Part 36
De morgen kwam, en in de kamer van het Opperhoofd vond hij zijn vriend, den vaandrig Maccombich, die hem wachtte om verslag te doen van zijn volbrachten arbeid, het maken, namelijk een soort van gracht, welke men dwars door den heuvel van het kasteel gegraven, en een loopgraaf genoemd had. Weldra liet de stem van het Opperhoofd zich op de trappen hooren; hij riep op een toon van ongeduld en woede: – „Callum, – ik zeg, Callum Beg, – voor den duivel!” Hij trad het vertrek binnen met al de kenteekenen van iemand die in geweldige drift was ontstoken; en er zijn slechts weinigen, op wier gelaatstrekken de ontevredenheid zich sterker teekende dan op de zijne. Wanneer hij in zulk een spanning was, dan zwollen de aderen van zijn voorhoofd op; zijn neusgaten verwijdden zich; zijn oogen en wangen gloeiden, en zijn blik was volmaakt die van een razende. Deze blijken van halfbedwongen woede waren nu nog te verschrikkelijker omdat zij blijkbaar veroorzaakt werden door een krachtige poging om een bijna ontembaren aanval van drift te temperen, en dus voortkwamen uit een inwendigen strijd, die geheel zijn zedelijken mensch schokte en beroerde.
Zoo als hij de kamer binnentrad, gespte hij zijn sabel los, en terwijl hij dien ter aarde wierp met een geweld, dat het wapen naar de andere zijde van het vertrek vloog, riep hij uit: „Ik weet niet, wat mij belet, een plechtigen eed te zweren, dat ik het nooit weêr voor deze zaak trekken zal? – Laad mijn pistolen, Callum, en breng ze terstond hier – terstond!” Callum, dien nooit iets verbaasde, ontstelde, of van zijn stuk bracht, gehoorzaamde met de grootste koelbloedigheid. Evan Dhu, wiens oogopslag, in het vermoeden dat zijn Opperhoofd eenig ongeluk was aangedaan, een soortgelijken storm aankondigde, zwol op van toorn, terwijl hij stil zweeg en wachtte te vernemen, waar of op wien de wraak moest nederdalen.
„Zoo, Waverley, zijt gij daar?” riep het Opperhoofd; na een oogenblik bedenkens; „Ja, ik herinner mij, dat ik u verzocht mijn zegepraal te deelen, en ge zijt gekomen om getuige te zijn van mijn – teleurstelling, zullen wij het maar noemen.” Nu bood Evan hem het geschreven rapport aan, dat hij in de hand had, hetwelk Fergus hem met groote drift ontrukte. „Ik zou, om Gods wil wenschen,” zeide hij, „dat het oude nest neêrstortte op het hoofd van de gekken, die het aanvallen en van de guiten die het verdedigen. Ik zie, Waverley, dat gij mij voor krankzinnig houdt, – verlaat ons, Evan, maar blijf zoo in de nabijheid, dat ik u roepen kan.”
„De Kolonel is geweldig verstoord” zeide vrouw Flockhart tegen Evan, toen hij naar beneden kwam; „ik hoop dat hij wél is, – tot zelfs de aderen van zijn voorhoofd stonden stijf als zweepkoord, – zou hij het een of ander niet willen gebruiken?”
„Hij tapt gewoonlijk wat bloed af tegen deze aanvallen,” zei de Hooglandsche schildknaap met groote bedaardheid.
Toen de vaandrig het vertrek verlaten had, begon het Opperhoofd langzamerhand tot bedaren te komen. „Ik weet, Waverley,” zeide hij, „dat kolonel Talbot u bewogen heeft om tienmaal op een dag uwe verbintenis met ons te verwenschen; – neen, ontken het niet; want ik ben op het oogenblik in verzoeking om het zelf te voldoen. Kunt gij gelooven, dat ik heden morgen twee verzoeken tot den Prins richtte, en dat hij ze beide heeft afgeslagen; wat dunkt u?”
„Wat kan ik er van denken, zonder te weten welke uwe aanzoeken waren?”
