Part 46
Van de deur van het kasteel teruggewezen, en niet wagende om aanzoek bij den groot-sheriff of de rechters te doen, in zijn eigen slecht aangeteekenden naam, nam hij toevlucht tot den rechtsgeleerde, die voor Fergus was opgetreden. Deze heer zeide hem, dat men beducht was voor den openbaren geest, en dat deze zou misleid worden indien men de laatste oogenblikken dezer Jacobieten, door de vrienden van den Pretendent liet beschrijven; dat daarom een besluit genomen was, om aan alle menschen, die zich niet op bloedverwantschap konden beroepen, het bezoeken der gevangenen te weigeren. Evenwel beloofde hij (om den erfgenaam van Waverley-Honour te verplichten) voor hem een verlof van toegang tot den gevangene te verkrijgen, op den volgenden morgen, eer hem zijn ketenen zouden afgenomen worden, voor de, voltrekking van het vonnis.
„Spreekt men dus van Fergus Mac-Ivor,” dacht Waverley, „of droom ik? Van Fergus, den stouten, den ridderlijken, met die vrije ziel? het verheven hoofd van een stam, die hem aanbad? Is dit de man, dien ik de jacht heb zien aanvoeren en den aanval besturen, – de dappere, de werkzame, de jeugdige, de edele, de lieveling der vrouwen en het onderwerp der gezangen – is hij het, die geketend is als een boosdoener? Die op een horde naar de gemeene galg zal worden gesleept, om een langzamen en wreeden dood te sterven, en verminkt te worden door den ellendigste onder de stervelingen? Van kwade voorbeduiding zeker, was het spook, dat zulk een noodlot aan het dappere opperhoofd van Glennaquoich boodschapte!”
Met een bevende stem verzocht hij den rechtsgeleerde, om een middel te verzinnen, waardoor Fergus van zijn voorgenomen bezoek zou worden verwittigd, indien hij het verlof daartoe verkrijgen mocht. Na dit verzocht te hebben verliet hij hem, en teruggekomen in de herberg, schreef hij een nauwelijks leesbaar briefje aan Flora Mac-Ivor, waarin hij haar zijn voornemen te kennen gaf, om haar dien avond te bezoeken. De bode bracht een brief terug, waarin Eduard Floras schoon, en duidelijk schrift herkende, door een hand geschreven, die zelfs nauwelijks scheen gebeefd te hebben, onder dit gewicht van ellende, „Freule Flora Mac-Ivor,” zoo luidde de inhoud van den brief, „kon niet weigeren den liefsten vriend van haar lieven broeder te zien, ook in haar tegenwoordige omstandigheden van nooit geëvenaarde ellende.”
Toen Eduard Flora Mac-Ivors tijdelijke verblijfplaats bereikte, werd hij terstond toegelaten. In een ruim en donker behangen vertrek zat Flora bij een tralievenster, terwijl zij zich met het naaien van iets onledig hield, dat naar een kleed van wit flanel geleek. Op een kleinen afstand zat een bejaarde vrouw, oogenschijnlijk een vreemde, en tot een geestelijke orde behoorende. Zij las in een katholiek gebedenboek; maar legde het, toen Waverley binnen kwam, op tafel en verliet de kamer. Flora stond op om hem te ontvangen, en reikte hem de hand; maar geen van beide waagde het een gesprek aan te vangen. Haar schoone kleur was geheel verdwenen, haar voorkomen aanmerkelijk vermagerd, en haar gelaat en handen zoo wit als het zuiverste marmer, hetgeen een sterk contrast met haar donkere kleeding en gitzwart haar opleverde. Maar onder al deze teekenen van rouw, was er niets in haar kleeding dat men ongepast of verwaarloosd had mogen heeten – zelfs het haar, schoon geheel zonder sieraad, was met de gewone zorgvuldigheid opgemaakt. De eerste woorden, die zij uitte, waren: „Hebt gij hem gezien?”
„Helaas, neen!” antwoordde. Waverley, „men heeft mij den toegang geweigerd.”
„Deze gestrengheid is in overeenstemming met al het overige,” zeide zij; „maar wij moeten ons onderwerpen. Zult ge nog toegang tot hem verkrijgen, denkt ge?”
„Tegen – tegen – morgen!” zeide Waverley, maar sprak het laatste woord zoo zacht uit, dat het bijna onverstaanbaar was.
