Part 16
Leege kar kwam rumoer-loom aankreunen van kronkelpad, met loome paarden in donkering ervóór. Krelis schaduwde uit het mistgrauw òp. Langs hem trokken tuinders van alle kanten door het bosch naar huis, zwijgend in het schemergrauw. Doffe groeten klonken zwak tegen elkaar in uit verstilde werkkoppen, òp van uitputting. Tusschen takkengrauw was schemer gezeefd en vreemd klonk soms stemgerucht van afgedwaalde roepende jongens, die nog niet overal weg wisten in het bosch. Telkens weer donkerden andere kerels voorbij in het zinkende licht, als onderbroken processie, nu en dan samenstappend in de stille mistende donkering van hun pad.
Krelis was naast Piet komen staan. Andere vluchtige kijkers waren doorgeloopen, met meelij-gebaar even hoofden schuddend, onmachtig toch zich wetend. Naast Limmer stonden in ’t grauwe geschemer, Bolk en Heelis de voerman. Weer hadden ze Piet op de been geholpen, maar nu schreide ie als een kind zonder schaamte, van woeste brandpijn. Dirk had met Krelis afgesproken, dat Piet maar op de kar vervoerd moest worden, naast hem, op het voorkrat, en zullie met d’r drietjes in den buik, of ze dat goed vonne? Zwijgend stemden Heelis en Limmer in. Het bloed was weer door het verband gezogen en ouë Gerrit trok er nieuwe lap om, van de kerels. Piet, met angstiger pijntronie, weende. Z’n voeten voelde ie als geroosterd en z’n nu duistere oogen grimden van nog ingetoomde smart. Soms zag ie in één duizeling voor z’n kop, voelde ie weeheid om het hart, sloot ie z’n oogen.
Met donkerder mistgrauwing, was scherper guurte door het bosch getrokken en spraakloos hielpen de mannen, niet meer voelend zwoegpijn van eigen beulerij. Piet moest op het krat getild naast Dirk, die ’m steunen zou. En plots, door den stoet, in schemermist vergrauwd, ging vage weemoed onder de jagende avondwilde lucht, ging rond gevoel, diep besef van ellende-bestaan, kort maar hèvig als ’n snik. In die boscheenzaamheid kroop groot mensch-leed bijeen, lag er even heilig meelij en stildiepe ontroering op de schim-vage gezichten. De stille zekerheid van hun gebaren sprak van smart, ontzaglijk gevoel. Ieder wist wat ie deed en allen beseften éven in die donkere uren, wat angst en smart er sidderde door hun rampzware ploetering. Besef, even, éven, maar diep in die donkere oogen, in die van avonddonker verschimde gezichten, woordloos stilte-besef van hun ellende, straks weer weggedoezeld door ruigen leefstrijd.
Als ’n jochie had Dirk Piet op voorkrat gezet met z’n gewond been voorzichtig tegen den dissel. Krelis, Bolk en Heelis slobberden in den vuilen kar-buik, waar ze neerhurkten opeengedrongen in modder en nog wat rijzen-bossen.
Licht en zeker was Dirk op het krat geklauterd naast Piet, die sprakeloos in koorts vergloeide en huiverde. Gebogen even vooruitstarend in den schemer, met de leidsels in z’n groote handen, zette Dirk aan, de paarden voorttrampelend in halven gang, mistdonkering in. Droef-stil in doodsche rust van avondbosch stofte het karstoetje òp, snijend de hoofdlanen om, op grooten straatweg, gauwer thuis te zijn. Bonk-bonk dreunde de kar daar, in strompelend geratel en gehos en zacht kermde Piet tegen linkerdij van Dirk aangeleund met z’n hoofd op z’n schouer, gloei-kil en huiverend, meehotsend over kuilen, zonder schreiïng, zonder klacht. Zacht-sterk steunde Dirk z’n broer en spraakloos keken elkaar áán de donkere gezichten in den karbuik. Ouë Gerrit alleen, benauwd opgedrukt tegen Bolk en Heelis, bromde zwaar in zichzelf. In het hotsende bonk-bonk van kar klotsten z’n gedachten mee, somber.... Waa’s hai d’r nou moar in de ploats van Piet.... want hai sat ook tug an notaris en dokter vast.... hai kon ook tug nie betoale en nou weer ’n dokter bai Piet.... f’r wa da f’rvloekte spul nou weer op sain dak komme mo?.... die dokter Troost, die sain s’n duite had afstole bij s’n waif en se aige.... en nou weer bai Piet.... dâ rooit na’ niks.... da rooit na’ niks....
