Waverley

Part 37

Chapter 373,902 wordsPublic domain

Op zekeren avond, dat de vrienden, na lang met elkander te hebben geredetwist, afscheid van elkaâr hadden genomen, en onze held zich te bed had begeven, werd hij omstreeks middernacht door een onderdrukten zucht gewekt. Hij richtte zich spoedig op en luisterde; het geluid kwam uit de kamer van kolonel Talbot, die van de zijne door een houten beschot gescheiden was, terwijl de gemeenschap door een deur werd onderhouden. Waverley trad op deze deur toe, en hoorde duidelijk herhaaldelijk een diep zuchten. Wat was er te doen? De Kolonel had hem oogenschijnlijk in zijn gewonen gemoedstoestand verlaten. Hij moest, plotseling niet wél geworden zijn. Met deze gedachte, opende hij zeer zachtjes de deur, en zag hij den Kolonel, in zijn nachtgewaad, aan een tafel zitten, waarop een brief en een portret lagen. Hij hief haastig het hoofd op, terwijl Eduard nog besluiteloos stond, of hij naderen dan wel terug zou treden, en Waverley zag de sporen van tranen op zijn gelaat.

Alsof hij zich schaamde verrast te worden in zulk een gemoedsaandoening, stond de Kolonel blijkbaar vertoornd op. „Ik dacht, mijnheer Waverley, dat mijn eigene kamer, zoo wel als dit uur, zelfs een gevangene zouden bewaard hebben voor –”

„Zeg niet voor indringing, kolonel Talbot; ik hoorde u zwaar zuchten, en vreesde dat ge niet wél waart; alleen om die reden waagde ik het hier binnen te treden.”

„Ik ben wél,” zei de Kolonel, „volmaakt wel.”

„Maar u drukt een of ander leed,” zeide Eduard, „kan er ook iets gedaan worden om het te verzachten?”

„Niets, mijnheer Waverley; ik dacht slechts aan huis en aan eenige onaangename voorvallen aldaar.”

„O God, mijn oom!” riep Waverley uit.

„Neen, het is een verdriet, dat alleen mijzelven betreft; ik schaam mij dat gij getuige waart hoe het mij ter nedersloeg; maar het moet nu en dan zijn loop hebben, om verder dragelijk te zijn. Ik had het voor u geheim willen houden; want ik vrees dat het u bedroeven zal, en toch kunt ge nu geen troost aanbrengen. Maar ge hebt mij verrast – ik zie, dat ge zelf verrast zijt, en ik ben een vijand van geheimen: lees dezen brief,”

De brief was van des Kolonels zuster, en luidde dus:

„Ik ontving den uwen, beste broeder, door Hodges. Sir E. W. en de heer R. zijn nog op vrije voeten, maar mogen Londen niet verlaten. Ik wenschte hartelijk, dat ik u even gunstige tijding omtrent de zaken te huis kon mededeelen. Maar het nieuws van het ongelukkige gevecht te Preston kwam tot ons met het vreeselijk bericht er bij, dat gij onder de gesneuvelden waart. Gij weet hoe zwak de gezondheid van Lady Emilia was, toen uwe vriendschap voor Sir E. u bewoog haar te verlaten. Zij was geweldig verontrust toen zij de treurige berichten ontving dat de opstand in Schotland was uitgebarsten; maar zij hield zich moedig, gelijk, zeide zij, uw vrouw betaamde, om den toekomstigen erfgenaam voor u in het leven te bewaren, waarop zoo lang en te vergeefs is gehoopt. Helaas, waarde broeder, die uitzichten zijn nu verdwenen! In weerwil van al mijn voorzorgen, kwam deze ongelukkige tijding haar, zonder dat zij er op was voorbereid, ter oore. Zij werd terstond ongesteld, en het arme kind overleefde ter nauwernood zijn geboorte. Gave God, dat dit alles was! Maar schoon de wederlegging van het ijselijk gerucht, door uw eigen brief, haar krachten naar lichaam en geest in hooge mate heeft doen opleven, zoo is Dr. *, het smart mij dit te moeten zeggen, toch nog voor ernstige en zelfs gevaarlijke gevolgen beducht, voornamelijk wegens de onzekerheid, waarin Emilia noodzakelijk eenigen tijd moet verkeeren, en welke nog verzwaard wordt door de denkbeelden die zij zich gevormd heeft omtrent de wreedheid van den vijand, door wien gij gevangen gehouden wordt.”

