Menschenwee

Part 23

Chapter 233,620 wordsPublic domain

Ja, nou ie zoo keek Ouë Gerrit, wijd-om, tot aan de boomdiepte van ’t bosch, prachtig wijd brok land over, nou giftte ’t duivelsch in ’m dat ie hier af moest, ’t beste stukkie. Met ’n handje mest was ’t altijd klaar. Als ie z’n lappie in ’t duin, mit aarepels en erwten nou nog moar houen kon?.... Moar kristis.... wá’ had-die f’doàg tug in z’n kop.... t’met allegoar sorgseurderij!.... Ho.. ho.. daa’s puur daas.... héé!.. da gong tug stil s’n gangetje.... Dan moar de boel veur de wereld.... Aa’s tie de loodpot had van s’n broer, waa’s tie d’r allangerst van deur gonge.... kaik die hep nou vlak noast sain hee, s’n bunder.... Moar, wel neenet.... die gong d’r nie of!.... die betoalde meerer!.... Moar wá’ kon ’t sàin bokkeme.... Hai had sain genot.... da’ wist puur g’n sterveling.

Weer stilletjes strakte en trok ie z’n lijn over den roestigen kluitigen grond, een steek omgelegd en Dirk bleef z’n zwaren blauwigen erwtenplanter lichten met elken trap van z’n reuzigen zandklauw, duizend donkere gaatjes in den rullen, bronzenden spitsgrond prikkend. Overal lagen hurkende kerels in blauw en brons gekiel, op de nog woest-bronze aarde, tot schemer graaiend en kervend met d’r brons-reuzige handen; de aarde, die stil-ontzag’lijk zich liet gleuven en pletten, verhakken en uitdelven door de noestige mensch-werkertjes.

Den volgenden dag was Ouë thuis gebleven. Hij had kou gevat in den Maartwind.—Dirk stak de bedjes af, lei de paadjes glad, groef en wroette in ’t zand, met hartstocht en lust en harkte in sierlijk-lichten zwaai, grondbobbels en kluitjes gelijk over de bedjes, luchter scherend met de beklonterde harktanden, in zweefkringen langs den grond.—Elk bedje, onder zijn hand, kwam prachtig gelijk te strekken, met recht afgelijnde paadjes ertusschen gediept en telkens kleurde onder z’n schoffel en hark, de bronzige zandgrond in lichtigen roesttint, fijntonig geschakeerd van afschoffeling en aanharking. In z’n stommen arbeidstaar lag werkgenot, om netjes te zijn, voor zich en anderen die langs zijn veld liepen. Breed-zeker drukte z’n klomp den weeken gespitten grond in, langs de bedjes, gebaarden z’n armen in forsche harkhalen, vierkanten in symmetrische vakken de akkers, voor ’n paar uur nog ruwonbewerkt, doorspit in roestkluitige woeling.—Tusschen de erwten hurkte Piet, met jonge aardbei-plantjes, die hij wortelteer den grond inkuilde. Peuterig werk voor hem, waar ie ’t land aan had. Dat was maar den heelen dag, met z’n dikke stompe vingers den grond openboren en heel voorzichtig, vezelig wortelnestje kreukloos de duffe aardkuiltjes indiepen. En elken dag, dan dezen dan dien hoek uit. Nou, binnen ’n paar dagen werd ’t jagen. Van de spinazie naar de wortelen wieden, van de erwten naar de boonen. Zoo, drukkig door, tot ’t ze groen en geel voor de oogen wier, ze zelf niet wisten wàt ’t eerst te doen.—

Tegen einde Maart stond ouë Gerrit weer op ’t land, met kleine gebaren en half bochelend, voorovergekromd z’n schonkige lijf, uit z’n emmertje sla te zaaien in lange lijnvoren. Er was wat zonnig middaggoud, in rooiïge weerschijnen over de werklijven heengedampt, toch zonder warmte. Alleen vloeide er lichtglans die warmte leek, ijl en in de lucht zilverden wolktronen door ’t lichte blauw, waarachter wind joeg, guur, maar frisch en dartel-blijstemmig.—