En gejaagder klosten mee, op zwaar-dreunenden hobbelgang, gedachten van ouën Gerrit; òm hem, de stille zwoegers, die voortratelden in den donkeren mist-avond.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Ouë Gerrit zat ingedommeld, lichtelijk-besuft in de loom-soezerige stilte van stal en achterend op z’n gemakstoel te peinzen. Hij had weer eens wat bemachtigd. Als ie dat zoet-zalige niet had, was het ook heelemaal niets waard z’n leven, in al die beroerdigheid. Hij had op Kerst drie mooie gladde planken, Nieuwjaarsmiddag een toet tabak en nou weer ’n prachtig rood kindermutsje gekaapt.
Daar zat ie nou soezerig van na te genieten, met zware oogleden en zaligzacht murmelde en zangde dat stil geluk om ’m heen, soms opstijgend in z’n uiterlijk zoo stille borst, tot een roes van hartstocht die ’m naar de keel sloeg, wegstormde zwarte zorgdingen, anders strak en zwaar tegen ’m aangedrukt. De staartklok galmde plechtig negen uur, dreigend in radgeraas even bij elken nieuwen slag. En alles om ’m hoorde ie vaag vergalmen, versuizen in iets zalig onbewusts, diep verdoken in z’n eigen verrukking. Vannacht most ie z’n boel zien met z’n eigen oogen. Die begeerte brandde nou als ’n wond in ’m. De duivel met z’n moer zou ’t ’m niet beletten. Op den dag kwam er toch nooit niks van, was ie bang, dat ze ’m snappen zouen, kon ie zich niet heelemaal geven.
Vrouw Hassel zat op verfrommeld krantje te staren, onder groezelen lampschijn in halve gezichtsduistering. Als ze de krant uit had, kon ze regel voor regel weer beginnen, zonder ooit te weten wat er in stond.
Guurt bracht de pap òp en van alle kanten scharrelden ze naar tafel, rond de groote schaal. Alleen ouë Gerrit at, roerde zich niet. Hij was te vol, te vol. Vanavond zou ie z’n boel zien, zién.
Een voor een, schoffelden ze van tafel zonder dat Gerrit de dingen om zich heen zag gebeuren. Er zat slaperigheid in het zakkende petroleumlampje, dat karig kringde in ’t halfduister van kamerke. Hij zou naar bed gaan. Vlug z’n broek los, stond ie mager, lichtelijk gebogen in z’n roodbaaien broek-borstrok, z’n bisschoppelijke zilverbaard op het beulig-rood van z’n lijf, dat even flauw door de kamer bloedde. Guurt rilde van kou. Dat zou me’n vroegertje worden. De klefferige bordjes, leeggesmakkerd, vaalden steenbleekig in het zakkende licht, en de stille hoofden van Piet en Dirk, om beurten zwaar geeuwend, stil-grimmigden van verveling.
Guurt begon ’r jurk los te haken, in ritsende scheurgeluidjes. Het heele gezin sliep in de woonkamer, in hoek-bedsteeën, benauwd. De jongens tegen het beschot naar den stal; Gerrit en vrouw Hassel in een donkerig-laag bedsteedje tegenover het raam. Alleen Guurt op ’n slaapstoel in de kamer, elken avond opgezet. Vroeger had daar ’n dienstmeid gelegen, maar dat gaf schandstukken met de jongens. Al drie meiden waren er zwanger weggegaan, dat moest uit zijn had de Ouë gezegd, met ’n bons op de tafel.
