Menschenwee

Part 21

Chapter 213,724 wordsPublic domain

Even klonk stemmengedreig van Delker en Breugel in ’t duister, tegen Plomp. Uit de nachtbefloersde koppen gromden zware vloeken.... Koome kon niet ophouên. Nijdig hakte Kees in stemmegefluister de ruzie door, met korte beveelwoorden, tegen gierwind in. Rondom den duisteren kerelsstoet, zwol ààn uit alle duinhoeken, helsch stormorkest, saamgeschald in nachtspraak.—Bange, sidderlange fluitgeluiden stegen hoog in woest-gillende vervoering, boorden dóór schaterende krakingen van dooreen gewaaide orgelklanken, met warrenden jammer van violen, wild en ijlend. En vèr.... vèr.... bòven laag toongestorm en gedreig, georgel en gezang,—als plots stòm bleef ’t fluitgeluid,—droefde klagelijk weemoed van diepen hobo-toon, die moduleerde, àl moduleerde, als zangstem van zingende waanzinnige in eenzaamheid, meestijgend en dalend met ’t duistere lied van de nachtzee. En soms weer, uit helsch donkerdiep nachtzwart, kaprioolden vreemde gonggalmen, geluiden en zangen van nooit gehoorde instrumenten, mysterieus en angstig-ver.... Geschrei dat zong, zong, versidderend van weenende harpen uit duisteren nacht, zachte mijmeringsklanken van aëolienen en gitaren..... rondo’s en stakato’s, ijl-verzwevend boven ’t woest donderend stormorkest. En lager, lager, in grondtoon, demonisch breed, ’t dieper gezang van adagio’s, doorstormde klankenplechtigheid, stukgeslagen akkoorden uit nachtkathedraal aangewaaid, smachtend en zwellend door ’t duister; zwellend van mijmerende melodie naar woeste klankschalmei.—Scherzo’s afgestooten en verslierd in jubel, in snerpende triolen, gracieus van spot, als schaterende karbouterstemmetjes.—En zacht, ijl,—in stilstand even van vlagen, bij pauzen van donkere razing, dreighevig als zwarte stormgolven, aangedonderd uit zeeduister—weer mijmerend nageklaag van motieven, weenende harpenzang uit duister, en weemoed van ronddolende ziels-mandolines.

Onbewust voelden de stroopers iets van de stemmen-mysterie rondom. In het duister orkaangeraas liepen ze dichter bijéén, tegen de stil-donkere duinruggen, die dreigden dààr, in hel nachtzwart, hoog en geweldig in hun aaneenrijging. Breugel stapte naast Kees, die z’n achterlader weer be-hageld had. Barre wrevel wrokte weer op tegen Plomp.

—Aa’s sullie tog van achtere komme.... gaif je hullie tog ’n poar strieme.... daa’se veur meroakel legge.... da’ tuig.... op da’ terain.... barstte Klaas uit.

—Joa, moar.... haperde stem-angstig Plomp, die niet wist, hoe zich te verdedigen nou er geen koddebaiers op ’m gesprongen waren, zich doodschaamde voor de kerels.... ze hadde main tog fideel beet van ondere....

—Wá’ beet.... beet, bosluis.... se moste je mostere.... waa’s netuurlik ’n struikbeweging woa’ je mi’ je pootjes in vasthoakt bin.... stoan doar ommers de paas te merkeere.... sloerie.... Is je spuit in orde Kees? hée Breugel!.... gaif màin effe de brom.... ik hep stikkedorst.... ’n urretje ken ik best likke nou.... warrempies hier.... wà jou?.... tussche drie loer-miroàkels!....

Koome kon niet stil zijn. Plomp beefde als ’n aar.... Nou zag ie nog niks.... aa’s tie nou moar van ’t pad weg snappe kon....

Kees en Breugel stapten spraakloos naast elkaar.

—Hier Breugel.... hier Kees! jai ook ’n slok....? sî heete suuker in.... f’rvloekt lekker!....

