Menschenwee

Part 52

Chapter 523,472 wordsPublic domain

Onder ’t jongezellen-landvolk van Wiereland furiede de kerels-uitgelatenheid los, lichtelijk flirtend met woelig wellustige meiden, brutaal en fel van passie. Troepjes werkers sprongen in klepperenden klompendans en boeren-kankan, met beenen-guitigheid en komieke handgebaren op de meiden áán, midden op straat, onder erotisch bombardement van zoenen. Volkje van Wiereland, ’t zuipende verhitte, uitbarstende, hoorde van àf de akkers de meiden gillen en heet schateren, hoorde ’t gewoel van kermisgangers en daverend belalden ze elkaar, in ’t voorbijgaan. Ze hoorden geklop, getimmer op de Haven, door de straten heenhamerend in verwaaid gerucht, uit tenten en kramen die in ’n paar uurtjes, geraamte-ribbig en naakt opgegroeid stonden. Ze hooren ’t lawaai van de kermisrazernij, de vreemde stemmen en spraken.—’t Zien aandrijven van schuiten, met ’t kleurig spul van brokken schiettenten, draaimolens, bont gestraal van zwaar beverfde schommelbakken, goot scheuten gierende pret over de popelende kijkers.—

Vreemd getrappel van hitjes uit ’t paardenspel hoefklakkerde over de Haven, en de kinder-kijkertjes omkringden, wild en verbluft in verbijstering, de beesten. Gemompel en gekonkel tusschen de Wierelanders klonk overal door, al maar over de kermisjool; wat er zijn zou, wat er wàs, wat ’r komen ging.

Schetterende voorklank en rauwe jubel van lol, brachten de straatorgels, twee dagen vóór ’t openen van kermis,—dertig levende klank-orkanende wezens, elken ochtend vóór ’t stadhuis bijeenwaggelend in rij, om van die gewijd-officiëele plek uit, heel Wiereland van alle kanten vol te roffelen, te betrompetten, te bepauken in schellen schater en daver, te omgolven met heet getjink, geraas en gedreun van dooreen rammelende klanken.—Midden in tragen zwoeg der landwerkers omdaverden ze de straatjes in hellen joel en roffel. Soms rammelden drie orgels naast elkaar in de deftige Bikkerstraat, in heeten donder van trombones, de stedekestilte met klankrazernij verpletterend. Aan de huisjes tingelde ’t den ganschendag; gingen schuwe armoekinders, in doorvreten plunje, naakt-beenig en stank-verwasemend met ’t bakje rond, liepen moeders achter de draaiorgels áán, in gore ellende van stoelenmatters-scharrelaars. De wreed-snuitige kerels, ’t straatorgel verrollend van deur naar deur, bleven door-draaien onder ’t voortwielen, en in woeste gluiperigheid knorden hun harige dier-woeste tronies, snauwen naar wijf en bedelkinders. Als verstrooide optocht van melaatschen schooierden ze achter elkaar aan, de klankengekke orgellui. En ’r òm, de angstig-verschuwde vrouwenhoofden, mottig-wreede en blondharig, verwilderd-romantische, op zwaren borsthang kinders sjokkend; en de rossige en zwart-besnorde boeventronies, van mannen, jukkig gekaakt, doodelijk uitgeput met schuwen oogenkijk van gluipende overrompelaars en hongerende dieven; of zwaar krachtpatserig d’r lijven, in landloopers-gezondheid, tusschen de wijven, dralend en bedelend, versmald in den knel hunner rood-vale en groene misère-jassen.—

Daartusschen in forschten òp, donker bronze kerels, met koperig ringwerk in d’ooren gedraaid, zwart-glanzend haar, kleurige doeken om den hals, melodramatiekerig-romantisch in hun zuidelijk armoekoloriet, hun tambourijn in knuisgedruisch van rinkel en bellenzang, met tenoor-beverig weemoedslied begeleidend.

En telkens de romantiekerige Mignon-schooiers, snauwden scherp-radde woordjes neer op de bedelkindertjes, als kleurige deurtjes van cynische Bikkerstraters gesloten bleven en bakjes niet meer kletterden van rondgestrooide centen.

