Waverley

Part 38

Chapter 383,914 wordsPublic domain

„Een engel, met een keizerrijk tot bruidschat,” herhaalde Fergus, op een toon van bittere ironie, „zal niet zoo licht worden opgedrongen aan een **shireeschen landjonker. Maar, mijnheer,” voegde hij er bij, terwijl hij geheel van toon veranderde, „zoo Flora Mac-Ivor geen Keizerrijk tot bruidschat heeft, zij is mijne zuster, en dat is genoeg, ten minste om te voorkomen dat zij op een wijze behandeld wordt, die eenigszins aan lichtvaardigheid grenst.”

„Zij is Flora Mac-Ívor, mijnheer,” hernam Waverley met klem, „en indien ik in staat was een vrouw lichtzinnig te behandelen, zou dat voor haar de krachtigste bescherming zijn.”

Nu betrok het gelaat van het Opperhoofd geheel en al, maar Eduard gevoelde zich te zeer verontwaardigd over den onredelijken toon, door hem aangeslagen, om den storm door de minste toegevendheid af te wenden. Zij stonden beide stil, terwijl deze korte samenspraak voorviel, en Fergus scheen half geneigd iets zeer heftigs te zeggen; maar hij onderdrukte zijn drift door een krachtige poging, wendde zijn gelaat af, en stapte mokkend voort. Daar zij tot hiertoe altijd te zamen gemarcheerd hadden, vervolgde Waverley zwijgend zijn weg in dezelfde richting, terwijl hij zich voornam het Opperhoofd den tijd te laten, om zijn goede luim te herwinnen, die hij zoo onverstandig prijs gegeven had, en vastbesloten, om geen duimbreed voor hem, in waardigheid van houding, te wijken.

Nadat ze onder een diep stilzwijgen ongeveer een kwartier voortgetrokken waren, knoopte Fergus het gesprek op een anderen toon weder aan. „Ik geloof dat ik driftig werd, mijn beste Eduard; maar ge hebt mij driftig gemaakt door uw gebrek aan wereldkennis. Gij zijt verstoord geworden op Flora’s preutschheid of door haar hoogdravende denkbeelden van verknochtheid aan het koninklijke huis, en nu zijt gij, even als een kind, boos op het speelgoed, waarom ge eerst gehuild hebt, en ge maakt er mij, uw getrouwen vriend, een verwijt van dat mijn arm niet tot Edinburgh kan reiken, om het u te geven. Wees verzekerd, dat, zoo ik driftig was, de spijt om de verbintenis met zulk een vriend te zien verloren gaan, een verbintenis, waarover men bij Hooglanders en Laaglanders gesproken heeft, en dàt zonder zelfs te weten waarom of hoe, vrij wat bedaarder bloed dan het mijne aan het koken zou kunnen brengen. Ik zal naar Edinburgh schrijven, om deze zaak weder in orde te brengen; dat wil zeggen, zoo gij verlangt dat ik het doe; want ik kan inderdaad niet gelooven, dat ge uwe genegenheid voor Flora, indien ze zoo groot is als ge mij dikwijls betuigd hebt, op eens kunt verloren hebben.”

„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Eduard, die geen lust had, om langer dan hij verkoos, met een zaak lastig gevallen te worden, die hij reeds als afgedaan had beschouwd, „ik gevoel al de waarde van uw goede diensten; en zeker, doet uw ijver dien ge tot mijn best aanwendt, in dit geval, mij geen geringe eer. Doch, daar Freule Mac-Ivor haar keus geheel vrijwillig gedaan heeft, en al mijn oplettendheden te Edinburgh met de meeste koelheid ontvangen werden, kan ik, zonder omtrent haar zoo wel als mijzelven onrechtvaardig te worden, niet veroorloven, dat men haar over deze zaak nogmaals zou lastig vallen. Ik zou u dit reeds voor eenigen tijd hebben te kennen gegeven; maar ge zaagt op welken voet wij waren, en moest het van zelf wel begrepen hebben. Indien ik er zoo niet over gedacht had, zou ik er vroeger over gesproken hebben; maar ik gevoelde een natuurlijken afkeer, om een onderwerp op te halen, dat ons beiden zoo smartelijk is.”