„Wel, wat doet het er toe wat zij waren, man? Ik zeg u, dat ik het was die ze deed. Ik, aan wien hij meer verplichting heeft dan aan de beste drie, die zijn standaard gevolgd zijn; want ik zette de geheele zaak op touw, en haalde al de mannen van Perthshire over, toen geen éen zich zou bewogen hebben. Ik ben er de man niet naar, denk ik, om iets zeer onredelijks te vragen, en al had ik het gedaan, dan mochten ze wel iets over het hoofd gezien hebben. Maar, gij zult alles weten, nu ik weêr eenigszins ruimer adem halen kan. – Gij herinnert u mijn aanstelling, bij open brief, tot graaf; zij is geteekend, een aantal jaren geleden, voor destijds betoonde diensten, en het minst dat ik zeggen kan, is dat mijn volgend gedrag er de waarde niet van heeft verminderd. Nu, mijnheer, waardeer ik die prul van een gravenkroon zoo min als gij, of eenig wijsgeer op aarde; want ik houd het er voor dat het Opperhoofd van zulk een clan als de Sliochd nan Ivor, hooger in rang is, dan éen graaf in Schotland. Maar ik had een bijzondere reden, om dezen verwenschten titel tegenwoordig te voeren. Ik vernam toevallig, moet gij weten, dat de Prins dien ouden dwazen baron van Bradwardine heeft gedrongen, zijn mannelijken erfgenaam, of neef, in den negentienden of twintigsten graad, die een officiersplaats bij de militie van den keurvorst heeft aangenomen, te onterven, en zijn nalatenschap te doen overgaan op uwe aardige, kleine vriendin, Rose; en hiermede, daar het een bevel van Koning en Opperhoofd is, die de bestemming van een leen naar genoegen mag veranderen, schijnt de oude heer tamelijk wel tevreden.”
„En wat zal er nu van de hulde worden?”
„De drommel hale de hulde! – Ik geloof, dat Rose de pantoffel der koningin, op haar krooningsdag, zal uittrekken, of een dergelijke nesterij. – Hoe dat ook zij, daar Rose altijd een goede partij voor mij zou geweest zijn, zonder die stomme voorkeur van haar vader voor zijn mannelijken erfgenaam, is het mij in de gedachte gekomen dat er nu geen beletsel meer overbleef, tenzij de Baron verwachten mocht dat de echtgenoot zijner dochter den naam van Bradwardine zou aannemen, wat in mijn geval, zoo als ge begrijpt, onmogelijk wezen zou en heb ik gemeend dat als ik den titel aannam, waarop ik zulk een gegrond recht had, natuurlijk die moeielijkheid uit den weg zou te ruimen zijn. Indien Rose tevens, volgens hare eigene rechten, burggravin Bradwardine na haar vaders overlijden wezen zou, des te beter; ik kon daar niets tegen hebben.”
„Maar, Fergus,” zeide Waverley, „ik dacht niet dat gij de minste genegenheid voor Freule Bradwardine koesterdet, en gij schimpt altijd op haar vader.”
„Ik heb zoo veel genegenheid voor Freule Bradwardine, mijn goede vriend, als ik noodig acht voor de toekomstige meesteres in mijn huis en de moeder mijner kinderen te moeten koesteren. Zij is een heel knap en schrander meisje, en zeker van een der eerste Laaglandsche geslachten, en zal, met een weinig onderwijs en vorming van Flora, een zeer goed figuur maken. Wat haar vader aangaat, hij is een origineel, dat is waar, en al vrij belachelijk, maar hij heeft sir Hew Halbert – den dierbaren overleden heer van Balmawhapple, en anderen zulke gestrenge lessen gegeven, dat niemand hem durft bespotten, en dus heeft zijn belachelijkheid niets te beteekenen. Ik zeg u, daar had geene zwarigheid ter wereld moeten bestaan – geene. Ik had de geheele zaak bij mijzelven geregeld.”
„Maar hadt gij de toestemming van den Baron, of Rose gevraagd?”
„Waartoe? Den Baron er over te spreken, voor dat ik mijn titel had zou slechts een ontijdig en verbitterend gekibbel hebben doen ontstaan over de naamsverandering, daar ik, in tegendeel, als graaf van Glennaquoich, hem eeniglijk had voor te stellen, om zijn verd...mden beer en laarzentrekker in een afzonderlijk veld of op eenige andere, mijn wapen slechts niet benadeelende, wijze op mijn schild over te nemen. En wat Rose betreft, ik zie niet in wat zij er tegen zou kunnen hebben, als ik de toestemming van haar vader had.”
„Misschien hetzelfde wat uwe zuster tegen mij heeft, ofschoon ik uwe toestemming heb.”