„Wend dus alles wat in uwe macht is aan, waarde broeder, en tracht zoodra gij dezen ontvangt, uw vrijheid te erlangen, hetzij op uw woord, tegen losgeld, of langs elken maar mogelijken weg. Ik overdrijf den staat van Emilia’s gezondheid niet, maar ik mag, – ik durf de waarheid niet verzwijgen. Voor altijd, waarde Filips, uw u hartelijk toegenegen zuster,

Lucie Talbot.”

Eduard verstomde van smart, toen hij dezen brief gelezen had; want de gevolgtrekking liet zich niet wegcijferen, dat de door den Kolonel ondernomen reis, om hem te zoeken, hem deze zware ramp had berokkend. Dit ongeluk was, zelfs wat het onherstelbare gedeelte daarvan betrof, nog erg genoeg; want kolonel Talbot en Lady Emilia, die lang zonder kinderen gebleven waren, hadden zich niet weinig verheugd in het vooruitzicht, dat nu geheel vervlogen was. Maar deze teleurstelling was niets bij de uitgebreidheid van de dreigende ramp; en Eduard liep een rilling door de leden, daar hij zich als de oorzaak van beide beschouwde. Eer hij zijn gedachten tot spreken verzamelen kon, had de Kolonel reeds weder zijn gewone uiterlijke bedaardheid herwonnen, ofschoon zijn onrustige blik den inwendigen strijd maar al te zeer verried.

„Zij is een vrouw, mijn jonge vriend, over wie een krijgsman zich niet behoeft te schamen een traan te storten.” Hij reikte hem het portretje over, waarop gelaatstrekken te zien waren, welke zijn lofspraak ten volle billijkten; „en echter weet God, dat hetgeen gij daar van haar ziet, het minste is van de bekoorlijkheden, die zij bezit – bezat, moest ik misschien zeggen – maar Gods wil geschiede!”

„Gij moet vliegen – gij moet oogenblikkelijk vliegen, om haar op te beuren. Het is niet – het zal niet te laat zijn.”

„Vliegen? Hoe is dat mogelijk? Ik ben krijgsgevangen, – door mijn woord van eer gebonden.”

„Ik ben het, die u gevangen houd – ik geef u uw woord terug – Ik ben voor u verantwoordelijk.”

„Dit kunt ge niet aanraden, zonder uw plicht te schenden; ook kan ik mijn vrijheid niet van u aannemen, zonder mijn eigene eer te schenden – gij zoudt er voor verantwoordelijk worden gesteld.”

„Ik zal het met mijn hoofd verantwoorden, als het noodig is. Ik ben de ongelukkige oorzaak geweest van het verlies van uw kind; maak mij niet tot den moordenaar uwer vrouw.”

„Neen, beste Eduard,” zeide Talbot, terwijl hij hem vriendelijk bij de hand vatte, „gij zijt in geenen deele te beschuldigen; en zoo ik deze huiselijke ramp twee dagen voor u verborgen hield, was het alleen opdat uw teergevoeligheid ze niet in dat licht zou beschouwen. Gij kondt aan mij niet denken, ja nauwelijks kennis van mijn bestaan dragen, toen ik Engeland verliet om u te zoeken. Het is een verantwoordelijkheid, de Hemel weet het, zwaar genoeg voor arme stervelingen, dat wij rekenschap moeten geven van het vooruitgeziene en rechtstreeksche gevolg onzer daden; voor de middelijke en zijdelingsche uitwerkselen er van heeft het groote en algoede Wezen, dat alleen het onderling verband der menschelijke zaken kan doorzien, zijn brooze schepselen niet aansprakelijk gesteld.”

