Waverley

Part 33

Chapter 333,857 wordsPublic domain

Juist op het oogenblik dat deze gewichtige zaak beslist werd, naderde de baron van Bradwardine, met een bezorgd en toch trotsch gelaat, de beide jonge lieden. Hij steeg van zijn dampend krijgsros, waarvoor hij de zorg aan een zijner bedienden beval. „Ik vloek zelden,” zeide hij tegen den man; „maar zoo ge een van uw gemeene streken speelt, en den armen Berwick verlaat voor dat hij bezorgd is – om te loopen plunderen – moge de drommel mij halen, als ik je niet laat ophangen.” Nu streelde hij met innig welgevallen het dier, dat hem door al de vermoeienissen van den dag had heengeholpen, en na er een teeder afscheid van genomen te hebben zeide hij: – „Wel, mijn beste, jonge vrienden, dat is een roemrijke en beslissende overwinning, maar die jakhalzen van ruiters liepen te spoedig weg. Ik zou lust gehad hebben u de ware punten van het prælium equestre, of ruitergevecht, te doen opmerken, hetwelk hunne lafheid ontvlucht is, en dat ik voor den trots en den schrik van den krijg houd. Hoe het zij, ik heb dan nog eens gestreden voor deze oude zaak, ofschoon ik toegeef dat ik niet zoo ver kon gaan, als gij, jongere snuiters, daar het juist tot mijn plicht behoorde, ons handvol paardenvolk bij elkander te houden. En geen ruiter mag op eenige wijze de eer bekibbelen, die zijn kameraden ten deel gevallen is, en die op een anderen tijd, zoo God wil, de zijne kan worden. – Maar, Glennaquoich, en gij, mijnheer Waverley, ik bid u, geeft mij uw goeden raad in een zaak van groot gewicht, en waarbij de eer van het huis van Bradwardine het hoogste belang heeft. – Ik bid u om verschooning, vaandrig Maccombich, en u Inveraughlin, en u Edderalshendrach, en u, Mijnheer!”

De laatste, dien hij aansprak, was Ballenkeiroch, die, vervuld met den dood van zijn zoon, hem aanzag met een blik vol sarrende woestheid. De Baron, die zich in een oogwenk beleedigd gevoelde, had ook reeds de wenkbrauwen gefronsd, toen Glennaquoich zijn Majoor ter zijde nam, en hem, op den gezaghebbenden toon van een Opperhoofd, onderhield over de dwaasheid, om op een oogenblik als dit eenigen twist op te rakelen.

„De grond is bezaaid met lijken,” zei de oude bergschot, terwijl hij zich gemelijk verwijderde, „éen meer zou men daarbij nauwelijks hebben opgemerkt, en was het niet om u, Vich Ian Vohr, dan zou dat éene van Bradwardine of van mij wezen.”

Het Opperhoofd bracht hem tot bedaren, terwijl hij hem wegleidde, en keerde toen tot den Baron terug. „Het is Ballenkeiroch,” zeide hij op zachten en vertrouwelijken toon, „vader van den jonkman, die voor acht jaren, in die ongelukkige affaire bij uwe plaats, sneuvelde.”

„O!” zei de Baron, terwijl de onheilspellende strakheid zijner trekken in een zachtere uitdrukking overging: „ik kan veel van iemand verdragen, dien ik ongelukkig zooveel smart heb veroorzaakt. Gij deedt wel met mij te waarschuwen, Glennaquoich; hij mag zoo zwart zien als de nacht om kerstmis, eer Cosmo Comyne Bradwardine zeggen zal dat hij hem onrecht doet. Och! ik heb geen mannelijk kroost, en ik behoor veel te verdragen van iemand, dien ik kinderloos heb gemaakt; schoon ge weet, dat de bloedschuld tot uw eigen genoegen werd afgemaakt, bij assythment en door brieven van slains [153]. – Maar, gelijk ik zei, ik heb geen mannelijken afstammeling, en toch is het noodig dat ik de eer van mijn huis ophoud; het is juist hierover dat ik u in het bijzonder wilde spreken, en waaromtrent ik al uwe oplettendheid inroep.”

