Part 47
Thans waren de laatste soldaten uit het gewelf verdwenen, dat ze gedurende verscheidene minuten waren doorgetrokken; de binnenplaats was geheel ledig; maar Waverley stond er nog roerloos, met de oogen op den duisteren doorgang gevestigd, waar hij zoo even den laatsten blik van zijn vriend had opgevangen. Eindelijk vroeg hem een dienstmaagd van den Gouverneur, door medelijden getroffen over de onuitsprekelijke smart, die op zijn gelaat te lezen stond, of hij niet naar binnen wilde gaan en zich een oogenblik nederzetten? Ze moest haar vraag tweemaal herhalen, eer hij haar begreep, maar eindelijk bracht dit hem weder tot zichzelven. Hij bedankte haar voor haar vriendelijkheid met een vluchtige beweging, trok met de hand zijn hoed diep in de oogen, en liep, nadat hij het kasteel verlaten had, zoo snel hij kon door de ledige straten, tot hij zijn herberg bereikt had, waar hij op zijn kamer vloog en de deur grendelde.
Na verloop van omstreeks anderhalf uur, die hem een eeuw van onuitsprekelijke smart toescheen, verwittigden hem het geluid van trommels en fluiten, die een vroolijk deuntje speelden, en het verwarde gedruisch der menigte, waardoor thans de geheel verlaten straten gevuld werden, dat alles voorbij was en dat het volk terugkeerde van het ijselijk tooneel. Ik zal het niet wagen zijn aandoeningen te beschrijven.
Des avonds bezocht hem de priester, en berichtte dat hij dit deed op verzoek van zijn overleden vriend, om hem te verzekeren, dat Fergus Mac-Ivor gestorven was gelijk hij geleefd had, en tot het laatste toe zijner vriendschap was indachtig geweest. Hij voegde er bij, dat hij ook Flora had bezocht, wier zielstoestand bedaarder scheen, nu alles afgeloopen was. Met haar en zuster Theresia was de priester voornemens Carlisle den volgenden dag te verlaten, en zich naar de naaste zeehaven te begeven, waar hij naar Frankrijk wenschte scheep te gaan. Waverley dwong dezen goeden man een ring van eenige waarde, en een som gelds aan te nemen, om gebezigd te worden (daar hij dacht dat dit Flora aangenaam wezen zou) tot katholieke kerkdiensten, voor de nagedachtenis van zijn vriend. „Fungarque inani munere” [184], dacht hij, toen de geestelijke vertrokken was. „Maar waarom zou men deze hulde aan de nagedachtenis niet rangschikken naast andere bewijzen van liefde en genegenheid, door alle gezindten aan de herinnering der afgestorvenen gewijd?”
Den volgenden morgen, voor dag en dauw, verliet Eduard de stad Carlisle, met het vaste voornemen, om nooit weder een voet binnen haar muren te zetten. Hij durfde nauwelijks omzien naar de Gothische bolwerken van de versterkte poort. „Ze zijn hier niet,” zeide Alick Polwarth, die de reden giste van den aarzelenden blik, door Waverley achter zich geworpen, en die, vervuld met de gemeene zucht naar het verschrikkelijke, met al de bijzonderheden der terechtstelling bekend was. „De hoofden staan boven de Schotsche poort, zoo als men die noemt. Het is jammer van Evan Dhu, die een zeer welmeenend, goedhartig mensch was voor een Hooglander, en waarlijk, dat was de heer van Glennaquoich ook, voor zoo ver hij geen van zijn kwade buien had.”
ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DULCE DOMUM.
Het gevoel van afgrijzen, waarmede Waverley Carlisle verliet, veranderde langzamerhand in een zachte droefgeestigheid, een overgang, verhaast door de pijnlijke, maar toch troostrijke taak die hij te vervullen had met aan Rose te schrijven. Hij kon het smartelijke gevoel niet verbergen, dat deze rampzalige gebeurtenis in hem opwekte; maar hij wenschte ze in zulk een licht te plaatsen, dat haar verbeelding, hoe zeer ze zelve er ook door getroffen mocht worden, er niet al te zeer door geschokt werd. Trapsgewijs gewende hij zich meer en meer aan het tafereel dat hij voor Rose had geschetst om haar gevoeligheid te sparen, en zijn volgende brieven werden opgeruimder, en zinspeelden op de vooruitzichten op hoop en geluk, die zich voor hen ontsluierden. Maar, ofschoon zijn eerste verschrikkelijke aandoeningen in zachte droefgeestigheid waren overgegaan, toch had Eduard zijn vaderland reeds bereikt, eer hij, zoo al bij vroegere gelegenheden, zijn blikken met vreugde kon laten weiden over de schoonheden der alles bezielende natuur.