Gerrit, in z’n rooie onderbroek, sjokte nog rond, brommerig verwijtend aan Guurt, dat ze ’t lampje niet zóó zou zetten dat ’t op de bedsteedeur scheen; hij wou het niet op z’n gezicht hebben, als ie ’s nachts of ’s morgens op de klok ging kijken of als het broeide en moeder woelde zóó, dat ie de deuren open moest hebben. En toch mocht ’t niet heelemaal donker zijn. Voortbrommend, half-luisterend naar Guurt, die nijdig zei waarom ie eigenlijk dat slapen met licht niet afwende, wipte ie strompelig op het bed-randje, tuimelde het donkere slaapholletje in, duisterde z’n magere lijf, met z’n zilveren glanskop plots in de diepte. Met ’n bons had ie de bedsteedeurtjes achter zich dichtgeslagen..
Guurt met bloote armen, slanker nu in ’r kort dameshemd, zat op den slaapstoel aan d’r achterhoofd te peuteren, in moeilijken armwrong, wat haarspelden in den mond vastgebeten. In ’n draai ringde ze los ’r haar, dat golf-zwaar neerspreidde langs blank-vollen hals, over naakte schouders, sprookjes-achtig ragblond beschemerd, èven in zachten lampjes-gloed. Haar fijn princesse-gezichtje stond jeugdig op korpulent onderlijf, en zware armen-vleeschweelde blank en woelig van lijn, zwol òp, met ’t beweeg van ’r groote werkhanden, tusschen het zacht-wondere glanshaar; statig beweeg van princessekopje, neergedrukt op heupig boerinnelijf, zwaar en zinnelijk-zwellend onder ’r verkreukt hemd-blank; schuchter kopje, met droom-oogen, teer mondje en neusjes-scherpe aristokratie, boven rijpe vrouwe-borsten, uierend-zwellend, en lomp de rauwe handen woelend tegen het geweldige vleeschlijf.
—Kristis moak toe, schreeuwde Guurt, haar naakten borst bedekkend, naar Dirk die de voordeur uit opstapte de kroeg in.
—Moeder, nou effe et vuurskutje van de stal.. hoal jai ’t?—
Al ’n half uur zat vrouw Hassel, stom-suf op punt van d’r stoel haar rokken los te frommelen, die wegzakten slap onder haar beenen uit, toen ze opstond op de vraag van Guurt. Ze hoorde wel, maar begrijpen deed ze niks, niks vanavond. Er was allemaal zwarte dofnis in ’r kop, stil gegil, gesuis en gedruk. Maar besef had ze d’r niet veel van. Alleen angst, jagende angst, angst als ze’r naam maar hoorde. Dan duizelde ontzetting in d’r, waarop onmiddellijk weer dofte plofte, grauwig-zwart alles voor d’r oogen, zonder besef.
Onrustig gerammel en gehijg dofte uit de bedstee van ouën Gerrit, die draaide en woelde; geschuur van nagels langs de beddeplank kraste zacht er doorheen. Ouë Gerrit grabbelde naar z’n lucifers in donker, voor vannacht.
Vrouw Hassel ging mee naar bed, omdat ze ’t zag duisteren om ’r heen en stil worden. Maar slaap had ze niet. Al jaren sliep ze slecht, in angstdroomen, die ’r overeind krampten, ’r deden gillen met ontzet gezicht. Loom had ze zich, krabbend steekmuts van het hoofd gelicht en kwijl-mond droog-geveegd met beef-hand. In den lampschemer grauwde ’r gele tronie, ouelijker nu zonder bedekking, met het kaalplekkige hoofd, groezelig-dun haar, als was ze plotseling ver-skelet. Spichtig oud-vrouwtjesachtig magerde ’r lijf bochelig door het vertrekje. Onder d’r vuil-zwart onderrokje slingerden kuit-sjovele beenen en wezenloos-sjokkerig liep ze naar de bedstee, grabbelend naar d’r slaapmuts....
