Waverley

Part 45

Chapter 453,904 wordsPublic domain

„Dat zou ik heel gaarne doen; en ik ben u wel zeer dankbaar, dat gij mij aan mijn schuldigen plicht herinnert. Maar ik zal eerst na zonsondergang van den kapitein terug zijn, en op dezen ongelegen tijd heeft het al een kwaden naam – daar is zoo iets met de oude Janet Gellatley, dat niet recht in den haak is. De Baron wil deze dingen niet gelooven, maar hij is altijd onvoorzichtig en roekeloos – en nooit voor mensch noch duivel bang geweest. Maar ik weet dat Sir George Mackenzie zegt, dat geen godgeleerde ontkennen kan dat er toovenaars zijn, dewijl er in den Bijbel staat: gij zult ze niet laten leven; en dat geen rechtsgeleerde het betwijfelen kan, dewijl de wet er de doodstraf op stelt. Dus is zoo wel de wet als het Evangelie er voor. En wilt gij aan Leviticus geen geloof slaan, zoo moogt gij toch het wetboek gelooven. – Maar gij kunt in dit opzicht uw eigen weg volgen; dat is Duncan Mackwheeble onverschillig. Echter zal ik heden avond om de oude Janet zenden; het is best die soort van lieden te vriend te houden, en ik zal Davie noodig hebben, om het spil te draaien; want ik zal Eppie een vette gans op tafel laten brengen voor het avondeten.”

Toen het dicht bij zonsondergang was, spoedde Waverley zich naar de hut, en hij moest bekennen, dat het bijgeloof geen ongelukkige keus had gedaan, wat de plaatselijke gelegenheid en het voorwerp zelf betrof om er een denkbeeldigen schrik op te gronden. Het een en ander geleek sprekend naar de beschrijving van Spencer:

Daar vond ze, in een diep en donker dal, Een hut uit leem en rietwerk opgeslagen, Omgeven door een breeden zoden wal. Een tooverkol, met innig zelfbehagen, Bewoonde die, als oord van weelde en lust; Ze had zich gansch met lompen toegerust, En scheen vrijwillig haar ellend te dragen, Verwijderd van de wereld, opdat niet Haar duivelskunsten en haar booze streken, Door ’s buurmans oog ter kwader uur bespied, Aan ’t licht gebracht, zich bitter zagen wreken Door kracht der wet die toovnaars nooit ontziet.

Eduard trad de stulp binnen, terwijl hij zich deze regels voor den geest riep. De arme oude Janet, gebogen door de jaren, en zwart door den rook van haar vuur, strompelde door de hut met een berkenbezem, en mompelde in zichzelve, terwijl zij haar haard en vloer wat reinigde, om de door haar verwachte gasten zoo goed mogelijk te ontvangen. Het geluid van Waverleys tred deed haar schrikken, en over alle ledematen beven, terwijl zij een schuchteren blik op hem sloeg; zoozeer waren haar zenuwen gespannen geweest voor de veiligheid van haar heer. Niet zonder veel moeite deed Waverley haar begrijpen, dat de Baron nu niets meer voor zijn persoon te vreezen had, en toen zij dit heuglijk nieuws ten slotte gevat had, viel het even moeielijk haar te doen gelooven, dat hij niet weder in het bezit van zijn goederen komen zou. „Dat behoorde toch zoo,” zeide ze „hij zou ze wel weêr krijgen; niemand zou verlangen om hem zijn eigendom te benemen, nadat men hem vergiffenis geschonken had. En wat dien Inch-Grabbit betreft, om hem zou ik soms wenschen een tooverheks te zijn, als ik niet vreesde, dat de Booze mij bij het woord zou houden.” Nu gaf Waverley haar eenig geld, en beloofde dat haar getrouwheid betoond zou worden. „Hoe kan ik beter beloond worden, mijnheer, dan juist daardoor dat ik mijn ouden meester en Freule Rose mag zien terug komen, om gebruik te maken van hetgeen hun toekomt?”

Waverley nam nu afscheid van Janet, en stond spoedig weder voor de schuilplaats van den Baron. Op een zacht gefluit, zag hij den ouden heer het hoofd buiten het hol steken, even als een oude das, die den omtrek verkent. „Ge zijt wat vroeg gekomen, mijn goede jongen,” zeide hij, terwijl hij weder naar binnen klom; „ik twijfel, of de roodrokken de taptoe reeds geslagen hebben, en vóor dien tijd zijn wij niet veilig.”

