Part 60
Geraas van orkaan bulder-loeide al sterker over de akkers, en de lucht plots stond laag, roetig-geel, onweer-bang.—En telkens vuiler geel doorzwamde den hemel, als vitriool dat kookte en schuim-ziedde in ’t ruim.—De boomen en ’t gewas groenden valsch-hèl onder de eindloos roet-gele lucht, en vreemde grondsidder van aanrollend onweer beefde door ’t land. Van de hemelhoeken uit, naar geel-duister zwerk dreven òp, reuzige wolk-katafalken, overeind gestapeld als stille omfloerste rouwgebouwen. Angstige drooge loei goot warrel en stofkolking uit de lanen àchter de hagen op ’t land, en als levende cykloon stormden de zandhoozen zwirrelend heet, in razenden loei gloeiend over ’t gewas.—
Plots in zondvloedschen raas stortte regen neer; wilde overstroomende regen, gierende druisch, woest-donderend van kook en kletter. Wilde razernij van stormrukken bulderde mee over ’t land, hoosde en rende tusschen ’t gewas.
Ouë Gerrit stond midden in. De kerels, Dirk en Piet, en ’n paar losse werkers, waren in ’t schuilhok gevlucht. Maar hij liep als ’n dolle op de akkers, omstormd door hagelende vlaagbuien, die ’m striemden, half vernielden, z’n oogen dichtkeiden, z’n gezicht bombardeerden en z’n plunje doorweekten en fladderig havenden.—Maar vóórt wou ie, in doodsnood geslagen, geteisterd, tùsschen de laantjes, waar de storm in razernij alles stuk-mokerde, knakte en versplinterde; waar oproer-tumult doorheen gierde, in uitstortende woeste vlaag op vlaag.
Ze schreeuwden ’m toe, van ’t hok, uit ’t erf, dat ie zich bergen zou. Van allen kant op de akkers rondom, zag ie de mannen vluchten in dollen loop. De bliksem zeiste blauw-roode vlammen om ’m heen. Donder doorroffelde den hemel ratelhelsch, als stortten ’r rotssteden in, bazaltblokkig, in daverend tuimelgerucht van donderende treinen, op elkander inbotsend, onder welvende hemelkap. Boven de akkers, in de lucht, rumoerde zwarte worstel van titanen uit, achter de zwirrelende regenvaalte en sneeuwende hageling. Dun schrik-geschrei van ènkele stemmen op de lanen klonk na, en vluchtende donkere gestalten holden over den wèg, in bangen haast, als èven windhoos neerlag.—In rauwe razernij waggelde ouë Gerrit op z’n land, al sterker omdonderd van windhoozen. Telkens werd ie teruggezogen door windrukken, die vernielend om ’m neerraasden, z’n kiel van ’t lijf fladderde in scheurende ritsen; stond ie blind geslagen, schreiend-vloekend te tasten in den natten walm van hagelwit en regenstorm.—
Lager, lager, in geel-roetig schuim gromde de lucht, wijd, en over heel ’t laat-zomergroèn kolkte een woest-sneeuwige warrel van blanken hagel, een raasbui tusschen valen regen zigzaggend, dwars stroomend over ’t land.—In de lucht, onder de boomen zeiste de bliksem. Bang-bijbelsch-rumoer, sloeg als ’n stedevernieling en godstoorn over ’t land. Bazuinig geschal en geloei verklonk dóór ratel-hevigen onweerdreun heen. Dreunende gongs zongen donkere melodie achter den roffel der slagen, en paukende helleraas overbruiste de akkers bij elken nieuwen slag van zeisend blauw-rood gebliksem. En door de luchten vluchtten, in zwaaienden, gang de vuil-gele roetwolken als donk’re karossen woest en vernielend.
Ouë Gerrit huilde, snikte, rochelde van angst, ontzetting en drift. Den bliksem zàg ie, ’t onweer hoòrde ie niet meer.—Alleen bestaarde ie z’n boonen, z’n bòònen, daar nou in de paden neergehamerd, in kraak en ruk, kris-kas voor de wereld, zóó dat ie ’r zelf geen voet meer tusschen kon dringen.—In geweldige uitstorting van woede en angst, mokerde ie z’n vuisten naar den hemel, vervloekte God, den Heere Jesus, dat ze z’n oogst vernielen lieten; in dollen krijsch, zijn stemmewanhoop verloren en verwaaiend achter regenkletter en stormrukken.