Gerrit gromde en vloekte uit z’n hoek, dat ie ’t licht weer op z’n snoet kreeg. Ze hoorde en grabbelde door, niet merkend dat ze d’r slaapmuts al opgezet had.
—Is da nou dàan, hee! bulderde Gerrit uit het donker.
Vrouw Hassel sidderde, ze wist niet goed meer wat ze deed, waarom ze zoo grabbelde. Guurt koepelde ’n doek over de korf van duifje.
—Wa soek je moeder, je mus?.... sit ommers al op je kop te maffe!
Plots opgedrongen, éven tegen ’r aanstaand sprong Guurt op zij, ’n vies gezicht trekkend.
—Kristis moeder wa’ stink je.... Is d’r weer.... hai je weer fuil dàan?
Een huilschok krampte door haar ingebogen lijf. Voor de bedstee stond Vrouw Hassel met half doorgezakte knieen in ’r bobbelige, wije, ruwe onderbroek, waaruit stank opsloeg. Zonder het te weten had ze zich bevuild.... Nou, an ’r lijf voelde ze ’t.... Ze rilde, rilde. In bed kruipen plots wou ze van schaamte, maar Gerrit duwde ’r terug, krijsch-heesch.
—Zoo komp je ’r nie in waif, gain stap!
Bij haar borst smeet ie ’r achteruit. Ze kermde en snikte. Met ’r grauwe skelethanden aan de beddeplank geklauwd, zenuwklampte zij zich vast in verbijstering, tot Guurt ’r terugtrok en dwong schoon goed aan te doen.
—Je ken d’r tog nie soo mi die swaind’rai ’r in.
—F’r wa.... nie?.... huilde ze zonder te weten wat ze zei.
—Om da’ niet-en-ken.... Om da’ niet-en-ken, stampte Guurt driftig op den grond uit.
Vrouw Hassel was weer vergeten waarvoor d’r dochter zoo dreigde. Uit het kastje slierde Guurt ’r ’n hemd en broek toe, die ze rillend over ’r goor lijf liet zakken, in kakenbibbering.
—Mo’ je j’aige nie wasse? vroeg Guurt, nijdig om de moeite.
Moeder Hassel hoorde niet meer, staarde besefloos voor zich uit, krabbend ’r hoofd, onder smalle schuifbanden van ’r puntige kromgekreukte slaapmuts.
Guurt had de heele pan op ’n stoel gesmeten, alleen het vuile stank-walmende hemd naar het achterend geschopt, grommend en vloekend op ’r moeder, dat se puur daas leek. Vrouw Hassel stond verschoond, beef-grienerig, goorder in ’r schoon wit hemd en broek, sjokte huil-schokkend nog, op bedderandje, in langzame onzekere tasting verdwijnend in donker, naast den Ouë, in d’r slaapkuil. In eng ruimtetje lagen stille oogen van twee menschen te turen in het duister, klaar wakker. Op ’r peluw snikte ze dóór, lang niet meer beseffend waarom, uitkroppend ’n kramp van smart die door d’r borst en beenen schokte.
Guurt stond nog in ’r hemd wat te beredderen. Kwaadaardig bekeek ze bij het nachtlichtje ’n paar wratjes op ’r pink, zich woedend voelend op ’r grove werkhanden. De hanglamp had ze heelemaal uitgeblazen en donker nu in zachte rust vloeiden schaduwen en stille glanzen om ’r heen in het kamerke. Langs het kleine lampje, schimmig in ’r hemd, blankte ze voorbij, met den goudschemer van ’r harenpracht op rug- en schouer-vleesch. Om er ooren kroesden enkele krullige haarsprongetjes als gouden spinneweb, verfladderd wat. Net wou ze in bed stappen, toen ’r rammeling gromde aan de deurkruk, de hond bassend-ontsteld aansloeg op het erf.