„Ja, morgen of nooit,” zeide Flora, „tot” – voegde zij er bij, naar boven ziende, „de tijd komt, dat wij, naar ik vertrouw, allen elkander zullen wederzien. Maar ik hoop, dat gij hem zien zult, terwijl de aarde hem nog draagt. Hij heeft u altoos in het diepst van zijn hart bemind, ofschoon – maar het is dwaasheid van het verledene te spreken.”
„Inderdaad dwaasheid!” herhaalde Waverley.
„Zelfs van de toekomst, waarde vriend,” zeide Flora, „en voor zoo ver het wereldsche gebeurtenissen betreft; want hoe dikwijls heb ik mij niet de verschrikkelijke mogelijkheid van deze vreeselijke uitkomst voorgesteld, hoe dikwijls mij niet ten taak gesteld te overwegen, hoe ik mijn deel daarvan zou kunnen dragen, en toch, hoe verre zijn mijn voorstellingen gebleven beneden de voorbeeldelooze ellende van dit uur!”
„Waarde Flora, zoo uwe geestkracht” –
„Ja, daar schuilt het,” antwoordde zij eenigszins woest, „er huist, mijnheer Waverley, een onrustige duivel in mijn hart, die fluistert – maar het zou dwaasheid zijn naar hem te hooren – dat de geestkracht waarop Flora zich verhief, haar broeder heeft – vermoord!”
„Barmhartige God! hoe kunt gij zulk een vreeselijke gedachte uiten?”
„Ja, is het niet afgrijselijk? En toch vervolgt ze mij als een spook. Ik weet dat het niets dan ijdele verbeelding is, maar zij wil er zijn, zij wil mij haar verschrikkingen opdringen; zij wil fluisteren dat mijn broeder, even levendig als vurig, de veerkracht van zijn geest over honderd voorwerpen zou verdeeld hebben. Ik was het, die hem leerde ze te vereenigen, en alles op dit ijselijk en wanhopig spel te zetten. O, dat ik mij herinneren kon, maar eens tegen hem gezegd te hebben: „Blijf te huis, spaar uzelven, uw vazallen, uw leven, voor ondernemingen, die binnen het bereik liggen van een mensch.” Maar, o mijnheer Waverley, ik hitste zijn vurig gemoed aan, en voor de helft ten minste heeft hij zijn ondergang aan zijn zuster te wijten!”
Dit vreeselijk denkbeeld zocht Eduard te bestrijden, door allerlei onzamenhangende redenen, die hem maar voor den geest kwamen. Hij herinnerde haar de beginselen, waarnaar beide het hun plicht achtten te handelen, en waarin zij waren opgevoed.
„Denk niet, dat ik ze vergeten heb,” hernam zij, terwijl zij snel opkeek; „ik heb geen berouw over zijn onderneming, omdat zij berispelijk of slecht was: neen! op dat punt ben ik gewapend; maar ik voel berouw omdat het onmogelijk was, dat zij anders kon eindigen, dan op deze wijze.”
„Intusschen,” vervolgde Eduard, „scheen zij niet altijd zoo wanhopig en gewaagd, en Fergus’ stoute geest zou deze zaak omhelsd hebben, of gij het goedgekeurd hadt, of niet. Uw raad heeft alleen gediend om standvastigheid aan zijn gedrag te verleenen, om zijn besluit waardigheid bij te zetten, niet om het te overhaasten.” Flora had spoedig opgehouden naar Eduard te luisteren, en was weder met haar naald bezig.
„Herinnert gij u,” zeide zij, terwijl zij met een ijzingwekkenden glimlach opzag, „dat gij mij eens onledig hebt gevonden met het in gereedheid brengen van Fergus’ bruidsgeschenken, en nu naai ik zijn bruigomskleed. Onze vrienden hier,” dus ging zij met gesmoorde aandoening voort, „zullen gewijde aarde, in hun kapel gunnen aan de bloedige overblijfselen van den laatsten Vich Ian Vohr. Maar ze zullen niet allen bijeen rusten; neen, – zijn hoofd! – ik zal de laatste jammerlijke voldoening niet hebben, om de koude lippen te kussen van mijn lieven, lieven Fergus!”
Hier viel de ongelukkige Flora, na een paar snikken, op haar stoel in zwijm. De dame, die zich in het voorvertrek verwijderd had, trad thans haastig binnen, en verzocht Eduard de kamer; maar niet het huis, te verlaten.