„O, zeer goed, mijnheer Waverley,” zeide Fergus met hooghartigheid, „de zaak is afgedaan. Ik kan mijn zuster aan niemand opdringen.”

„En ik voel mij geenszins geneigd mij aan een vernieuwde afwijzing van den kant der jonge dame bloot te stellen.”

„Ik zal intusschen behoorlijk onderzoek doen,” zeide het Opperhoofd, alsof hij op Waverleys woorden geen acht had geslagen, „en vernemen wat mijn zuster van dit alles denkt: en dan zullen we zien, of de zaak hiermede geëindigd is.”

„Wat het onderzoek betreft waarvan ge spreekt, ge zult daaromtrent natuurlijk uw eigen oordeel volgen. Maar het is, naar ik vertrouw, onmogelijk, dat Freule Mac-Ivor van gevoelen zou veranderen, en indien dit tegen alle verwachting ook het geval was, zoo is het toch zeker, dat ik niet zal veranderen. Ik maak deze opmerking alleen, om verder alle mogelijk misverstand te voorkomen.”

Gaarne zou Mac-Ivor op dat oogenblik hun twist aan een persoonlijke beslissing hebben onderworpen. Zijn oog schoot vlammen, en hij gluurde op Eduard, alsof hij zocht waar hem een doodelijke wonde te kunnen toebrengen. Maar ofschoon wij niet meer volgens de regels en voorschriften van Caranza of Vincent Saviolo vechten, zoo wist toch niemand beter dan Fergus, dat er een gepast voorwendsel behoort te bestaan tot een strijd op leven en dood. Bij voorbeeld, ge moogt iemand uitdagen, omdat hij, in het gedrang, op uw likdoorn heeft getrapt, of u tegen den muur gedrongen, of omdat hij op uw plaats in den schouwburg is gaan zitten; maar het hedendaagsche wetboek van eer vergunt u niet een twist te gronden op uw recht, om iemand te dringen zijn aanzoeken bij een uwer vrouwelijke naastbestaanden voort te zetten, nadat de schoone die reeds van de hand gewezen heeft. Zoodat Fergus genoodzaakt was, deze veronderstelde beleediging te verkroppen, tot de tijd gekomen was, welke een gereede gelegenheid tot wraak aan de hand zou geven.

Waverleys knecht had altijd voor hem een gezadeld paard gereed, dat achter het bataljon, waartoe hij behoorde, werd geleid, ofschoon het zelden door zijn meester werd bereden. Maar nu, vertoornd door het heerschzuchtige en onredelijke gedrag van zijn voormaligen vriend, liet hij de kolonne voorbij trekken en steeg te paard, met het voornemen om den baron van Bradwardine op te zoeken, en verlof te vragen, als vrijwilliger onder zijn volk, in plaats van bij het regiment van Mac-Ivor, te dienen.

„Ik zou een gelukkig leven geleid hebben,” dacht hij, na te paard gestegen te zijn, „als ik verzwagerd was geworden met dit schoone staaltje van trotschheid, inbeelding en oploopendheid. Een kolonel! Wel, hij moest opperbevelhebber zijn – een opperhoofdje van drie of vier honderd man! – Hij bezit trots genoeg om Khan van Tartarije – de Groote Heer, of de Groot-Mogol te zijn! Ik ben gelukkig van hem af! – Al was Flora een engel, ze zou mij een tweeden Lucifer, vol eer- en wraakzucht, als schoonbroeder, hebben aangebracht.”

