Menschenwee

Part 40

Chapter 403,598 wordsPublic domain

Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—

Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de booten één na één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—

Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.

—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.

—Daa’s net bromde Dirk terug.... hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.... loate!....

—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.... roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.... hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.... oue!

„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.... Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.—

—Wie mot ’r ’n nommer?.... Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.

—Bekermaa’n.... achttien?.... Grint.... drie en veertig! Hassel.... ses-en-dertig!....

—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.

—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.... hee! „netoàris”... Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.

—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.

De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.

—Veertig! vrouw Plenk.... dreunde Bodestem.... vaif.. vrouw Boterblom.... naigtien.... mamselle Kiester.... sestien.... vrouw Zeune!....

Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.

Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:

—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van....

—Neelis Skorpioen.... las „notaris” haperig af van z’n lijstje.

—Van Skorpioen.... uit Slangetje.... wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!....

Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:

—Prechtig jong goed!.... ruikt puur aa’s.... oo-de-kolonnie!.... wie sait dur....

—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.—

—Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door....

—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.

—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.... Naigtig.. vaif en naigtig.... da goan.... eenmoal.... veur de derde moàl.... Rietvink!

Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.

—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses... je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.... kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.... wie set....

—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.

—Tachtig, van fier kant gelaik!

Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik, grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.

Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:

—’t Benne gain kuite.... vrouw Banke.... je ken dur sain nie knaipe!

Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.

Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.

—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!

—’n Gulde:....

—Een-tien.... een-tien.. mi je drieë.... een vaiftien!.. een twintig.... mi-je viere.... een vaif.... een dertig!....

Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.—

—Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.... kalf-mi-je-natte neus!.... hoeke motte ’t weuse?....

Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.—

—Dominie hiet! paa’s d’r op en bran je bekkie niet, schaterde de Bode.... seg vrouw Reep.... soo is dur puur gain vatte àn.... hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.... hooger òp.... soo!.... soo is ’t broaf!

Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.—

—’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.... hi-hi!.... nou minse.... wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!....

Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.

—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!

—Es kaike hoeke se goan.

—Sestig.... tachtig!.... tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!

—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.... bai s’n aige doppers.... had ie vroag veur bai s’n klante!....

Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.

—Veur ’n f’randring.... vaif bosse duifeke! wie set dur in!

Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.

—Die mo’k main hiete!

—Aràit!.... moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—

Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.... De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.—

—Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.

Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.

Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.

—Ksj.... ksj!.... katjes! joag d’r malkoar moàr op.... schaterde de Bode.... dertig sint!.... veertig.... mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.... kom Teun!.. gaif toe!.... gaif toe.... ’t is tug ’n maissie....

Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.

—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.... anpakke maid! g’luk d’r mee.... aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!....

Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.

—Nou he’k drie bakke mooie sloà.... nie te sien.... mo je-en-gloofe.... op éere-wachtwoord.... stoan... onder kiste-stoapel.... bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!....

—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.—

—Sestig.... seventig.... vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.

—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.

—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.

—Roggemegoggel! f’rek jai!.... die flop is main de heule uchend t’met in de wiele..... ikke ken d’r niks praise.... of hai is d’r bai.... nou ikke dankkie.... ikke mo nie meur.... wa jou Dirk?....

—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!

—Nou seg.... dá’ binne d’r drie bakke.... die je nie sien kenne.... drie bakke.... kroppies!.... kenne wel floddermusse weuse.... die sloà, hee?.... heuldegoar slap!.... ikke mo nie.... wa? wà?.... nog hooger.... hoeveul sait ie doàr?

—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.... je mag je wel hoaste laileke brompot!

—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.... kenne wel puur floddermusse weuse hee?.... mijmerde ie voor zich uit, tegen de donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.

Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.

—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.... f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd... En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.... ze had d’r dorst en honger veur drie....

Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—

Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—

—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—

Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.—

—Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.... enne een veur de „neerstige netoaris”.... daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive... hei smoàkkert?

Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.

—Strakk-en-an jullie beurt hee?.... beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.... wie seit dur?....

Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.

—Veur Vink.... ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.

—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.... nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.

—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!

—Nog vaiftien bosse vàn.... „netoaris?....” vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.

—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—

Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.

—Nou nog sestig pond witte kapcainders.... wá’ segge jullie nou.... de loatste ressies.... Veur d’n dag manne.... dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.... neenet.... kenau.. boè seloars!....

Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.

Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:

—Wâ suinige Job.... die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!

—Nou wa’ dan.... pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.—

—Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.

—Dank hee?.... ken jou wortele nie hebbe.... binne main veuls te groot.

—Loop jai rond, duufelstoejoager.... sain f’rassereerd-goed.

—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.... wá’ há’ je nog meer?.... komt dur dan mee veur ’t licht hee?.... O? wà? niks meer? niks?.... dus je bin dur uit! Mooi!.... dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.... Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.... soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune!

—Vaiftig dofte ’n stem!

—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.

—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.

Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—

Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’n ouë tegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.—

—Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.

Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.

—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.... potdoorie.... die haireboone!.... ongeteld!.... sitte d’r vast gain duusend in.... magge veur main bestig hebbe.... haha, wat ’n dolle smak.... Nou.... ikke mo nie!.. wa?.... wà?.. hoeveul sait ie?.... kaik.... prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!...... kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.... kaik.... goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.... Wá’ brenge die op?... vast gain duusend in.... ongeteld! Gain duut!