„Goed nieuws kan nooit te vroeg gebracht worden,” zeide Waverley; en met een onbeschrijfelijke vreugde deelde hij hem de gelukkige tijding mede. De oude man stond een tijdlang in stille godsdienstige aandoening verzonken, en riep toen uit: „De Heer zij geloofd! – Ik zal mijn kind weder zien!”

„Om nooit, naar ik hoop, weder van haar te scheiden,” zeide Waverley.

„Ik vertrouw, met Gods hulp, van neen, tenzij om haar de middelen tot haar onderhoud te verschaffen; want mijn zaken zijn in geen al te besten toestand; maar wat beteekenen de goederen dezer wereld?”

„En indien,” zeide Waverley bedeesd, „er een middel bestond om Freule Bradwardine tegen de wisselvalligheid der fortuin te beveiligen in den rang, waarin ze geboren is, zoudt gij daartegen hebben, waarde Baron, omdat het een uwer vrienden tot den gelukkigsten man op aarde maken zou?” De Baron keerde zich om, en keek hem met grooten ernst aan. „Ja,” ging Eduard voort, „ik zal mijn vonnis niet eer als ingetrokken beschouwen, voordat gij mij verlof geeft, om u naar Duchran te vergezellen, en –”

De Baron scheen al zijn waardigheid te verzamelen, om een gepast antwoord te vinden voor iets, dat hij, op een anderen tijd, behandeld zou hebben als een plechtige inleiding tot een voorstel van een verbintenis tusschen de huizen van Bradwardine en Waverley. Maar al zijn pogingen daartoe waren te vergeefs; de vader behield de overhand op den Baron; de trotschheid op rang en geboorte was verdwenen; – in zijn vreugdevolle verbazing hiep een lichte zenuwtrekking over zijn gelaat, terwijl hij toegaf aan de gewaarwordingen der natuur; hij sloeg de armen om Waverleys hals en snikte uit: „Mijn zoon, mijn zoon! als ik de wereld had doorzocht, zou ik mijn keus tot u bepaald hebben.” Eduard beantwoordde de omhelzing met de innigste hartelijkheid, en bewaarde voor een poos het stilzwijgen. Eindelijk werd het door Eduard afgebroken. „Maar Freule Bradwardine?” –

„Zij heeft nooit een anderen wil, dan dien haars ouden vaders gehad; daarenboven gij ziet er goed uit, bezit eerlijke beginselen en zijt van goede geboorte. – Neen, neen, zij heeft nooit een anderen dan den mijnen gehad, en in mijn schoonste dagen had ik nooit een wenschelijker bruidegom voor haar kunnen vinden, dan den neef van mijn uitmuntenden ouden vriend, sir Everard. – Maar ik hoop, jongen, dat gij niet voorbarig in deze zaak te werk gaat; ik hoop, dat gij u heb verzekerd van de goedkeuring uwer eigene vrienden en naastbestaanden, bijzonder van uw oom, die in loco parentis is? Laat ons dit toch niet vergeten.” Eduard verzekerde hem, dat sir Everard er hoogelijk door vereerd zou zijn, wanneer hij zag dat zijn aanzoek zoo vleiend werd aangenomen, en dat het zijn volkomene goedkeuring wegdroeg; ten bewijze waarvan hij den Baron kolonel Talbots brief ter hand stelde. Deze las dien met groote oplettendheid. „Sir Everard,” zeide hij, „verachtte altijd den rijkdom, in vergelijking met eer en geboorte: en, het is zoo, hij heeft weinig reden om de Diva Pecunia zijn hof te maken. En daar die Malcolm zich als een vadermoorder heeft doen kennen – want ik kan hem geen anderen naam geven, wegens het van de hand doen der familiegoederen – zou ik thans evenwel wenschen (hier vestigde de Baron zijn oogen op een gedeelte van het dak, dat boven de boomen uitkwam) dat ik Rose het oude nest had kunnen nalaten, met de prullen die er bij hooren. – En evenwel,” zeide hij, terwijl hij op zachter toon voortging, „het is misschien zoo het best; want als de baron van Bradwardine, zou ik het licht voor mijn plicht gehouden hebben, zekere voorwaarde te stellen, wat den naam en het wapen betreft, waarvan niemand het mij, nu als een edele zonder land, met een dochter zonder huwelijksgoed, tot een vergrijp kan maken wanneer ik er van afzie.”