Kees gaf geen antwoord, dronk nooit onder ’t stroopen, Delker en Piet sjokten weer achter Klaas aan, met Plomp midden in, voort, almaar voort. Ze zouen ’t maar weer eens probeeren. Plomp bromde in zich zelf, dat ie nou z’n bek zou houen al sprongen d’r tien kottebeijers te gelijk op ’m af; al worgden ze ’m. Bibberend van kou en regennat sjokte ie, toch wat minder bang voort, tusschen de kerels in. Hij voelde nou ook minder angst voor Kees, die ’m geen woord verwijt gedaan had. Eerst dacht ie, dat ie ’m ’n hagelschot door z’n rug zou jagen.... Dat hadden ze’m van alle kanten gezegd als ie meegong en hai deed wat tegen Kees’ zin. Nou gromde dìe ’t minst en lichter voelde ie zich met z’n stappen, in ’t zwarte, eeuwig-zwarte voor ’m, rustiger ook, nu stormgerucht schrei-zachter verklonk.

Bij ’n woest duinbrok, dat hoog lag, als donkere dreiging tegen éven doorschijnenden luchtkring, morrelde Breugel weer aan z’n lichtbak, gingen Delker en Kees ’m dekken. Plots schoot zoeklicht van fellen reflektor over ’t sneeuw-modderig duinpad en hevig-hoog, in ’t licht, rossig-goud bevoet, aan den top dampiger lichtgeel, onder helle-zwart, drongen uit duistering de duinbulten òp, schuw aangegloeid, omknellend aan alle kanten de donkere kereltjes. Als reuzige mensch-stierruggen, hoog bijéén, stuttend elkaar dromden ze áán tegen ’t kleine menschenstoetje in. En telkens uit anderen hoek, in lichtslingering van bak, rugden ze op, zwijgend rond de kereltjes, nu kleingeslagen tot dwergjes in ’t woeste licht, ’t ros-wilde licht, dat éven gloeide over de opéen dringende, en starend-blinde, besneeuwde minotaurus-kudde.

Op en àf sloop ’t stroopersstoetje en dwars in den lichtbrand, met woesten rem, schoot schaduwspel dooréén, zich bemoeiend in jachtpassie der kerels. Telkens stond nieuwe dreighoek in ’t rosgouïg licht te dampen, staarde de Nacht boven de lichtkringels uit, bòven bang-hooge rugbulting, als duistere heerscher, opjagend den reuzigen minotaurus-stoet tegen de poerende mannetjes; slingerde weer wèg de lichtbaan, viel dicht over de ros-sneeuwige ruggen de nacht in nog angstiger zwart, dan vóór den kaatsbrand. En zwaar, in stomme razernij tuimelden de schaduwen mee, gebroken doorhakt in brokken, als spottend, springend in den grondbrand, plots weer verdwijnend in donkering. Verder door de nachthel, in sluip, kromden, kropen en joegen ze voort bij lagere duinbulten, die als stomgeslagen in schrikboei, roerloos ’t licht langs zich slingeren lieten, verbaasd in rossigen staar; weer wègsliertten uit slingerkring, de duistering in, vóór ze schreien konden, méé met den al zwakker kermenden windzang.

En voort ging ’t stoetje, in de weenende eenzaamheid van loeinacht en verstervend stormgerucht, om kronkelpaden, overal omdreigd van de stom-zwijgende zee-wachters, ingekneld tusschen den mensch-stierigen opstand, aandrommend in rosgouën damp. Voort stapten de stroopers, nu levend in één loer, één adem, niets beseffend van nachtangst, vastgemoerd in hartstocht van vangst. Snel en zeker, zonder struikeling, gingen Kees en Breugel voorop, in lichtdonkeren beenengang. Maar nergens nog verschichtigde wild. Breugel vloekte van nijd. Sneller wentelde ie z’n bak, dat de cirkels in golfstroom over de titanische duinwezens den nacht inrilden, als goud-schel weerlicht.

Plots stònd Kees, knalde ’n schot, nog een, nog een....

Koome vloog achterop in wilden dans, greep toe, stopte in dol gebaar van hartstocht alles den grooten zak in. Even bukte z’n schooier-mager lijf, met belichting van rooien halsdoek, bloederig in den fellen lichtslag van reflektor, en zwaar beefden z’n lippen van jacht-passie. Telkens éven schoot ie tusschen Kees en Breugel dóór, soms vlak ònder windvlaag verschreienden geweermond, waaruit ’n noodlots-stem klaagde; sprong ie terug, plat op den grond, of bukte in rossigen lichtbak-brand, dat z’n vurige tronie vlamde, z’n beeflippen weer zwollen in den gloeistroom. Woest schroeide z’n tronie, met bloedvlekjes om z’n mond gespat, trilden nog wittige haartjes op z’n beeflippen, van woesten nekbeet aan elk konijntje dat vóór den greep nog krampte en hinkend klagelijk verpiepte, smartgeluidje op den sneeuwgrond.