„Maar dat ge Lady Emilia, in den belangwekkendsten toestand voor een echtgenoot, hebt verlaten, om te zoeken naar een –”

„Ik deed slechts mijn plicht, voel geen berouw, en mag het ook niet gevoelen. Indien het pad van dankbaarheid en eer altijd effen en gemakkelijk was, zou er weinig verdienste in bestaan het te volgen, maar het ligt dikwijls in een richting, die geheel met ons belang en onze neigingen en ook soms met onze edeler aandoeningen in strijd is. Deze zijn de beproevingen des levens, en de tegenwoordige, schoon niet de minst drukkende,” (de tranen kwamen ongeroepen in zijn oog) „is de eerste niet, welke het mijn lot was te ondergaan. – Maar morgen zullen wij hierover spreken,” terwijl hij Waverleys hand drukte, „goeden nacht – tracht dit alles eenige weinige uren te vergeten – het zal, denk ik, te zes ure dag zijn, en het is nu over tweeën – goeden nacht!”

Eduard ging heen, zonder de kracht te hebben hem te antwoorden.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

INSPANNING.

Toen kolonel Talbot den volgenden morgen aan het ontbijt kwam, vernam hij van Waverleys bediende, dat onze held al vroeg uitgegaan en nog niet terug gekomen was. Het was reeds tamelijk laat in den voormiddag, toen hij eindelijk geheel buiten adem, maar met zulk een verheugd gelaat kwam opdagen, dat de Kolonel er verbaasd over stond.

„Ziedaar,” zeide hij, terwijl hij een papier op de tafel wierp, „ziedaar mijn morgenwerk. Alick! pak de kleederen van den Kolonel in. Haast u, haast u!”

De Kolonel bezag het papier met de grootste verbazing. Het was een pas van den Prins voor kolonel Talbot naar Leith, of elke andere haven door de troepen van Zijn Koninklijke Hoogheid bezet, om zich daar scheep te begeven naar Engeland of elders, waarheen het hem goed zou dunken, mits hij alleen zijn woord van eer gaf, om, gedurende een tijdverloop van twaalf maanden, de wapens niet te voeren tegen het Huis van Stuart.

„In ’s Hemels naam,” zei de kolonel, terwijl zijn oogen van nieuwsgierigheid glinsterden, „hoe hebt gij dit verkregen?”

„Ik was bij den Prins, op het uur dat hij gewoonlijk opstaat. Hij was naar het kamp van Duddingston gegaan. Ik volgde hem derwaarts; – verzocht en verkreeg een afzonderlijk gehoor – maar ik zeg u geen woord meer, als ik u geen begin zie maken met pakken.”

„Voor dat ik weet, of ik van dezen pas gebruik kan maken, en hoe die verkregen is?”

„O, gij kunt immers uw goed weder uit uw valies nemen? – Ha! nu ik u aan het werk zie, zal ik voortgaan. Toen ik eerst uw naam noemde, schitterden zijn oogen bijna, even sterk als de uwe twee minuten geleden. „Heeft de Kolonel,” vroeg hij met drift, „eenige gunstige gevoelens voor onze zaak getoond?” – „In het minst niet,” antwoordde ik, en voegde er bij, dat er volstrekt geen hoop bestond, dat gij dit doen zoudt. Zijn gelaat betrok. Ik verzocht om uw ontslag. „Onmogelijk,” zeide hij; „mijn verzoek was volmaakt onzinnig, met het oog op het gewicht van den Kolonel, als een vriend en vertrouwde van zekere personen. Ik verhaalde hem mijn geschiedenis en de uwe; en verzocht hem volgens zijn gevoel te oordeelen, hoe het mijne wezen moest. Gij moogt zeggen wat gij wilt, kolonel Talbot, maar de Prins heeft een hart, en en een goed hart ook. Hij nam een vel papier, en schreef de pas met eigene hand. „Ik wil deze zaak niet aan de beslissing van mijn raad onderwerpen” zeide hij, „men zou mij op allerhande gronden willen afbrengen van hetgeen recht en billijk is. Ik kan niet dulden, dat zulk een gewaardeerde vriend, als gij, gebukt zou gaan onder de smartelijke overwegingen, die u, in geval van verdere rampen in de familie van kolonel Talbot, zouden moeten treffen; ook wil ik een braven vijand, onder dergelijke omstandigheden, niet gevangen houden. Daarenboven,” zeide hij, „denk ik mijzelven te kunnen rechtvaardigen bij mijn voorzichtige raadslieden, door op de goede uitwerking te wijzen, welke zulk een toegefelijkheid te weeg zal brengen in de gemoederen der aanzienlijke Engelsche geslachten, waarmede kolonel Talbot vermaagschapt is.”