Geen pad was meer te zien, tusschen de boonen. In één uur had de storm in zoo hevige verwoesting rondgemokerd dat de akkers onkenbaar verwoest droefden.—De knoestige rijzen en latten lagen geveld, gebroken, doorknakt, de hooge bloeipracht-boonen afgerukt en dóórscheurd, de ranken vol jonge vrucht, steuneloos doorstrengeld, ’t sap sipperend uit de wonden, kris en kras dooréén. Ingepiekt, gewond, afgenageld en geschonden in hun stronkige stevigheid, splinterden de rijzen op de paden, als slagveldwarrel waar regen dampend over heen grauwde.—Al ’t gewas rondom lag vernield.
Ouë Gerrit doorzopen als ’n druipende schooier, z’n baard en lokken omzogen en harig-vastgeplakt op z’n groengrauw bleeke kop, was na krankzinnige uitrazing, en vloek tegen God, sidderend stil en bochelend-gekromd tegen stormhoozen in, z’n huis ingestapt. Z’n oogen keken niet meer. Er zat staar in z’n kijk van ’n gek die rondliep met wraak en manie, koeling zoekend overal waar ’t op kon.
Twee uur had de verwoesting aangehouden. Toen was orkaan uitgeraasd, en stille ruischregen alleen zong nog nà uit de stil grauwe lucht, laag over de akkers, in paarsen streepnevel eindloos vèr, zangerig-stil van ruisch alom! De weggerukte hagen en struiken openden ’t land met vreemde vergezichten, onkenbaar geschonden. Angstige stilte van hevige ontsteltenis ging er over Wierelandsche werkgroepen. Niemand van de tuinders die durfde zien, zièn de volle schade van ’t dolle weer.—Na dagen pas kropen ze bijéén, de kerels.
Op hun koppen vrat vloek-razernij in, grimmige verbittering. Met ontsteltenis-stemmen jammerden ze òp, vroegen ze elkaar wat bij die, en bij diè, de „boonenstorm” had uitgewerkt. Eén, in beschutten hoek, leek er wat beter afgekomen dan de ander, maar bij de meesten was er verlies van miljoenen boonen, ’n oogstvernieling die de naakte, zorg-zware pachtertjes inééns tot bedelaars maakte. Want niets werd vergoed, niets was verzekerd van hun waar.
Als ’n rouw, ging er stomme ontzetting en stil geween over ’t land. Honderden arme kerels, met alleen pacht van brok grond, stonden geschonden; wisten niet meer wàt ze waren: bedelaars of baasjes, pachters of wanbetalers. Ze zagen zich al in November van ’t land gewezen, omdat ze geen geld genoeg voor den landheer hadden. —
Na dagen nog, geweldig in grauw-triest en regenafdruip, lagen de akkers, in slagveldvernieling van gewas.—Over elkaar heen, één strubbel en splintering van hout, afgerukt verminkt groen, half al aan ’t verrotten in de nattige brei en spoeling.—
De boonkoppen slierden als leeggevreten door kraaien, uitgescheurd vlechtwerk, tusschen de splinters van de rottende knubbels. De late kapucijnders hurkten plat en dwarsgetrapt voor den grond, in vollen bloei geradbraakt. En onafzienbare rijen, snijboonen en sperzie lagen gestreken als ’n vies groen-zwarte modderzooi, kris-kras dooréén. Rondom, in ’t morsige gras splinterden de gebroken frambozestruiken en besseboompjes, in klonterigen warrel, geknakt, met angstigen krampweerstand van gekneusde takken, groezelig verrottend, als doorbarsten nattig hout.