De Baron, wiens geleerdheid (even als Sancho’s geestige spreekwoorden in de Sierra Morena) scheen te zullen roesten door gebrek aan oefening, greep met blijdschap Waverleys aanbod aan om bij zijn regiment te dienen, ten einde ze op nieuw aan den dag te kunnen leggen. De goedaardige oude edelman poogde echter een verzoening tusschen de beide voormalige vrienden te bewerken. Fergus leende ter nauwernood het oor aan zijn voorstellingen, ofschoon hij ze eerbiedig aanhoorde; en wat Waverley betrof, hij zag geen enkele reden, waarom hij de eerste zou zijn om zich moeite te geven tot het vernieuwen van een vertrouwelijken omgang, dien het Opperhoofd zoo onredelijk had verbroken. Daarop sprak de Baron over de zaak met den Prins, die, bezorgd om oneenigheden bij zijn klein leger te voorkomen, verklaarde, zelf den kolonel Mac-Ivor te zullen onderhouden over het onredelijke van zijn gedrag. Maar de moeielijkheden van hun marsch waren oorzaak dat er een paar dagen verliepen, eer hij gelegenheid vond, om zijn invloed op de voorgenomen wijze te beproeven.

Intusschen trok Waverley partij van hetgeen hij, terwijl hij bij de dragonders van Gardiner gestaan had, geleerd had, en diende den Baron als een soort van adjudant. „In het land der blinden is éenoog koning,” zegt het spreekwoord, en de ruiterij, die hoofdzakelijk uit Laaglandsche heeren, hun pachters en bedienden bestond, koesterde een groot denkbeeld van Waverleys bedrevenheid en legde een groote gehechtheid aan zijn persoon aan den dag. Dit was, om de waarheid te zeggen, voor een goed deel toe te schrijven aan het genoegen, ’t welk zij gevoelden, dat de aanzienlijke Engelsche vrijwilliger de Hooglanders verliet, ten einde zich in hunne rijen te scharen; want er bestond een heimelijke wangunst tusschen het paardenvolk en het voetvolk, die niet enkel voortsproot uit het verschil van dienst, maar omdat de meeste heeren, die dicht bij de Hooglanden woonden, nu en dan twist hadden gehad met de stammen in hunne buurt, en allen de luide aanspraken der Hooglanders, als zouden zij grooter dapperheid bezitten en den Prins beter dienen, met een afgunstigen blik gadesloegen.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERWARRING BIJ KONING AGRAMANTS LEGER.

Het was Waverleys gewoonte zich soms een eind wegs van het hoofdkorps te verwijderen, om een of ander voorwerp, op hun weg, dat zijn nieuwsgierigheid opwekte, waar te nemen. Ze waren nu in Lancashire, toen hij, aangetrokken door een oud versterkt kasteel, het eskadron voor een half uur verliet, om er een omtrek en losse schets van te maken. Zooals hij de laan weder afkwam, ontmoette hem vaandrig Maccombich. Deze man had een soort van achting en genegenheid voor Eduard opgevat, van het eerste oogenblik af, dat ze elkander op Tully-Veolan ontmoet hadden, en hij hem in de Hooglanden tot geleider diende. Hij scheen te dralen, alsof het zijn oogmerk was om onzen held te spreken. Doch, toen deze hem voorbij kwam, naderde hij alleen zijn stijgbeugel, en uitte niets anders dan het woord: „wees op uw hoede!” en stapte daarop stevig door, terwijl hij alle verdere gemeenschap vermeed.

Eduard, een weinig bevreemd over dezen wenk, volgde Evan met de oogen, en bemerkte dat deze spoedig te midden van het geboomte verdween. Zijn knecht, Alick Polwarth, die bij hem was, zag den Hooglander ook na, en hield zich vervolgens dicht achter zijn meester.

„De drommel hale mij, mijnheer,” zeide hij, „als ik geloof dat gij onder deze schavuiten van Hooglanders veilig zijt.”

„Waarom, Alick?”