Zoo ging er al twee dagen, voor opening van kermis, sjofele woel en rondgang in alle Wierelandsche wijkjes en achterafjes; bleef jubelende klinkklank schetteren in kleurige deunen; klompklepperden om de orgels al meer kerels en meiden hun boerenkankan. ’s Avond’s vooral, als op de drukke, breede Baanwijk, tusschen duisterende geraamten van tenten en kramen, vlammig fel licht uitschoot van de winkels, de stoeiende paren overbeefde in rood-gelen walm, en kleurige vóórjubel van kermis demonisch tegen de half-aangegloeide boomstammen oplaaide, schroeide rond in avondbrio, de duivelsche zeng van karnavalgloed.

Op de Haven was de voorwoel ’t hevigst. Daar zeilden en dobberden de schuiten áán, voor den wal.—Woeste hunkerende jochies, doortrild van kermisrazernij, smakten zich als wroet-miertjes op de spul-brokken, van schuitdekken afgevoerd naar standplaats. En al luider, door den nog drukken sjouw en markthandel der groenboeren, dwars door vruchten en voerkarren, ging de gistende kermiswoel. Werkelooze sjouwjochies en schoolkinders hijgden onder de vrachten die ze te verdragen kregen, planken en fundamenten van draaimolens, vuilkoperen stangen, paarden en ringwerken, staven, wilde dieren en kleurige lompen. Ze hijgden, met kramperige pret van aandoening, en dolle lol-stralende oogen. Ze gierden dat ze zoo vlak bij, in hand-tastende aanraking leefden met de heilige kermis-brokken. Ze verbluften elkaar met ’t tillen van al zwaarder vrachten, en dwars door den groenboerzwoeg en kroegsjacher, hielpen ze de vreemde, norsche kermiskerels, die gretig de ventjes lieten sloven en sjouwen, zich vertillen en half-verrekken. Want diè merkten den pret-duizel in hun helle oogen, den groei van hun genot bij elk grooter stuk dat uit de schuiten opgedragen werd.—En angstvoller van ontroerende pret, verbreedde de echtheid van hun kermisvizie, als ze uitzinnig, plots te dragen kregen, groote brokken dekoratie, bont schilderwerk, verf-riekende doeken waarop moordtafreelen bloedden, waarop bulderzeeën schuimden met lijk-paarse schipbreukelingen, uitgeteerde weggezonken juffers en meneeren in nood; waarop kruitdampten, veldslagen van Transvaal, Boeren in bont rumoer, onder angstige hemelen, stinkend naar bakolie en gemeene uitgedroogde verf.—

Met bevend ontzag, staarden ze op de halve lijven van moordenaars, op den zeebruis en ’t rottende zwalpende vlot neer, op hakkende Boeren en doorgevlijmde Engelschen.—

Een groepje droeg ’n griezelig moordtafreel op den kop, en gestreden werd er hevig, met heerlijken griezel-angst voor de werkelijkheid der beelden, dat Jan de beenen had van de moordenaars, en Gijs de bovendeelen van de schipbreukelingen, Piet de geweren van de Boeren, en Toon den grond. En vlak voor hun oogen gebeurde ’t, al die gruweldingen. In rillender suggestie liepen de jochies vlak achter elkaar, staarde de een naar den ander, niet wetend wat ’t worden ging, als de brokstukken op elkaar ingevoegd gebouwd stonden. En al meer kermisdingen sjokten ze áán. Komieke harelekijnen, met streepkleurige broeken voor schiettent, wapenschilden, kachelpijpen en hoededoozen. Dan schoot schater los, ontspande hun angst voor de front-dramatiek der groote kijk-tent. Al komischer mengeling van grappige en angstige voorwerpen droegen ze uit, en zóó voelden de jochies de kermis in hùn gretige pootjes, nu zij hielpen opzetten en bijeengroepen. De kermisklanten beukten en vervloekten de kinders, als ze in hun verbijstering en lol, verkeerd den rommel uitdroegen. Dan joegen ze de kereltjes plots wèg met ’n woest lippengebrul om angst te wekken. In bangheidsstuip holden ze heen naar huizenkant van Haven, tusschen karren en geboomte doorzwenkend, uit schrik brutaal scheldend en hoonzwaar uitfluitend de kermisgasten. Zoo van ver, keken ze dan met stil genot, naar groei en vleeschwording van al de tenten, draaimolens en spellen.

