Part 34
Een brutale, met roet-zwarten baard om geelbleek gezicht en smalle schuwe oogen, wenkbrauwen neger-donker, rukte ’n tuinder z’n mandjes uit de handen, vloekend dat ie al drie keer voor niks hier was, op die manier niet plukken kon, z’n boel verrotte op den grond. De baas, er bijstaand, mengde er zich in, maar ze snauwden, verdrongen den heerigen vent. Hij voelde dat ie in zoo’n geweldige, stuipige werkjacht, z’n meerderheid verliezen ging.
—F’rek jai skorum, vloekte en tierde de onthutste tuinder, verhit van zongepriem, dat z’n oogen in brand stak, afgejakkerd hijgend van uitputting en sjouw.
—Ke’ main puur niks bomme.... ’k hep in twee doage al nie plukke kenne.... soo lait main oogst veur de waireld.
—Moar daa’s main.... skar! duufelstoejoager.... kabbeloebeloap!.... Doòr schold ie, wou op den zwart-baardigen kerel instormen, maar tusschen hen in drongen andere zwoegers, worstelend om sloffen en manden, den wagon òp en instormend, grijpend en rukkend wat ze maar krijgen konden.
—Jorisse!.. riep statig baas af, acht pakke.... om schijnorde in de bende te brengen.
Maar niemand die naar ’m hooren wou.
—Wat ’n janboel, bromde Dirk, die met z’n stiersterke boffende schoften door ’t gedrang en gewurm der half vechtende en razende kerels heen gestooten was, magere zwakkelingen op zij duwend. In de woeling en hitte van ’t gegrijp, gedrang, en geroep werden als verschoppelingen de zwakkeren vóór- en achteruit gemept. Bòven de koppen en kromruggen van ’n troep tuinders, die aandrongen op één plek, graaiend naar sloffies met armen vooruit, in woeste hebzucht,—deed Dirk z’n greep, met z’n granieten krachtarm naar één kant waar ie ’n lossen stapel in de gaten had gekregen.
—Daa’s jou beurt niet.... terug! schreeuwde ’n wagonknecht, luisterend naar den afroep van patroon.—Maar terwijl die bij één wagon-end aansjouwden en afweerden, ganneften ze aan anderen kant de sloffen wèg, in tierend kabaal en worstel.
—Ikke hep ses pakke, skraif moar roak! beet Dirk af, de rist manden over z’n schouers gooiend na ’t bindtouw eerst stevig om z’n hand gekneld te hebben, dat ’m niemand wat afnemen kon. Luchtig was ie den wagon uitgesprongen, lollig zich voelend, dat hij weer voor ’n pluk geborgen was met sloffen.
Honderden, teleurgesteld en woest, nijdig gromden en raasden tegen de kontroleurs en bazen, waarom ’r niet meer manden waren. Een, wachtte al drie, ’n ander al vier volle dagen.
—Ke’k niks an doen, laike puur roofers.... schreeuwde ’n kontroleur, morgeochend om vier uur.... stoan d’r weer twee woages, mo’ jullie moar ’n vroegertje moake!..
Zóó, in zwoegzweet vergloeiend onder schroeizon die ’t kokende licht rond ze neerdreunde, doornageld van steken, gemarteld en vergramd, huilde in raas-drift hun klacht naar gereedschap, barstte hun haat en afgunst op elkaar uit, in woest gescheld en getier; steeg de koorts van hun werkjacht, hamerde de pols van hun arbeid heeter, hooger, onmenschelijker. Hun ploeterramp dáár, lag als ’n lijk te ontbinden, tusschen het gouden daggeluk, het jubel-geschater van licht, de wellustzwijm van geur, tusschen het groen en ’t hemelreine, wijdzalig azuur, waarin het leven bruiste, en de kleuren klaterden.—De wilde storm en donkere furie van hun arbeid, brandde en stuipte in ’t rood van hun vruchtenzee.. Verbitterd in stillen wrok, stond er verwoesting van leefrust op andere koppen gerammeid, driften van zorg en geld-haal, die ze razend maakte, razend.