Tien passen van Kees af, zat ’n konijn recht op, met trillenden schrikstand van de lange stijve ooren, oogjes beduizeld van licht, z’n gelig-wit bedonsd haarborstje bevend, pootje over z’n angstig bewegelijk neusje te wrijven.

—Mo’ je nog ’n booskap.... lolde Koome.... doen t’ met.... aers gain tait....

’n Schot dof brandde uit; vuurvonken en blauwige lichtjes kronkelden vlamgrillig om Kees’loop. Achter ’m ààn, sprong Klaas, z’n schaduw woester meeslingerend in den grondbrand. Even sleurde z’n zak langs de sneeuw.... wou ie wat lollen, toen Kees dreigfluisterend ’m roerloos hield.

—Blaif doar!.... sitte nog twee!....

—Woar snof’rjenne?.... ik sien puur niks!....

Weer knalde ’n schot, daver-echoënd als ’n slag van onweer en met geelwit borstje sprong hoog in duizelkramptrek, ’n ander in de lichtbaan, voor Kees’ voeten; kermend klein lijfje, donker bebloed. Koome, gretig, snoof bloedgeur, greep toe, beet konijntje den kop in, vlug en tandscheurend-raak, in ’t weeke beenderenstel, dierke neerkwakkend op zakbodem.

—F’rrek, juichte z’n stem; wat ’n lampies die vint hep.... f’rvloekt aa’s ik nie docht daa’t ’n molshoopie was.... waa’n lampies!....

—Hou je bek driftte Kees, die één loer was, elk grasje zag trillen, elk plekje bewegen op het lichtbrok dat voor ’m uitcirkelde, in duizel.—

—Kristis, juichte gesmoord Klaas, nou he’k sain ook in de lampies, twee langoore!....

—Bek dicht, heeschte Kees, en langzaam even mikte ie, in lichte kromming van romp, dat noodlots-geschrei van zachten wind vóór zuiggat van geweerloop angstiger verklonk in de stilte, alsof de naakte Duivel zèlf in z’n knokige pezigheid ingehurkt zat te blazen op helschen misthoorn.

Knal-donderend spatte schot uit, en zonder te weten of ie raak was, zeker van Kees, holde Klaas in de baan vooruit, vlak achter het davergeluid dat verwaaid nog natrilde, tusschen de duinruggen in. Piet keek telkens verbaasd naar Klaas’ sprongen, vergetend dat ie zelf uit kijker was. Alleen Delker loerde in den nacht, op verren afstand goud-zwart-rossig stoetje volgend. Plomp holde weer mee, dan hier, dan daar, in zweetangst, van vetten Breugel naar Kees, vóór Klaas, die ’m wegduwde en stompte, als ie ’m voor de beenen liep. Dàn voelde Plomp zich benauwd, benauwd, dat Kees per ongeluk hem raken zou in lichtbakzwenk. Bij elk schot rilde huivering door z’n lijf, tot z’n teenen, zag ie uit ’t duister de kottebijers klaar in hun sprong. En telkens had ie lust den bak uit te blazen omdat die ze zoo brutaal aanwees wáár ze stroopten.—

Maar niks gebeurde, niks om ’m.

Nog ’n uur sjouwden de kerels, zonder dat er geschoten werd. Kees was met Breugel anderen kant van ’t duin ingeslagen, bij ’t landgoed van van Ouwenaar, vlak bij ’t bosch.

—Hoe loât is ’t, vroeg Breugel, doodop, zak-lap voor lichtbak éven wegtillend om Koome te kunnen laten zien op z’n horloge.—

—Vaif uur, t’met Piet, aarzelde Klaas uit, bukkend in den gloei-flakker van reflektor.—Van Ouwenoar lait op s’n ruggetje, lolde ie voort, naar Hassel, die achter z’n hielen aanliep.