Fergus zette grootte oogen op bij de vergelijking, die in deze veronderstelling opgesloten lag, maar hield voorzichtig het antwoord terug, dat hem op de tong brandde. „O, wij zouden dat alles gemakkelijk geschikt hebben. Dus, mijnheer, verzocht ik een bijzonder gehoor bij den Prins, dat heden morgen werd bepaald, en ik vroeg u mij hier te ontmoeten, in de vaste overtuiging, ofschoon ze die van een gek bleek te zijn, dat ik uw bijstand zou noodig hebben, als speelnoot. Nu dan – ik som mijn aanspraken op – ze worden niet betwist – de zoo dikwijls herhaalde beloften en het verleenen van den open brief worden erkend. Maar ik stel voor, als een natuurlijk gevolg, om den rang aan te nemen, waartoe de benoeming mij verheft en nu voert men de oude historie van G*’s en M*’s jaloerschheid aan – ik verzet mij tegen dit voorwendsel, en bied aan om, uithoofde der vroegere dagteekening, dan de beuzelachtige vorderingen van hun kant, hunne schriftelijke inwilliging te verwerven – en ik verzeker u, dat ik deze toestemming van hen zou verkregen hebben, al was het ook op de punt van den degen. En nu komt de waarheid in al hare naaktheid voor den dag, en durft hij mij in het gezicht zeggen, dat mijn verheffing voor het oogenblik buiten werking moet blijven, uit vrees van te mishagen aan dien gemeenen lafaard en fainéant – hier noemde Fergus het mededingend Opperhoofd van zijn clan – die geen meer aanspraak heeft om Opperhoofd te zijn, dan ik om Keizer van China te wezen; en die goedvindt zijn laffen afkeer om te velde te trekken, (gelijk zijn twintigmaal herhaalde beloften het medebrengen) te verbergen onder een voorgewenden naijver op des Prinsen vooringenomenheid met mij. En, om dezen ellendigen mededinger het voorwendsel voor zijn lafhartigheid te ontnemen, vraagt de Prins, als persoonlijk vriendschapsbewijs van mij, verbeeld u, niet op mijn gegrond en redelijk verzoek, in dit oogenblik, aan te dringen. Stel nu maar eens op Prinsen uw vertrouwen!”
„En eindigde hiermede uwe audiëntie?”
„Eindigen? Wel neen! Ik had besloten hem geen voorwendsel voor zijn ondankbaarheid te laten, en daarom gaf ik met al de bedaardheid, die ik meester kon blijven, – want, ik verklaar u, dat ik van drift beefde, – de bijzondere redenen op, waarom ik wenschte, dat Zijne Koninklijke Hoogheid mij een ander middel mocht voorschrijven, om mij van mijn verplichting en gehechtheid te kwijten, daar mijn vooruitzichten in het leven, datgene, wat op ieder anderen tijd slechts een beuzeling zou zijn, thans tot een zwaar offer maakten; en nu ontvouwde ik hem mijn geheele ontwerp.”
„En wat antwoordde de Prins?”
„Wat hij antwoordde? Nu – het is goed dat er geschreven staat: „vloek den Koning niet, zelfs niet in uwe gedachten!”– nu dan, hij antwoordde, dat het hem inderdaad verheugde, dat ik hem tot mijn vertrouwde gemaakt had, om smartelijke teleurstelling te voorkomen; want hij kon mij op zijn vorstenwoord verzekeren, dat freule Bradwardines hart niet vrij was, en hij zich persoonlijk verbonden had hare liefde te begunstigen! „Dus, mijn waarde Fergus!” zeide hij, met zijn allergenadigsten glimlach, „daar er aan het huwelijk niet te denken valt, behoeft er, zoo als ge ziet, over den graventitel geen beweging gemaakt te worden.” En hiermede ging hij weg, en liet mij planté là!”
„En wat deedt gij?”
„Ik zal u zeggen, wat ik op dat oogenblik had kunnen doen – mij zelven aan den duivel of aan den Keurvorst verkoopen, wie maar de felste wraak beloofde. Maar nu ben ik weder bedaard. Ik weet, dat hij voornemens is haar aan den een of ander zijner ellendige Fransche of Iersche officiers uit te huwelijken; maar ik zal hen van nabij gadeslaan, en laat de man, die mij uit den zadel wil lichten, oppassen! – Bisogna coprirsi, signor.” [168]
Na nog eenige woorden, waaromtrent het onnoodig is in bijzonderheden te treden, nam Waverley afscheid van het Opperhoofd, wiens woede nu plaats had gemaakt voor een vurig verlangen naar wraak, en keerde naar huis terug, ter nauwernood in staat om zich van de verschillende gewaarwordingen rekenschap te geven, die dit verhaal in zijn hart had opgeroepen.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
STEEDS ONBESTENDIG.