Toen hij, na verloop van bijna een half uur, teruggeroepen werd, bevond hij dat Flora Mac-Ivor, door een krachtige inspanning, eenigszins tot bedaren gekomen was. En nu waagde hij het Rose Bradwardines aanspraken te laten gelden, om als een aangenomen zuster beschouwd te worden, die het recht had om haar bij te staan in haar plannen voor de toekomst.
„Ik heb een brief van mijn lieve Rose gehad,” antwoordde zij, „met hetzelfde oogmerk. De droefheid is baatzuchtig en inhalig, anders zou ik geschreven hebben om haar te kennen te geven, dat ik, zelfs in mijn eigene wanhoop, een zweem van genoegen smaakte, bij het vernemen van haar gelukkige vooruitzichten, en bij het hooren dat de goede oude Baron aan de algemeene schipbreuk is ontkomen. Geef dit aan mijn liefste Rose; het is het eenige sieraad van waarde, dat haar arme Flora bezit, en het was het geschenk van een vorstin.” Ze stelde hem een doosje ter hand, dat het diamanten halssnoer bevatte, waarmede ze gewoon was haar lokken te versieren. „Voor mij is het in het vervolg nutteloos. De goedheid mijner vrienden heeft mij een schuilplaats bezorgd in het klooster der Schotsche Benedictijner nonnen te Parijs. Morgen – als ik wezenlijk morgen overleven kan – ga ik op reis, met deze eerwaarde zuster. En nu, mijnheer Waverley, vaarwel! Moogt gij zoo gelukkig zijn met Rose, als gij verdient; en denk soms aan de vrienden, die gij verloren hebt. Doe geen moeite om mij weder te zien; het zou een misplaatste vriendelijkheid wezen.”
Zij reikte Eduard de hand, waarop hij een stroom van tranen vergoot; met bevende schreden verliet hij de kamer, en keerde naar Carlisle terug. In de herberg vond bij een brief van zijn rechtsgeleerden vriend, die hem berichtte, dat hij den volgenden morgen bij Fergus zou worden toegelaten, zoodra de poorten open waren, en dat het hem vergund zou zijn bij zijn vriend te blijven, tot de aankomst van den sheriff het teeken zou wezen voor den noodlottigen tocht.
VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Een treur’ger afscheid breekt het hart, De doods-trom is omwonden, de baar bekleed met zwart. Campbell.
Na een slapeloozen nacht, vond de eerste morgenstraal Waverley op de esplanade, voor de oude Gothische poort van Carlisle-Castle. Maar hij stapte lang, in allerlei richtingen, heen en weêr, vóor dat het uur geslagen had, waarop, volgens de bepalingen voor de bezetting, de poorten open gingen en de valbrug neêrgelaten werd. Hij vertoonde zijn pas aan den sergeant van de wacht, en werd toegelaten. De plaats van Fergus gevangenis was een donker, overwelfd vertrek in het midden van het kasteel; het bestond uit een lompen, ouden toren, waaraan een groote oudheid werd toegeschreven, en was omringd door buitenwerken, die oogenschijnlijk uit den tijd van Hendrik VIII, of ongeveer dien tijd waren. Het geknars der zware ouderwetsche grendels en boomen, die men wegschuiven moest om Eduard binnen te laten, werd beantwoord door het gerammel van ketenen, toen het ongelukkige Opperhoofd, vast en zwaar geboeid, zich langs den steenen vloer zijner gevangenis voortsleepte, om zich in de armen van zijn vriend te werpen.
„Mijn waarde Eduard,” zeide hij, op krachtigen en zelfs opgeruimden toon, „dat is echt vriendschappelijk van u. Ik heb met het grootst genoegen uw aanstaand geluk vernomen. En hoe gaat het met Rose, en hoe maakt het onze wonderlijke oude vriend, de Baron? Wèl, naar ik hoop, omdat ik u in vrijheid zie – en hoe zult gij den voorrang regelen tusschen de drie loopende hermelijnen en den beer en den laarzentrekker?”
„Waarde Fergus, hoe kunt ge van zulke dingen spreken, in een oogenblik als dit?”
„Wel, zeker zijn wij Carlisle onder gelukkiger voorteekenen binnengetrokken – op den zestienden November jongstleden, bij voorbeeld, toen wij naast elkander er binnenrukten, en de witte vlag op dezen ouden toren heschen. Maar, ik ben geen kind, om neêr te gaan zitten en te schreien, omdat het geluk mij niet is nageloopen. Ik wist welken kans ik liep; wij hebben het spel moedig gespeeld, en het verlorene zal moedig betaald worden. En nu, laat ons, daar mijn tijd kort is, over de dingen spreken, die mij de meeste belangstelling inboezemen. – De Prins? is hij aan de bloedhonden ontsnapt?”