Met werkstil, diep genot plakte rustig Dirk z’n bedjes wortelzaad in, in doffe kloppen met plakker op ’t zand, zwijgend, in den ernst van z’n arbeid en innige gehechtheid aan saizoenen-werk. Piet, achter ’m aan, strooide in zwenkend uitwaaierend gebaar, ingehouen toch, nog wat raapstelen en wortelzaad na. Dadelijk hakte Dirk bezaaide bedjes in, met z’n harktanden omwoelend den grond, dat ’t zaad in grappige sprongetjes opdanste.—Z’n lijf stond krom en z’n gezicht wreed, werkstrak. Heel den middag door hakten en kerfden z’n harktanden overal de bezaaide bedjes, bang voor vogels, die de korrels anders wegpikten. Dàn plakte Piet den grond dicht, achter ingehakte woeling, glad als asfalt, dàn Dirk achter hem, in onbesproken wisseling van arbeid, ’n Greppel van hen àf werkten de neven Hassel. Flauw brommerig gegroet was er tusschen ’n paar, dat in den morgen éven gromde, maar dadelijk dreef de vijandschap weer boven, vrat er dieperen haat in, zonder dat ze familie-ruzie van de vaders ooit elkaar verklaard hadden. Piet had juist Willem Hassel, z’n neef, ’n snauw gegeven. Die, verbluft wat, niet klaar met z’n antwoord, stond in verlegen woede de lucht in te fluiten, sarrend den ander, smorend eigen kwaadaardigheid. Oom Hassel, Gerrit’s broer, was ook op ’t land gestapt, manoeuvreerde tusschen bedden en regels in en loerde stil of de neven ook gereedschap van hem gebruikten. Wacht!—daar zag ie waarempel ’n mestkruiwagen van d’r lui staan, even op zijn grond in ’n hoekje achter de voorhaag.

—Weg die rommel, krijschte ie, màin grond!.. màin grond!

Terug morde gevloek, zacht nog van Dirk; en Piet vechtlustig wou ’m wel op z’n gezicht slaan.

—Jou grond, snauwde Piet, aa’s je d’r ofstapt.... ke je de korrels van je klompe skuure!

Dirk, die niet erg hield van hurrie, had den kruiwagen ’n stomp duwetje gegeven, twee voet naar hun eigen akker toe. De neven, stil, bleven aan ’t inhakken van zaad of harken, zeien niets, keken maar strak op den grond en ’t zaad, dat òphuppelde onder harktanden. Soms, éven klonk licht gezang van mannestem uit bollenland, tenorig-hoog vergalmend. Dan plots weer uit anderen hoek woei zangstem aan, in afgehaakte geluiden, door schuddend beweeg van lijf, klonk er nagalm tusschen werkers, hurkend bij hyacint en tulpenloof.—

Hooger in enkele dagen was ’t prachtglanzend licht groen van de hyacinten-velden de akkers uitgepunt, juichend tegen den zilverenden, hooger zich openenden wolkdampigen lentehemel. Breed in vlakkige sier, òverlichtte het de nog grauwbronze aardplekjes van tuinderij midden in. Uit een hoek, bezij ’t land van den Ouë, kwam al zachte violet-paars waas, uit vergroend aardvlak schemeren. Door het haaggetak, van verre al, waasde paarse wasem, in zacht violetten brand, geurende goùdgeel-gloeiende krokussen, wonder-teer wiegelend op toonfijn stengelgroen. Overal rondom, in lanen en veldpaadjes, barstte strijd los, tusschen ’t groen. Fel lichtgroen glansde hoog in pracht tegen malscher kleurnuancen van tulpenblad. Dwars door ’t lichtende hyacintenloof, ’t blauw dof-groen van narcissen en ’t grijs-groene in waas omdampt, van al andere soorten. En ’s avonds, als werkers tegen half zeven afstapten van ’t land in lentescheemring; voortsjokten op de eenzame weggetjes, en kronkelpaadjes, tusschen haagjes-engte van tuinderijen waarachter aan twee kanten al uitsapte groente-spruitsel, in àl groenig waas, dan overal kwam hun tegemoet, wit geschemer van sneeuwklokjes, op regeltjes geplant, als dwalend lichtjesblank, afgebrande kaarsjes, die kropen, teer, halfgedoofd langs de donkerende aarde, even soms nog geraakt en opbrandend in flits van avondgoue glansjes. Stil en wijd-ernstig, den omtrek van Duinkijk beheerschend, lag doodstil landgoed van jonker van Ouwenaar, diep verdoken achter hoog geboomte, met de geheimvol groenaanschemerende beuken voor ’t hekwerk.