Na den eersten ontzettenden aanval van angst en drift, terwijl de bui boven z’n hoofd uitraasde,—en hij als ’n gekke mandril, holde, griende, vuistbalde tegen God; vuistmokerde tegen alles, inéénkromp van waanzinnig schreiend-amechtig verzet, voelend de vernieling van z’n boonen als ’n uitrukking van zijn ledematen, scheuren en hakken in zijn eigen levend vleesch,—was ie, nà nog ééne opbruising teruggevallen in nerveuze spraakloosheid.—Binnenshuis had íe eerst z’n vrouw dwars in ’t gezicht gemept, Guurt gevloekt en gescholden dat ze zwanger was van ’n vuilen vent, en woest-schreiend op de kerels neergesmakt, dat zij de schuld waren van alles. Zij hadden ’m bestolen, en zij hadden dien luizigen Kees en Ant, twee kruisen, twee ongelukkigen in z’n mikken gehaald. Maar de kerels lieten zich niet lang verbluffen. Met ’n paar hevige opstoppers tegen z’n maag en z’n neus, strompelde ouë Gerrit achteruit, bleef ie stom, starend-stom, neergesmakt in den leegen stal. Niks zei ie meer, niks, dagen achtereen geen woord. Alleen bromde ie wat, z’n groenzuur kindergezicht zenuwdoorschokt van rare wilde trekken, als ’n op zelfmoord peinzende gek, mummelend en baardtrekkend.
—Rooit noa niks, rooit noa niks! moàkt màin niks.. hep d’r main aige! gromde hij.
De jongens werkten weer op ’t land, poogden de neergestorte weggebroken ranken overeind te binden.—
Ouë Gerrit keek ’r naar, in waanzinnige mijmer-kalmte, mummelend wat woorden, zonder zin.—
Dirk rukte de geknakte latten en rijzen uit den grond, trapte rondom den modderboel weg, stootte nieuwe stronken in de aarde, bond ’t gewonde goed, dat nog èven leefde, met touw en teenen òp.—Piet hielp mee, vloekend op de vernieling, driftig rondloopend in lust tot drinken, baldadigheid en bakkeleien.—
De zon was na storm-grauw en regen weer schaterend doorgestraald. De hemel blauwde en glansde prachtklaar, en in den lichtenden fijn geurenden Septemberdag jubelden de glanzen, stroomde zomerhitte langs de akkers; als proestte de zon om demonenhumor en verwoesting van den wind.—
In Wiereland was alleen gesprek over den „boonenstorm”.—Er werd gestemmeschreid door woeste stoere kerels, die in twintig en dertig jaar geen traan gelaten hadden; kerels die nù in één voor den grond lagen, niet meer wisten, waàrmee hun jaar te redden. Natuurlijk voelden ze, dat notaris en landheer ze zouden beklagen, wel geduld wilden hebben met betaling, maar geen cent tegemoetkoming in verlies aanbrengen zouden.—De weinige bazen met eigen land, bracht ’t jaren achterop, de kleine pachters waren in één geknakt, konden den bedel òp naar werk. Want duizenden guldens waren er weggespoeld in die teelt, geld waar op gerekend werd.—
Elk jaar was er gevaar voor hun oogst, elk jaar bracht angsten voor ’t weer; maar nooit nog was een zóó felle teistering, zoo vernielend, over prachtbloei van boonen heengegierd.—Ze schreiden de kerels, schreiden bij ’t zien van hun gehavende rommelzooi, ze konden er niet van slapen, niet van eten. En ze praatten maar door, over zóó nooit geziene vernieling, alsof ze dàt verlichtte. Ouë Gerrit werd beklaagd, zonder dat ie zelf ’n stom woord zei. Hij leefde nog in ’n stille, z’n eigen rust wegvretende woede-krizis, ’n stille inwendige bloeding van wraak. Ze hadden gedacht dat ie stapelgek zou worden; tòt Dirk en Piet, op den derden dag, bij hun overeind-zetten, van den gebroken rommel, den Ouë zagen uitbarsten in grien.—Vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie, met groote moeite, er misschien ’n paar honderd duizend halen.