„De Mac-Ivors hebben zich in het hoofd gezet, mijnheer, dat gij hun jonge dame, Freule Flora, beleedigd hebt, en ik heb al meer dan eens hooren zeggen, dat zij er bitter weinig bezwaar in zouden vinden, om u als een korhoen neder te schieten; en ge weet ook wel, dat er menigeen onder hen is, die niet schroomen zou zelfs den Prins een kogel door het hoofd te jagen, als het opperhoofd hun daartoe den wenk gaf, en al gaf hij dien ook niet, als ze maar dachten, dat het hem aangenaam zou wezen als ze het deden.”

Waverley, ofschoon overtuigd dat Fergus Mac-Ivor niet tot zulk een verraad in staat was, was op verre na niet zoo zeker van de bescheidenheid zijner aanhangers. Hij wist, dat, waar men het er voor hield dat de eer van het Opperhoofd of diens familie gekwetst was, diegene de gelukkigste man heeten zou, die de beleediging het eerst kon wreken; en hij had hen dikwijls een spreekwoord hooren aanhalen: „De beste wraak is – die het spoedigst en zekerst wordt uitgeoefend.” Terwijl hij dit met den wenk van Evan in verband bracht, achtte hij het voorzichtig zijn paard de sporen te geven, en haastig naar zijn eskadron terug te rijden. Doch, eer hij het einde der lange laan bereikt had, floot een kogel hem voorbij en knalde er een pistoolschot.

„Het was die satansche schelm, Callum Beg,” riep Alick; „ik zag hem wegsluipen door het kreupelhout.”

Eduard, te recht vertoornd over dezen verraderlijken aanslag, reed de laan uit, en zag het bataljon van Mac-Ivor op eenigen afstand over de heide voort trekken, waarop de laan uitliep. Insgelijks zag hij iemand buiten adem loopen, om zich bij de afdeeling te voegen. Dit, begreep hij, was de moordenaar, die, door over een heg te springen, gemakkelijk een veel korteren weg naar het leger kon vinden, dan hij, die te paard gezeten was. Niet in staat zich te bedwingen, beval hij Alick naar den baron van Bradwardine te gaan, die zich omtrent een kwartier verder bevond, en hem te berichten wat er gebeurd was. Hijzelf reed onmiddellijk naar Fergus’ regiment. Het Opperhoofd voegde zich juist op dat oogenblik er bij. Hij was te paard, daar hij terug was gekomen van een bezoek bij den Prins. Toen hij Eduard zag naderen, zette hij zijn paard in beweging en reed op hem toe.

„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Waverley, zonder eenige andere groete. „Ik heb u te berichten, dat een van uw volk zoo even op mij uit een hinderlaag geschoten heeft.”

„Daar dit – met uitzondering van de hinderlaag – een genoegen is, dat ik mijzelven voorstel, wenschte ik wel te weten, wie mijner clanslieden mij durfde voorkomen.”

„Ik ben geheel tot uwe orders, zoodra het u behagen zal; de man die uw post op zich nam, is uw page daar ginds, Callum Beg.”

„Kom hier voor het gelid, Callum! Hebt gij op mijnheer Waverley geschoten?”

„Neen,” antwoordde Callum, zonder blikken of verblozen.

„Gij hebt het wel gedaan,” zeide Alick Polwarth, die reeds terug was, daar hij een ruiter ontmoet had, door wien hij den baron van Bradwardine verslag had doen toekomen van het voorgevallene, terwijl hijzelf in den ren naar zijn meester terug keerde, en zoo min de radertjes zijner sporen als de ribben van zijn paard ontzag. „Gij hebt het wel gedaan, ik zag u zoo duidelijk, als ik ooit den ouden toren van Coudingham zag.”

„Gij liegt het,” hernam Callum, met zijn gewone onverzettelijke stijfhoofdigheid. Het gevecht tusschen de heeren zou zeker, als in de oude riddertijden, door een ontmoeting der schildknapen zijn voorafgegaan; want Alick was een flinke boer uit het graafschap Merse, en vreesde den boog van Cupido veel meer, dan eens Hooglanders dolk of sabel. Maar Fergus vroeg, op zijn gewonen, beslissenden toon, om het pistool van Callum. De haan was naar beneden, de pan en het zundgat waren zwart van rook; het was pas afgebrand geweest.