Nu begon hij, voor het eerst sedert hij Edinburgh verlaten had, het genot te smaken, dat bijna door allen wordt ondervonden, die naar een welig, volkrijk en uitnemend bebouwd land terugkeeren, uit streken waar woestheid en eenzame en treurige grootheid met elkander om den voorrang dingen. Maar hoe zeer werden deze gewaarwordingen verhoogd, toen hij het grond-eigendom betrad, zoo lang door zijn voorvaderen bezeten – de oude eiken van Waverley-park herkende – zich voor den geest riep, met welk genoegen hij Rose naar al zijn lievelingsplekjes geleiden zou – eindelijk de torens van het grijze slot zich zag verheffen boven het geboomte, dat het omringde, en zich in de armen wierp van de dierbare bloedverwanten, aan wie hij zoo veel eerbied en liefde verschuldigd was.
Het geluk hunner ontmoeting werd door geen enkel woord van verwijt verstoord. Integendeel, hoe veel angst Sir Everard en Freule Rachel gedurende Waverleys gevaarlijken tocht met den jongen Prins uitgestaan hadden, stemde die toch te goed met de beginselen waarin ze waren opgevoed, om er hem een bestraffing, of zelfs eenige berisping over te doen hooren. Bovendien had kolonel Talbot den weg met groot beleid voor Waverley geëffend, door uit te weiden over zijn moedig gedrag als krijgsman, bijzonder over zijn dapperheid en edelmoedigheid te Preston; tot de verbeelding van den Baronet en zijn zuster, ontvlamd door het denkbeeld, dat hun neef man tegen man had gevochten met zulk een uitnemenden krijgsman als de Kolonel zelf, hem gevangen gemaakt en van den dood gered had, Eduards krijgsverrichtingen op een lijn stelden met die van Wilibert, Hildebrand en Nigel, de zoo hoog geroemde helden van hun geslacht.
Waverleys gestalte, gehard door oefening, en veredeld door het krijgsmansberoep, had een krachtiger en gespierder voorkomen verkregen, waardoor niet alleen het verhaal van den Kolonel bevestigd werd, maar tegelijk al de bewoners van Waverley-Honour verrast en verrukt werden. Ze verdrongen zich om hem te zien, te hooren en zijn lof te vermelden. De heer Pembroke, die, gelijk men wel zal gelooven, in het geheim zijn verstand en moed verhief, wegens het omhelzen van het ware belang der kerk van Engeland, berispte echter zijn kweekeling vriendschappelijk, dat hij zoo achteloos met zijn handschriften te werk gegaan was, hetwelk hem, zoo als hij zeide, inderdaad eenige persoonlijke onaangenaamheden berokkend had; daar hij, toen de Baronet door een koningsbode was gevangen genomen, het voorzichtig had geoordeeld, een schuilplaats op te zoeken, die wegens het gebruik, dat er in vroeger dagen van gemaakt was, „Het priesterhol” geheeten werd. Onze geleerde verzekerde dat de keldermeester er slechts eenmaal daags met voedsel komen durfde; zoodat hij herhaalde keeren genoodzaakt was geweest zijn middagmaal met spijzen te doen, die, òf geheel koud, òf, hetgeen nog erger was, slechts half warm waren; gezwegen van de omstandigheid, dat zijn bed soms in geen twee dagen werd opgemaakt. Waverley dacht onwillekeurig aan de schuilplaats van den baron van Bradwardine, die wél te vreden was met Janets onthaal en eenige bossen stroo in een rotshol; maar hij maakte geen aanmerkingen over een tegenstelling, die zijn waardigen leermeester slechts smartelijk hadden kunnen aandoen.