II.

Hooger en weelde-dieper lenteleven kwam er bloeien en zoet geuren in Aprilmaand, over de akkers. Fel stond ’t groen, narcissen en tulpen in hun grijs-blauwe loof. Overal uit het duizendlanige Duinkijk om Wiereland, tot aan Zeekijk, vloeide áán, de zoet-duizelende geur van bloeiende hyacinten, lichtelijk ontknopt, de lucht doordroesemend, de aarde bekleurend in teer-brozen gloed. Dronken luchtwaaisel, warm en eind’loos zoet, doorgeurd, woei longen in en hooger àl stonden de werkers omlijst van hun sierende singelhagen, op ’t ochtendland. In het getemperd hemelblauw, nevelig doorwaaid van gouïge dampen, stortten de dagen zich uit over de akkers. Heerlijke jonge vreugd-adem zoelde en koelde door ’t bollengroen en licht, in lentevuur, vlamde zonschijn van akker naar akker. Beukgroen van de lanen stond te wierooken in zacht lentewaas, en elk uur hóóger steeg ’t licht, doorvlamde ’t gras in zacht sappig weeldegroen, fluweel groen, zoet-zijïg groen. En de boomen overal traden áán, in fijne sier van jong-puntige blaadjes, overal neer-regenende pracht van satijn-groen over de heilig-stille wegjes met vocht van lentedauw doordrenkt. Overal lichtglans van nieuw leven dat aanzoelen, aangeuren, aanwuiven kwam, tusschen woesten groei van gras, rond wegduikende beekjes, langs oevertjes-stille lommering, langs watertjes, die glans-gouïg en zilverdoorstoeid van lichtrimpeling plasten en terugkaatsten, in bronze bodempjes, hemelblauw en wolkzilver, kristallig en even verdonkerd van gloed. Waar klaar doorhéén kleurden beekjesgrond en koralige steentjes, bloedrood.

Aprilmaand was, verstald als blanke vrouw van mythische sier, ingewiekt met gouen vleugelslag van zonnelicht, tusschen de velden, de eerst nog droef-grauwe landen. Daar zwierf ze plots, in lijnen-woest kapsel, met goudrossigen haarzwier, die vlamstreepte en lichtkringen trok door de lucht en ’t akkerloof. Vóór haar zwierden uit, blank-albasten handjes in godinnegratie, die rondstrooiden zoete bedwelmingen van geur en kleur. En rag schuifelde haar teedere voetjesgang door gras en sierloof, dat er ritseling golfde, als aanvloeiing van fijnregenend fonteingeruisch. En overal waar ze zwierde en zweefde, dàn liep en rustte, gingen zacht branden om ’r heen, kransen van kleur en kransen van licht. En waar haar wisselsnelle voetjes schuifelden en betipten éven de aarde, golfde achter haar aan, blank en blond spel van lijnen en glanzen, die ze terugving op doorvonkte sluiers van kantille-goudgaas, weer òpstrooide in kringen, al breeder en breeder uit, wel grillig en jong-vurig, maar licht en juichend; glans die gloeide, licht dat duizelde, bruiste en vonkte op de warmte-inzuigende aarde.

Er was vroolijk gestoei onder de werkers. Ieder voelde wat aanvloeien van de bedwelmende Apriljool in lucht en grond, hoorde schuifelen den schalkschen stap van de vrouw met ’r goudrossigen haarbrand.

Op de akkers was drukker beweeg en blauwkielen, diepkleurend met burries, vlammig beschilderd, droegen sneller dekriet tot hooibergen, hoog dofblond, even door avondzon in rooden gloed getooverd.