Er schoot schriklijke duurte in ’t gewas, maar ’t gaf niets, redde weinig.—Dubbele hulpkrachten waren weer noodig bij ’t overeindscharrelen, zoodat Kees geroepen werd door de kerels, zonder dat Ouë Gerrit ’n woord verzet had en z’n bijgeloof niet eens meer òpleefde.—
In Ouë Gerrit lag angst te ontbinden. Hij wist zelf niet meer goed, wàt te denken, wàt te doen. Natuurlijk begreep ie, dat ie nou voor goed geknakt was, dat ie naar den notaris moest, vragen om uitstel voor alles.—Hij voelde iets heel bangs op ’m drukken, iets ergs dat gebeuren moèst.—Natuurlijk begreep ie, dat ie van z’n land afgekieperd werd, z’n zoons als knechten bij ’n baasje heenkomen zoeken gingen, hij ’n krotje moest opsnorren voor z’n wijf en Guurt. Dat ie dan te rekenen had op steun van de jongens, en hij, dóódarm,—bij de Bekkema’s—zooals hij de nieuwelui óók bleef noemen—z’n paar centen als tuinman per maand bijverdiende! Nou was ’r ’n tekort, dat ie in geen tien, geen twintig jaar meer kòn bijspijkeren.—Van z’n boonen zoo goed als niets meer. Zijn appelen en peren afgewaaid, leeggestormd, geen cent. Zijn moffengoed, z’n andijvie, zijn koolen, alles vernield, vernield. Kon ie maar weer wat huilen, zou ie wel bedaren. ’t Was alles weer zoo donker, zoo zwart voor z’n oogen. Maar ’t propte vast in ’m, smoorvast in z’n strot, en heet zat onbestemde angst daar als ’n zweer te gloeien. Dat geklieter en geklaag om ’m heen, gaf ’m geen luis. Hij had ’t wel gevoeld. Dat mòst komme! dat mòst komme! En als ze ’m nou bij den notaris nog gingen donderen, zou die d’r geen hand meer uitsteken. Most ’r maar van draaien wat ’t wou. Maar ’t most komme. Zat ’m de heele zomer al in z’n buik, die angst en schrikkelijke benauwing.
Dagen later had ie gehuild, gesnikt, was ’r daarna gemoedelijke rust in ’m gezakt. Met heete blijdschap dacht ie aan z’n spullen. Nou alles toch zoo geloopen was, voelde ie ’n fatale kalmte, ’n zalig-gelukkig gevoel, dat hij die spullen had, buiten storm en onweer en boonen en notaris, en buiten geklieter van menschen. Achter z’n telkens weer opschokken van hoop en smart, prentte ie zich in, voelde ie diep, dat ie toch alleen leefde voor dàt genot, ’t eenige zalige in z’n leven. Wat kon hem de boonen schelen, en de centen, en de notaris? Hij zou d’r heengaan.—
Goed! En als ’t te bar wier, zou ie opbreken. Als hij z’n pràcht spullen maar had en houên kòn.—En als ie d’r eenmaal afgekieperd was, z’n hypotheekrente toch niet betalen kon, en niets anders ook, had ie ook geen gemier meer an z’n kop. En nou de kerels als knechten!—
.. Hoho.... da sal d’r hullie ’t land injoage! Moar dâ kon d’r sain ook nie skele.... Hij had ’t dan stilletjes en rustig, kòn gappen wat ie wou. Al meer zalig genot, geen zorg meer voor pacht, hooi, koeien, hypotheek, en de heele santekraam niet. Laat ze d’r nou maar zeggen, dat ie straatarm was. Ze beklaagden ’m bitter. Dat verging nog beter dan ie gedacht had. Nou most ie d’r rondkomme van ’n paar gulden per week.... Z’n wijf ging er toch wel gauw van door. Die stonk en stotterde iederen dag erger; van onder al half lijk.... hoho! da gong goed! da gong prêchtig! En nou sou die notoaris spreke.. want aa’s de jònges gain aige lappie pachte konne en sain d’r uit trapte, sat ie lailik vast!
Zoo draaiden en drentelden de gedachten in Ouë Gerrit rond, voor ie op stap ging naar notaris Beemstra. Maar ’t moèst, en de dag daarop stond ie al voor ’t kantoor. Even beefde angst in ’m op, over ’t goud potlood dat ie destijds zoo netjes van ’m gepikt had. Maar dat gevoel zakte weer. De kerel had nooit iets gemerkt. De klerken hadden ’m achter ’t hekje geroepen en bij den notaris aangediend. De grijze familjare man, die dolgraag voor aristokraat doorging, begon, toen de klerk wegstapte, heel joviaal.