Alles was nu in de weer met het maken van toebereidselen voor Eduards huwelijk, een gebeurtenis, die de goede Baronet en Freule Rachel beschouwden als een vernieuwing hunner eigene jeugd. Deze echtverbintenis was hun, gelijk kolonel Talbot reeds had te kennen gegeven, allerverkieslijkst voorgekomen, daar zij in alle opzichten, uitgezonderd wat het geld betrof, wenschelijk was, en zij zelven meer dan overvloedig met tijdelijke middelen gezegend waren. De heer Clippurse werd dus op Waverley-Honour ontboden, onder betere voorteekenen dan bij den aanvang van ons verhaal. Maar de heer Clippurse kwam niet alleen; want, daar hij nu in jaren gevorderd was, had hij zich verbonden met een neef, een jonger gier, gelijk onze hedendaagsche Juvenalis [185] aan wien wij het verhaal van Swallow den procureur te danken hebben, hem wellicht genoemd zou hebben – en zij dreven thans hunne zaken onder de firma van Clippurse en Hookem. Deze brave mannen kregen bevel om de noodige huwelijksvoorwaarden op te stellen, en wel op zulk een milden en onbekrompen voet alsof Eduard de eenige erfgename van een pair, met hare vaderlijke erfgoederen aan haar hermelijnen mantel gehecht, zou trouwen.
Maar, alvorens een onderwerp te beginnen, welks langdradigheid spreekwoordelijk is geworden, moet ik den lezer herinneren aan een steen, door een ledigloopenden, speelzieken knaap een heuvel afgerold (een tijdkorting, waarmede ik zelf, in mijn jeugdige jaren, zeer goed vertrouwd was). De steen beweegt zich eerst langzaan, terwijl hij, door af te wijken, elk beletsel van eenig belang vermijdt; maar als hij zijn vollen loop heeft verkregen, en het einde van zijn loopbaan nadert, jaagt en dondert hij naar beneden, met ellenlange sprongen, bekommert zich om heggen en sloten evenmin als een Yorkshiresche jager, en bereikt zijn grootste snelheid, als hij op het punt is om voor eeuwig tot rust te komen. Evenzoo is de loop van een verhaal, gelijk dat, hetwelk gij hier aantreft; de eerste gebeurtenissen zijn met zorg tot in de minste bijzonderheden beschreven, opdat gij, vriendelijke lezer, met het karakter van ieder persoon door zijn handelingen zoudt bekend worden, liever dan door het vervelender middel van rechtstreeksche beschrijving; maar nu de geschiedenis ten einde loopt, springen wij over al zulke omstandigheden heen, die, hoe belangrijk ook, reeds door uw verbeelding zijn vooruit gezien, en wij laten u al datgene veronderstellen, wat, indien wij het verhaalden, terecht zou worden beschouwd, alsof wij misbruik van uw geduld wenschten te maken.
Wij zijn er dus niet toe gestemd, om u al de vervelende werkzaamheden van de heeren Clippurse en Hookem, of die hunner ambtgenooten, door wie de zaak van Eduard Waverley en zijn aanstaanden schoonvader moest bepleit worden, breedvoerig te schilderen, integendeel, wij willen u alleen met meer uitlokkende onderwerpen kort bezig houden. De brieven, bij voorbeeld, die tusschen sir Everard en den Baron, bij deze gelegenheid, werden gewisseld, ofschoon in hun soort, voorbeeldelooze staaltjes van welsprekendheid, moeten wij aan de meêdoogenlooze vergetelheid prijs geven. Ook kan ik u niet uitvoerig vertellen, hoe de waardige tante Rachel, niet zonder een kiesche en teerhartige toespeling op het door Rose gebrachte offer, waardoor haar bruidsdiamanten in handen van Donald Bean Lean gekomen waren, haar juweelkistje van een stel voorzag, dat de afgunst eener hertogin zou hebben kunnen opwekken. Verder zal de lezer de goedheid gelieven te hebben, om zich te verbeelden, dat Job Houghton en zijn vrouw behoorlijk verzorgd werden; hoewel men hun nooit aan het verstand heeft kunnen brengen, dat hun zoon op een andere wijze gevallen was, dan vechtende aan de zijde van zijn jongen meester; zoo dat Alick, die, als een voorstander der waarheid, menige noodelooze poging had gedaan, om hun de ware omstandigheden te verklaren, ten laatste bevel kreeg, geen woord meer van de zaak te reppen. Hij stelde zich echter schadeloos, door allerhande verhalen van wanhopige gevechten, afgrijselijke schavotstraffen en spook- en moordgeschiedenissen, waardoor hij de verbazing van den geheelen bediendenkring opwekte.