Rond de akkers was nog druk gespit van bollenkweekers op hoekpunten. Op den Beekhoek, zwaarder omdromd van groen, stond Ouë Gerrit te kijken. ’n Bed van ’m af hurkten Dirk en Piet tusschen de aardbeien. Overal rondom, piekten tuinders rijzen den grond in, die al klaar lagen op losse bossen tusschen de erwtenpaadjes. Licht-even groenden de doppers de aarde uit, in scheemrige fijne regels. Het dooie-grijs-brons rijzenhout brak malschen toon van ’t sappige gras in den omtrek. In één dag stond laag-groen landschap doorpriemd van bajonettigen stand van rijzenhout, mans hoog, vèr over de akkers. Als gepiek van verweerde en beroeste geweerloopen knoesterig en takdood, stonden de rijen hout tusschen het jonge doppergroen. En tusschen hekjes en stekjes, àchter takjes en knoestjes, schemervlekten hurkende kerels in blauwkielen als gedoopt in afdruipend ultramarijn. Hun stompe klompenneuzen drukten in ’t zand, als ze knielden naast hun hout en langzaam de rijzen op regels voortschoven, de puntig gesneden knuppels, met forsche rukken en stooten de aarde inborend.

Na eetuur van twaalf, stapten Dirk en Piet achter hun huisje op de akkers, wat spinazie snijend voor de markt. In groote bakken, vurenhout kistwerk, beschilderd met blauwe letters G. H., zeisten ze de spinazie bijéén, op bosjes, losse blaadjes, geurige jonge groenten, dat het glanzende sap van hun messen afdroop en zoetige lucht, frisch en prikkelend de bakken uitwaaide. Dirk sneed kalm en zeker, Gerrit laadde op, Piet sjouwde de kisten naar den wagen. Na ’n uur werken trok Piet naar de haven, waar al lichtelijk en duizelig door-eenwarrelend gedrentel van marktdrukte joelde. Groenteventers van ’t stedeke, zonder land en zonder eigen waar, stonden gedrongen om tuinders die te veel goed hadden en niet meetrokken met de tuindersbooten op marktdagen, naar Haarlem, Amsterdam. Aan walkanten, en onder áánlichtend groen kastanje-lommer van de havenboomen, vlak voor ’n rij woonhuizen, was uitstalling van jonge groenten op straat, in manden en bakken, van walkant tot aan de stoepe. ’n Ophooping van karren met stilturende trekpaardjes en ezeltjes, warden dwars en scheef bij elkaar. Stille koop voor afslag klonk ’r vóór dat tuindersboot aankwam om op te laden. Boven haventje dreef geweldig wijd-uit, wolk-doorzilverde polderhemel, en boven één hoek naar spoordijk grauwden paarse waterdragers.—

Aprilvrouw was, koketteerend en tartend, met ’r rosgouen zwier van wapperhaar en omslingerd van door-zonde sluiers, in ’r ranke gracie en vlammensier, al dagen achtereen weggedoken, had sarrend en schalks in háár plaats gegoocheld, grimmig klownig weer-duiveltje. Van overal dreigde wintergrauw in de luchten.

Reuzige ruïnen, omsmeed van licht-zilverend, afgebrokkeld poortwerk, breed en diep-verhallend, dreven prachtzwaar in den ochtend, met hooge bogen van wild licht omspannen, boven geweldige polderwei en haventje, om in stillen val in te storten tegen den middag, te vergrauwen in angstzwaar, woest regenzwerk.

Onder de spoorbrug, waar de tuindersbooten doorstoomden, spartelde tusschen het sluizig-diep schaduwdonker gemuur, lichtende plasglans van waterzilver, nauw-kronkelend door bruggeboog. Zwaarder boven den spoordijk, rond polderruimte donkerde ’t regenzwerk; droef daarin de gasreservoirs, die er neergetold stonden als duistere kringkazernes zonder ingangen.