De twee jongelieden wachtten met ongeduldige nieuwsgierigheid. „lk twijfel niet, jongelieden, of men heeft wel zóo voor uwe opvoeding zorg gedragen, dat gij den waren aard van leenroerige bezittingen kent?”

Fergus, die voor een eindelooze verhandeling bevreesd begon te worden, antwoordde: „Door en door, Baron,” en stiet Waverley aan, om hem te doen verstaan, dat hij zijn onkunde niet bekennen zou.

„Ook is u, naar ik vertrouw, niet onbekend, dat het bezit van de baronie van Bradwardine van een even vereerenden als bijzonderen aard is, daar ze blanch is (hetwelk Craig [154] oordeelt in het Latijn te moeten worden overgezet, door Blancum, of liever francum, een vrije bezitting) pro servitio detrahendi, seu exuendi, caligas regis post battaliam.” [155] Hier zag Fergus Eduard van ter zijde aan, terwijl bij bijna onmerkbaar de wenkbrauwen optrok, met welke beweging zijn schouders eveneens instemden. „Nu doen zich omtrent dit onderwerp twee tamelijk onzekere punten voor. Vooreerst, of deze dienst, of leenmanshulde, ooit kan toekomen aan den Prins, daar de woorden per expressum, caligas regis, „de laarzen van den Koning zelven” zijn; en ik verzoek uw gevoelen betreffende deze bijzonderheid te mogen weten, eer wij verder gaan.”

„Wel, hij is Prins-Regent,” antwoordde Mac-Ivor, met een heerschappij over zijn gelaat die allen lof verdient; „en aan het Fransche hof wordt alle eer aan den Prins-Regent bewezen, die men den Koning schuldig is. Daarenboven, indien ik de laarzen van een van beide moest uittrekken, zou ik die dienst tienmaal liever bewijzen aan den jongen Prins, dan aan zijn vader.”

„Ja, maar ik spreek hier niet van persoonlijke voorkeur. Evenwel is uw gezag van groot belang, wat de gebruiken van het Fransche hof betreft. En zeker de Prins, als alter ego [156], mag misschien wel aanspraak maken op het homagium van de groote leenheeren der kroon, daar aan alle getrouwe onderdanen in de akte van het regentschap bevolen wordt, om hem als des Konings eigen persoon te eerbiedigen. Verre zij het dus van mij, den luister van zijn gezag te willen verminderen, door hem een daad van hulde te onthouden, die zoo bijzonder geschikt is om er glans aan bij te zetten; want ik twijfel nog eenigszins, of aan den Keizer van Duitschland de laarzen wel worden uitgetrokken door een rijksvrijheer? Maar, hier doet zich de tweede zwarigheid voor – de Prins draagt geen laarzen, maar eenvoudige trews en brogues [157].

Dit laatste dilemma had Fergus’ ernst bijna verstoord.

„Wel,” zeide hij, „ge weet, Baron, dat het spreekwoord luidt: het gaat moeielijk een Hooglander de broek uit te trekken, – en dat geldt ook hier van laarzen.”

„Het woord caligæ,” ging de Baron voort, „ofschoon ik beken, dat het volgens mijn familie-overlevering, en zelfs in onze oude bewijsstukken, door laarzen verklaard wordt, beteekent evenwel, in zijn oorspronkelijken zin, veeleer sandalen; en Cajus Cæsar, de neef en opvolger van Cajus Tiberius, verkreeg den bijnaam van Caligula, a caligulis, sive caligis levioribus, quibus adolescentior usus fuerat in exercitu Germanici patris, sui [158]. Ook waren de caligæ in gebruik bij de monniken; want wij lezen in een oud glossarium, dat, volgens den regel van St. Benedictus, in de abdij van St. Amand, de caligæ met banden werden vastgemaakt.”

„Dat zal op de brogues zien,” hernam Fergus.