„Nu, de Hemel zij geloofd,” dacht Eduard, „dat Sir Everard deze bezwaren niet hoort! De drie loopende hermelijnen en de kruipende beer hadden elkander gewis bij de ooren gekregen.” Hij verzekerde daarop den Baron, met al het vuur van een jeugdigen minnaar, dat hij in Roses hart en hand alleen zijn geluk zocht, en hij zich even zoo gelukkig rekende met haars vaders eenvoudige toestemming, alsof hij zijn dochter éen graafschap ten huwelijk had medegegeven.

Thans hadden zij Klein Veolan bereikt; de gans dampte op de tafel, en de rentmeester zwaaide met mes en vork. Zijn patroon en hij zagen elkander met innige blijdschap weder. Ook de keuken had haar gezelschap. De oude Janet had bij den haard plaats genomen; Davie had, tot zijn onsterfelijke eer, het spit gedraaid; en zelfs Ban en Buscar werden, in de gulheid van Mackwheebles verheugd gemoed, tot aan de keel toe met voedsel vol gepropt, en lagen thans op den vloer te snorken.

Den volgenden dag reisden de Baron en zijn jonge vriend naar Duchran, waar de eerste verwacht werd, omdat men er onderricht was van het welslagen der bijna eenstemmige pogingen, door de Schotsche vrienden van het bewind ten zijnen behoeve aangewend. Deze waren zoo algemeen en zoo krachtig geweest, dat men het bijna voor zeker hield, dat zelfs zijn eigendommen behouden zouden geweest zijn, indien zij niet gevallen waren in de roofzieke handen van zijn onwaardigen bloedverwant, wiens rechten, op de misdaad van den Baron gegrond, door geen genade van de Kroon mochten gekrenkt worden. De oude edelman zeide echter met zijn gewone opgeruimdheid, dat hij meer in zijn schik was met den schat, dien hij in de hoogachting zijner naburen bezat, dan hij zou geweest zijn met een herstelling in integrum, indien deze mogelijk ware geweest.

Wij zullen geen poging wagen, om de ontmoeting van vader en dochter te beschrijven, die elkander zoo teeder beminden, en onder zulke gevaarlijke omstandigheden van elkander waren gescheiden. Nog minder zullen wij trachten Roses hoogen blos te beschrijven, bij de ontvangst van Waverley, en alles behalve onderzoeken, of zij eenige nieuwsgierigheid aan den dag legde, wat de bijzondere aanleiding betrof tot zijn reize naar Schotland, in dit tijdsgewricht. Zelfs zullen wij den lezer niet lastig vallen met de omslachtige bijzonderheden eener vrijerij, van vóór zestig jaren. Het is genoeg te zeggen, dat, onder zulk een nauwgezetten ceremoniemeester, als de Baron, alle dingen in behoorlijken vorm behandeld werden. Hij nam, des morgens na hun aankomst, zelf de taak op zich, om Rose met Waverleys aanzoek bekend te maken, waaraan zij met een gepaste mate van maagdelijke beschroomdheid het oor leende. Het gerucht zegt evenwel, dat Waverley, den avond te voren, vijf minuten gevonden had, om haar te verwittigen van hetgeen er gaande was – juist op een oogenblik, dat het gezelschap naar drie om elkander geslingerde slangen keek, waaruit in den tuin een springende fontein haar waterstralen opzond.

Mijn schoone lezeressen mogen het zelve beoordeelen, maar, wat mij betreft, ik kan niet begrijpen, hoe zulk een gewichtige zaak in zulk een kort tijdsbestek zou kunnen worden medegedeeld; althans, zij nam een geheel uur weg op de wijze, waarop de Baron ze behandelde.