„Daar kwam de staatsman uit de mouw,” zei de kolonel.

„Goed, maar hij heeft een besluit genomen als een Konings zoon; – „Neem den pas,” dus sprak hij, „ik heb er éene voorwaarde bijgevoegd, voor den vorm; maar zoo de Kolonel iets daar tegen heeft, laat hem dan vertrekken, zonder eenige belofte, hoegenaamd, te doen. Ik kom hier om den oorlog te voeren tegen mannen, maar niet om vrouwen in droefheid of gevaar te brengen.””

„Ik had nooit gedacht zoo veel verplichting te zullen hebben aan den Pretend....”

„Aan den Prins,” zei Waverley, glimlachende.

„Aan den „Ridder,”” hernam de Kolonel, „het is een goede middelterm, dien wij beiden vrij mogen gebruiken. Heeft hij u nog iets gezegd?”

„Hij vroeg mij slechts, of er iets anders was, waarmede hij mij kon verplichten, en toen ik hierop ontkennend antwoordde, drukte hij mij de hand, en wenschte dat al zijn aanhangers zoo bescheiden mochten zijn, „daar sommige zijner vrienden,” liet hij er op volgen, „niet slechts alles vroegen wat hij te begeven had, maar zelfs een aantal zaken, die geheel buiten zijn macht, zoo wel als buiten die van den grootsten Souverein op aarde, waren. Inderdaad,” dus besloot hij, „scheen geen vorst in de oogen zijner onderdanen, zoo zeer een Godheid als hij, ten minste naar de buitensporige verzoeken te oordeelen, welke zij hem dagelijks voorlegden.””

„Arme jonkman,” zeide de Kolonel, „ik verbeeld mij, dat hij de moeielijkheden van zijn toestand begint te gevoelen. Wel, beste Waverley, dit is meer dan vriendelijk, en zal niet vergeten worden, zoo lang Filips Talbot zich iets herinneren kan. Mijn leven – bah! – laat Emilia u daarvoor danken – dit is een dienst vijftig levens waardig. Ik kan niet aarzelen mijn woord te geven in deze omstandigheden: daar is het,” – (hij schreef het in den vorm) – „En nu, hoe kom ik weg?”

„Dat is alles in orde: uw bagage is gepakt, mijn paarden wachten, en een boot is, met verlof van den Prins, aangenomen, om u aan boord van het fregat „the Fox” te brengen. Ik heb daartoe reeds een bode naar Leith gezonden.”

„Dat zal best gaan. Kapitein Beaver is mijn bijzondere vriend; hij zal mij te Berwick, of te Shields aan wal zetten, vanwaar ik per post naar Londen kan vertrekken; – en gij moet mij het pakje papieren toevertrouwen, dat gij door middel van die jufvrouw Bean Lean terug hebt gekregen. Ik zou gelegenheid kunnen vinden, om ze tot uw voordeel te gebruiken. Maar ik zie daar uw Hooglandschen vriend Glen, hoe spreekt gij zijn barbaarschen naam ook uit? met zijn ordonnans-officier bij zich. Ik moet hem, denk ik, niet meer zijn ordonnans-keelafsnijder noemen. Kijk, hoe hij stapt, of de wereld hem toebehoorde, met zijn muts op het oor en de plaid dicht geslagen over zijn borst. Ik zou dien knaap dolgraag ontmoeten waar mijn handen niet gebonden waren. Ik zou zijn trots fnuiken, of hij den mijne.”