„Ik ben bepaald tot speelbal mijner grillen,” zeide Waverley tot zichzelven, toen hij de deur zijner kamer sloot, en met groote stappen op en neder liep. – „Wat raakt het mij of Fergus Mac-Ivor Rose Bradwardine wenscht te huwen? – Ik bemin haar niet – ik zou misschien door haar bemind zijn geworden – maar ik wees haar eenvoudige, natuurlijke en hartelijke genegenheid af, in plaats van ze door een vriendelijk gedrag in teederheid te doen veranderen, en wijdde mij aan een vrouw toe, die nooit een sterveling zal beminnen, als Warwick, „de Koningmaker” niet weder uit de dooden opstaat. Ook de Baron – ik zou mij om zijn goederen niet bekommerd hebben, en dus zou de naam geen struikelblok zijn geweest. De drommel had de woeste moerassen kunnen halen en de Koninklijke caligæ uitgetrokken hebben, zonder dat ik er mij tegen verzet zou hebben. Maar geschapen als zij is voor de teedere aandoeningen van huiselijke gehechtheid en liefde, om al die vriendelijke en aangename zorgen te besteden en te ontvangen, welke het leven verzoeten van degenen, die het met elkander slijten, wordt ze gezocht door Fergus Mac-Ivor. Hij zal haar zeker niet slecht behandelen – daartoe is hij niet in staat – maar hij zal haar, na de eerste maand, verwaarloozen; hij zal er te veel aan denken, om dit of dat mededingend Opperhoofd ten onder te brengen, om dezen of genen gunsteling aan het hof te doen vallen, om hier of daar een schrale heide of een waterplas bij zijn bezittingen te voegen, of zijn benden met eenige nieuwe spitsboeven te vermeerderen – en zich niet bekreunen om al wat zij doet, en hoe zij den tijd doorbrengt.”
„En dan zal hartzeers kanker ook haar bloem Doorknagen, en het weergalooze schoon Verbannen van haar rozeroode kaak; Holoogig ziet ze dan, gelijk een geest, En bleek en mager als door koorts verteerd, Totdat zij sterft.”
„En dit droevige lot van het bevalligste schepseltje op Gods aardbodem zou te voorkomen zijn geweest, indien de heer Eduard Waverley uit zijn oogen had gekeken! – Op mijn woord, ik kan niet begrijpen, hoe ik Flora zoo veel, dat is, zoo heel veel mooier vond dan Rose. Zij is ranker, dat is waar, en haar houding is deftiger; maar velen houden Freule Bradwardine voor natuurlijker; en zij is zeker veel jonger. Ik zou denken, dat Flora een paar jaar ouder is dan ik – ik zal haar beiden van avond eens nauwkeurig gadeslaan.”
En met dit besluit, ging Waverley thee drinken (gelijk dit zestig jaar geleden het gebruik was) bij een dame van rang, die de zaak van den Prins was toegedaan, en waar hij, gelijk hij verwacht had, beide dames aantrof. Een ieder stond op toen hij binnenkwam, maar Flora hernam oogenblikkelijk haar plaats, en vatte het begonnen gesprek weder op. Rose, daarentegen, maakte bijna onmerkbaar plaats, opdat hij een stoel zou kunnen zetten in den dichten kring die haar omgaf.
„Hare wijze van doen is, over het geheel, zeer innemend,” zeide Waverley bij zichzelven.
De vraag werd geopperd, of de Gaelsche dan wel de Italiaansche taal de zachtste, vloeiendste en meest geschikte voor de poëzij was. De zaak der Gaelsche, die waarschijnlijk elders geen voorstanders zou gevonden hebben, werd hier met vuur verdedigd door zeven Hooglandsche dames, die haar longen in het geheel niet ontzagen, en het geheele gezelschap doof gilden met voorbeelden van de welluidendheid der Celtische taal. Flora, wie het in het oog viel dat de Laaglandsche dames om de vergelijking meesmuilden, bracht eenige redenen bij, ten bewijze dat ze niet zoo geheel dwaas was; maar toen men Rose naar haar gevoelen gevraagd had, liet zij zich met warmte ten voordeele der Italiaansche uit, die zij met behulp van Waverley beoefend had. „Zij heeft een juister gehoor dan Flora, ofschoon zij minder ervaren is in de muziek,” dacht Waverley bij zichzelf. „Ik veronderstel dat Freule Mac-Ivor spoedig Mac Murrough nan Fonn bij Ariosto zal vergelijken.”