Eén breed en hoog lattengeraamte stond er al boven alles uit, ’n schouwburg waar kerels tot in den nok hurkend hamerden en klopten, in davering van scheepstimmerwerf. Schouwburg-geraamte was zoo vlug verrezen dat de tuinders ’t bijna niet hadden zien bouwen.—

Aan stillen kant van ’t haventje, ònder polderdijk, schooierden bijéén, op ’t hel-groene grasveldje, de bonte kermiswagens. Als melaatsch menschgroepje hurkten daar saâm, de verluisde kinders, meisjes en vrouwen met hangende haren en vervuilde ragebollen. Hun morsige bloote voeten ploeterden in ’t warm-zonnige gras.

De wijven daar, met rottende lompen aan ’t slobberig lijf, zwijnden rond hun kermiskar, en boevige kerels, rossige en donkere, luierden op de balustraden-trapjes, pijpen den mondhoek ingebeten, rookten vadsig in zonnebroei. Rond hen zwirrelde maar ’n trage warrel van ’t beestig-morsige kinderkriel, krijschend, joelend, bevuilend ’t grasveld, dat helgroen vlamde ònder kleurig-melaatschen menschenkluit.

Eén dag vóór de kermis was Augustus-zon weer doorgevlamd achter wolkgrauw, zette ’t plots bewoonde, anders doodstille grasveldje, met z’n stinkende luier-ellende, in groenen lichtdaver, en kleurenbrand. De fel-bonte kermiskarren, eerst dof en druilig onder grijs-stugge hemelstolping, blakerden en vlamden nu òp in ’t gras, de plankige kasten, hard geel, wreed-fel geel en rauw Zaandamsch hutjesgroen, féros en wrang in den zeng-gloei van smoor-dampende Augustuszon.

Rood-bruin de hekjes en balustrades, menierood-helle pilastertjes en wielspul, kanarie-gele en meloengoûd-vlammige zijwanden, scharlaken assen-spul en spaken, zoo gloeiden ze tegen elkaar òp, de kist-lage kermiskarren, als één brandende kleur-rij, één braking van rauwen gloed, van ònder zengend ’t gras, van bòven zengend de lucht, ’t eindeloos-aangroeiend polderblauw.

Als ’n drom harig begroeide apen kropen de trage wezens, loom dooréén in den zonneblaker; kammende wijven, hekserig en brutaal, naakte kinders en verlompte meisjes. Tusschen blauwig-triest gerook van kleine straat-kacheltjes, midden op ’t veldje, hurkten smoezelige tooverkollen met sproetige zuigelingen. Daar naast rengelden, wijdbeensch-achterover en lig-zittend ’n paar jonge meiden in oostersche sfeer van siësta-traagheid, schreeuwend om beurten tegen ’n stoetje kerels, zwart als kolenbranders. Tusschen de kacheltjes aan eindhoek, stonden traag konkelend, donkere kermisgangers in ’t trillende walm-zwart van den rook, elkaar te beschelden, en jonge meiden, in verkaalde fluweelmisere-jakjes,—paarsig en donker smartenrood, gore restjes van pronk’rige akrobatenplunje,—scholden méé, woelden zich in de loshangende ragebollen, omzengd van karren-gloed en kleurenvlam van knetterend-heeten zonnedag. Al meer belompte vrouwen waggelden áán uit miniatuurdeurtjes van karren. ’n Walg-stank van zurige ellende walmde òp uit de kleur-heete kermisplek. En vreemd, in Spaansche cier, ging tusschen den zigeunerigen kleurgloei van hun wagens en rommel ’t brio van hun versleten opschik en rauwe behaagzucht; Spaansche cier daar wreed neergeluierd in de schroei-felle zon, overgolfd van licht, naakt-gezengd in den dag, versmart en rampzalig in den verbijsterenden vloek van hun helsch-bonte vurigheid; rampzalig in het verzweetende blanketsel van hun cirkuspronk en passie, overlaaid in zonnigen smoor met de bloedroode en geel-férose verf van hun huiverig-opgesmukt, moordend ellende-bestaan.