—Wèl Hassel, wat had je?
De vraag ontshutste ouë Gerrit zóó, dat ie sip voor zich bleef kijken. Wa nou? Zou die vent niet snappen waarvoor ie kwam; waar de heele plaats vol was van zijn ongeluk met den boonenstorm?
Hij stamelde:
—Jai menair de netoaris! ’t is... sien u!.. van dit en van dat! hoho! de boonestòrm!
—Hèb ik ’t niet gedacht! schaterde ironisch notaris Beemstra plots, dat ouë Gerrit de woorden op de lippen terugbeefden,—heb ik ’t niet gedacht! de boònestorm, de bòònestorm. Ik hoor van niets anders.—Verduiveld ’t wordt ’n nachtmerrie! Boonestorm hier, boonestorm daàr!—’t Is om gek te worden. Intusschen wordt daar nu alles opgesmeten. Maar ik láát me niet bedotten.
Ouë Gerrit voelde zich nijdig worden en bang tegelijk. Op zoo’n ontvangst had ie toch heelemaal niet gerekend. Nìjdig, omdat de notaris niet scheen te begrijpen, hoe ’n vreeselijke ernst ’t hier was; en bàng, omdat ie, bij ’t begin al, zoo weinig inschikkelijkheid toonde. Hoe nou den rommel uit te leggen? Hoe nou? Maar notaris stond driftig òp, stapte heen en weer en dreigde luid met z’n zware aristokratenstem:
—Hoor eens Hassel.... ik wéét wat je zeggen wilt, alles!.. Dàt je geen geld hebt om je pacht te betalen, voor de Beek, voor....
—Enne.. veur de hypotheek nie.... enne ’t losgeld nie!
—Wat? schreeuwde de notaris, wàt? dan is ’t spele met vuur, vader!.. Ik krijg nu al vier termijnen, dat màg, màg ik niet langer zoo laten, dat kàn, kàn ik niet langer voorschieten. Hassel! nog tot November hèb je, en vervloekt! is ’t ’r dàn niet, dan gaat je boel onherroepelijk an de paal, onherroepelijk!
Deur kraakte open achter notaris, en bediende kwam vragen of notaris wel wist dat ’r vergadering was, en dat de burgemeester al wachtte. En driftig barstte Beemstra uit:
—Dat heb je nou met àl die kommissies.. wacht! Is de burgemeester in de salon?.. Ja.. donders.. wacht! laat de burgemeester maar hier.... Ja Hassel, dat gààt niet.. ik moèt hier vergaderen.. je moet maar doen of er niemand van de heere is.. bovendien.. zijn ’t allemaal krediteuren van je.. En ik heb.. werkelijk.... weinig tijd. Notaris draaide zich naar de deur..
—Hazoo, komt u in, burgemeester! ik heb hier weer ’n slachtoffer van de bòonestorm bij mij.. ze schieten uit de grond als paddestoelen. Haha! lachte ironisch notaris Beemstra, in glimlach burgervader de hand drukkend en op ’n grooten stoel neerdrukkend.
—Hm! de heeren zijn er nog niet! vroeg strak-zelfbewust burgervader.
Vluchtig gestap in de gang klonk.—’n Deur zwaaide joviaal open en recht op den notaris aan, stapte dokter Troost, zwager Stramme en Dr. Beemstra, zoon van notaris.—
Hij vond ’t wel leuk notaris, dat de heeren er bij waren, voelde zich ook sterker tegen den pummel, die wel eens brutaal uit den hoek kon schieten.—
—Heeren, neemt plaats, hee zeg Henri! ’n bizonder geval, waar ook jullie min of meer bij geïnteresseerd bent.—Hassel hier, slachtoffer van den boonestorm natuurlijk, kan z’n hypotheek wéér niet betalen.—
De heeren lachten kiespijnzurig. Stramme monsterde ouë Gerrit, die nog krommig-onderdanig vóór z’n stoel stond. De kassier wou wel ’n grap zeggen op mooie Guurt, maar ouë Gerrit trok zóó ’n bedrukt gezicht, bleek-beverig, dat ie niet durfde.