Aan weirand tegen spoorhek, èven buiten den worstelkring van schreeuwers om sloffen en ronde manden, stond droef-verschrompeld in eenzamen staar, ’n blinde man op klein orgeltje te draaien, z’n kaal hoofd pal in zonnevlam, brandend op schedelnaakt.
Tusschen gebonk en geratel dóór, schoten melankoliek, triest-zachte klanken uit z’n ween-instrument, dat met ’n riem over z’n borst gesnoerd, vóór z’n buik hing, steunend op ’n kort schuinen poot in ’t zand.—Eén mager-gele hand lag te beven op ’t bovenblad van z’n orgeltje, en de andere dor-uitgepeesd, draaide, draaide! Wèg zonk klaagstem van weenend orgeltje in den tierenden werkroes van ’t land volk. Bloedrood vlamde ’t omlijste gaas van orgelkast, vurige poortjes in ’t licht. En stil, krombeenig ingezakt, magerde z’n schreiend-sjofele figuur, in groen-roode jas, als vastgenageld, gekruisigd tegen ’t hek, eenzaam in de drift-woeling van ’t worstelende werk. Vóór ’m, op ’t heete gras lag ’n verluisd vuil mandrillig kereltje te smakkeren op wat verkneusde weggeworpen rottende aardbeien. Stommer, pruttelden de dooie droge lippen van den blinde, angstig gissend waar z’n zwijgend geleidertje ’m neergeduwd, had. En lang, heel lang bleef zon, sar-heet priemen op z’n naakt schedelvleesch, op z’n mageren, smal-hoekigen kop, angstigden z’n staar-oogen, als in luistering naar wat ze niet zien konden; draaide de hand, draaide, draaide uit, droef klankengeween, verdoofd wegvloeiend tusschen de furiënde aardbeienwoeling en felle glorie van zomerbrand, overal rondom.
Veel later, in den avond nog, dromden meér karren en wagens áán, lag ’t aardbeipurper en karmijn te koortszingen in ’t avondgoud, kwam ’r nieuwe vloed aanspoelen, aangolven, op de ratelhotsende karren, dampend nu in bovenaardsche zonglanzingen.
En van allen kant, de zwoeggezichten keken strakker, vermoeider.—
Op ’t stationsplein vóór en achter ’t hek, oproerde ’t nu, drongen en worstelden in beangstigend stillen drom, stóm van werkaandacht, de late plukkers. Wagons stonden in vreemd goudrooden gloed, in schijnsels van kathedraligen lichtdamp, overwazend de ploeterkoppen. Voor hun oogen verdroomde in nevelige pracht, ’t groene, eindelooze polderland, heel vèr, in ’t zinkende licht. De aarde dáár scheen te verdauwen, te drenken de verschroeide vruchten, en in zomermist zoelden de zoete grasgeuren en bloemenrook van de weiden en akkers òver naar den spoordijk.—
Sappig, in groen-zilverenden en aureolend rood-zachten zonneglans, vredig en hitteloos, verkleurde ’t weibrok vóór ’t station waar blinde man gestaan had.—Lemperweg, zwaar beboomd, groende in fijne lijngolvingen tegen goudregenende luchtverte.—Dáár vertintte donkerder purpergoud, in ’t al zinkende late licht, àchter de zwoegers, die verteerden in den dronken hartstocht van verkoop, de geweldrazernij van aanvoer en afname, niets meer zagen van ’t leven, rond hen heen. Van alle kanten stroomde nog áán zoete vracht, in wemeling van rood, róód, in al heerlijker schakeering, ’t zoetste purper, tusschen helsch vuur.—Over den karrendrang groeide de wondre avondzon, met z’n uitpralend madonnagoud zeefsel van broos-zinkend licht.—En hooger, tegen de scheemring in, stapelden òp de wagons, en zoeter rookten de vochtige geuren in den verdroòmenden lichtval.—
Tòt laat in den avond,—Lemperweg in boomenschemer al te wiegen lag in zalige zomer-nachterust, heel Wiereland verzwelgde in geuren en zoete kweel-geluidjes van wei en weg,—bleef tuinderszwoeg àchter en vóór ’t hek drommen; bleef donkerder vonken ’t vruchtenrood, schonkeren en botsen ’t martelend geduw van atlaszware sjouw-vrachten. Al meer verduisterde de roode vruchtenzee in den zachten ruischgolf van scheemring, verduisterden de kerels méé in de azuren neerkoeling van nachthemel. Woest wrevelig staakte eindelijk de zwoeg, ratelden de karren terug naar krot en straat, akker en pad.—Te donker werd ’t om verder te lossen.