—Nou ik stop!.... gromde Kees, ik goan terug!....

—Nou.... ikke ook, zei Breugel, ik sterf van de kou en natte....

—Trug vraier?.... wai hebbe nog niks t’met, zei Klaas, stem-ontsteld.

—Ke nie dondere.... m’n vingers stoan aa’s hoakies.... ken gain poot meer an de trekker sette.... en d’r komp tog g’n luis.... hoeveul?....

—Twintig k’naine.... drie langoore.... gommenikki.—Verleje week hai je’r veertig.... en vaif hoase!....

—Ke’ nie bokkeme.... ikke set stop!....

—Nou, en ik bin saik tut op main botte, klaagde Delker.—

Bij elkaar dromde ’t stoetje. Snel had Breugel z’n lichtbak gedoofd.

Als in stemmebetasting naderden ze elkaar in ’t dikke duister.

—Nou van Ouwenoar, lolde Klaas weer, nou mo’s je wete dá’ wai hier stoane!.... op dâ terain ke je de paas nie merkeere poatertje? zeg Breugel, jai nog ’n slok?....

—Nou ikke ook, wâ hèe?.... verweet Delker, die gulzig inzoog jenevervocht uit de kruik, en in donker op tast ’m weer Klaas terug gaf.

—La’ stikke.... die kerel.... verslikte ie hoesterig.—

Kees was over scheerdraad heengesprongen met de kerels achter aan. Plomp, langzaam, moest geholpen worden door Piet, die ’m er half oversleurde dat z’n broek haken bleef in de pennen....

—F’rrek! nou kost ’t main nog ’n broek!....

—Allo!.... kaik!.... woar sit je.... kom!.... ik sien hoarlie nie meer.... skàr...., nijdigde Piet, die geen weg wist en niet van den stoet af wou dwalen....

Breugel giftte nog tegen Klaas.—

—Ze frete main heule tuin op.... die meroakels van k’naine, f’rleje joar hebbe se main heule oogst f’rwoest.... die krenge.... om hullie he’k nie betoale kenne.... die stinkpoone!—

—Nou, hitte Klaas, aa’s ’k half dood ben, goàn ’k se nog achter skot....

—Jai!.... jai!.... da’ doen jai veur je pelsier.... moar wai noakende rotte.... wai hebbe ’r van te laie.... de groote heere hebbe d’r lol van.... moar wai niks aa’s ongeluk en f’rdriet.... ’t is puur onhail!....

—Hou toch je snoàters, snauwde Kees, wie f’rkoopt?....

—Wâ!, je ken nou sooveul babbele aa’s je lust.... geweer en bakkie in ’t sakkie.... nou is ’t ’r nie eens meer ’n baipad te moake!.... op dâ teràin....

Plomp dobberde weer mee in ’t duister, achter den zak van Breugels lichtbak. Hij gromde in zichzelf, dat ie ’t nooit zou leeren. Nooit had ie docht, dat ’t soo gevoarlik was. Nou aas tie doar nou wa’ mee mos bai f’rdiene, kon is s’n aige wel ophange....

Z’n angst verzonk, toen ie hoorde, dat ze waren op publieken weg bijna, en nou vast wist dat de lichtbak uitgedoofd in de zak bleef.

—Seg Kees, begon Klaas Koome weer, loopend en sprekend ’t duister in, wee je.... nog verleje week? Seg Breugel!.... da’ ha je bai motte weuse.... ses hoane hep ie skooie!.... soo.. poeff! in ’t donker.... uit de boom!.... Piep.... sait t’r één, bai ’t bossie.... piep! sait d’aer op ’t Hoàneprejeeltje.. piep-piep! sait derdes en vierdes in ’t Kruisgrot je.... se snertte d’r so t’met uit de takke.... dá’ waa’s d’r ’n piepbeweging op da’ terain.... Ik konsteteer van daa’ tie ’r ses soo hep neersmete!.... allegoar in ’t donker.... op ’n aere plek.... hep ie hoarlie paas loate merkeere.... enne toe gong hai moar verder!.... Enne.... op de terugtocht hep hullie in vaif menute al die meroakels vonde.... Dá’ noem ’k werk hée? da’ heppe hoarlie de paas loate merkeere.... Op da’ terain is t’r nie ééne!.... seg moar hoe ie ’t lapt.... soo al die plekke in s’n test!.... hee?—

—Wá’ he je weer te klesseneere, snauwde Kees.... wie f’rkoopt?....