—Ga zitten Hassel, joviaalde notaris weer.—
Gerrit schoof op puntje van den stoel, zacht bedeesd alsof ie eieren op de zitting kneuzen zou.—
—Aa’s de haire, aa’s de haire! stotterde ouë Gerrit.
—De heere wille, dat je November met je duiten komt, vader Hassel, anders niet, viel Stramme de kassier in, lachend alsof ie ’n snedigheid gezegd had.—Ik geloof dat de notaris al bij veel te veel zaken is bijgesprongen.. maar niet waar? dan moet ’r ook naar gehandeld worden.
Dr. Troost schudde gewichtig z’n hoofd. Z’n wit vest blankte hel onder z’n zwart jacket uit. Loenschig kippigden z’n oogen op Hassel, en zwaar donderde z’n stem.
—Heb ik ’t je niet gezegd, dat je je worp op de aarbei moest gooie, haha! nou zit je an de grond, knap gedaan! C’est de la blague! mon-cher! nou zit je in je gat geknepen! C’est de la plesenterie! En kom je nou klementie smeken? Als ik notaris was....
Plots zei Beemstra ’m iets in ’t oor, en—Troost lispte ’t over aan Stramme.—Dokter Beemstra praatte gemoedelijk met burgervader. Gegrinnik hinnikte er tusschen de heeren, ingesmoord-leukies, en toen, met wat vertoon van deemoed op z’n gezicht, zich krabbend in ’t grijze haar, begon deftigheidsstem van Beemstra weer:
—Hoor eens Hassel! je bent nu ruim dertig jaar lang rente schuldig van los geld dat ik je welwillend geleend heb... Je bent al je grondbelasting achter uit.. waarvan ik je voorschot gaf; je bent vier termijnen hypotheekrente achter. Drie keer heb je onder groote pressie angezuiverd, anders had ’t zeven geweest! Dan ben je van vier jaar rijzen en hooi achter.. Je hypotheekrente gaat mij in zooverre an, dat de voorschieter mijn zwager Stramme is, en die draagt ’t mij op. Je bent achter, ’n verschil van twee koebeesten, zelfs nog een postje van voor vier jaar! Dan heb je nog vier bunders pacht te betalen.. ’n bunder van aardappelen bij de Beek van voor vier jaar! en ’n tien aggelen bij ’t Duin! En dit jaar, dit jaar! kom je misschien met de helft anzetten! Nee, werkelijk.. Zie, alles staat hier geboekt!.. da gaat niet langer.... Alleen maar met los geld en rente krijg ik al ’n heele som!.. je zult..
—Moàr.. moar stotterde Hassel, midden in, met bang-bleek gezicht achteruitschuivend op z’n stoel.. en drift-kreukelend z’n groen petje.
—Nee, wacht even, aanstonds kun je ’r tegen in brengen wat je wilt, deftigde de notaris, vóór ouë Gerrit staand, rechtop, in requisitoir-houding,—ik zeg maar, dat ik geduld met je gehad heb, en nòg.. nòg.. de heeren zullen straks.. Maar wacht, wat heb je tègen mijn opsomming?
—Nee moar?....
—Wat nou? huspot, schaterde Troost, als ’t toch zoo is, mille de tonnerre! jullie werkvolk bent te beroerd om gekraakt te worde.. Mijn zoon heeft gelijk! haha! dat zwakke goed! dat geen rede van bestaan heeft moet weg! dat zwakke gebroed dient tot niets! Had mijn raad opgevolgd, en mijn grond gekocht, destijds, en nou stik je in schuld....
—Ja kijk, Troost! ik wou eerst met hèm afhandelen?
—Dus je stemt in, spotte Stramme, niet waar?
—Hoe zou ’t ook anders, ’t boek spreekt beter dan wij?.. en zeg mij nu eens, hier onder de heeren kan je vrij uit spreken, zonder dat je je hoeft te geneeren, zeg eens, hoeveel denk je dit jaar te kort te hebben?
—Je.... moàr.... de.. de boonestorm!