„Foei, kolonel Talbot, gij blaast u op het gezicht van den tartan op, zoo als men van den stier zegt dat hij op het zien van rood doet. Gij en Mac-Ivor hebt vrij wat punten van overeenkomst, wat uw nationaaltrots betreft.”

Het laatste gedeelte van dit gesprek had plaats op straat. Zij gingen het Opperhoofd voorbij, en de Kolonel en hij groetten elkander zoo hoffelijk en deftig, als twee kampvechters, voordat het gevecht begint. Het bleek maar al te zeer dat de antipathie wederkeerig was. „Ik zie dien stuurschen kerel nooit, die als een hond achter hem heen loopt, of hij herinnert mij eenige dichtregels, die ik ergens – denkelijk op het tooneel – heb gehoord;”

– „Dicht achter hem stapt de norsche Bertram voort, Zooals de booze in ’s toovnaars voetstap treedt, En dringt dat men zijn dienst gebruiken zal.”

„Ik verzeker u, dat gij te hard over de Hooglanders oordeelt.”

„Geen zier, geen zier! ik wil hun niets schenken; ik haat hen van harte. Laten zij in hunne gebergten blijven, en zich opblazen, en hunne mutsen aan de hoorns van de maan hangen, zoo het hun lust; maar wat behoeven zij te komen, waar de menschen broeken dragen en een verstaanbare taal spreken? – ik meen verstaanbaar in vergelijking met hun wartaal; want zelfs de Laaglanders spreken een soort van Engelsch, niet veel beter dan de Negers op Jamaika. Ik zou den Pre.... ik wil zeggen den Ridder, zelfs kunnen beklagen, dat hij zulk een menigte woestelingen rondom zich heeft. En zij leeren hun handwerk al zoo vroeg! Er is een soort van ondergeschikt duiveltje bij voorbeeld, een leerling in de helsche kunst, dien uw vriend Glena – Glenamuck –, somtijds in zijn gevolg heeft. Naar het gezicht te oordeelen, is hij zoo wat vijftien jaar; maar in ondeugd en guitenstreken is hij een eeuw oud. Voor een dag of wat was hij op de plaats met het ringspel bezig; een heer, een man die er fatsoenlijk uitzag, komt voorbij, en daar de ring hem tegen de schenen vloog, ligt hij zijn stok op, maar onze jonge held haalt zijn pistool voor den dag, als Beau Clincher op ’t tooneel en zoo geen geschreeuw van Gardez l’eau, uit een bovenraam, beide partijen had doen vluchten, uit vrees voor de onvermijdelijke gevolgen, zou die arme heer zijn leven verloren hebben door de handen van dien kleinen schelm.”

„Kolonel Talbot, gij zult een fraaie schilderij van Schotland ophangen, bij uw tehuiskomst.”

„Rechter Shallow,” zeide de Kolonel, „zal mij de moeite wel uitwinnen. – „Woest en ledig, allemaal, allemaal bedelaars. Zekerlijk, een gezonde lucht,” – en dat nog alleen als gij buiten Edinburgh zijt en eer gij te Leith komt, zoo als thans met ons het geval is.”

Weldra kwamen zij aan de zeehaven: –

„Te Leith daar, dobberde de boot; De wind blies langs de zee; En ginds, bij Englands sterke vloot, Lag ’t schip voor Berwicks ree.”

„Vaarwel, Kolonel! moogt gij alles vinden, naar wensch. Misschien zullen wij elkander eer ontmoeten, dan gij verwacht: men spreekt van een onmiddellijken inval in Engeland.”