„Wel zeker, mijn waarde Glennaquoich, en de woorden zijn uitdrukkelijk: Caligæ dietæ sunt, quia ligantur; nam socci non ligantur, sed tantum intromittuntur; dat is, caligæ ontleenen haren naam van de banden, waarmede ze vast gemaakt worden, terwijl daarentegen socci, die bijna hetzelfde mogen zijn als onze pantoffels, slechts aan den voet gesloft, worden. Ook komen in het Charter tweeërlei woorden voor, exuere seu detrahere, dat is, losmaken, zoo als in het geval van sandalen of brogues, en uittrekken, zoo als wij in onze moedertaal van laarzen zeggen. Intusschen wilde ik, dat we meer licht hadden; maar ik vrees, dat er weinig kans bestaat om hier eenigen geleerden schrijver de re vestiaria [159] te vinden.”

„Ik twijfel er sterk aan,” zei het Opperhoofd, terwijl hij een blik wierp op de zwoegende Hooglanders, die beladen met den buit der verslagenen terug kwamen, „schoon de res vestiaria zelve op het oogenblik inderdaad vrij wat gezocht schijnt.”

Daar deze aanmerking geheel in den luimigen aard van den Baron viel, vereerde hij ze met een glimlach, maar keerde oogenblikkelijk terug tot hetgeen hem een zeer ernstige zaak scheen.

„Het is waar,” zeide hij, „Mackwheeble koestert het gevoelen, dat deze vereerende dienst, uit haren aard, plicht is, si petatur tantum; dat wil zeggen, wanneer Zijn Koninklijke Hoogheid van den grooten leenman der Kroon vordert dat hij dezen persoonlijken plicht volbrengen zal; en hij wees inderdaad het punt aan in Dirleton’s Twijfelingen en Vragen, Grippit tegen Spicer, over de uitwinning van een landgoed ob non solutum canonem, dat is, wegens het niet betalen van een leenplicht van drie peperkorrels in het jaar, welke geschat werd zeven achtste van een Schotsche duit waardig te zijn, tot het betalen waarvan de aangeklaagde verwezen werd. Maar onder uw welnemen, geloof ik dat het beste is, mij in den weg te plaatsen om den Prins deze dienst te bewijzen en hem die aan te bieden; en ik zal zorgen dat de rentmeester bij de hand is met een akte van protest, welke reeds door hem is gereed gemaakt, (dit zeggende haalde hij een papier voor den dag) waarin verklaard wordt, dat, indien Zijn Koninklijke Hoogheid anderen bijstand zal aannemen in het uittrekken van zijn caligæ, (hetzij dit vertaald worde door laarzen of brogues) behalve dien van den genoemden baron van Bradwardine, die op dit oogenblik gereed en gewillig is om dien te verleenen, zulks op geenerlei wijze inbreuk zal maken op, of strekken tot nadeel van de rechten van den gezegden Comyne Bradwardine, om gezegden dienst in het vervolg te volvoeren; noch zal het aan eenigen schildknaap, kamerdienaar, hoveling of page, wiens bijstand het Zijn Koninklijke Hoogheid moge behagen te gebruiken, eenig recht, titel of aanspraak geven, ter opeisching op gezegden Cosmo Comyne Bradwardine, van de landerijen en de baronie van Bradwardine, en zoo voorts, gehouden, als voorzegd, volgens de plichtschuldige en getrouwe vervulling der bedongen leendiensten.

Fergus juichte deze schikking hoogelijk toe: en de Baron nam een vriendelijk afscheid van hen, met een glimlach van voldane eigenliefde op het gelaat.

„Lang leve onze beste vriend, de Baron,” riep het Opperhoofd, zoodra hij buiten het gehoor was, „als het belachelijkst origineel, dat ten noorden van de Tweed bestaat! Het spijt mij dat ik hem niet aangeraden heb, heden avond in den kring van den Prins te verschijnen met een laarzentrekker onder den arm. Ik geloof dat hij den wenk zou opgevolgd hebben, als die maar met gepaste deftigheid gegeven ware.”

„Hoe kunt ge er toch vermaak in scheppen zulk een achtingswaardig man belachelijk te maken?”