„Daar,” riep Fergus, terwijl hij den jongen zoo hard hij kon met den zwaren pistoolknop op het hoofd sloeg, – „daar, neem dat voor uw handelen zonder order, en voor het liegen om het te bedekken.” Callum ontving den slag, zonder te trachten hem te ontwijken, en viel zonder teeken van leven neer. „Staat! op uw leven!” riep Fergus den overigen van zijn clan toe: „ik schiet den eersten den besten voor het hoofd, die zich tusschen mij en den heer Waverley stelt.” Ze stonden roerloos; Evan Dhu was de eenige, die blijken van angst en ontevredenheid gaf; Callum lag op den grond, en verloor vrij wat bloed, maar niemand waagde het hem den minsten bijstand te verleenen; het was of hij den doodslag ontvangen had.

„En nu wat u betreft, mijnheer Waverley! Heb de goedheid een twintig pas ver met mij de weide op te rijden.” Waverley voldeed aan zijn uitnoodiging. Toen ze zich op eenigen afstand alleen bevonden, zeide Fergus, zich tot hem keerende, met vrij wat gehuichelde bedaardheid: „Ik was zeer verwonderd, mijnheer, over de lichtzinnige wijze waarop, zooals gij mij te kennen geeft, gij van gevoelen verandert. Maar, zoo als te recht door u werd aangemerkt, geen engel had bekoringen voor u, tenzij ze een keizerrijk als bruidschat medebracht. Ik bezit thans een uitnemende verklaring van dien onduidelijken tekst.”

„Ik kan zelfs uw bedoeling niet gissen, kolonel Mac-Ivor, tenzij dat gij twist met mij zoekt.”

„Uw voorgewende onkunde zal u bitter weinig baten, mijnheer. De Prins.... de Prins zelf heeft mij met uw kunstgrepen bekend gemaakt. Ik had niet kunnen denken, dat uw afspraken met Freule Bradwardine de oorzaak waren, waarom ge van uw voorgenomen huwelijk met mijn zuster afzaagt. Naar ik gis, was het bericht, dat de Baron de bestemming van zijn nalatenschap had veranderd, een voldoende reden voor u om de zuster van uw vriend te laten glippen, en de minnares van uw vriend weg te kapen.”

„Heeft de Prins u gezegd, dat ik met Freule Bradwardine verloofd was? – Onmogelijk!”

„Het is toch zoo, mijnheer!” antwoordde Mac-Ivor woedend. Derhalve trek van leêr en verdedig u, of geef alle aanspraken op de dame op.”

„Dit is volslagen razernij,” riep Waverley, „of een onbegrijpelijk misverstand!”

„O! geen ontduiking! trek uw degen!” riep het verwoede Opperhoofd – terwijl hij den zijne reeds uit de schede had gerukt.

„Moet ik vechten om een dollemans twist, zonder te weten waarom?”

„Geef dan, nu en voor altijd, de aanspraken op Freule Bradwardines hand op.”

„Welk recht hebt gij,” riep Waverley, die zich nu niet langer meester was, „welk recht he gij, of iemand ter wereld, om mij zulke voorwaarden voor te schrijven?” En dit zeggende, ontblootte ook hij den degen.

Op dit oogenblik daagde de baron van Bradwardine, door verscheidene van zijn krijgslieden gevolgd, op. Ze snelden allen in galop toe, sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om deel in den twist te nemen, die, zooals ze hadden hooren mompelen, tusschen de Mac-Ivors en hun korps was uitgebroken. Toen de clan hen zag naderen, stelde deze zich in beweging, om hun Opperhoofd te ondersteunen, en er ontstond een tooneel van verwarring, dat in een bloedbad scheen te zullen eindigen. Een honderdtal tongen waren te gelijk in beweging. De Baron predikte, het Opperhoofd bulderde, de Hooglanders schreeuwden in het Gaelsch, de ruiters vloekten en tierden in het Laaglandsch-Schotsch. Eindelijk bereikten de zaken zulk een hoogte, dat de Baron dreigde op de Mac-Ivors te zullen aanvallen, indien ze niet in hun gelederen terugkeerden; en verscheidene hunner legden, wederkeerig, hunne geweren op hem en de overige ruiters aan. De verwarring werd inzonderheid gevoed door den ouden Ballenkeiroch, die niet twijfelde of de dag van wrake voor was hem gekomen; toen, plotseling, zich een kreet liet hooren: „Ruimte! Ruimbaan! Place à Monseigneur! Place à Monseigneur!”