Eindelijk gebeurde het dat het gezelschap het niet eens was, of men Fergus zou verzoeken op de fluit te spelen, waarin hij uitmuntte, dan wel of Waverley zou uitgenoodigd worden, een stuk van Shakespeare te lezen. De vrouw des huizes belastte zich goedwillig met het opnemen der stemmen van het gezelschap, die zich voor poëzij of muziek verklaarden; onder voorwaarde, dat de heer, wiens talenten dien avond niet in aanspraak genomen werden, ze wel zou verleenen om den volgenden op te luisteren. Het kwam zoo uit, dat Rose de beslissende stem had. Nu had Flora, die het zich tot een wet scheen gemaakt te hebben nooit een voorstel te ondersteunen, waardoor Waverley ook maar het geringste aangemoedigd kon worden voor de muziek gestemd, mits de Baron zijn viool nam, om Fergus te accompagneeren. „Ik wensch u geluk met uw smaak, Freule Mac-Ivor,” dacht Waverley, terwijl men naar zijn boek zocht. „Ik hield dien, toen wij op Glennaquoich waren, voor beter; maar zeker is de Baron geen groot speler, en Shakespeare verdient wel dat men naar hem luistere!”
„Romeo en Julia” werd gekozen, en Eduard las met smaak, gevoel en warmte, eenige tooneelen uit dat treurspel voor. Het geheele gezelschap juichte met handgeklap, en verscheidenen met tranen toe. Flora, die het stuk zeer goed kende, behoorde onder de eerstgenoemden. Rose, voor wie het zoo goed als nieuw was, behoorde tot de laatste klasse van bewonderaars. „Zij heeft ook meer gevoel,” zeide Waverley in zichzelven.
Toen het gesprek over de handeling van het stuk en over de karakters, begon te loopen, verklaarde Fergus, dat de eenige, die verdient als man van fatsoen en geest en moed genoemd te worden, Mercutio was. „Ik kon,” zeide hij, „al zijn ouderwetsch vernuft niet volkomen volgen, maar hij moet, naar de denkbeelden van zijn tijd, een zeer beminnelijk mensch zijn geweest.”
„En het was schande,” zei vaandrig Maccombich, die doorgaans in alles zijn kolonel volgde, „van dien Tibbert of Taggart, of hoe hij ook heette, hem van onder den arm van dien anderen Heer overhoop te steken, terwijl hij den twist zocht bij te leggen.”
De dames verklaarden zich natuurlijk luide voor Romeo, maar dit gevoelen bleef niet zonder tegenspraak. De vrouw des huizes en verscheidene andere dames berispten tamelijk streng de lichtvaardigheid, waarmede de held zijn genegenheid van Rosalinde op Julia overbracht. Flora bewaarde het stilzwijgen tot men haar gevoelen herhaalde malen gevraagd had, en antwoordde toen, dat deze wispelturigheid, waaraan men zich ergerde, door haar niet slechts zeer overeenkomstig met de natuur gehouden werd, maar dat ze ten hoogste voor de kunst van den dichter getuigde. „Shakespeare schildert Romeo als een jonkman die bijzonder vatbaar is voor de zachtere aandoeningen; het eerste voorwerp zijner liefde is een meisje, dat ze niet kon beantwoorden; dit zegt hij u bij herhaling.”
„De zwakke kinderpijl der liefde treft haar niet”
en wederom,
„De liefde zwoer zij af”
Daar het nu onmogelijk was, dat Romeo’s liefde – aangenomen dat hij een verstandig mensch was – zonder hoop kon voortduren, nam de dichter met de grootste bekwaamheid, het oogenblik te baat, waarin de held zich werkelijk tot wanhoop gebracht ziet, om hem een meisje te gemoet te voeren, dat volmaakter is dan zij, door wie hij was afgewezen, en tevens geneigd om aan zijn liefde te beantwoorden. Ik kan mij bezwaarlijk een toestand voorstellen, die meer geschikt is om Romeo’s liefde voor Julia aan te wakkeren, dan de omstandigheid dat hij door haar, op eens, uit den staat van kwijnende neerslachtigheid, waarin hij eerst ten tooneele verschijnt, wordt opgewekt en weggerukt en waarvan hij zoo geheel verwijderd is, als hij uitroept:
„Wat droefheid mij voortaan ook treffen mag, Zij weegt toch geenszins hier ’t genoegen op, Dat slechts een oogwenk mij haar bijzijn schenkt.”