„Zeg er mij niets van,” zeide Talbot; „ik wensch geen tijding van uwe bewegingen over te brengen.”

„Eenvoudig dan, vaarwel! Zeg, met duizend vriendelijke groeten, al wat plicht en liefde eischen, aan Sir Everhard en tante Rachel – Denk zoo vriendschappelijk aan mij, als gij kunt. – Spreek zoo toegevend van mij, als uw geweten het toelaat, en nu nogmaals: vaarwel!”

„Vaarwel insgelijks, mijn waarde Waverley: hartelijk, hartelijk dank voor uw goedheid. Ontdoe u bij de eerste gelegenheid de beste van uw plaid. Ik zal altijd met erkentelijkheid aan u denken, en mijn ergste berisping zat zijn: Que diable allait il faire dans cette galère?”

En zoo scheidden zij. Kolonel Talbot stapte in de boot, en Waverley keerde naar Edinburgh terug.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE MARSCH.

Het is ons voornemen niet op het grondgebied der geschiedenis te treden. Wij zullen dus onzen lezers slechts herinneren, dat omstreeks het begin van November, de jonge Ridder, aan het hoofd van op zijn best zes duizend man, besloot zijn zaak in groot gevaar te brengen door een poging, om in het hart van Engeland door te dringen, ofschoon hij niet onkundig was van de krachtige maatregelen, die er tot zijn ontvangst genomen waren. Zij begaven zich op weg, te midden van een weder, dat alle andere troepen buiten staat zou gesteld hebben, om te marcheeren, doch hetwelk aan deze vlugge bergbewoners inderdaad voordeelen op een minder geharden vijand verschafte. In spijt van een veel sterker leger, dat onder den veldmaarschalk Wade op de grenzen lag, belegerden en namen zij Carlisle, en zetten kort daarna hun stoutmoedigen tocht zuidwaarts voort.

Daar kolonel Mac-Ivors regiment in de voorhoede der clans marcheerde, zoo waren hij en Waverley, die thans iederen Hooglander in het verduren van vermoeienis evenaarde, en eenigszins bekend geworden was met hunne taal, gedurig aan het hoofd der manschappen. Zij beschouwden echter den voortgang des legers met geheel verschillende oogen. Fergus, enkel vuur en leven, achtte zich in staat de geheele wereld het hoofd te bieden, en betekende alleen dat elke stap hem een el dichter bij Londen bracht. Hij vroeg, verwachtte, noch verlangde eenige hulp, buiten die der clans, om de Stuarts wederom op den troon te plaatsen; en wanneer, bij toeval, eenige weinige aanhangelingen zich onder den standaard van den Prins kwamen scharen, beschouwde hij hen altijd als nieuwe deelgenooten in de gunst des toekomstigen Konings, die dus, om hen te voldoen, te meer moest aftrekken van de belooningen, die onder zijn Hooglandsche vrienden behoorden verdeeld te worden.

Eduards inzichten waren van geheel anderen aard. Hij kon niet nalaten op te merken, dat in de vlekken, waar zij Jacobus III uitriepen, niemand met een „Leve de Koning” antwoordde. De menigte gaapte en luisterde, moedeloos, verpletterd en met onnoozele onverschilligheid, maar gaf weinig teekenen zelfs van die onbesuisde geestdrift die haar aanzet om bij elke gelegenheid, als ware het alleen om haar aangename stemmen te oefenen, een luid geschreeuw aan te heffen. Men had den Jacobieten doen gelooven, dat de noordwestelijke graafschappen overvloeiden van rijke grondbezitters en dappere landlieden, aan de zaak der Witte Roos gehecht. Maar van de meer vermogende Torys zagen zij weinig. Deze waren hunne huizen ontvlucht, gene hielden zich ziek, andere gaven zich over, als verdachte personen, aan het bewind. Onder degenen die achterbleven, gaapten de onkundigen vol verbazing, met schrik en afkeer gemengd, het woeste voorkomen, de onbekende taal en de zonderlinge dracht der Schotsche clans aan. En in het oog van de meer verstandigen schenen hun gering aantal, volslagen gebrek aan krijgstucht en armoedige uitrusting zoo vele zékere teekens van den ongelukkigen afloop hunner vermetele onderneming. De weinigen, die zich bij hen voegden, bestonden dus alleen uit de zoodanigen, die door staatkundige dweepzucht verblind waren voor de gevolgen, of door berooide omstandigheden bewogen werden alles op zulk een wanhopig spel te zetten.