Op den spoordijk, tegen fel-scherpe lichtwolk brak donker uit, lichaam van seinwachter, die draaide aan z’n paal voor z’n huisje, dat er parmantigjes, klein-hoog stond. Langs den havenwal joeg gewoel en gedrang van tonnenschuiten, tjalken, bokken en pramen. Uit meelsloepen klauterden telkens wat kerels, wit bestoven, met zakkenvracht, wit-doorpoeierd op den rug. Zwaarder in paars-duister omdreigde polderlucht de haven met spoordijk en plots door grauwblauw gewolk, rende lokomotief met wagens aan, doorstormde in donkere vlucht hemelzwerk, ijlzilveren stoom uitblazend tegen dreigenden wolkachtergrond. Rechts naar station, eenzaam boven het aansjacherend marktgewoel, hoog uitwiekend door grijzen luchthoek, in statige wenteling van windgang, keek reuzige molen over polderruimte. En rond hem, laag als neergebrokkeld, huiskrotjes in rood gedak, schuil achter en onder boomgroen. Enkele bootjes, vereenzaamd, lagen geankerd op stil walkantje, vlak bij de polderhoogte, buiten sjacher-rumoer, waar hun kajuitsoogen net even boven water staarden, wijd-open, als gesperd in benauwing, met de vuil-gele en smoezelig bruine walstrooming ònder hun angstblik. Matkleurig roer-rood en hardgroenen koperen bepuntsels van schepen, boorde door de grauwige drukte. Tonnen, met menierooie bodempjes werden in druk lawaai en geschreeuw loopplanken op- en afgerold, weggeschommeld en recht-opgecirkeld op d’r kanten, in voeten- en handen-techniek, als speelgoed, lichtelijk versjouwd. En overal, tusschen tuinders en venters, dromden kinderen, onder paardkarretjes en tusschen honden.—Havenkroegen liepen vol en gulpten zwoegkerels uit, slokten sjouwers in, kooplui, tuinders en scharrelaars, die afklapten en prijsbedongen. Maar weinig nog was aanvoer en slap ’t groen van spinazie en wat vroege sla.

Later in de maand was Aprilvrouw weer opgerankt in gracie en achter haar aan trok ze diepere streepglanzen en kleurkransen, lichtglorie van aanwarmend zomerland. Struikgroen en jong geboomte stonden te wasemen in dauw en eerste bloemenbloei tooide de ochtendvelden in kleurenlicht.

Zwaar, in zwoeg-ernst, wroetten de landwerkers. Eérst jolig werkgeluk was overal bij tuinders en bollenknechten overgegaan in zwoeggewoonte van menschdieren, stomp omwoelend de aarde. Overal stond strakke loer op groei naar vruchtbaarheid, op aardegistend leefsap, dat in wellustgeur den grond uitbruiste. Angstig was ’t getuur van tuinders en kweekers, stille kijk naar de aarde, bange, ingehouen vraag aan den zwijgenden grond of ie geven zou volop, of ie groeien zou, brengen kwam oogst, leven, of ie werkte, gistte, licht en warmte inzoog.

Lentebrand ging over de akkers, vlammen van schroeiloos zonnevuur. In al de tuinen kwam uitspruiten, asperge en radijs, tuinboonen, lichtelijk zilver beblad, raapstelen, in groenen bosjesdrom, erwtenranken en rhabarber, jong blad, waaronder steel-rood uitkleurde. De aardbeibedjes jongden in d’r hel tintelende groene uitloopertjes, lichter met den dag, dwars door het vaal dorre brons en bloedrood, gouïg-omrand geschub van afgestorven loof nog, dat nazong, tusschen lentegroen, éven z’n weedomlied van herfst.

Ouë Gerrit liep in zoekend getuur naar den grond te kijken, tusschen z’n bedden op de Beek. Dirk schoffelde rond de erwten en Piet met helpertje, armelijk jochie, verzakt in zware man-kiel, wiedde de worteltjes.

—Seg Piet.... hai jai d’r nog doppers.... de wind hep hier huis houe.... nie een die d’r opkomp!.... kaik!.... dá’ hebbe de musse in gefrete.... dá’ tuig!

Dirk sprak, doorwiedend met den schoffelboom hoog, uitschietend z’n armen in breed gebaar.

—Ikke hep hier niks.... hep den Ouë dan nie walletjes anstreke?....