—Koest.... koest! dreigde stem van Piet die thuis kwam, wat vroeger dan Dirk na de paar weken gedwongen rust met z’n beenen. De hond buiten bromde nog zacht.
—Koest, snof’rjenne, ke’ je de boas nie, sloddervos! Is d’r nog wa’ te slikkerbikke Guurt?
—Waa’n meelsak, nou weer bikke, driftte Guurt uit ’r bed stappend.
—Ik bin soo kout aas ’n botje.... legge de ouën al?
—Stil!.... joa.... moeder hep weer fuil dàan!
In ’r dameshemd liep ze, met nachtlampje in ’r hand ’t keukentje door, grabbelend in den broodtrommel. Bidderend kwam ze terug, het lichtje voorzichtig neerzettend in het kamerke, dat glijend, als een schaduw-hal voor d’r openen ging.
—Droog? f’rek, da mag jai frete.
—Nou.... loop nou noar de bliksem.... doen ’t dan selfers, ik goan d’r in!
—Wa’ f’r werk he’ jai doar an je hemmitje hange? potdikke Abram.... Prikkie!
Met z’n hand wees ie naar Guurt’s borst waar strikjes om laag-uitgesneden kantbaan pronkten.
—F’r jou ’n froag f’r main ’n weut,—bitste ze terug, met één hand ’r borsten bedekkend en gauw op ’r slaapstoel onder de dekens woelend. Piet bromde nog wat in zichzelf, van ’n luiwammes.... wat ’n maid-meroàkel.... niks van bloed-beuling had, draaide ook langzaam uit naar z’n bed.
II.
Het sloeg één uur, trillend zangerige klankgalm door de nachtstilte. Ouë Gerrit lag oogen-wijd wakker, in z’n donker slaapholletje, opgedrukt met z’n gezicht naar den muur, dat z’n warme adem terugwaasde op oogen en mond. Z’n vrouw hoorde ie doffig snorken, met kermende geluidjes uit d’r keel, en puffende blaas van ’r lippen, zóó erg, dat ’t ’m soms benauwde. Daar lag ie nou, in donker, stikdonker, met ’n groenigen schemer in de verte. Boe! wa’ stonk ’t waif nog, wa’ benauwing! Moar fe’nacht, fe’nacht most ’et beure!
Doodstil lag ie, toch hartebons hamerde raak door z’n lijf. Z’n kop en handen gloeiden en binnen-in zanikte weer ’n lekker angstig gevoel rond, dat ie altijd had als ie bang was betrapt te worden....
Moar fe’nacht most et.... Sachies an moar Ouë.... soo aa’s je sain dâ altaid lapt.... sekuur an.... fain werk....—Zacht had ie zich overeind gewurmd. Plots rammelden uit den stal, stooten van koe-ringen tegen het rem, dof-bonzend. En klagelijk vanuit stemme-diepte loeide koegeschrei òp, akelig in de starende nacht-stilte.
Ouë Gerrit schrok, wurmde weer even onhandig terug en keek in het donker of ie z’n vrouw’s oogen kon zien.... Da’ f’rfloekte beest!.... daa’s nou puur de heule weuk, dattie skreeuwt ’s nachts.... aa’s tie hullie wakker moakt goan ’t weer nie.... gòan ’t weèr nie....
Maar vrouw Hassel bleef snurken, met ’n stilstand telkens in ’r ademhaling en sterker lippen-gepuf dat ’m benauwde. Net was ’t of ze’m wat zeggen wou, maar niet kòn. Nou voelde ie klamte op z’n kop trekken....