Stiller nu op ’t spoorplein daalde rust, vernevelde de polderwei in nachtelijk, droom-donker groen, in heilige stilte, als ruischte elke grashalm heilig nachtgebed uit.
Dieper nageur van vruchtenzoet bleef aromen over ’t plein.—Van verre, uit teere, avond-doorschemerde laantjes klonk vedelweeke stemmejubel van ’n meisje, avondklanken verluiend in den zomernacht, als heimwee-zoete herderszang.
En wijd, almachtig, in diep blauw, zaaide de nachthemel z’n sterrengoud uit; hemel als eindlooze fonkelkoepel plots in ’t duistere azuur gegroeid, waar geruischloos gaas-ragge engelenvleugels, zilveren glansen heiligend doorheenzwierden.—
DERDE HOOFDSTUK.
Zonnezang daverde over de gouden akkers!
Zomer- en werkroes in Wiereland en Duinkijk, steeg, stéég.
Aardbeihaal werd op z’n hevigst. Alles in huis lag vergeten, verwaarloosd, vertrapt.—Elke lèvende hand moest graaien, elke rug moèst bukken, elk hoofd verzengen in zon. Nergens was volk genoeg. Geld van ontvangst kwam instroomen, verhitte de tuindersbazen, beduizelde hen, als ademden ze in tooverland. Kindertjes van twee, drie jaar, liepen tusschen wat ouderen, verwaarloosd als morsige honden, verstrooid in de laantjes rond; schooierden op zon-doorzengde erfjes, die rookten van hitte. Huishoudleven bleef in stàrende verwoesting, in de stille smoorheete krotjes achter.—Vrouw en kinders, die éven maar wat beseften, knielden en zwoegden in zonnegang van ochtend tot nacht, gelijk òp met volwassenen. Midden tusschen den aardbeibrand zwollen de doppers, de suikerraspers, zoetig en teer lichtgroen.
Tusschen den aardbeipluk kwam de erwtenhaal indringen. ’t Joeg, ’t joeg. Als ze nòu niet gehaald wierden, groeiden ze te dik, zwollen of verrotten ze in verpestenden honingdauw, die neerviel op de erwten en heele regels in gelig-kleverig vocht verschroeide.—
’t Brandde ze in de handen de werkdrift, en zoo kwam nù, tusschen den zwoeg van den aardbeipluk, de erwtenhaal.—
Zonnezang daverde rondom, elken dag heeter, schroeiender, uitdrogend de akkers, waar ’t zand op blakerde als heet paarsgruis, bij ander grondbrok soms, gelijk wit vuur, blink-hevig in stillen damp kokend.
De eerste gouden zomerjubel van wei en boom was weggelicht; gras en blad verstoofden al zachtelijk in moordenden broeidag en overal langs zeeweg en lanen, wolkte zand, verstikkend terugzuigend op hagen en gebladerte, de nerven begravend onder dorre grauwe asch.
Barnende hitte in grijsblauwen hemel, grijs van warmte, wijd uitstralend in fellen zeng, trilde over de werklijven, stom in hun arbeid, nu zomer ging rondom branden en moorden.—
Hun koppen, vroeg al doorlanst van vuur, dat neerlaaide uit verblindend fellen zonnekring, in witte gloeiing,—vlekten en gromden verwoest van wrok en zweet, sjouw en inspanning. Hun lijven, doorkleft van zurig nat, voelden verlamd, verweekt onder den brandheeten lichtval, die dreunde en bazuinde om hen héén, in roostering van leven.—
In stil-sidderende Julihitte, stapte Kees om drie uur al z’n erf op. Wimpie had er om gesmeekt buiten te zitten, elken dag nu. In ’n krakend, gebarsten wagentje, dat Ant van ’n Wierelandsch notabele gekregen had, zat Wim lang buiten de dampige kamerbenauwing. Heel voorzichtig, terwijl Ant wat hompen brood sneed en de kinders, ontbloot en vervuild, nog snurkten in de stikkend-broeiende bedsteetjes, droeg Kees Wimpie naar ’t erfje, schoof ie ’t kapotte kinderwagentje met z’n lammen kap, tegen ’t goud-okerende muurtje van z’n huis. Groenig-grauw dorde Wim’s doodskopje, tegen de goud-paarse weerschijnen van wandkleurig vochtspel; lag ook z’n lijfje pal in de zon, schuin onder ’t hooge raam, waarvan de vuil-bruine postrand, den heelen dag doorzoemd kookte van groote, dikke razende vliegen, die kringden op ’t heete ruit, dat gloeide als smidse. Fijn, boven z’n steen-bleeke ooren, rankte lichtgroen, ciergebogen, de wilde wingerd.