Vrouwen met bloote borsten sleurden kinderen mee bij de haren, in de krot-nauwe karren. Andere, spiernaakt, werden weer de holletjes uitgestooten, schreeuwden en grienden, vluchtend naar versten hoek van grasveld. Telkens monsterden nieuwe harige koppen òp uit de lage wagen-deurtjes, plots wègduikend in ’t vuil-diepe kamertjes-binnen van kar; verschenen dan weer, kiekeboeënd in gesprek-schreeuw met buitenhurkenden.—Ontkleed boenden anderen zich op ’t gras, tusschen en vóór de wagens, dierlijk naast elkaar krijscherig doorscheldend.

Van woelige Haven af, klonterden de karren en menschen in wriemel van kruipende kleuren, onder de drijvende stilte van polderlucht en land, eindloos wijd-om. Dìchterbij ronkte de hurrie uiteen, verwalmde kachelstank en rook, rond stoetjes en rommelige wagenboedels. Onder de karwielen kropen al meer klierige kinders uit, met moddertronietjes, zwart-verbakken, als vervuilde duiveltjes zich opgravend uit aard-ingewanden. Tusschen de paardjes en trekhonden vochten ze, en één morsig groepje ranselde ’n vuil-zinlijk aapje, dat grijnsde en wild flikkerde met oogenwit, bij elken mep en ruk aan z’n staart z’n hekserig rimpelkopje nijdig plooide, doorjeukend met z’n harige handen z’n luizige lijfje, bedacht tòch op iederen kinder-aanval.

Wild gekonkel ver-ratelde onder de kakelwijven, rauwe stemmen in alsoortig dialekt, Vlaamsch, Fransch, Duitsch en Amsterdamsch woordgewarrel; spraak van wezens die in heete drift van samenbroei maand aan maand, elkaar al verstonden door stem-intonatie. Vloeken en dreigementen bulderden rond in plotsen overgang van zacht-vleierig gesprek, verdoffend in klankloos geteem.

Achter bassenden en jankenden hondenstoet lagen jonge meiden in luierkring op d’r buik, op ’t heet-zonnige gras, de handen ingehaakt onder kin, met onderbeenen de lucht inzwabberend, zich naakt schoppend tot den rug. Ze begierden elkaar, groeven zich vuilnisbelten van zinlijke lol, stootten de handen onder de kaken wèg, dat hun tronies ’t zengende gras insmakten. Ze beranselden elkaar in woesten stoei, dat hun flodderige lompen scheur-risten en kraakten van de half-naakte lijven. Los de haren over schouders en ontbloote borsten, droogden ze zich de zweettronies met d’r onderrokken of gore hemdfladders.—Een brandende woestijnige hette, schroeide over den meidenstoet in ’t gloei-gras, dat schitter-vonkte en hel-groende. Een luiïge loomheid sufdutte dan plots weer in de snikheete Augustus-zonning.—En rookige walmbenauwing van de straatkacheltjes, verwoei wolkerig over hun verstoofde bloote armen en beenen, en morsige lijven.

Akrobaatkerels en draai-orgelaars schuimden daar samen met uitgestooten schooiers en landloopers van den omtrek, bedelaars en manke mirakels, zich veilig voelend in de boevige broederschap der kermisklanten, hinkend en lollend onder de goochelaars en kijvende waarzegsters.