—Fain werk.... fain werk. bromde ie, zonder naar zichzelf te luisteren, angstig wèg al met z’n gedachten in den kelder. Met z’n gezicht kwam ie weer even áánloeren op den duisteren kop van z’n vrouw. Nog meer bukte ie in.... Nou rook ie ’r warmen adem, niks zag ie van ’r.... alleen hoorde ie ’r snurk-gekerm, dat z’n mond indrong en vreemd als uit ’r neus opschraapte.... Neenet.... neenet, ze snurkte.... allegoar larie, ’t kon sain ook niks meer skele.... hai mos, mòs se boel sien.... Godskristis, s’n spulle....
Winterige nachtkilte huiverde door z’n lijf, in zoete narilling achterhaald door wild genot dat al te tintelen begon in z’n beenen, zacht schroeide z’n lijf; ontembaar genot, dat opkroop naar z’n buik, al maar opkroop, dat ie zacht duizelde in heerlijk heet plezier.... Wa kon ’m nou sain pacht skele?.... gain duut ha ie.... nou, nou da’ moar gain duut.... pachtgrond.. wa? watte?.... neenet.... nou sebiet se goed sien hoho!.... da’ was je woare.... godskristis sou ie ’t kenne uithoue?.... Sou ie niet gille aa’s tie ’t sag, aa’s tie d’r was in sain kelder. Sou Guurt het lampie op toàfel set hewwe.... nie feur ’t bed....
Zacht nu woelde ie op, òver z’n vrouw heen. Boe! wa’ stank.... wa’ donker.... dondersjin, ’t skol nie veul of ie trapte ’t waif op d’r beene.... soo.... kràk!....
Nu zat ouë Gerrit heelemaal losgewoeld van de dekens, overeind op z’n peluw. Telkens schrok ie even, als koeienloei weer uit den stal opschreide, bang en lang aangehouen als klacht van gemartelde. Maar gauw suste het in ’m dat ze toch niet wakker zouen worden. Langzaam uit z’n zit sloop ie òp, deed bukkend en beef-zwaar ’n grooten stap over z’n wijf heen, tot ie op ’t bedrandje stond, schuivend nog met z’n nagels langs de deurtjes, die ie langzaam openduwde. Een beving van geluk overhuiverde ’m toen ie zag dat het lampje vóór Guurt’s bed stond. Nou kon z’n wijf niet wakker schrikken van het licht. Dat had ie netjes berekend.. Donderemint, doar glipte ie...
Ritst, krak-kràk, gingen de deurtjes. Even bleef ie in hangstand stil.... stil.... Z’n hart bonkte en wilder gloeiden z’n oogen in z’n grijzen glanskop.... Het lichtje schemerde wat gouïg waas op z’n gezicht vol schaduw, en z’n ingekrompen, stramme lijf, in z’n rooie ondergoed, bloedde donker in den zwakken kamerschijn. Guurt sliep door, alleen vrouw Hassel had zich even na het gekraak achter ’m opgericht. Hij voelde ’t, voelde ’t, zònder te kijken.—Maar in één stand bleef ie staan, met z’n stillen rug ’r bezwerend, dat ze’m niet zien zou. En snel doorflitste ’m de gedachte.... „Noa de plee mo’ je zegge.... noar de plee mo’ je segge aa’s se vroagt”. Even zanikte slaap-stem van vrouw Hassel achter ’m op, idioterige slaapklanken murmelend, verward het donkere bedholletje uit. Toen plots stilte..... Ze lag weer.
Nou voort! ijl-drang zat ’m in z’n beenen, maar daar gaf ie niet aan toe, verzette ie zichzelf tegen.... làng-zaàm àn, làng-zàam àn.... zei ie zichzelf, in maatgang.