Toen iemand den baron van Bradwardine vroeg, wat hij van deze rekruten dacht, nam hij zeer langzaam een snuifje en antwoordde heel droogjes, „dat hij geen ander dan een zeer gunstig gevoelen van hen kon hebben, daar zij ten volle naar de aanhangers geleken, die den goeden koning David volgden naar het hol van Abdullam; te weten „alle man die benauwt” of in slechte omstandigheden was, en alle man die een schulteyscher hadde, en alle man die ontevreden was, hetgeen de onzen overzetten, wiens ziele bedroefd was; en buiten twijfel,” zeide hij, „zullen zij toonen mannen met sterke handen te zijn, en dat is wel noodig ook, want ik heb menigen somberen blik op ons zien werpen.”

Maar geen dezer bedenkingen verontrustte Fergus. Hij bewonderde de weelderige schoonheid des lands, en de ligging van verscheidene kasteelen, welke zij langs trokken. „Ziet Waverley-Honour er uit als dit huis, Eduard?”

„Het is wel de helft grooter.”

„Is uw ooms park wel zoo groot als dat?”

„Het is driemaal zoo uitgestrekt, en gelijkt eer een bosch dan een park.”

„Flora zal een gelukkige echtgenoote zijn.”

„Ik hoop dat Freule Mac-Ivor het kasteel van Waverley-Honour niet zal behoeven om gelukkig te zijn.”

„Dat hoop ik ook; maar, meesteres van zulk een plaats te zijn, mag wel een schoon toevoegsel tot het geheel gerekend worden.”

„Een toevoegsel, welks gemis, naar ik vertrouw, rijkelijk op een andere wijze zal worden vergoed.”

„Hoe,” zeide Fergus, terwijl hij op eens stilhield, en zich naar Waverley keerde – „Hoe moet ik dat verstaan, mijnheer Waverley? Had ik het genoegen u goed te begrijpen?”

„Volmaakt goed, Fergus.”

„Ik moet er dus uit opmaken, dat gij de verzwagering met mij en de hand mijner zuster niet meer verlangt.”

„Uw zuster heeft de mijne afgewezen, zoo wel rechtstreeks, als door de gewone middelen, waarmede de dames oplettendheden, die haar niet behagen, plegen te ontwijken.”

„Ik heb er geen denkbeeld van dat een dame een minnaar kan afwijzen, of een minnaar zijn aanzoek kan intrekken, wanneer het door haar wettigen voogd is goedgekeurd, zonder dat aan dezen de gelegenheid gegeven wordt om met haar over de zaak te spreken. Ik hoop niet, dat gij verwacht hebt, dat mijn zuster u, als een rijpe pruim, in den mond zou vallen, zoodra gij slechts verkoost daarnaar te gapen.”

„Wat het recht der dame betreft, om haar minnaar weg te zenden, Kolonel, dat is een punt, hetwelk gij met haar moet afdoen, daar ik omtrent deze bijzonderheid met de gewoonten der Hooglanders niet bekend ben. Maar wat mijn recht betreft, om in de verwerping door haar te berusten, zonder beroep op uw gezag, zoo moet ik u, zonder Freule Mac-Ivors erkende schoonheid en begaafdheden te kort te doen, rechtuit zeggen, dat ik de hand van een engel niet zou aannemen, met een keizerrijk tot bruidschat, indien haar toestemming afgedwongen werd door aanhouden van vrienden en voogden, en ik die niet verschuldigd was aan haar eigene vrije keus.”