Maar Klaas hoorde niet. Woest voelde ie nog in zich ’t genot van de vorige week....

—Nou, as se sain.... op de hiele hadde sete, hei Piet.... wa’ jai? se hebbe mit d’r achte op ’m loert.... en nie eens ’n baipad.... ha! ha! ha! wat ’n kuikes.... verleje moand hep ie nog sprenkels had, al s’n strikke hebbe sullie ganneft.... op da’ terain!....

—Hep ie wa’ vange nog?

—Of ie!.... éen hoas, mit s’n veurpoot d’r afdroaid.... jemi! kroemi!.... wa da’ kreng skreeuwde.... hai hep se rejoal d’r afknepe.... de sprenkel!.... je had sain ’n smoel motte sien trekke.... toen ’k sain de borst indrukt hep!.... Moar de strikke hebbe sullie pakt.... sullie lagge op de loer.. en van Delker hebbe sullie de strikke pakt.... en s’n spoor!.. da’ kuike hep ’n nieuweling meebrocht die in ’t sand loope hep!.... doalik hadde se s’n spoor!.... hai hep achtien doage had!.... wa’ ’n vuile hée?.... da’ heerskap van de droaibank.... hee.... op da’ terain....

—F’rrek,.... achttien doage? vroeg ongeloovig Delker.

—Nou wa’ sou ’t.... daa’s al drie keere.... dat ie ’n prent thuis kraigt.... kè se waif an ’t beskot hange.... veur ’n pronkie....

—Kerel hou je bek nou.... wie f’rkoopt? drong Kees aan.

Piet en Plomp telden niet mee; wouen niks hebben. Piet vloekte.... Nog nooit was ’t ’m zoo ellendig naar ’t hart geslagen, de kou en de beroerderigheid. Was dat lol?.... hij rilde van koorts! Liever vaif steek diep, elken dag, dan soo’n grap!.... Doorzogen was ie tot op z’n huid. De eerste en laatste keer.... Jesis, wa’ begreep ie nou goed, dat Kees d’r de pest an had. Kapot was die d’r van!.... Kapot.... en de slaap duizelde in z’n kop.... Kloas was ’n kwoàje.... moar Kees!.... Kees, gain stom woord had ie t’met teuge sain sait....

Plomp, dood op, vroolijkte bij, nu ie geen gevaar meer voelde.

Wind loeide nog maar bij eenzame vlagen zwaar bulderend achter ze aan, uit ’t duister, al uit duister....

Bij ’t duinpad waar Kees krot lag bleven ze even staan.

—Nou g’nacht!.... aa’s ’k poar uur slape hep.... goan ik mi sprenkel van Joap ’t duin in.... Seg.... Kloas.... goan je bai pelier van ’t slangetje.... breng murge moar sinte.. ’t k’nijn nie minder aas vaiftig sint!.... ’k si droog..

—Bestig kapetain!.... op da’ terain wee’k ’n eenige pelierbeweging.... hai merkeert de paas bai ’t bruggetje van Woagestroat in Aimuide.... ikke konsteteer van da’ tie duizend k’naine p’r dag.... f’r....

—Nou nacht manne, brak Kees af.... ’t zwart-stille pad òpstappend, tegen ’t donkere krot aan.

Stil van ’m af, donkerde ’t stoetje den modderweg naar Wiereland op.

III.

Zacht had Kees de deur van de klos gelicht en zachter nog stapte ie binnen. Benauwing van duffen slaapstank wasemde uit ’t stikduistere slaapkrot op. Hij rilde, z’n lijf dreef in nattig, drabbig vuil en z’n plunje dampte regenlucht uit naar z’n hoofd. Onder het uittrappen, moeilijk en hijg-zwaar, van z’n kleef-zuigende hooge schoenen hoorde ie zwak-weeke stem van z’n vrouw slaperig zang-neuriën:

Sloap, maideke sloap d’r buite lo-oopt ’n skoàp Hai hep vier wi-tte voetjes Hai drink se mellikie soe-oetjes.