In Oosterschen gloei zwirrelde tegenover den meidenstoet ’n vrouwenkeet, afgebeulde kijfkoppen, waaronder zeerig-beklierde, bevrat en bepokt, met bloed’rige vlekken onder d’oogen als moordmaskers in melodrama. Afgezonderd op kachelrand zat één jonge vrouw, mooi-Carmenachtig gloeiend ’t zwart-blauwe prachthaar, met ’r droef-verliefde hondenoogen te staren in de lucht, verwiegelend ’n versnotterden slapenden zuigeling op d’r knie. Als ’n paar orgeldraaiers van hun rondgang door ’t stedeke, ’t grasveld opreden, wuifde en kruifde plots ’n waaierspel van hel-rooie, blauwe, gele en wit-gore rokken òp achter de wagens van den meidenstoet, bradend op den buik in zonnevuur. Dan kwam er danspassie onder de heksen en jonge meiden, kiekeboeden wat tronies en halve bovenlijven uit kardiep, ontblootten zich brokken van kammende en kleedende armen. En achter de orgeldraaiers liepen mee, centenophaalsters, donker-harige meiden, slank en kanaljeus in hun groen en paarse afgesleten fluweelen lijfjes, vurig met hun kleur-gloeiende hoofddoeken als zigeunersche kappenbrand van Spaansche cier op de pracht-donkere haren. En langs de slanke heupen, tenger en wulpsch-elastisch, krioelde ’t van kleurige doeken, en om de meidenschouders vonkte ’t van goudspatjes, vurig gevlam van roode en groene sjaal-franjes, bonte en warme cier van zuidelijke passie-beesten. Er ging geschuifel tusschen de karren bij hun ommetocht, er verklonk gevloek en gelach op de kar-trapjes, in ’t wagendiep, en uit den meidenstoet, met d’r kinnen ingehaakt op handen, rolden al meer paren wèg, ’t grasveld òver in brandenden zonnezwijmel.

Geen sterveling van fatsoenlijk Wiereland durfde over de spoorbrug ’t grasveld op, te gaan kijken naar den luizentroep, die van verre, stil in eigen sfeer, z’n brandend brio en traag-geschooier bleef verzwijmelen,—

Van woeligen havenwal àf, tegenover ’t polderstille wèggeschuwde zonnige grasveld, stroomde ’t zonnelicht in kleurigen klots néér op ’t bruin-groene watertje. In troeb’lige golfjes kabbelden daar in zonnewiegel, de kleur-zengende kermiskarren, onderste boven. Ze gloeiden en plasten daar in ’t hel-bezonde havenwalletje, als met vurig zwam bestreken; de wijven òmgekeerd met hun roode, paarse en groen fluweelen rokken, hun vleesch-gore malots, de blonde en roode kinderragebollen; de omgekeerde naakte morsige lijfjes; de wagens met hun rauwen gloed en uitgespuwd verf-bloed, schel vernist in de Augustus-zeng, strakke trillende polderhitte en warmtenevel, inzuigend ’t helle licht in den alkleurigen zongloei, verscherpend de vlam-felle ommetrekken van karren en wezens, tegen den blauwenden polderhemel in.

Zoo dreef de melaatsche hellestoet, in vulkaan-kleurige hevigheid neergezwamd op ’t nat van den walstroom, zwabberend en verkruivend in de waterrimpels en ’t golf geklots, omkabbelend pramen, tjalken en schuit-vervoer. Zoo leefde daar twéé keer, brok bestaan van zomersche kermismisere, in de trage zonnige slaperigheid en den loomen zwijmel van niets-doen; één keer op ’t doodstille grasveld, aangeschuimd in de kokende kleur-klater van licht, de hel-kleurige karrenrij in den smorenden zeng van zonnedag; àndere keer, in ’t walletje, ’t overgloeide water, karren en wezens omdraaiend in de spiegeling van ’t brandende licht, dooreenvloeiend in heeten kleurenwarrel.

En rondomme van de Haven roffelden de orgels, snerpten de fluitenaars, trompetten en basten de registers hun demonischen klankenorkaan, tusschen rauwen menschenzang en schetter van kermisinstrumenten.

II.