„Met uw verlof, mijn waarde Waverley, ge zijt niet minder belachelijk dan hij. Hoe? bemerkt ge niet, dat ’s mans geheele ziel alleen met deze plechtigheid is vervuld? Hij heeft daarvan gehoord en er over gedacht, als het verhevenste voorrecht en de luisterrijkste plechtigheid ter wereld; en ik twijfel niet, of het genoegen dat hij hoopt te smaken door het bewijzen van dezen dienst, was voor hem een voorname beweegreden om de wapens op te vatten. Maak er staat op, dat, indien ik gepoogd had hem er van af te brengen om zich belachelijk te maken, hij mij voor een weetniet, een ingebeelden gek zou hebben uitgescholden, of het misschien wel in het hoofd zou gekregen hebben om mij de keel af te snijden; een genoegen, dat hij zich eenmaal voorstelde over een punt van etiquette, in zijn oogen niet half zoo gewichtig als deze zaak van laarzen of brogues, of waarvoor de caligæ, ten slotte, door de geleerden mogen worden verklaard. Maar ik moet naar het hoofdkwartier gaan, om den Prins op dit inderdaad buitengewone tooneel voor te bereiden. Ik ben er zeker van dat mijn bericht goed opgenomen zal worden, want het zal hem eens hartelijk doen lachen, en tevens maken dat hij op zijn hoede is niet te glimlachen, als de lust er toe zeer mal-à-propos wezen zou. Derhalve, tot wederziens, Waverley!”

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

DE ENGELSCHE GEVANGENE.

Waverleys eerste zorg na het vertrek van het Opperhoofd, bestond daarin, dat hij zich naar den officier begaf wien hij het leven gered had. Hij werd, te gelijk met zijn makkers in het ongeluk, die zeer talrijk waren, in een heerenhuis niet verre van het slagveld bewaakt.

Toen hij het vertrek binnentrad, waar ze dicht op elkander gedrongen stonden, herkende Waverley gemakkelijk den man wien zijn bezoek gold, niet slechts aan de bijzondere waardigheid van zijn voorkomen, maar tevens aan zijn bewaker, Dugald Mahony, met zijn strijdbijl, die hem van het oogenblik zijner gevangenneming had aangekleefd, alsof hij aan zijn zijde gespijkerd was. Deze nauwgezetheid had wellicht het doel

om zich van Eduards toegezegde belooning te verzekeren; maar zij strekte insgelijks om te voorkomen dat de Engelschman, in de algemeene verwarring, werd uitgeschud; want Dugald had zorgvuldig berekend, dat zijn loon zou worden geregeld naar den toestand van den gevangene, op het oogenblik dat hij dezen aan Waverley in handen stelde. Hij haastte zich dus om Eduard te verzekeren, dat hij den „Sidier Roy” in veiligheid gebracht had, en dat hem geen enkel haar op het hoofd gekrenkt was sedert het oogenblik waarop Mijnheer hem verboden had den gevangene een klein houwtje met den strijdbijl te geven.

Waverley beloofde Dugald op nieuw een rijke belooning, en terwijl hij den Engelschen officier naderde, betuigde hij zijn verlangen, om alles voor hem te doen, wat in de tegenwoordige onaangename omstandigheden tot zijn voordeel kon strekken.

„Ik ben zulk een onervaren soldaat niet, Mijnheer,” antwoordde de Engelschman, „dat ik mij zou willen beklagen over het lot van den oorlog. Het grieft mij slechts die tooneelen op ons eigen eiland te zien, welke ik elders met onverschilligheid heb aanschouwd.”

„Nog éen dag als deze,” zei Waverley, „en ik vertrouw, dat de oorzaak van uw leed weggenomen zal zijn, en alles tot orde en rust terug keeren.”

De officier glimlachte en schudde het hoofd.

„In den toestand waarin ik mij bevind, zou het mij weinig voegen, uw gevoelen te willen bestrijden; maar, in weerwil van den goeden uitslag en de dapperheid waardoor gij dien verkreegt, hebt ge een taak ondernomen, die mij geheel en al boven uwe krachten schijnt.”

Op dit oogenblik trad Fergus binnen, en baande zich een weg door het gedrang.