Waverley werd thans als een verklaard minnaar, in alle vormen, beschouwd. Hij werd, door middel van lachjes en knikjes van de dame des huizes, genoopt naast Freule Bradwardine aan tafel plaats te nemen, en tegenover Freule Bradwardine haar maat te zijn bij het spel. Kwam hij het vertrek in, dan was het zeker dat die van de vier jonge dames Rubrick, welke toevallig naast Rose zat, zich herinnerde, dat zij haar schaar of haar vingerhoed aan het andere einde van de kamer had laten liggen, met oogmerk, om de plaats naast Freule Bradwardine voor hem open te laten. En soms, wanneer papa en mama niet bij de hand waren, om haar in bekoorlijke deftigheid te houden, veroorloofden de dametjes zich wel eens eventjes tegen elkander te glimlachen. Ook had de oude heer van Duchran nu en dan zijn aardigheden, en de oude dame haar aanmerkingen. Zelfs de Baron kon niet altijd zijn deftigheid bewaren; maar Rose behoefde niet verlegen te zijn voor zijn grappen, want zijn vernuft was doorgaans in een Latijnsche kleeding gehuld. Ook de knechts grinnikten soms vrij zichtbaar, en de meiden schaterden wel eens tamelijk luid; in één woord, er scheen in geheel het gezin iets geheimzinnigs in wenken en houding te heerschen. Alice Bean, het knappe meisje uit het hol, die, sedert haars vaders „ongeluk” – zoo als zij het noemde – bij Rose als kamenier diende, lachte en knikte om het hardst mede, Rose en Eduard verduurden echter al deze kleine kwellingen, zoo als andere paren vóor of na hen hebben gedaan; maar zij vonden waarschijnlijk een of ander middel om zich schadeloos te stellen; want over het geheel genomen, schenen zij niet bijzonder ongelukkig te zijn, gedurende Waverleys zesdaagsch, verblijf te Duchran.

Er werd ten slotte bepaald, dat Eduard naar Waverley-Honour zou vertrekken, om de noodige schikkingen te maken voor zijn huwelijk. Vervolgens zou hij zich naar Londen begeven, om de noodige maatregelen te nemen, ter bepleiting zijner zaak, ten einde zoo spoedig mogelijk terug te keeren, en de hand zijner verloofde te ontvangen. Hij nam zich tevens voor, kolonel Talbot op zijn reis te bezoeken; maar bovenal was het zijn doel, het lot van het ongelukkig opperhoofd van Glennaquoich te leeren kennen, hem te Carlisle te gaan bezoeken, en te trachten of er iets te doen ware, zoo niet om genade te verkrijgen, dan ten minste verandering of verzachting van de straf waartoe hij bijna zeker zou worden veroordeeld; en, in het ergste geval, der lijdende Flora een schuilplaats bij Rose aan te bieden, of haar anders op alle mogelijke wijze van dienst te zijn. Het lot van Fergus scheen moeielijk af te wenden. Eduard had reeds gepoogd zijn vriend, kolonel Talbot, voor hem te winnen; maar deze had, bij zijn antwoord, duidelijk te kennen gegeven, dat zijn invloed in zaken van dezen aard geheel uitgeput was.

De kolonel bevond zich nog te Edinburgh, en was voornemens eenige maanden dáar te blijven, ten gevolge van een aantal bezigheden hem door den hertog van Cumberland opgedragen. Hij wachtte daar lady Emilia, wie door de geneesheeren was aangeraden, de reis zoo langzaam mogelijk te doen, terwijl zij haar het gebruik van geitenmelk hadden aanbevolen; zij zou den tocht naar het noorden afleggen onder geleide van Francis Stanley. Eduard ontmoette derhalve den kolonel te Edinburgh, en deze wenschte hem op de hartelijkste wijze geluk met zijn aanstaand huwelijk, en nam tevens met genoegen onderscheidene boodschappen op zich, die onze held verplicht was hem bij zijn vertrek op te dragen. Maar ten aanzien van Fergus was hij onverbiddelijk. Hij bewees Eduard inderdaad, dat zijn tusschenkomst nutteloos zou zijn. Maar bovendien bekende kolonel Talbot, dat hij, in gemoede, zijn invloed voor dezen ongelukkige niet zou kunnen bezigen. De gerechtigheid, die eenige straf voor degenen eischte, welke de geheele natie in vrees en rouw gedompeld hadden, kon wellicht geen gepaster slachtoffer gekozen hebben. Hij had de wapens opgevat met de meest volkomen kennis van den aard zijner onderneming. Hij had zijn taak wel overwogen en er al de gevolgen van berekend. Zijns vaders lot had hem geen vrees kunnen inboezemen; de zachtheid der wetten, die hem in zijns vaders eigendom en rechten hersteld had, kon hem niet vermurwen. Dat hij dapper, edelmoedig en met een aantal goede eigenschappen bedeeld was, dit alles maakte hem slechts te gevaarlijker; dat hij verlicht en kundig was, verhoogde slechts het onvergefelijke zijner misdaad; dat hij een geestdrijver was in een kwade zaak, was een oorzaak te meer om hem tot haar martelaar te maken. Maar bovenal was hij het middel geweest, om verscheidene honderden in het veld te brengen, die, buiten hem, nooit den vrede des lands zouden verstoord hebben.