Maar ofschoon deze gewichtige zaken zich, in een verhaal, spoedig laten vertellen, even als het verslag van een rechtsgeding in een nieuwsblad, zoo was echter, in weerwil van al den haast, dien Waverley maken kon, de tijd, door de rechterlijke behandeling gevorderd, gevoegd bij het oponthoud door de manier van reizen dier dagen oorzaak, dat er nog ruim twee maanden verliepen, eer Waverley, na Engeland verlaten te hebben, nog eens ten huize van den heer van Duchran afstapte, om de hand zijner verloofde bruid te vragen.
De dag van de voltrekking zijns huwelijks werd op den zesden na zijn aankomst bepaald. De baron van Bradwardine, bij wien huwen, doopen en begraven feesten waren van hooge en plechtige beteekenis, voelde eenigen spijt, dat, de familie van Duchran daaronder begrepen, benevens al de naaste buren, die aanspraak konden maken om bij zulk een gelegenheid tegenwoordig te zijn, er niet meer dan dertig personen konden bijeen gebracht worden. „Toen hij zelf trouwde,” zeide hij, „waren er drie honderd geboren edellieden te paard, benevens hun bedienden, en nog een veertigtal Hooglandsche edelen, die nooit te paard zitten, tegenwoordig.”
Maar zijn trots vond eenigen troost in het denkbeeld, dat, daar hij en zijn schoonzoon zoo kort geleden onder de wapens waren geweest tegen het bewind, het stof tot gegronde vrees en aanstoot aan de bestaande overheid zou kunnen geven, wanneer de vrienden, nabestaanden en verbondenen hunner huizen, zich als in optocht tot den krijg hier verzamelden, gelijk anders het oude gebruik van Schotland bij dergelijke gelegenheden medebracht. – „En zonder twijfel,” dus besloot hij met een zucht, „een groot aantal van diegenen, die zich het meest op deze gewenschte bruiloft zouden hebben verheugd, zijn òf vertrokken naar betere gewesten, òf zwerven thans rond als ballingen buiten hun vaderland.”
Het huwelijk greep op den bepaalden dag plaats. De eerwaardige heer Rubrick, bloedverwant van den eigenaar der gastvrije woning, waar het gevierd werd, en kapelaan van den baron van Bradwardine, had het genoegen het jonge paar in te zegenen. Frans Stanley was bruigoms-jonker, daar hij zich, met dat oogmerk, bij Eduard gevoegd had, kort na diens aankomst te Duchran. Lady Emilia en kolonel Talbot waren voornemens geweest, de plechtigheid bij te wonen, doch, toen de tijd daar was, bleek het dat haar gezondheid haar niet veroorloofde zulk een verre reis te doen. Ter vergoeding daarvan werd er bepaald, dat Eduard Waverley en zijn echtgenoot, die, benevens den Baron, van plan waren terstond een bezoek op Waverley-Honour af te leggen, op hun tocht derwaarts eenige dagen zouden doorbrengen op een landgoed, dat kolonel Talbot, verlokt door den goedkoopen prijs, in Schotland had gekocht, en waar hij voornemens was eenigen tijd te verblijven.
ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Dit is mijn eigen huis niet, Of hemel, wat ’s ’t verfraaid! Oud liedeke.
De jonggehuwden reisden op een grooten voet. Daar was een koets met zes paarden, van het nieuwste fatsoen, die door haar luister de oogen van half Schotland verblindde, en door Sir Everard aan zijn neef geschonken was; daar was de familiekoets van den heer Rubrick, – beide waren vol dames; voorts heeren te paard, met hun bedienden, tot een twintigtal toe. En toch, zonder dat de vrees voor hongersnood hem bekroop, kwam de rentmeester Mackwheeble hun te gemoet met het onderdanig verzoek, wel zoo goed te willen zijn, om zijn huis, Klein Veolan, niet voorbij te gaan. De Baron zette groote oogen op en zeide, dat hij en zijn zoon niet in gebreke zouden blijven te Klein Veolan op te houden en hun compliment bij den rentmeester af te leggen: maar dat er niet aan te denken viel, om den geheelen comitatus nuptialis, of huwelijksstoet mede te brengen. Hij voegde er bij, dat, daar hij vernomen had dat de baronie door haar onwaardigen eigenaar was verkocht, hij zich verheugde, dat zijn oude vriend Duncan zijn post onder den nieuwen Dominus of eigenaar had terug gekregen. De rentmeester knikte, boog en strijkvoette, en drong daarna weder op zijn uitnoodiging aan, tot de Baron, ofschoon eenigzins gebelgd over het hardnekkig volhouden van zijn verzoek, niet nalaten kon het aan te nemen, zonder zekere gewaarwordingen te laten blijken, die hij liefst verbergen wilde.