Zwellend gerucht van kermislawaai ging door ’t stedeke. De orgels bleven doorrazen in valdreun van joelklanken. Zon bleef gloeien, haalde de Kermis in, met helle lichtflonkering. In den roes van ’t orgelgeschetter verkookten de meiden en kerels hun passie voor nachtpret. Ze beefden verbijsterd onder dreun, deun en zangschetter, en in bloedbruising gistten ze ten dans, in wilde extaze, vastgrijpend wat er voorkwam, de brandende wellustmonden open, om telkens op nieuw weg te duizelen in ’t rond, al in ’t rond, tot ze neerstortten tegen de keien en karren.

Van ’t land en uit de werkerswijkjes kwam sterker druisch en jubel, op den dag telkens gesmoord. Maar ’s avonds in de stille straatjes, aangehitst door ’t van verre aanklankende orgelgerucht, barstte de jool òpen als ’n vuurlong van krater. Hoog spoog de kleurhitte van hun passie boven huisjes, tenten en boomen, en gierende zang en zuip van een en anderen kant, botsten al op elkaar in.

De kanaljeuze meiden van de groentenfabriek, de groenboerenknapen, de wijven en vrijers, jochies en kinders, alles trok op, in den nabroeienden zomeravond, hurkten, hortten en joolden naar de kermis, de heilige kermis.

Pastoors en dominees waarschuwden plechtiglijk en star, maar ’n heete hoon-schater van de knapen raasde hun tegemoet, dat ze zwegen en stom aftrokken.

Eindelijk dan stond de heele lange Baanwijk-boulevard vol kramen, tenten en spullen. Ze leek ’n diepe allée van flonkerende kleuren, schijnsels en lichtvegen; flonker van poffertjeskraamruiten en gebrand glas, met kobalt, brons-gouden en rood-groene sterreling van deuren; flik-flak-zoetige toetsjes van rose en goud-randige ornamentiek, vèr-echoënd in kleurigen warrel tusschen vuilig vergroende spiegels. Overal glom gloei van koperen bakken en meelpotten, ’n schemer en flonker van goud en hel licht, tusschen de hooge, lage, dwarse en hoekige tenten en spullen, aan weerszij, dol van schitterig bonte fleurigheid.

’s Middags opende de kermis met klein gejoel pas van kinders, jochies en meisjes, feestelijk opgesmukt in Zondagsplunje.—

Op havenkant was schorriemorriënder spullenlawaai saamgedromd; de schelle klingeling en ’t heete galmend belgeraas van draaimolens, ’t gebons van karren tusschen ’t eerste gemoker en gedreun van vaste stàndplaatsorgels, vóór of in de spellen.—Dienstmeisjes koekeloerden, jongens schaterden en kinders gilden en sprongen als razende konijntjes, overal rond.

Tegen den middag was de zon weggebleekt, na de kermis met fonkel en gouden glans te hebben ingehaald. Maar zwoel en broeierig bleef Augustushitte zwangeren uit druilgrauwe lucht, boven ’t woelende stedeke, grauw-paars boven orgelenden havenwoel en Baanwijk-boulevard.

Dirk, Piet en Rink van den polder, hadden zich voor de kermis samengevrindschapt, loerend op de meiden van Grint. Jan Grint, uit eigenbelang, om Guurt meer te ontmoeten, school bij hèn; Geert en Trijn, Corrie en Annie weer bij Jàn, om vrijer overal in te draaien en mee te lollen.—Klaas Koome, de Hazewind, was bij de nèven Hassel getrokken, half gelokt met ruim geld, als spotkracht en durfkerel, en om sterker dan zij durfden, de meiden van Grint naar hèn toe te tronen. De meisjes voelden den aandrang van twee kanten, hurkten bangelijk in den knel. Maar Trijn wou niet dat Geert d’r hoofd zou breken, om die narigheidjes. Wat kon hun ’t schelen hoe ’t gaan zou met die vijandelijke kerels, nou ze zelf overborrelden van heerlijken kermiswellust. Zou wèl losloopen.