’n Wilde wrevel steeg ’m naar ’t hoofd.... f’rdomme was die maid nou weer an ’t skreeuwe.... Nou da’ hai d’r juus tukke gong.... Was da’ nou nie moedwil van ’t waif....

’n Stoot, dof-krakend tegen ’n kruk had ’t kindje weer uit den dommel gescheurd. Krijscherig-scherp jammerde met langen kramphuil in zuigelingdrift ’t kindje uit ’t donkere bedholletje.—Wimpie woelde rond en-om, zonder wakker te worden.

Dol-driftig liep Kees naar de bedstee, en heeschte in stikwoede, die bij vlagen in ’m ophitten kwam, door niets te temperen:

—Is ’t weer soo wait?.... Kâ se d’r bek nie houë.... waif!

—D’r bek houë?.... ’t Skoàp hep taa’nndjes....

—Rooit na’ niks! ’k mo’ d’r in.... taa’nntjes!....

—We’ ja! Hier-oppan!.... skreeuw Wimpie wakker!.. leg je aige moar neer.... hee?....

Heviger gistte er razernij in Kees.... Hij zou d’r ’n pats tegen d’r kop geven aa’s se nog ’n woord zei....

—La’ die prop d’r bek houë....

Hij kon bijna niet meer van drift-moeë nijdigheid.

Maar heftiger krijschte zuigeling, in barstende zwelling van huil-kreet er doorheen.

—Je bek dicht, duifel! helhoak! spoog ie uit, meppend ’t kind in donker tegen Ant’s lijf aan.

—Hierop-pan!.... sloan d’r van mekoar, nijdigde Ant ertusschen, we-joa.... f’rmoor d’r moar....

Kees voelde dat ie z’n drift moèst temperen. Hij zou Ant en ’t kind anders tegen elkaar plat slaan....

Over zuigeling heen, was ie met z’n regenstinkende modderplunje nat en vuil in ’t slaapholletje gesprongen. Andere bedekking dan wat rotlappen was er niet.... En hij trilde te veel om zich uit te kleeden.

Ant had zelf driftig ’t kind op d’r haverdoppenzak gesmakt, was opgestaan, om ’t lampje aan te steken.—Maar alléén zich voelend, krijschte heviger ’t kind òp, dat Wimpie schokte in z’n bedje....

—Hou je smoel satansprop! donderde Kees weer uit, ’t onbeschermde kind nu, van uit z’n hoek op ’t kopje patsend in driftwaanzin, dat dof de klappen bonkten en z’n ellebogen stootten tegen ’t beschot. In wilde rammeling schudde ie ’t lijfje heen en weer, dat ’t kind stuipiger aankrijschte, heviger in zwelling.

—Godskristis, t’met sou die d’r hersens te pletter sloan, teuge de grond.... aa’s se d’r bek nie hield.... raasde ’t in Kees.... Ant was toegehold, had ’t kind opgelicht en in d’r armen gesust. Kees kòn niet meer, wou stilte, slaap, niks dan slaap, slááp, hijgend òp van vermoeienis en aftobbing. Op ’r vuile voeten, maatgangde Ant, heen en weer wiegelend, ril-koud, in ’r smerig hemd. Laag groezelde ’t lampje wat licht neer in ’t killige vertrek.—

Zachter nu dreinde de zuigeling.... z’n eeèè’s.... eè.... èèè’s, afgebroken door sus-schokjes van Ant’s been. Ze was neergeslobberd op ’n stoel. Haar borst hing roodgebeten van ’t persend-mummelende zuigelingsmondje. Niks meer had ze er in.

Zwaar-rood gezwollen kransten er donkere pijnkringen om de tepels. Maar dóór gulzigde zuigelingsmondje naar zwarte zog, slap-voedselloos néérhangend aan grove borst. Driftig frommelde Ant vuil doekje naast ’r, tot ’n propje, beet ’t week, met sterke tandhappen, dodderde er speeksel op en duwde ’t zóó, klefferig doorzogen, gulzig-kreunende zuigelingsmondje in. Zwaar-rampzalig schraapte ’r triest-zwakke stem in huivering, door ’t zwak-gelende kamergrauw, onder zacht maatbeweeg van één been:

—Sloap.... maideke sloap.... d’r buite lo.. oopt ’n skoap..