Den heelen dag maar staarde ’t ventje voor zich uit, op den zandigen zeeweg, in ’t verre prachtgroene duister van diepe kastanjelaan, in tuin van Jonkheer van Ouwenaar, of bijzij, naar sparreboschjes en ’n paar angstig krom-gewrongen knotwilgen vòòr aan den weg, groeiend hoog in de lucht, met wortel-klauwen bloot, in kramp-greep tusschen ’t duinzand uitvingerend.
Nou lachte ie, ’t zachtzinnige vrome kereltje, met z’n groote droomvrome, groenblauwe oogen, wijd open; nog altijd in allerlei variatietjes bepeinzend, uitroep van pastoor, dat ie gauw maar den geluksstaat moest ingaan.—
En vredig in z’n eigen zieltjes-rust, zat ie in de zon te blakeren, lekker en te kijken maar, roerloos, soms de vracht van z’n uitgemagerd lijfje, onder z’n zweetende handjes voelend als ie stil krampte van dijpijn.—Hij lachte tegen Kees, zachte, vreemd-ontroerende glimlach van smartmenschje, heel zacht en vroeg-wijs. Vóór ’m had Kees ’n bak met melk gezet, op ’n krukje, waar ie goed bij kon met z’n stok-magere armpjes.
Stiller iederen ochtend, ’n zoen drukkend op z’n kopje, ging Kees weg, voelend diep, dat ’t gedaan was met z’n Wimpie, z’n zoon, dat ie er èlken dag grauwer, zwakker en beroerder ging uitzien. Wild kwam er weer verzet tegen alles in ’m stormen, ’n woest blinde gift, ’n heete wrok zonder dat ie zich uitte. En Wimpie glimlachte maar. Als ie niet te vermoeid was neuriede z’n stemmetje uit ’t wagentje voor den zonnigen oker-gouden muur; kringden boven z’n steenbleeke ooren glansen en vochten op ’t prachtgeveltje, oud roodgoud, in groen-paarsen weerschijn, gesmoorde jubel van kleurtonen, er ingestreeld, door wond’re ragge stift van teedersten penseeler.—
Tegen vijf uur elken ochtend, ging Ant weg ná Kees, ’n uur den zeekant òp naar verre akkers, waar ’n tuinder ’r gehuurd had voor den erwtenpluk. Vóór ze vertrok, knuffelde ze Wimpie nog wat, bad ze koortsig in haast, vloekte en schold ze in driftige geprikkeldheid onder ’t wakkerschudden en opstooten tegen de andere kooters. Al de kleintjes, van één tot vijf, bleven ongewasschen den heelen dag rondluieren, schooierig en verklierd op ’t erf, of in de laantjes. Hun gezichtjes, korsterig, pukkelden, klierden en ’n paar, van drie en vier, met vuurrood haar, waren zóó bestrooid met groote sproeten, onder oogen en neus, dat ze bruin leken. Bedilzuchtig Grietje van zes jaar, kinderlijk miniatuur-moedertje, en vrouw Rams, pasten op de kooters. Maar vuiler daardoor dwaalden ze rond, met bloote lijfjes en voetjes, in gescheurde vodderokjes, die hevig stonken naar vuil zand, scharlucht en poonen.—
Van negen ’s morgens tot ’s middags drie was Dientje aan ’t venten met visch. Dan dadelijk kwam ze plukken bij ’n tuinder tot zeven uur ’s avonds. Op marktavonden joeg grootmoeder ’r nà zeven weer naar de Haven, wéér met ’r stinkende poontjes en nog stinkender scharren. Dan had vrouw Rams de handen vrijer, bleef zij alleen met de kinderen over. Schooierig zwalkten die dan nog rond, kijvend, vechtend en grienend. Soms ’n uurtje, paste Jans op de kleinste, pàs van de flesch.—
Vermorst met zwart-modderig grientronietje zat ’t notendopje in gebroken mestkar op ’t erf, naast Wimpie, uren achtereen te krijschen, huilstootend in stuipende zuigelingsdrift, als spoog ’t d’r longetjes uit,—meestal niet gehoord, en verwaarloosd door half blinde grootmoeder.