„Kom, Eduard, kom mede! De Prins slaapt heden nacht op Pinkie-house [160], en wij moeten ons daarheen begeven, als wij de geheele plechtigheid van de caligæ niet missen willen. Uw vriend, de Baron, heeft zich aan een groote wreedheid schuldig gemaakt, door Mackwheeble naar het slagveld mede te slepen. Nu moet ge weten, dat de rentmeester van niets zulk een afschrik heeft, als van een gewapenden Hooglander, of een geladen geweer; en op dit oogenblik staat hij te luisteren naar de onderrichtingen van den Baron omtrent het protest, terwijl hij zijn hoofd duikt als een zeehond, bij het schot van elk geweer of pistool, dat onze leegloopende knapen op het veld losbranden, terwijl hij, bij wijze van penitentie, bij iedere beweging bukkende, een zware berisping van zijn patroon opdoet, die het vuren van een geheele batterij, op een geweerschot afstands, als geen genoegzame verontschuldiging zou beschouwen, voor gemis aan oplettendheid bij een gesprek waarin de eer zijner familie betrokken is.”

„Maar hoe heeft de heer Bradwardine er hem toegebracht, zich zoo ver te wagen?”

„Wel, hij was tot Musselburgh gekomen, naar ik gis, in de hoop om voor sommigen onzer een testament te maken; en de stellige bevelen van zijn meester sleepten hem, nadat de slag geëindigd was, voort tot Preston. Hij klaagt over een of twee onzer deugnieten, die zijn leven in gevaar gebracht hadden, door hem hunne geweren op de borst te zetten; maar, daar zij het losgeld tot een Engelschen stuiver bepaalden, dunkt mij, dat wij den provoost-geweldiger met de zaak niet behoeven te moeien. – Kom, ga nu mede, Waverley!”

„Waverley!” riep de Engelsche officier, met levendige ontroering, „de neef van Sir Everhard Waverley, van – shire?”

„Dezelfde, mijnheer,” antwoordde onze held, eenigzins verrast door den toon, waarop hij hem aansprak.

„Het maakt mij tegelijk gelukkig en bedroefd,” zei de gevangene, „u te ontmoeten.”

„Ik weet niet, mijnheer,” antwoordde Waverley, „hoe ik zoo veel belangstelling van uw zijde verdien.”

„Heeft uw oom u nooit gesproken van een vriend, Talbot geheeten?”

„Ik heb hem met zeer veel achting van zulk een vriend hooren spreken – kolonel, geloof ik, bij het leger, en de echtgenoot van Lady Emilia Blandeville; maar ik meende dat kolonel Talbot buiten ’s lands was.”

„Ik ben pas terug gekomen; en daar ik in Schotland was, achtte ik het mijn plicht om niet stil te zitten, waar mijn dienst misschien van eenig nut wezen kon. Ja, mijnheer Waverley, ik ben die kolonel Talbot, de echtgenoot der door u genoemde dame; en ik ben er trotsch op te erkennen, dat ik zoo wel mijn militairen rang als mijn huiselijk geluk aan uw grootmoedigen en edeldenkenden bloedverwant verschuldigd ben. Goede God! dat ik zijn neef in zulk een kleeding, en in zulk een zaak betrokken moet vinden!”

„Mijnheer,” zeide Fergus, op hoogen toon, „de kleeding en de zaak zijn die van mannen van eer en van geboorte.”

„Indien mijn toestand mij niet verbood uwe verzekering te betwisten, zou het mij niet moeielijk vallen te bewijzen, dat moed, noch roem op afkomst een kwade zaak goed kunnen maken. Maar, met mijnheer Waverleys verlof, en insgelijks met het uwe, mijnheer, indien het uwe ook gevraagd moet worden, zou ik gaarne eenige woorden met hem spreken over zaken, zijn familie betreffende.”

„De heer Waverley, mijnheer, is geheel en al meester van zijn daden. – Gij zult mij, hoop ik, naar Pinkie volgen,” hernam Fergus, terwijl hij zich tot Eduard keerde, „zoodra gij uw gesprek met deze nieuwe kennis ten einde hebt gebracht?” En met deze woorden bracht het Opperhoofd van Glennaquoich zijn plaid, met iets meer dan zijn gewone hoogheid, in orde en verliet het vertrek.