Droef en diep-eenzaam bleef zeurig nagalmen ’r tobstem, in den hel-nacht, lang, heel lang, ééndeunig. En ingeslonken verschrompeld, bibber-kleumde ’r afgebeuld lijf, ’r beenen gespreid tot schoot, waar zuigeling met z’n kopje plat in wiegelde.

Groezelig-stil kamergrauw omsloop Ant, en zachter, klankloozer, schraapte ’r beverig-moeë stem, d’r nacht-ellende en afmatting uit. Lang bleef ze zitten, kreunde ’t kindje tegen ’r neuriïng in, zacht geduwd op ruggetje, door d’r magere hand; haar weggezakt bibber-koud lijf, slaap-zwaar op leuningloozen stoel, tot ’r oogleden toekapten, ze indommelde, gelijk met ’t kleintje.

Stil lag zuigeling eindelijk na uren met huil-snuitje in Ant’s schoot gewarmd, ’t breed gezichtje met vuile doekprop in slapbekwijld bleek mondje, half weg-gekuild in moeder’s hemd.

Zacht lei ze ’t slaapkindje naast Kees, die grom-zwaar uitsnurkte ’n geluid van dronken reus. Even had ze ’r hemd uitgespoeld, te drogen gehangen met wat stukkende kousen van de kooters; was ze weer in bed gekropen, verstijfd van kou en doodop. Vrouw Rams had ze wat gezeid in ’t gangetje,.. da’ sai d’r moar effe vroeger uitmos, da’ se nog tot ’n uur of naige wou legge, omda’ se mi de klaine g’n oog had dichtgedoan! Vrouw Rams had teruggebromd, dat ’t goed was.

Tegen half acht rumoerde er onrust uit de donkerende bedkrotjes. De kooters kribbigden òp, vechtlustig, nà hun gebed, chagrijnig en valsch-op-elkaar in hongerige drenzerigheid. Dient je moederde en Wimpie, die al wakker had gelegen en gebeden toen Ant weer in bed was gestapt, keek toe uit z’n bedje naar ’t stoeiende en krakeelig-schreeuwende kinderhurrietje.—Vrouw Rams was in ’r gore jak uit achterend de kamer ingestommeld en bang, als ingekerkerd onweergeraas, scheurde uit gangetje, vlijmend hoestgeroggel van grootvader Rams, bulderend en rauwig pijn-scheurend, ’t krot doorklankend aan allen kant.—

Uit den werk-emmer bij de put buiten, plonsden de meisjes d’r hoofdjes nat in ’t grauwende donker, boenden ze met afgekaalde borstel elkaar door de verwarde haarbossen. Dien luisterde er naar, maar loerde meteen ’t zwarte achterend in, naar grootmoe, die vuur wou aanleggen en overal tegen opbonkte, dàn nijdig wat bromde.

De kinderen, wild, wisten dat ’r vervuiling mocht zijn, lieten d’r nekjes en lijfjes zwart bemorst van vuil, slonsden wat plasjes lichtelijk over d’r smoezelig bebakken snuitjes. Grootmoeder snauwde rond, als ze hoorde krieuwen in ’t achterend, sjokkerde vaag in tast, armen vooruit, door aangrauwende ochtendkamer, met takkebosjes en krulletjes die Dien hielp aanvlammen in de schouw.—En overal was Dient je bij, hielp de zusjes in d’r vodjes, geholpen door Griet-van-zes die meemoederde, snibbig en baasspelend. De kleinsten drensden op den pot hun gebedjes af, met slaperige stemmetjes, in klankloos gejammer.

Tegen negen uur, plots kwam er dreigend gebons op de deur, lichtte de klos òp en stapten tusschen kindersmeer, dat aangesjokkerd was naar den ingang, veldwachter van Duinkijk, met z’n platte pet, diep voor d’oogen en agent van Wiereland, binnen.—Vrouw Rams was met konkelpot in ’r hand, in schoffelgangetje, arm-gekromd vooruit, naar de deur geschoven, gretig loerend naar den hoek, wie d’r nou al kon zijn.

Deftig-streng klonk stem van veldwachter:

—We komme in naam van burgemeester!....