Deze kreet kondigde de nadering van den Prins aan, die met een afdeeling van Fitz-James’ buitenlandsche dragonders, die hem als bijzondere lijfwacht dienden, in aantocht was. Zijn komst herstelde tot op zekere hoogte de orde. De Hooglanders vormden op nieuw hunne gelederen, de cavalerie vereenigde zich weder tot een escadron, en de Baron en het Opperhoofd bewaarden het diepste stilzwijgen.

De Prins riep hen en Waverley voor zich. Toen hij vernomen had, dat de twist eerst ontstaan was door het schelmstuk van Callum Beg, gaf hij bevel dezen in bewaring te stellen van den Provoost-Geweldige en hem onmiddellijk ter dood te brengen, ingeval hij de tuchtiging overleefde, die hij reeds van zijn chef ondergaan had. Maar Fergus verlangde, op een toon, tusschen het staan op een recht en het doen van een verzoek, dat hij ter zijner beschikking mocht gelaten worden, terwijl hij beloofde dat zijn straf voorbeeldig wezen zou. Een weigering zou den schijn gehad hebben alsof de Prins inbreuk had willen maken op het aartsvaderlijk gezag der opperhoofden, waarop ze zeer naijverig waren, en het zou vrij gevaarlijk geweest zijn hen thans te ontstemmen. Callum werd dus aan de gerechtigheid van zijn eigen stam overgelaten.

Vervolgens deed de Prins onderzoek naar hetgeen aanleiding had gegeven tot den twist tusschen kolonel Mac-Ivor en Waverley. Er heerschte eenige oogenblikken een diepe stilte. Beide heeren vonden in de tegenwoordigheid des barons van Bradwardine (want alle drie waren thans, op bevel, den Prins genaderd) een onoverkomelijken hinderpaal, om van een zaak te spreken, waarbij de naam zijner dochter onvermijdelijk moest worden genoemd. Ze sloegen hun oogen ter aarde, met blikken, waarin schaamte en verlegenheid met ontevredenheid waren vermengd. De Prins, die opgevoed was onder de ontevredene en muitzieke geesten van het Hof van St. Germain, waar geschillen van allerlei aard dag aan dag den onttroonden Souverein tot last waren, had zijn leerjaren voor het koningschap, gelijk de oude Frederik van Pruisen zou gezegd hebben, uitgediend. Hij gevoelde hoe dringend noodzakelijk het was de eensgezindheid onder zijn aanhangers te bevorderen of te herstellen, en dien overeenkomstig nam hij zijn maatregelen.

„Monsieur de Beaujeu!”

„Monseigneur!” zeide een zeer knappe, Fransche cavalerie-otficier, die tot het gevolg behoorde.

„Ayez la bonté d’alligner ces montagnards là; ainsi que la cavalerie, s’il vous plait, et de les remettre en marche. Vous parlez si bien l’anglais, que cela ne vous donnera pas beaucoup de peine.”

„Ah! pas du tout, Monseigneur,” hernam Monsieur le Comte de Beaujeu, terwijl hij zich bijna ter aarde boog. Terstond plaatste hij zich vol moed en vertrouwen, aan het hoofd van Fergus’ regiment, ofschoon hij geen woord Gaelsch en zeer weinig Engelsch verstond.

„Messieurs les sauvages Ecossais – dat is – heeren sauvages, hebt de goedheid u te rangeeren!”