„Ja, hij is in veiligheid.”
„Ha! God zij geloofd! Vertel mij de bijzonderheden dier ontsnapping.”
Waverley verhaalde hem die merkwaardige geschiedenis, voor zoo ver ze toen was uitgelekt, een verhaal, waarnaar Fergus met de grootste belangstelling luisterde. Vervolgens vroeg hij naar een aantal andere vrienden, en deed in het bijzonder onderzoek naar het lot, van zijn eigene clanslieden. Zij hadden minder geleden dan andere stammen, die in de zaak betrokken waren geweest; want daar zij zich, voor een groot deel, verstrooid en naar huis begeven hadden, na de gevangenneming van hun Opperhoofd, gelijk dit een algemeen gebruik onder de Hooglanders was, had men hen niet gewapend aangetroffen, toen de opstand voor goed gedempt werd, zoodat ze om die reden met minder gestrengheid behandeld werden. Fergus vernam deze bijzonderheden met groote voldoening.
„Gij zijt rijk, Waverley,” zeide hij, „en gij zijt edelmoedig; als gij hoort, dat deze arme Mac-Ivors verontrust worden in hun ellendige bezittingen, door den een of anderen harden opzichter of agent van het Bewind, herinner u dan, dat gij hun tartan hebt gedragen en een aangenomen zoon zijt van hun geslacht. De Baron, die onze zeden kent, en dicht bij ons land woont, zal u den tijd en de middelen wel doen kennen, om als hun beschermer op te treden. Wilt gij dit den laatsten Vich Ian Vohr beloven?”
Eduard, zooals men gemakkelijk denken kan, gaf zijn woord, hetwelk hij ook zoo onbekrompen en mild gestand deed, dat zijn gedachtenis nog in deze dalen voortleeft, onder den naam van den „Vriend der Zonen van Ivor.”
„O, mocht het God behagen,” ging het Opperhoofd voort, „dat ik u mijn rechten overdragen kon op de liefde en gehoorzaamheid van dit oude en brave geslacht: – of ten minste, gelijk ik gepoogd heb, dat zij den armen Evan overreedden, om zijn leven op de aangeboden voorwaarde aan te nemen, en voor u te zijn, wat hij voor mij geweest is, de goedhartigste – de braafste – de meest verknochte.”
De tranen, die zijn eigen lot hem niet in de oogen kon lokken, stroomden ruim om dat van zijn zoogbroeder.
„Maar,” zeide hij, terwijl hij ze droogde, „dat kan niet. Gij kunt voor hen geen Vich Ian Vohr zijn; en deze drie tooverwoorden, zeide hij, half lachende, „zijn de eenige talisman voor hun gevoel en hun hart, en de arme Evan moet zijn zoogbroeder in den dood volgen, gelijk hij hem zijn geheele leven door gevolgd heeft!”
„En ik weet zeker,” zeide Maccombich, terwijl hij zich van den vloer oprichtte, waarop hij, uit vrees van hun gesprek te storen, zoo stil gelegen had, dat Eduard, bij de duisternis van het vertrek, zijn tegenwoordigheid niet eens bemerkt had, – „ik weet zeker, dat Evan nooit een beter lot wenschte noch verdiend heeft, dan juist dat van met zijn Opperhoofd te sterven.”
„En nu,” zeide Fergus, „daar wij van de clanschap spreken – wat dunkt u nu van de voorspelling van den Bodach Glas?” – En eer Eduard antwoorden kon, vervolgde hij: „Ik zag hem gisteren nacht weder – hij stond bestraald door den maneschijn, die, uit dat hooge en enge venster, op het voeteneinde van mijn bed viel. Waarom zou ik hem vreezen, dacht ik – morgen, – lang voor dezen tijd, – zal ik even onstoffelijk zijn als hij. „Leugengeest,” riep ik, „zijt gij gekomen, om uw wandelingen op aarde te besluiten, en de zegepraal te vieren over den val des laatsten afstammelings van uw vijand?” Het spook scheen te knikken en te glimlachen, terwijl het uit mijn gezicht verdween. Wat dunkt u er van? – ik deed dezelfde vraag aan den priester, die een goed en verstandig man is; hij stemde toe, dat de kerk erkende dat zulke verschijningen mogelijk waren, maar drong er op aan, dat ik mijn geest niet zou vermoeien met daarover te peinzen, daar ons de verbeelding zulke vreemde streken speelt. Wat dunkt u er van?”