Ouë Rams bleef den ganschen dag roerloos, achter ’t bij plekken fel-doorzonde cellige raam neergeblokt, in den kamerhoek waar zomers de poonen en scharrebosjes tegen den vuilen muur vastgehaakt, hun schrikkelijk rotten stank uithijgden. Bedorven vischlucht zoog door ’t lage groen-duistere vertrek.—Rams rook niets, zag niets, vervlijmde hoest-scheuren, slikte rochelslijm in, bleef na elke vlaag die z’n bovenlijf overeindkromde, in sidder éven vergrauwd-rood, nakrampen z’n armen en beenen.—Uitgerocheld, zakte ie weer wat lager terug in z’n stoel, schoven z’n oogen net onder raamrichel dat ie niets meer van ’t tuin-buiten zien kon, de koperen knoopen van z’n vuil rood jekkerkraagje alleen bleven zon-fonkelen, als twee gloei-gouden oogen.
Zoo hitten, kleurden of regenstroomden de dagen vóór ’m wèg zonder dat ’r iets anders in ’m bewoog, dan de zuigende pruim in z’n mond, met smakkende tongpunt van één naar anderen hoek overgewerkt.—Stil staarde ie, verloren in loomen leefgang van ’n koe, half bewust, versuft z’n tanigen kop na elke hoestbui dichter tegen venstermuurtje drukkend; muurtje dat ziedde in zonnegloei; zoo vermummiede z’n neergeblokt krommig lijf in groenachtig kamerduister, doorschept reflexlicht van boomen; walmde de rotvuile vischstank van verterende scharren in de zomerhitte rond ’m heen, als lag in de schuwe donkere balkkamer ’n lijk te ontbinden.
Zóó, elken dag bleef Wimpie moederziel alleen, huilde hij soms als ie zonnetje zag wegduisteren en de groene sparrenboschjes, onder zwaardreigende, angstige onweerslucht, vóór ’m versomberden. Bij iedere regenbui kwam, tastend en stootend, vrouw Rams ’m wegrollen op z’n wagentje ’t achterend in, bij ’t pleehok, waar ie bleef tot de regen had uitgeruischt. Door smeek en huil verteederd, reed ze’m dan weer ruw en brommerig, onzeker en waggelend terug, tegen ’t muurtje buiten. Maar niets, op zulke dagen, zei hij ’s avonds van z’n leed tegen Ant of Kees. ’t Kereltje giste wèl, begreep goed, maar hield ’t stil-in-zichzelf, dat moeder weg moèst, om wat bij te verdienen, misschien ’n paar centen over te leggen voor de eerste wintermaanden, als vader niets om handen had.