—Wa’ nou.... walletjes? bromde Dirk met z’n rug naar Piet toe.... of dá’ stoàm-erte binne....

—Watte?.... schreeuwde Piet, die Dirk niet verstond.

—Twee swarte katte, bromde nog onverstaanbaarder Dirk, om Piet te hinderen. Helpertje van twaalf, hurkte op z’n jongensknietjes, mannig in z’n beweeg, tusschen de paadjes, achter Piets klompenzool wiedend, nu weer in jonge sla, die al fletsig met z’n geel-groenige schutblaadjes overgeplant, slap treurde. Z’n kleine kinderknuistjes wroetten driftig tusschen ’t onkruid en telkens èven schrok ie met ’n vloek terug, zoog ie z’n hand uit, in den mond, als hij zich gestoken had aan brandnetels. Zwaar doorlapt sjofelde z’n gescheurde broek om z’n lijf en z’n voeten in baggerschoenen,—rooiig en gat-doorvreten, dat vieze teentjes er uit kromden,—plompten weer met zwaren druk op bed-randje van wortels.

—Seg Nailis, wa droai je d’ruit.... wá’ goan dá’ vlug!

—Se heppe main nie vlugger moakt, lachte ie met guitigen kop éven opgeheven uit wiedbuk.

—Hier-op-pan! hee! je hakt puur mi je poote in de wortele!.... f’rwá’ hai je gain klompe?....

’t Manneke bromde wat. Z’n klein bruin knuistje rukte door, vuil uit den grond, in snelle grabbeling steunend op andere hand, gestrekt onder z’n ingehurkt lijfje. Plat op z’n knieën schoof ie voort in buk, al driftiger en gejaagder ’t onkruid voor zich uitsliertend op paadje. Smerige kielmouwen slobberden laag over z’n knuistje op den grond, z’n polsen en hand half bedekkend.

—Hee boàs.... boàs, schuchterde z’n stem,... hai je nog ’n pruimpie.... je hep ’t b’loofd!

—Bé-jai-’t-Hain!.... hier! pakkan.... kanteloep!

Gretig propte ie met z’n vuile vingertjes tabakskrul samen uit koperen doos die Piet, naar achtergedraaid ’m voorhield, en gulziger nog bultte ie propje z’n mondhoek in, zuigend, zuigend, dat ie kwijlde van genot.

—Kâ je d’r nou puur teuge.... je hep ’n kleur aa’s ’n vuil hemp....

—Ho-je-mie!.... ho-je-mie! schaterde kereltje hoonend, met woeste hand langs z’n kwijlend mondje strijkend,.... ikke rook t’met van main sevende joar.... g’laik op mi foader! enne.... main broertje van ses pruimpt wá’ stefig!.... En Kloas Dirkse.... Dirkse hep ’n.... soontje van.... vaif.... die rookt aa’s ’n skoorsteen.... t’met.... vast woar!

—Nou, dá’ pak skeef uit.... dà pak skeef uit mi jou,.... dolde Piet, snel wiedend, rondstrooiend z’n onkruid op de paadjes.... jai bind d’r nog slimmer.... nog slechtiger aa’s ketoen van twee sint ’t el....

—Hier-op-pan! lachte schalksch het mannetje.... ik bin alletaid thuis.... waa’k woon? Bikkepad.... nummertje soek moar!....

Ouë Gerrit sjokkerde achter Piet om, lekker zich voelend in lichte zonnehitte die aanwasemen kwam, en gretig snoof z’n neus aardgeuren, zoelig en zoet. Nou keek ie ereis maar wat rond. Z’n blommetjes had ie op de plaats van Bekkema, al wat gesnoeid, licht werkje. En niks was daar voor ’m geweest. Alles stond er nog potdicht. Alleen ’n boodschap van den huisknecht had ie gekregen, dat ie deze week moest klaar zijn met de perkjes en gazonnetjes vóór de villa! Nou had ie dààn, al van heel vroeg, en rustigjes stond ie te genieten, geuren in te drinken, z’n pijpje linker mondhoek, stevig ingebeten. Lekkertjes dampen zoo, en toch rustig loeren of d’r wat op den kop te tikken viel. Hij dacht over ’n vondstje. Vlak aan den weg, tegenover ’t villatje van Bekkema, was ’n klein huisje getimmerd van ’n fotograaf. Bij dien had ie al ’n paar ochtenden rondgedrenteld en ’n bakkie leut geslobberd. Die vent was heel vrindelijk voor ’m geweest, had ’n paar maal, in allerlei standen ’n kiekje van z’n kop genomen. Dat mocht ie wel hebben zoo, want iedereen zei dat ’t ’n rijke kerel was, die fotograaf.