—Haha, schaterde Troost.. drie dakpannen zijn van mijn huis gewaaid.. ben ook ’n slachtoffer!.. en twee ruiten kràk door midden, haha!
—Laat die boonestorm nou rusten.... ik heb ’n honderd lui, al zoowat bijgesprongen.. ze uitstel verleend.. maar dat raakt de zaak niet, is zóó erg niet althans... Voet-bij-stuk, dùs?....
—Ja.... moar, de boonestorm, hep main.... hep main d’r puur stroatarm moakt! driftte nu vuurrood van woede, ouë Gerrit uit. Ik had ’r dî jòar t’met net komme kenne! en nou he’k ’n poar duusend gulde skade.. hoho! daa’t is gain snoepduut hee?.. dâ skol d’r gain slok op ’n borrel hee?
Giftig-snel broddelde ie z’n tegenspraak af, op ’n hatelijken toon die den notaris kregelde.
—Best best.. maar!
—Nèe niè bèstig! nie bèstig! ’t Is puur om te griene.. om te griene! aa’s je je heule laife tug fesoenlik weust bin! en dá’ niemoant nie dà op je weut te f’rhoàle.. en aa’s je poert.. en poert! van den ochtut tut den oafud.. en je tolt in je aige van de sorrige.. en je valt dan tug in de lus!.. da set d’r vast gain sooie an de daik hee?.. daa’t is om te griene.. daa’s gain vetje! eenmoal andermoal! dan weê je nie woàr je hain mot! daa’s veertig joar ploeter!.... Nou soekt d’r ’t weer kapsies.. en kwait bi-je! kwait!
Ouë Gerrit’s stem huilde van zelfontroering. En toch was ie woest op de grinnekende heeren, die hem maar in ’n kringetje beloeren bleven.—En die stomme burgemeester zei maar niks, keek maar minachtend op ’m neer. Nou keken de heeren allemaal even sip om z’n uitval. Alleen notaris was er beu van en Dr. Troost bulderde:
—Die er meelij met jullie volk heeft is zelf voor de haaiê.. c’est de la blague! je hebt je waar gehad, dus je moèt betalen.. dat is wet, en wet is recht! mijn zoon zegt terecht.. dat jullie ’n slavenmoraal hebt.. en..
—Kijk eens Hassel, goeiigde weer notaris, ik heb waarachtig geen plezier om voor joù te betalen. Ik sta voor mijn principalen verantwoordelijk.—Er is ’n grens! Jij.... jij begrijpt dat verward.. Jij nièt betalen, en ik wèl betalen. Waar zou dat heen? Er is ’n prachtig aardbeijaar geweest!
—En de boonestorm, de boonestòrm, giftte ouë Gerrit knorrig, dá’ swaig meneer de netoàris moar van.. en heul Wiereland is d’r daas deur!
—Er zijn heele moestuinen omgelegd, vervloekt, schoot hatelijk-bulderend Dr. Troost er tusschen, geen kracht meer in de boonen, je zoudt ze....
—Gelukkig, dat je nog ’n appelje in je broeikast hebt, voor de dorst, lachte Stramme, en mee lachte fijntjes Dr. Beemstra.—
—Kijk Hassel, goeiigde de notaris weer, ’t is mij heusch niet om je val te doen, maar ik moet verantwoord zijn. Als ik nog meer van die klanten had, zou ik zelf op de valreep staan.. kijk nu....
—Moar main fésoèn! màin fesoèn, huilde de Ouë in zelf-opwinding.
—Je fatsoen, dat weten we allen, is onaantastbaar! je hebt je altijd als ’n brave kerel gedragen. Ieder heeft met je te doen. Maar jij bent niet meer wat je was. Je kunt geen toezicht meer houên op je zoons,.. en die zou ik voor al ’t geld van de wereld niet willen hebben, hoe zuinig ik ook op mijn klantjes ben.. en de armsten onder jelui steun!.. Maar dat zijn hassebassen, geen land mee te bezeilen. Als jij niet altijd zoo fatsoenlijk was gebleven, zou ik je ook nooit zóó lang gekrediteerd hebben, maar je was netjes, geen zuiper, beleefd, stil... maar nou wor je oud....