’s Avonds stapten Dirk, Piet en Rink op ’t pad, gingen ze Jan Grint halen.—’t Speet de meiden dat Jàn niet bij de nèven hoste, de neven met den loodpot! Maar Jan was zèker bij Dirk minstens ’n paar keer Guurt te treffen. Nou moesten de meisjes mee met hèm. Ze stonden klaar aan de deur, liepen naar voor, naar achter, popelend zenuwdruk, gejaagd.—

Toen ze de mannen hoorden aanstappen, en de vooruit schallende schreeuw van hun zangkelen ’t pad òpklaroende, stapten ze hun huisje uit, zoenden moeder Grint, vader en kleuters, en volgden vlug de lustige bazuin-juichende knapen.

Dwars door hobbeligen duinweg, op polderkant aan, ging ’t los.

Piet, Rink en Dirk joedelden in dolle dwarse sprongen, Piet nog op z’n klompen, om lekkerder straks te klakkeren en klos-meppen op de tentplanken.

In slinger-rij, de drie meisjes omarmd-ingehaakt, zongen ze den duisteren avondweg àf, die zomerstil lag te suizelen in heimvol geruisch, onder donker bleek-sterrenglanzend azuur.

Rauw krijschten de kerelsstemmen door den gil’rigen vrouwenzang, in opgewonden passie ’t kermislied uit.

Arreme frouw en kin.. d’re Stuurt men noàr de moordenoarskampe haine.. Aooaauuw! waa’t ’n skande Loage wroak van En-gè-land!

En telkens met iets bloeddorstigs hysterisch in den nationalen zangkrijsch scheurden door ’t avondstille, week-golvende duinpad, in zwenk van alle stemmen plots, de rauwe geluiden bijéén, een sleurige zeil van gloeiende passie naar ’t refrein:

Aooaauw! waa’t ’n ska-ande!

heel ’n leven van wraak-bloedige dierlijkheid en woede er in uitbrallend.

Midden op den dwarsweg trad plots ’n donker stoetje, ook brullend en zangbruisend bijeengehaakt in slingerrij, woest tegen de Hassels en Grintjes insliertend.

Ikke sel d’r bai stoan op wè-el en wai! Deesie.. Deesie!

verkalden daar krollige mannestemmen. En vlak voor de meisjes hielden stand de zangers, donker-groot in ’t avondduister van duinpad.

—Saa’k stikke! da hai je de maide van Grint, spoog Willem Hassel er uit, met ’n spatstraal van z’n pruim tusschen z’n tanden.—

—Kaik! klonk ’t verrast van andere zij, da binne dur Willem.... Jaa’n.... Henk! en Klaas Koome! telde Piet vagelijk in ’t duister.

—Kaike?.. Hoasewind! f’rek.... en.... enne.. waa’s dá’ veur ’n snaiboon.... wâ? Bolk, Platneus jai? jài! gierde Dirk, die eerst nijdig had willen worden maar in verglijing van bui, in ’n woesten schater schoot.

—Is je waif dur t’met protekollig Ouë, spotte Piet, kèn d’r dâ ouë bier nog werreke?

De neven Hassel hadden met Klaas Grint afgesproken dat zij de meiden zouden halen, en nou had de vent ze toch met die vervloekte klus meegegeven.—

—Saa’k f’rbrande! brulde Willem, daa’s ’n judaàsstreek, t’met hep ie vaif moal d’r aige sait da wài.. wài de maide hebbe daa’s kapsies soeke....

—Die vint hep dur puur gain koorakter....

—Nou, hoonde Dirk terug, de meisjes naar zich toesleurend met twee armen tegelijk, wâ motte de kooters mit sukke koale jasse van doen?

Beefwoedend klonk z’n stem in ’t duister.

—Daa’s net, jai hep ’t op je ruiker, ironiseerde Rink, de reuzige polderkerel, ’n kittelstreekje onder Geert’s kin smerend, dat ze schrok.

—Hande thuis, snauwde Geert gemaakt, zich erg in de knel voelend, nu de andere knapen op ’t donkere pad daar dreigden.

—De deftighaid komp! moak ruimte! hoonde Dirk weer.