„Ik herhaal het,” zei de Kolonel, „dat jeugdige Opperhoofd heeft, ofschoon de Hemel weet dat ik hem als mensch van ganscher harte beklaag, het wanhopige spel, dat hij speelde, ten volle overwogen en gekend. Hij dobbelde om leven of dood, om een graafschap of een graf; en men kan hem, zonder het land onrecht te doen, niet toelaten zijn inzet terug te nemen, omdat het lot zich tegen hem heeft verklaard.”

Dusdanig was de redeneering dier tijden, zelfs van deugdzame en gevoelige menschen, tegenover een overwonnen vijand. Laat ons vroom hopen, dat wij, in dit opzicht ten minste, nooit de tooneelen zullen aanschouwen, noch de gevoelens koesteren, die zestig jaar geleden algemeen waren in het Britsche rijk.

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Morgen? O, dat is spoedig! – Spaart hem! spaart hem! Shakespeare.

Eduard, gevolgd door zijn vorigen bediende, Alick Polwarth, die te Edinburgh weêr bij hem in dienst getreden was, bereikte Carlisle, terwijl het gerechtshof nog zitting hield om over zijn ongelukkige makkers uitspraak te doen. Hij had zich gehaast, helaas! niet met eenige de minste hoop, om Fergus te redden, maar om hem voor het laatst te zien. Ik had moeten melden, dat, zoodra hij vernam dat de dag der terechtstelling bepaald was, hij gelden had overgemaakt om de gevangenen op de meest onbekrompen wijze te doen verdedigen. Een procureur en een der eerste advocaten waren met de verdediging belast; maar het was als wanneer de eerste geneesheeren bij het ziekbed van een stervenden van aanzien worden geroepen – de doctoren, om hun voordeel te doen met een onberekenbaren kans op een poging der natuur – de rechtsgeleerden, om zich te bedienen van een waarschijnlijk rechterlijken misslag. Eduard drong de gerechtszaal binnen, die met een ontelbare menigte was opgevuld; maar daar hij uit het noorden kwam, en wegens zijn groote drift en aandoening, gehouden werd voor een nabestaande van de gevangenen maakte iedereen voor hem plaats. Het was de derde zitting van het hof, en er waren twee mannen voor de balie. De uitspraak: „schuldig!” was reeds geschied. In dit plechtige oogenblik viel Eduards blik op de beide beschuldigden voor de balie. Men kon zich niet bedriegen in de fiere houding en edele trekken van Fergus Mac-Ivor, ofschoon zijn kleeding slordig was, en zijn gelaat de ziekelijke, gele kleur eener langdurige en harde gevangenschap had aangenomen. Aan zijn zijde stond Evan Maccombich. Eduard werd door een gevoel van duizeling overvallen, toen hij het oog op hen sloeg: maar bij kwam weêr tot zichzelf, toen de griffier de plechtige woorden uitsprak: „Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, anders genoemd Vich Ian Vohr, en Evan Mac-Ivor, in de Dhu van Tarrascleugh, anders genaamd Evan Dhu, anders genaamd Evan Maccombich of Evan Dhu Maccombich – gij, en ieder van u, staat terecht als schuldig aan hoogverraad. Wat hebt gij voor uzelven in te brengen, waarom het hof geen vonnis tegen u zou vellen, om te sterven volgens de wet?”

Zoodra de voorzittende rechter de noodlottige zwarte kap, bij het uitspreken van een doodvonnis in gebruik, opzette, plaatste Fergus zijn eigen muts op het hoofd, zag hem met een vasten en ernstigen blik aan, en antwoordde met onbewogen stem: „Ik mag dit talrijk gehoor niet laten veronderstellen, dat ik op zulk een oproeping niets heb te antwoorden. Maar hetgeen ik te zeggen heb, zoudt gij niet dulden dat gehoord werd; want mijn verdediging zou uw veroordeeling zijn. Ga dan, in Gods naam, voort met te doen, wat u vrijstaat. Gisteren, en den dag te voren, hebt gij vonnissen uitgesproken die het eerlijkste en beste bloed als water hebben doen vloeien. – Spaar het mijne niet. Indien dat van al mijn voorouders in mijn aderen vloeide, zou ik het in dezen strijd hebben gewaagd.” Daarop hernam hij zijn plaats, en weigerde weder op te staan.