Hij verviel in diep nadenken, toen ze den ingang van de laan naderden, en werd alleen daarin gestoord door de opmerking, dat de kanteelen hersteld waren, de puinhoopen opgeruimd, en, wat nog het wonderlijkst van alles scheen, dat de twee groote steenen Beeren, deze verminkte afgoden, door hem aangebeden, hun post boven de poort weder hadden betrokken.
„Nu, deze nieuwe eigenaar,” zeide hij tot Eduard, „heeft meer gusto getoond, zoo als de Italianen het noemen, in den korten tijd dat hij dit goed bezit, dan die hond van een Malcolm, hoewel ik hem zelf hier opkweekte, vita adhuc durante, verkregen heeft. – En nu ik van honden spreek, komen daar niet Ban en Buscar de laan afdraven, met Davie Gellatley?”
„Ik stel voor, hun te gemoet te gaan, mijnheer; want ik geloof dat kolonel Talbot de tegenwoordige eigenaar van het huis is, en hij een bezoek van ons wacht. Wij aarzelden eerst om u te zeggen, dat hij uw oudvaderlijke bezitting had gekocht; en thans nog kunnen wij, indien gij niet verlangt hem te bezoeken, regelrecht naar den rentmeester gaan.”
De Baron had thans behoefte aan al zijn grootmoedigheid. Hij haalde echter diep adem, nam met veel omslag een snuifje en maakte de opmerking, dat, daar ze hem zoo ver gebracht hadden, hij de deur van den kolonel niet kon voorbijgaan; hij zou zich gelukkig rekenen den nieuwen meester van zijn voormalige pachters te zien. Hij trad dus, even als de andere heeren en dames, het rijtuig uit, gaf zijn arm aan zijn dochter, en terwijl zij de laan opwandelden, wees hij haar aan, hoe spoedig de Diva Pecunia van den zuideling, – hij mocht haar wel diens beschermgodheid noemen, – alle sporen van verwoesting had doen verdwijnen.
Inderdaad waren niet slechts de gevelde boomen weggeruimd, maar nadat men hunne stompen uitgegraven en de aarde rondom bespit en met gras bezaaid had was het blijkbaar, dat de sporen der vernieling, behalve voor een oog, dat van nabij met de plaats bekend was, reeds geheel uitgewischt waren. Er had een dergelijke hervorming plaats gehad met betrekking tot Davie Gellatleys uiterlijk, die hun te gemoet kwam en ieder oogenblik stilstond, om het nieuwe pak te bewonderen, dat zijn gestalte versierde, en van dezelfde kleuren was als eertijds, maar zoo fraai afgezet, dat Touchstone zelf [186] er gerust in had mogen voor den dag komen. Hij kwam aandansen met zijn gewone belachelijke sprongen, eerst naar den Baron, en toen naar Rose, terwijl hij met de handen over zijn kleederen streek en uitriep: „Schoon, Davie,” en nauwelijks in staat, door de buitensporige vreugde, die hem geheel buiten adem gebracht had, om een enkele slotrijm van zijn duizend en één liedjes uit te galmen. Desgelijks herkenden de honden hun ouden meester, met duizenderlei blijde sprongen.
„Op mijn geweten, Rose, de dankbaarheid van die stomme dieren en van dien armen hals brengen mij de tranen in de oude oogen, terwijl die schelm van een Malcolm – maar ik heb verplichting aan kolonel Talbot, dat hij zoo goed voor mijn honden heeft gezorgd, en ook voor Davidje. Maar, Rose, wij moeten niet toelaten, dat zij het landgoed als met een lijfrente blijven bezwaren.”
Terwijl hij sprak, kwam lady Emilia, aan den arm haars echtgenoots, het gezelschap aan de binnenpoort met duizend welkomstgroeten tegen. Nadat de plechtigheid der voorstelling van de onderscheidene personen voorbij was, niet weinig verkort door de voorkomendheid en uitnemende toon van lady Emilia, verontschuldigde zij zich dat zij zich een list veroorloofd had, om hen terug te brengen naar een plaats die licht eenige smartelijke herinneringen kon opwekken. „Maar daar deze van eigenaar moest veranderen, verlangden wij zeer dat de Baron – –”
„De heer Bradwardine, mevrouw, als ’t u belieft,” zei de oude heer.