„Ik ben het met uw biechtvader eens!” hernam Waverley, die niets liever wenschte dan allen redetwist over zoodanig punt op zulk een oogenblik te vermijden. Een tik aan de deur kondigde thans dien goeden man aan, en Eduard verwijderde zich terwijl hij den beiden gevangenen de laatste sacramenten, volgens het Roomsche kerkgebruik, toediende.
Na verloop van een uur werd hij weder toegelaten; kort daarop kwam een kommando soldaten met een smid, om de boeien van de beenen der gevangenen los te klinken.
„Gij ziet,” zeide Fergus met een glimlach, „welk een compliment men aan onze Hooglandsche spierkracht en moed maakt – wij hebben hier geketend gelegen als wilde dieren, totdat onze beenen door kramp verlamd zijn, en nu ze ons los maken, zenden ze zes soldaten met geladen geweren, om te beletten, dat wij het slot stormenderhand veroveren!”
Eduard vernam later, dat deze strenge voorzorg gebezigd werd, ten gevolge eener wanhopige poging der gevangenen, om te ontsnappen, waarin zij op het punt waren geweest van te slagen.
Spoedig hierop riepen de trommels de bezetting onder de wapens. „Dit is de laatste marsch!” zeide Fergus, „dien ik hooren en waaraan ik gehoorzamen zal. En nu mijn beste, beste Eduard, laat ons, eer wij scheiden, van Flora spreken – een onderwerp, dat de teêrste snaar raakt, die nog in mij trilt.”
„Wij scheiden hier niet,” zeide Waverley.
„Ja, zeker, gij moet mij niet verder vergezellen. Niet, dat ik hetgeen volgt, voor mijzelven vrees,” zeide hij met fierheid, „de natuur heeft zoo wel haar martelingen, als de kunst, en hoe gelukkig zouden wij den man prijzen, die aan de benauwdheden eener pijnlijke en doodelijke ongesteldheid binnen den tijd van een half uur ontsnapte? En deze zaak mogen ze rekken, zoo veel ze willen, langer duren kan het niet. Maar het gezicht van hetgeen een stervende in staat is met vastberadenheid uit te staan, zou voor een levenden vriend wel eens doodelijk kunnen zijn. – Deze fraaie wet op het hoogverraad,” ging hij met vastheid en bedaardheid voort, „is een der zegeningen, Eduard, waarmede uw vrij vaderland ons arm oud Schotland heeft begunstigd, daar, naar ik hoor, onze eigen rechtspleging veel zachter was. Wanneer er geen woeste Hooglanders meer met zulke teedere gunsten te beweldadigen zijn, zullen ze het uit hunne wetboeken schrappen, daar het hen gelijk stelt met een volk van kannibalen, even als zij de zotternij zullen laten varen, van een gevoelloos hoofd te pronk te stellen voor de oogen van het publiek. Zij zijn niet geestig genoeg om het mijne met een papieren kroontje te versieren; daarin zou nog iets satirieks gelegen zijn. Ik hoop evenwel, dat ze het op de Schotsche poort zullen zetten, opdat, zelfs na mijn dood, mijn oogen gekeerd mogen zijn naar de blauwe heuvels van mijn vaderland, dat ik zoo hartelijk liefheb. De Baron zou er bijgevoegd hebben:
„Moritur, et moriens dulces reminiscitur Argos.” [183]
Een beweging, en het geluid van raderen en paardenhoeven liet zich thans op de binnenplaats van het kasteel hooren. „Ik heb u gezegd, Eduard, dat gij mij niet moet volgen, en dit geluid herinnert mij dat mijn uur gekomen is. Vertel mij dus, hoe gij de arme Flora gevonden hebt?”
Waverley gaf, met een door aandoeningen afgebroken stem, verslag van de stemming waarin hij Flora had gevonden.