’s Avonds, tegen half negen kwam Ant thuis. Nog morsiger dan in den ochtend, kringden de kinderen om ’r heen, doken ze allemaal een voor een òp, van allen kant, uit laantjes of erfje, alsof ze roken dat ’r wat te bikken viel. Maar Ant, half vermoord en doodelijk uitgeput van hette, ’t zwangere lijf als ’n zware vracht voor d’r buik, zakte op ’n stoel neer naast Wimpie, kleine hijgjes uitstootend uit dor vertrokken, heet-murvenden mond, zonder ’n woord te kunnen uitbrengen.—Ze keek niet om naar d’r kooters, had alleen oog voor Wimpie, dien ze stil toeknikte soms. Vrouw Rams, nijdig en duwerig in ’r kwaadaardige halfblindheid, kippigde om ’r dochter heen, nu en dan ’n donker kindergestaltetje van Ant afstootend, als ze ’t zag schaduwen of honger-stemmetjes hoorde drensen. Telkens stopte ze ’r éen ’n bonk brood in de hand, tastend met d’r zoek-vingers langs gezichtje en lijfje of ze soms al hadden gekregen. Voor d’r man, op raamrand, zette ze ’n bord waterige pap neer, zonder ’n woord te zeggen.—Jans had ze gepakt en toegeschreeuwd dat ze op de kleintjes moest loeren met bidden. Eindelijk in armkrommigen tast, pasjes-schuifelend kamer in en uit, bracht ze ook d’r dochter ’n bord eten, warm groentekliekje van middagmaal. Maar geen hap kon Ant doen van uitputting. Eerst ’n uurtje rustig bleef ze zitten, kwam ze van zelf ’n handje bij, keek ze vrindlijker naar Wimpie, streelde ze ’m ’n paar maal over z’n doodskopje, dat ie weer neuriede uit z’n vereenzaming; vroeg ze’m, moe en kort, of ie erge pijn had gevoeld vandaag, of alles goed gegaan was. Soms, plots in woeste driftprikkeling, gaf ze ’n woedenden snauw naar ’n wurm dat ’r bezanikte, of barstte ze uit tegen krijschend dreumesje.—Dan vroeg ze weer, stil in onrustigen ademhaal, en zacht op-en-neer-beweeg van ’r hangbuik, d’r ventje wat. Om negen uur, soms tien, kwam Dientje thuis van de Haven, met ’r ventgeld warm gekneusd in d’r zweethandje; bracht ze terug overgebleven poonen en scharren. Walgelijke lucht, als van vuile bokkingen en rottend, zoet bloedstankig vleesch, wasemde van ’r lijfje de kamer in. Hevig stonk ’t kind-karkasje, d’r vunze kleertjes, en wat ze aanraakte luchtte mee. Maar niet éen van de Hassels die ’t rook, alleen werd Kees er nu en dan misselijk van. Soms als lekkernij, mocht Wimpie ’n poontje zuigen, waar ie meestal geen trek in had. Maar àt ie ’r één, dan hongerden de kleine zusjes, met sluwe Jansie mee, in ’n stil rijtje voor z’n bedje; loerden alle oogjes gretig naar z’n langzame eetbewegingen òp, als vuile hondjes die te wachten zitten, geduldig-roerloos op afval; tot ze plots ruw weggeranseld werden door Ant of vrouw Rams. Dan langzaam, na eersten schok, rijden ze weer áán, stonden ze met kleine schuine hoofdgebaartjes loenschig en gulzig voor ’t zieke broertje, stiller nog dan éérst; smakkerend op de lipjes, vechtend en trappend in worsteling op den steengrond, als Wimpie dan hier, dan daar, speelsch ’n stukje visch of vel tusschen hen ingooide. Zacht schaterde ’t ventje dan van pret, om hun driftige grimassen, grijp-woedetjes, zoek-stooten en wilde hebzucht.
Dientje alleen bleef zitten bij ’t raam, doodop, achter ouë Rams, met ’r mand half open op den vloer, tot moeder ’r roepen zou om af te rekenen. Maar versuft bleef Ant zitten, als lamgeranseld in ’r stoel, niet opkùnnend met d’r zacht zwabberenden hangbuik.
Schemering duisterde de kamer in, waar duffe benauwing van versmoorde zomerlucht in rondrookte, tusschen vunzigen scharstank en poonenbroeisel. Telkens sulde Dientje met ’r slaaphoofdje tegen muur, zacht-ronkend in ’t zware kamerduister. Even voor Kees’ komst stak moeder Rams, beverig en tastend, ’t lampje op, begon Ant àf te tellen, stond klein-versmald ’t bleeke slaaptronietje van Dientje naast ’r moeder. Angstig-ingekneld had ze de centjes nog in ’r hand kleven; lei ze alles in treuzelige rijtjes op de tafel, dat Ant maar te tellen had, dadelijk kon zien wat ’r verkocht was. En al wist ze dat ’t uitkwam, al had ze ’t honderdmaal zelf over gerekend, toch ieder keer weer beefde kindeke van angst, dat ’r wat te min zou zijn.