De clan, die het bevel meer uit de gebaren, dan uit de woorden verstond, en den Prins zelf tegenwoordig zag, haastte zich op nieuw de gelederen te vormen.

„Ah! heel wel, dat is fort bien!” zei de graaf de Beaujeu. „Heeren sauvages – mais, très bien – Eh bien! – (tot een ruiter in zijn nabijheid) Qu’ est-ce que vous appellez par le flanc, Monsieur? Ah, oui! je vous remercie, Monsieur – mijneheeren, hebt de goedheid front te maken rechts, en par file, dat is bij files, Marsch! – Mais, très bien – encore Messieurs; il faut vous mettre en marche.... Marchez donc, au nom de Dieu, parceque j’ai oublié le mot anglais – mais vous êtes de braves gens, et vous me comprenez très-bien.”

Vervolgens haastte de graaf zich om de cavalerie in beweging te zetten. „Heeren cavalerie, gij moet invallen – Ah! par ma foi, ik zeide niet „afvallen!” Ik vrees, die kleine, dikke heer heeft zich bezeerd! Ah! mon Dieu! c’est le Commissaire qui nous a apporté les premières nouvelles de ce maudit fracas. Je suis trop fáché, Monsieur.”

Maar de arme Mackwheeble, die thans, terwijl hij met een degen op zijde, en een witte kokarde, zoo groot als een pannekoek, in de rol van koninklijken commissaris figureerde, over hoop geworpen was in het gewoel der ruiters, die allen haast maakten om zich, voor den Prins, in orde te scharen, viel van zijn paard, onder het uitbundig gelach der toeschouwers.

„Eh bien! Messieurs,” zeide de graaf, „draait je rechts bij de boomen – Ah! dat is! – Eh! Monsieur de Bradwardine, ayez la bonté de vous mettre à la tête de votre régimeut; car, pardieu, je n’en puis plus!”

De baron van Bradwardine was genoodzaakt, om nu Monsieur de Beaujeu, die al zijn Engelsch uitgeput had, te hulp te komen. Eén doel van den Prins was dus bereikt. Het andere, dat hij zich zelf voorstelde, was, om door de inspanning van het hooren en verstaan van bevelen in ’s Vorsten eigen tegenwoordigheid, door zulk een gebrekkigen tolk uitgevaardigd, de gedachten der soldaten in beide korpsen een afleiding te verschaffen van den toorn, die reeds van beide kanten aangroeiende was.

Karel Eduard was echter nauwelijks alleen gelaten met het Opperhoofd en Waverley, terwijl hij de overigen van zijn gevolg bevolen had zich op eenigen afstand te houden, of hij zeide: „Zoo ik minder verplichting had aan uw belanglooze vriendschap, zou ik zeer ontevreden op u beide kunnen wezen wegens deze allerzonderlingste en ongegronde kibbelarij, juist op een oogenblik dat mijns vaders dienst de meest volkomen eensgezindheid vordert. Maar het ergste in mijn toestand is, dat zelfs mijn beste vrienden meenen vrijheid te hebben, om de onbeduidendste gril, zichzelven en de zaak, die ze voorstaan, te gronde te richten.”

Beide jonge lieden gaven terstond te kennen dat ze geneigd waren hun twist aan zijn beslissing te onderwerpen. „Inderdaad,” zeide Eduard, „ik weet nauwelijks waarvan ik beschuldigd word. Ik zocht kolonel Mac-Ivor op, met geen ander oogmerk, dan om hem te zeggen, dat ik ter nauwernood aan den moordaanslag ontsnapt was, door een zijner onmiddellijke afhangelingen gepleegd, – een lafhartige wraak, die ik wist dat hij niet in staat was goed te keuren. Wat de zaak betreft, waarom hij met mij vechten wil – ik weet er niets van, dan dat hij mij, geheel ten onrechte, beschuldigt, van de genegenheid gewonnen te hebben van een jonge dame, op wie hij zelf aanspraak meent te mogen hebben.”