Damp-zwaar zoog ie òp z’n tabaksrook, dat ’t zacht reutelde door ’t pijpsteeltje.

Lekker.... lekker tug soo’n paipie.... koesterde ie in zichzelf.... soo’n paipie.... in ’n lekker sonnetje.... Miskien oogst tug nog bestig.... enn.... bai die fent.... van de potegroàf.... soo veul moois sien.... Da kon rooie.... puur rooie.... suiver rooie!....

Zoo, in soezelige blijscheutige gedachtetjes snoof ie grondgeuren op, van allen kant, en vroolijkte er iets genoegelijks-rustig in ’m van binnen.—

Rondom stonden de bollenakkers in bloei. Hoog rankten de hyacinten, in hun vakkige stijfheid, uitstortend zoeten, diep-doordringenden geurwalm, en overal rond, vlam-vlekte, broeide, schuimde en bruiste ’t licht in dollen droesem over de kleur-felle akkers. In regel-rij schuimden als sneeuw-schitter, de hoogwitte hyacinten, rein veld van hagelblanke bengelende klokken, uitgalmend geuren. Dwars er tegen, er over en om, paarse stroomen, trillende kleurgolven, in het vochtige daggoud van Hollandsche atmosfeer. Paars, lichter en dieper, stijgend en dalend in gamma’s van gloed. En overal, op de doffe pracht van stengel-groen, gouden trompetnarcissen, als in koperen jubel onder het bevend lentelicht, uittoeterend zonnezang over de velden, wijd-alom.—

Zacht, boven de hoofden der werkers, verliep lentedag in late zon, dwars de boomen, rood-goud door hun groene pracht zeeftend. De lucht stond wolkloos aan allen kant, teer azuurblauw, droomerig ver en diep, wonderfijn ’t licht weerkaatsend, in zacht, nimbusgouïg avondrood, vochtig en heilig. De werkers op de landen, zoelden in ’t zachte groen-goud, en over hun gezichten nimbuste rooiige weerschijn, glans van verheiligd licht. ’t Late zonnevuur brandde op petkleppen van wat arbeiders in de bollen; vuur, dat weerlichtten zilveren flitsen door ’t avondgroen, bij beweeg van hun werkkoppen. Rondom de werkers, overal nog in beestigen zwoeg gebukt, ’t gezicht naar de aarde, gehurkt tusschen hun bedden van groente en gewas, ging zonne-avond rond, in zacht-heiligen brand. Fijn getwijg stond te glanzen als stoeiden er engelen rond-omme de boomen, als dwaalde er toortsen-tocht van madonna’s, gloed zonder vuur, goudene damp, wazig tusschen de bladeren, in roerloozen zwijg van het land. Lang áángehouen, stond de hemel stil, in doornevelde goudrooie glanzen, plechtig en wijd-uitstralend, al lager, lager.—Onderste struikvlammen en boomknoesten gloeiden nà in den nimbusbrand van avondgoud.... Bronsrood verdroomden de boomstammen; laag bij de aarde zonk dieper de zon uit in violet vuur, onder singels en hagenbosschage, over akkerruimte, wijd-om verpralend.

Mijmerende tempering vloeide over de kleurkelken van hyacinten. Zacht doofde uit, de goudfelle zang van trompetnarcissen in het plechtige avondzwijgen en èven nog, brandde na, in schroeiloozen, wondren glans, rood vochtgoud over de huisjes en ruitjes. Wazig en droomerig stonden de verre boomen te luisteren, roerloos naar de avondrust; eeuwig en plechtig stond stil de lentelucht, doorwaaid van zachte geuren.