Kindertjes rondom in de bedsteeën lagen al te snorken, hun lijfjes tegen elkaar verbroeiend.
Doodop nog, knielde Dientje met ’r bleek uitgeputte gezichtje naar den schoorsteen, òpstarend naar ’t krucifix, klonk dofmummelend ’r gebed, teemige gewoontewoordjes, half in slaapwegsullend van de heete dorstige lipjes. In dommel slingerde ze ’r handjes ’t wijwaterbakje in, boven Wimpie’s ledekantje, stapte naar ’t bedsteetje, waar ze ’n plaatsje opendrong tusschen drie naaktgewoelde, stinkende kleintjes.
Ouë Rams en grootmoeder waren naar bed gestapt in hun vuns gangetje. Daar broeide de hitte nog na, verduft als dampte er ’n warme bron open. Tegen half elf kwam Kees van de Haven. Z’n gezicht stond grauw van vermoeienis en verdroogd zweet. Hij beet zich op z’n dunne lippen, uit stillen wrevel. Geen woord dan werd gesproken. Alleen Wimpie, uit z’n donker hokje staarde levendig-angstig, van vader naar moeder, stil, met schraperig neusgeluidje van z’n zwakke korte ademhaaltjes. Op tafel lag ’n half tarfje met roggebrood voor Kees. Loom greep ie ’r naar, en loomer nog hapte ie ’r in, met breede sperring van stille kaken, lijzig kauwend, te vermoeid om te malen. Ingeslonken, z’n lijf gebroken van hitte en uitputting, bleef ie zitten, zonder klacht, stom.
Geen woord klonk tusschen man en vrouw òp. Z’n brood-slikkingen en kauwgeluid alleen, ver-zuchtte in ’t krot.—Ant bleef hijgend-ademen, met ’r handen aemechtig op ’r gezwollen buik gekruist, in zacht duimgeschuif. Dientje lag in ’t bedje wakker, als was met ’r instappen de slaap plots verdwenen. Ze voelde zich naar in ’r hoofdje, maar durfde niets zeggen, blij toch dat ze eindelijk lag.—Heete handjes van zusje, in blind gewoel op haar neergezakt, brandden op d’r lijfje. Maar stil liet ze de pootjes liggen, te òp en te stikwarm om zich te bewegen. Stom rekte Kees zich van z’n stoel overeind, in arm-rengelenden gaap gooide ie z’n jekker en kiel in ’n hoek, dat z’n schouders in kale zeemanstrui uitschonkten, drukte ie z’n handrug nog even zacht op ’t klamme kopje van Wim.—In één sprong òver ’t kleintje heen, dat tusschen hen in sliep lag ie in z’n smoorheet slaapholletje, te beroerd, te gekookt en gestriemd van pijn, om z’n broek uit te trekken.—
Langzaam, met paffe gebaren, wrong Ant zich hijgend, zuchtend van ’r stoel. Zacht, bij elken pas wiegde ’r buik mee, holden ’r lendenen en telkens met ’r handen veegde ze tranen van ’t goor-mager gezicht. Altijd in ’r zwangerschap, voelde ze zich weeker en angstiger, zag ze altijd vizioen van ’n ongeluk boven ’r hoofd hangen. Zacht zoende ze Wimpie, nog eens, en nog eens, lei ze ’t kleintje, dat tegen Kees’ stinkende pilowbroek was afgezakt met z’n snuitje wat recht, en stapte na knielgebed voor krucifix, en in verplechtiging van wijwaterkruisje, geradbraakt van pijngevoel in ’r doorstoofd slaapkrotje.
Ze had trui van Kees nog moeten uitspoelen, zijn en haar hemd, en van Wimpie nog wat goed, maar ze vòelde dat ’t niet ging, dat ze ’r achter bezwijmen zou. Uitstellen maar, uitstellen en nou slapen, als ’t kind dat doorbrand was van zuur, d’r tenminste niet de ooren kwam volkrijschen van nacht.—
II.