„Hoe nu, Freule Mac-Ivor,” zeide een jonge dame van rang, „wilt gij ons van ons schoonste voorrecht berooven? Wilt gij ons overtuigen, dat liefde zonder hoop niet kan bestaan, of dat de minnaar onbestendig moet worden, wanneer zijn dame wreed is? Wel foei! zulk een besluit, dat zoo weinig sentimenteel is, had ik niet verwacht.”
„Een minnaar, waarde lady Betty, mag, naar mijn oordeel, onder zeer ontmoedigende omstandigheden in zijn liefde volharden. De liefde kan (soms) iederen storm, hoe zwaar die ook zij, weerstand bieden, maar onmogelijk de langdurige Siberische koude der onverschilligheid. Neem, zelfs met uwe aantrekkelijkheden, deze proef op geen minnaar, wiens trouw gij op prijs stelt! Ja, de liefde kan met verbazend weinig hoop zich voeden, maar geheel zonder deze leven, kan zij niet.”
„Het zal er juist zoo mede gelegen zijn, als met Duncan Mac-Girdie’s merrie, met uw welnemen,” zeide Evan, „hij wilde haar namelijk langzamerhand gewennen om zonder voêr te leven, en juist toen hij haar op één stroohalmpje daags gebracht had, stierf het arme beest!”
Evans vergelijking bracht het gezelschap aan het lachen, en het gesprek nam een andere wending. Kort daarna scheidde men, en Eduard keerde naar huis terug, in gedachten verzonken over hetgeen Flora gezegd had. „Ik wil mijn Rosalinde niet langer beminnen,” zeide hij; „zij heeft mij, daartoe een genoegzaam duidelijken wenk gegeven; en ik zal met haar broeder spreken en mijn aanzoek opgeven. Maar wat Julia betreft – zou het edelmoedig zijn Fergus’ bemoeiingen in den weg te staan? Maar het is onmogelijk dat hij ooit slaagt! En als hij niet slaagt, wat dan? – Wel dan, alors comme alors.” En met dit wijze besluit, om zich door de omstandigheden te laten leiden, begaf onze held zich ter rust.
EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN BRAAF MAN IN NOOD.
Indien mijn schoone lezeressen van gevoelen wezen mochten, dat de lichtvaardigheid van mijn held in de liefde volstrekt onvergefelijk is, moet ik haar herinneren, dat al zijn grieven en bezwaren geenszins uit die sentimenteele bron ontsprongen. Zelfs de lierdichter, die zoo aandoenlijk over de smart der liefde klaagt, kon te gelijker tijd niet vergeten, „dat hij in schulden stak en aan den drank was,” hetgeen buiten tegenspraak zijn ongeluk slechts kon verzwaren. Er verliepen inderdaad geheele dagen, waarop Waverley noch aan Flora noch aan Rose Bradwardine dacht, maar die besteed werden aan treurige gissingen over den waarschijnlijken staat der zaken op Waverley-Honour, en den twijfelachtigen uitslag van den burgertwist, waarin hij betrokken was. Kolonel Talbot wikkelde hem dikwijls in een gesprek over de onrechtvaardigheid der zaak, waaraan hij zich gewijd had, „Niet,” zeide hij, „dat het u mogelijk is ze op dit oogenblik te verzaken, want, wat er van kome, gij moet uwe overhaaste verbintenis gestand doen. Maar ik wensch u te doen beseffen, dat het recht niet aan uwe zijde is, dat gij strijdt tegen de ware belangen van uw land, en dat gij, als Engelschman en als vaderlander, de de eerste gelegenheid de beste moet aangrijpen, om dezen ongelukkigen tocht op te geven, eer de sneeuwbal smelt.”
Bij dergelijke staatkundige woordenwisselingen voerde Waverley gemeenlijk, van zijn zijde, de gewone argumenten aan, waarmede het niet noodig is den lezer lastig te vallen. Maar hij had weinig te zeggen, wanneer de Kolonel hem drong, om de strijdkrachten, waarmede ze ondernomen hadden het Bewind omver te werpen, met die te vergelijken, welke thans in allerijl bijeengebracht werden, om het staande te houden. Hierop had Waverley slechts éen antwoord: „Zoo de zaak, die ik mede omhelsd heb, gevaarlijk is, zou het te schandelijker zijn, mij er aan te onttrekken.” En op zijn beurt bracht hij doorgaans den Kolonel tot zwijgen, terwijl hij er in slaagde om het gesprek een andere wending te geven.