Evan Maccombich zag hem met grooten ernst aan, en scheen, opstaande, verlangend om op zijn beurt te spreken; maar het gewoel in het hof, en de moeielijkheid om te denken in een andere taal, dan die waarin hij gewoon was zich uit te drukken, deden hem zwijgen. Er liep een gemompel van medelijden onder de aanschouwers rond, in de overtuiging, dat de arme kerel voornemens was zich op het gezag van zijn Opperste te beroepen, en dat als een verschooning voor zich aan te voeren. De rechter gebood stilte, en moedigde Evan aan, om voort te gaan.

„Ik wilde alleen zeggen, Mylord,” zeide Evan, op een toon, dien hij voor innemend bedoelde, „dat, zoo Mylord, en het edele hof, Vich Ian Vohr dezen enkelen keer wilden vrijlaten, en hem naar Frankrijk laten gaan, om Koning Georges bewind niet meer te verontrusten, dat ik verklaar dat een zestal van de besten van zijn clan gereed zullen zijn, om in zijn plaats ter dood gebracht te worden; en zoo gij mij naar Glennaquoich wilt laten gaan, zal ik ze u zelf halen, om onthoofd of opgehangen te worden, en gij kunt met mij beginnen.”

In weerwil van het plechtige der gelegenheid, werd er een soort van gelach in de zaal gehoord, over dezen vreemden voorslag. De rechter stuitte deze onwelvoegelijkheid, en nadat Evan, met een strengen blik in het rond had gezien, zeide hij, zoodra het gedruisch had opgehouden: „Zoo de Saxische heeren lachen, omdat een arme kerel als ik, mij verbeeld, dat mijn leven, of het leven van zes van mijn rang, dat van Vich Ian Vohr opweegt, dan hebben zij naar allen schijn recht; maar zoo zij lachen, omdat zij denken, dat ik mijn woord niet zou houden, noch terugkomen om hem te lossen, dan kan ik hun verzekeren, dat zij noch het hart van een Hooglander, noch de eer van een fatsoenlijk man kennen.”

Er bestond geen lust meer tot lachen onder het gehoor, en er volgde een doodelijke stilte.

Nu sprak de rechter over beide gevangenen het vonnis uit, door de wet op hoogverraad gesteld, met al de daarmede gepaard gaande schrikwekkende bijzonderheden. De voltrekking van het vonnis werd bepaald op den volgenden dag. „Voor Fergus Mac-Ivor,” voer de rechter voort, „kan ik geen hoop op gratie koesteren. Gij moet u tegen morgen bereiden voor uw laatste lijden, en uw groot verhoor hier namaals.”

„Ik verlang niets anders, Mylord,” antwoordde Fergus, op denzelfden manhaftigen en vasten toon.

Het hardvochtig gezicht van Evan, dat onophoudelijk op zijn Opperhoofd was gevestigd geweest, werd door een traan bevochtigd. „Voor u, arme, onwetende,” ging de rechter voort, „die, de denkbeelden volgende, waarin gij zijt opgevoed, ons heden een treffend voorbeeld hebt gegeven, hoe de getrouwheid, den Koning en den Staat alleen verschuldigd, door uw ongelukkige begrippen van clanschap, is overgebracht op een bijzonder persoon, wiens eerzucht eindigt met u tot het werktuig zijner misdaden te maken – voor u, zeg ik, gevoel ik zoo veel medelijden, dat, zoo gij het van u kunt verkrijgen, om gratie te vragen, ik mijn best zal doen, om u die te bezorgen – anders –”

„Gratie! voor mij geen gratie!” riep Evan uit; „daar gij het bloed van Vich Ian Vohr gaat vergieten, is de eenige gunst, die ik van u zou wenschen te ontvangen, iemand te bevelen mij de handen los te maken, mij mijn sabel terug te geven, en dan maar een minuut te blijven zitten, waar gij zijt.”

„Brengt de gevangenen weg,” zei de rechter, „zijn bloed kome over zijn eigen hoofd!”

Bijna verpletterd onder het gewicht zijner smartelijke gewaarwordingen, bemerkte Eduard, dat de stroom der menigte hem reeds naar buiten op straat had medegesleept, eer hij wist waar hij zich bevond. Zijn eerste wensch was, Fergus nog eens te zien en te spreken. Hij deed aanzoek aan het kasteel, waar zijn ongelukkige vriend gevangen zat, maar zag zich den toegang geweigerd. „De groot-sheriff had den gouverneur verzocht,” zeide een onderofficier, „om niemand bij den gevangene toe te laten, uitgezonderd zijn biechtvader en zijn zuster.”

„En waar was Freule Mac-Ivor?” Men gaf hem haar adres. Zij was ten huize van een achtenswaardige katholieke familie nabij Carlisle.