Het lampje had ie in z’n hand genomen en zacht afgedraaid, dat het vlam-spetterde, dood-strijd van ’t pitje. Even spiesten bleeke lichtpijltjes op het slaapgezicht van Guurt, dat zwàklijk oplichtte en weer wegdoezelde in de duisternis. Het lampje eerst uit, dat wou ie nou eenmaal, zoodat ie niemand zien kon. Dan voelde hij zich ook zekerder.... Nou had ie ’t.... nou zacht.... zacht ’t achterend inschuifelend, precies tast-wetend hoe ie langs het beschot te gaan had. Daar ’n drempeltje, daar ’n stoel.... dan ’n inham, nou de dorsch, d’r achter langs.. sachies an, mooi.... da’ gong, da’ gong.
Er begon weer wilde jubeling en ijl-drang door z’n lijf te gloeien, maar hij dwong zich kalm te zijn, kalm. Nou stond ie voor het luik.... Doar had ie f’navend al ’n blokkie hout onder set.... ’t kroakte aêrs aastie ophieuw!.... Soo.... soo.... heere! wa’ donker.... stikke, stikkedonker...... Wacht!.... gong da’ nies?.... hoorde ie doar nies in de bedstee?.... neenet.... hoho! de jonges ronkte aas varkes, konne ’t huis omhakke, hoorde sullie nog nies.
Juist stram-bukte ie naar het blokje hout vóór het kelderluik, tast-schurend met z’n hand langs den grond, toen diepe koeien-loei door den nacht schreien kwam, uit den donkeren stal, met ’n onderdrukt-bang nagehuil, dat hangen bleef in het duister. Bonk-stooten van ringen tegen ’t rem klonken nà.
Nou skrok ie nie meer.... loa moar skreeuwe.... ronke tùg deur.... tjonge, tjonge woar da blokkie tug sit?.... o joa hardstikke middenin.... Ouë paa’s op, Ouë! paa’s op.... ’t lampie.... f’r wa’ hat ie self tùg nie ’n lampie kocht?.... bài s’n rommel,.... nee gong nie.... gong nie.... rooit na’ niks.... most ie fulle en weer fulle en dan ruike sullie.... neenet da’ gong nie.
Zacht had ie ’t luik opgetild en vastgehaakt, geluidloos. Sluip-licht ging ie ’t keldertrapje af, waar ’n kou-stroom plots om z’n naakte voeten zoog en dompige lucht, vunzig opwoei.
Nou luik sachies toe.... boofe se test.... tredje veur tredje.. oppasse.... wa’ genot.... stil.... wacht.... joa, da gong.... hai was t’r t’met.... mi-sonder hurrie.... stil.... eerst lampie weer an....
Nou, in de stik-duistere kelder-laagte, nou ie ’r stond en niemand ’m meer hooren kon, begon ’t al in ’m te jubelen, ’n hevig-zalig zwoel gevoel, dat ie ’r was, bij al z’n spullen, bij al den rommel van hem, van hèm. Lucifers had ie van de bedplank afgegrabbeld en in z’n onderbroek gestopt, onder z’n buikband. Met ’n snelle lichtstreep vlamde ie ’t lucifertje aan, en bevend met z’n genothanden, lichtte ie ’t glaasje van ’t lampje. Zoo, nou kon ie zien. Schuw keek ie even naar ’t lage kelderraampje of ’t luikje ’r wel voor stond. Maar alles was dicht, potdicht. Nou wou ie zich inéén op z’n rommel smakken, d’r op, d’r op, woest d’r op! Maar eerst hooger het lampje.... en dan langzaam an.... làng-zàam an.... rekke.... rekke, ging ’et weer in ’m.... Een twee, een twee, in maatgang. In wilde roggeling van woest-gierend verlangen brandde z’n strot, joeg wild tegen z’n kalmte òp. Zien-begeeren krijschte door z’n een twee, een twee-maatgang in, dat benauwing zwol om z’n kop en om z’n maag.
Daar was ie nou bij al z’n rijkdom, en niemand die ’t wist, hij.... hij.... alleen.... van hem.... van hem....