„Arme Flora!” antwoordde het Opperhoofd, „ze zou haar eigen dood veel lichter verduurd hebben dan den mijne. Gij, Waverley, zult spoedig het geluk dat onderlinge liefde in het huwelijk schenkt, leeren kennen – lang, lang mogen Rose en gij het genieten! – maar gij zult nooit de reinheid van het gevoel kunnen beseffen, dat twee weezen, als Flora en mij, verbindt, die, om zoo te zeggen alléen gelaten in de wereld, van de vroegste kindschheid af, alles in alles voor elkander waren. Maar haar ernstige denkbeelden van plicht en haar innige gevoelens van gehechtheid aan het koninklijk geslacht, zullen haar geest nieuwe krachten verleenen, nadat de folterende smart dezer scheiding bedaard is. Zij zal dan aan Fergus denken, als aan den held van ons geslacht, wiens daden te herdenken haar een onuitsprekelijk genot zal zijn.”
„Zal ze u dan niet eens zien? Ze scheen er op te rekenen.”
„Een noodzakelijk bedrog zal haar dit laatste verschrikkelijk afscheid sparen. Ik zou van haar niet hebben kunnen scheiden zonder tranen, en ik kan het denkbeeld niet dulden, dat deze lieden denken zouden, dat ze de macht hebben mij die uit de oogen te persen. Men heeft Flora wijs gemaakt, dat ze mij later zien zou, en deze brief, die mijn biechtvader haar ter hand zal stellen, zal haar berichten dat alles voorbij is.”
Thans verscheen, een officier, en berichtte dat de groot-sheriff en zijn gevolg buiten de poort van het kasteel wachtten, „om de lichamen van Fergus en Evan Maccombich op te eischen.” „Ik kom,” antwoordde Fergus. En terwijl hij Eduards arm greep en door Evan Dhu en den priester werd gevolgd, daalde hij de trappen van den toren af; de stoet werd door de soldaten gestoten. De binnenplaats was bezet met een eskadron dragonders en een bataljon infanterie, en carré geschaard. In het midden van hun gelederen was de slede, of horde, waarop de gevangenen naar de plaats der terechtstelling, omtrent een kwartier ver van Carlisle, moesten gesleept worden. Ze was zwart geverwd en met een schimmel bespannen. Aan het eene einde van dit voertuig zat de scherprechter, een kerel, even afzichtelijk als zijn ambt, met de groote bijl in de hand; aan het andere einde, het dichtst bij het paard, was een ledige plaats voor twee personen. Door den langen en donkeren Gothisch gewelfden gang, die naar de brug geleidde, zag men den groot-sheriff en zijn gevolg te paard, wien de etiquette, die de burgerlijke en militaire autoriteiten van elkander scheidt, niet toeliet nader te komen. „Geen kwade toerusting voor een laatste tooneel,” zeide Fergus, verachtelijk glimlachende, terwijl hij een blik op het schrikbarende toestel wierp. Evan Dhu, wiens oog op de dragonders viel, riep met eenige verbittering: „Dit zijn dezelfde knapen, die te Gladsmuir weg liepen, voordat wij nog een dozijn van hen doodslaan konden. Thans zien ze er echter dapper genoeg uit.” De priester verzocht hem te zwijgen.
Thans naderde de slede; en Fergus zich omkeerende omhelsde Waverley, kuste hem op beide wangen, en stapte vlug naar zijn plaats. Evan zette zich naast hem. De priester zou in een rijtuig van den katholieken heer volgen, bij wien Flora gehuisvest was. Op het oogenblik dat Fergus met de hand een afscheidsgroet aan Waverley toewierp, omsloten de soldaten de slede, en de geheele stoet zette zich in beweging. Er was een oogenblik van oponthoud aan de poort, daar de Gouverneur van het kasteel en de groot-sheriff een kleine formaliteit verrichtten, dewijl de militaire Officier de personen der misdadigers aan de burgerlijke autoriteiten moest uitleveren. „Leve koning George!” riep de groot-sheriff. Fergus richtte zich echter overeind op de slede, en antwoordde met luide en vaste stem: „Leve koning Jacobus!” Dit waren de laatste woorden, door Waverley uit den mond zijn vriends gehoord.
De trein zette zich op nieuw in beweging, en de slede verdween van onder de gewelfde poort, waar ze een oogenblik had stil gehouden. De doodsmarsch, gelijk hij genoemd wordt, liet zich toen hooren, en de zwaarmoedige tonen vermengden zich met den klank eener doffe klok, die in de naburige hoofdkerk geluid werd. De tonen der krijgsmuziek werden hoe langer hoe onhoorbaarder, naar gelang de trein verder en verder voorttrok; en weldra hoorde men niets anders dan het akelig onheilspellend geluid van een aantal kerkklokken.