder zilverende ruischfonteintjes, die kleurvonken rondspoten, koel, in hun druppels-plengende kristallenspartel; en waar al verder, al vèrder de nimfjes verzwierven, tusschen het lokkende schemergroen, verloren in jagenden zinne-zwijm.—

Hooger weer nà schaft, steeg werkroes, ging er sneller schalenfonkel over akkers.—Zwaar stonden de verbuilde karikatuur-zakken met bollenvracht, op den paarsen grond, sterker rookten de voren van hitte, sjouwden de kerels op en af de greppels naar de karren op ’t pad, in stommen zwoeg met al geweldiger lasten op rug en hoofd. Nergens meer ging één lang uitgehaalde ademhaal.—

Rooiers en plukkers, verbronsden in ’t late licht van avond. En breed, in kringen, trokken de kleurgloeiingen en glansen over de akkers, rond de werkers, die zwoegden tot in den nacht, in àl andere pracht en zwenk van lichtspel, onder zwervende, oneindige fantasmagorie van het ontzaglijke, stille wolkenleven.—

VIERDE HOOFDSTUK.

Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.

Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:

—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.... gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s!

—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.... heè?.... ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.... sloà stoke.... wortel skoomoakt.... f’skeur dan je pampiere moar hee?....

Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.

Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—

Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden ’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.

Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—

In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—

Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.

In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.

Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.

Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.

Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—

De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.

Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.

Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.—

—Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.... sloàn d’r de dinge uit t’r poote....

—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.... wa’ jou?... goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.... die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.... ’n happie.... da’ he’k f’murge van lust!...

—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.

—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?... Wâ he’k roepe om half vier!... krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.... en Trien òòk nie....

—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.

—Krik f’rdorie.... jai kookt ook nie goar!... je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.... mó’ je màin juùstig veur hebbe!... Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.... krik f’rdori!... se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.... krik f’rdorie.... je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.... aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.... p’rdoes! en Trien.... die aêre.... nee.... die ha’ d’r slinger!...

Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.

Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.

—Nou.... bai Hulse en Toomaas magge de maissies.... magge sullie tut vaif uur.... vaif uur sloape!... enne wai binne doodmoei.... wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.... ikke hep sukke bloare àn....

—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.... snurkers!

—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.

—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?... saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.... ikke leg te swemme puur in main swait hee?