„De heer Bradwardine dan, en de heer Waverley mochten zien, wat wij gedaan hebben, om het verblijf uwer vaderen in zijn vorigen toestand te herstellen.”
De Baron antwoordde met een diepe buiging. Inderdaad, toen hij het voorplein opkwam, scheen – met uitzondering van de lompe stallen, die afgebrand en door gebouwen van een lichter en bevalliger voorkomen vervangen waren – alles zoo veel mogelijk in den toestand hersteld, waarin hij het verlaten had, toen hij, slechts eenige maanden geleden te velde getrokken was. Het duivenhok was op nieuw bevolkt; de fontein zond weder met haar gewone vlugheid een waterstraal naar boven, en niet alleen de beer, die over het bekken stond, maar al de oude beeren, hoe zij er ook hadden uitgezien, waren naar hunne plaatsen teruggebracht, en met zoo veel zorg verniewd of hersteld, dat zij geen sporen van het geweld droegen, hetwelk hen nog zoo kort geleden getroffen had. Daar men in deze kleinigheden zoo zorgvuldig te werk was gegaan, is het nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het huis zelf, zoowel als de tuinen, weder volkomen in orde gebracht waren, met inachtneming van het oorspronkelijke karakter van beide, en om, zoo veel mogelijk, alle sporen van de verwoesting weg te ruimen, die zij ondergaan hadden. De Baron staarde vol stille bewondering in het rond; eindelijk sprak hij kolonel Talbot aan.
„Terwijl ik u mijn dank betuig voor de herstelling van het wapen van onze familie, kan ik niet nalaten mij te verwonderen, dat gij nergens uw eigen wapen hebt aangebracht, kolonel Talbot, dat, naar ik meen, een bulhond is, van ouds een „talbot” genoemd. Ten minste, zulk een hond is het wapen der krijgshaftige en beroemde graven van Shrewsbury, aan wie uwe familie waarschijnlijk in den bloede bestaat.”
„Ik geloof,” zei de kolonel glimlachende, „dat onze honden, welpen zijn uit hetzelfde nest. Wat mij betreft, indien de wapens elkander den voorrang moesten betwisten, zou ik, zoo als het Engelsche spreekwoord zegt, „beeren en honden met elkander laten vechten.””
Terwijl hij dit zeide, waarbij de Baron nogmaals een lang snuifje nam, waren zij het huis binnengetreden: namelijk, de Baron, Rose, en lady Emilia, met den jongen Stanley en den rentmeester; want Eduard en het overige gezelschap bleven op het terras, om een nieuwe oranjerie te bezichtigen, die van de uitgezochtste planten voorzien was. De Baron kwam op zijn geliefkoosd onderwerp terug: „Hoezeer het u behagen moge, de eer van uw afkomst te kort te doen, kolonel Talbot, hetgeen zeker een zonderlingheid is, zoo als ik bij meer heeren van aanzien en geboorte in uw land heb waargenomen, zoo moet ik nogmaals herhalen, dat het eer zeer oud en aanzienlijk wapen is, zoowel als dat van mijn jongen vriend, Frans Stanley, hetwelk bestaat in een arend en een kind.”
„„De vogel en het jongetje”, wordt het in Derbyshire genoemd, mijnheer,” zei Stanley.
„Ge zijt een spotvogel, mijnheer,” zei de Baron, die veel met den jongeling ophad, misschien omdat hij hem somtijds plaagde, – „Ge zijt een spotvogel, en ik moet u eens onder handen nemen,” terwijl hij hem met zijn groote bruine vuist dreigde. „Maar wat ik zeggen wilde, kolonel Talbot, is, dat uw prosapia, dat wil zeggen, afkomst, zeer oud is, en daar gij dit landgoed goed en wettig hebt verkregen voor uw nakomelingen, terwijl ik het voor mij en de mijnen verloren heb, zoo wensch ik, dat het even vele eeuwen in uw familie moge blijven, als het in die der vorige bezitters geweest is.”
„Dat is inderdaad zeer beleefd, mijnheer Bradwardine, inderdaad zeer beleefd.”
„En toch verwondert het mij zeer, kolonel, dat gij, van wien ik, toen wij elkander te Edinburgh ontmoetten, heb opgemerkt, dat de amor patriæ zelfs zoo ver ging, dat gij andere landen eenigzins minachttet, verkozen hebt uw Lares of huisgoden, te plaatsen procul a patriæ finibus, en in zekeren zin u uit uw vaderland te verbannen.”