Waverleys invloed verschafte kolonel Talbot gemakkelijk de vrijheid om zich naar een ruimen tuin te begeven, die tot het huis behoorde waarin de gevangenen waren opgesloten. Ze wandelden eenige schreden zwijgende voort, terwijl de Kolonel blijkbaar overlegde, hoe hij met hetgeen hij te zeggen had zou beginnen; eindelijk sprak hij Eduard aldus aan:

„Mijnheer Waverley, gij hebt heden mijn leven gered, en toch zou ik, zoo waar God leeft, het liever verloren hebben, dan u de uniform en de kokarde dezer lieden te zien dragen.”

„Ik vergeef u uw verwijt, kolonel Talbot; het is wél gemeend, en een natuurlijk gevolg van uw opvoeding en beginselen. Maar er is niets buitengewoons in gelegen, dat iemand, wiens eer openlijk en onrechtvaardig aangetast is, een positie zoekt die hem de beste gelegenheid belooft, om zich op zijn lasteraars te wreken.”

„Ik zou eer zeggen, een positie die het meest geschikt is om de door hen in omloop gebrachte geruchten te bevestigen,” antwoordde kolonel Talbot, „door u juist te gedragen zoo als ze verteld hebben. En is het u bekend, mijnheer, welke onuitsprekelijke moeielijkheden, en zelfs gevaren, gij door uw tegenwoordig gedrag aan uw naaste betrekkingen berokkent?”

„Gevaren?”

„Ja, mijnheer, gevaren. Toen ik Engeland verliet, waren uw oom en vader genoodzaakt borg voor hunne personen te stellen, om zich te verantwoorden wegens een beschuldiging van hoogverraad; en het is met de meeste moeite aan invloedrijke vrienden gelukt, hun de vergunning tot een borgstelling, in plaats van een arrestatie, te bezorgen. Mijn reis naar Schotland had geen ander oogmerk, dan om u uit den stroom te redden, waarin gij u hebt gestort; ook kan ik de gevolgen voor uw familie niet berekenen van uw aansluiting aan de opstandelingen, daar reeds het vermoeden alleen zoo gevaarlijk voor hen was. Allerdiepst smart het mij, dat ik u niet ontmoet heb, alvorens gij dezen laatsten en noodlottigen misstap hadt begaan.”

„Ik weet waarlijk niet, waarom kolonel Talbot zich zoo veel moeite zou gegeven hebben, om mijnent wil.”

„Mijnheer Waverley, ik versta mij niet op spotternij, en zal daarom uwe woorden beantwoorden overeenkomstig de eenvoudige bedoeling, die er in ligt opgesloten. Ik ben uw oom verplicht voor weldaden, grooter dan die een zoon aan zijn vader verschuldigd kan zijn. Ik beschouw mij in dit opzicht als zijn zoon, en daar ik weet dat er niets is, waardoor ik zijn goedheid jegens mij beter kan beantwoorden, dan u een dienst te bewijzen, zoo wil ik als het mogelijk is, dat doen, onverschillig of gij het goedvindt of niet. De persoonlijke verplichting, welke gij mij heden heb opgelegd, (schoon, naar het algemeene oordeel, zoo groot, als een mensch aan een ander kan bewijzen,) voegt niets bij mijn ijver voor uw bestwil, zoo min als zij dien in het minste kan verminderen, met welke koelheid het u ook behagen moge dien te beantwoorden.”

„Uwe bedoelingen kunnen die van een vriend zijn, Mijnheer,” hernam Waverley droog weg, „maar uw taal is hard, of ten minste wat gebiedend.”

„Bij mijne terugkomst in Engeland, na een lange afwezigheid, vond ik uw oom, Sir Everhard Waverley, onder de bewaking van een bode des konings, als een gevolg van de door uw gedrag ontstane verdenking. Hij is mijn oudste vriend – hoe dikwijls moet ik het herhalen? – mijn grootste weldoener! – zijn eigene uitzichten op geluk offerde hij aan de mijne op – hij uitte nooit een woord, noch liet ooit een gedachte toe, die de welwillendheid zelve niet zou gedacht of gesproken hebben. Dezen man vond ik onder bewaking, welke hem te harder viel wegens zijn gewone levenswijze, zijn natuurlijke prikkelbaarheid, en – vergeef het mij, mijnheer Waverley, wegens de oorzaak, waardoor dit ongeluk over hem was gebracht. Ik kan u mijn gewaarwordingen, bij deze gelegenheid, niet ontveinzen; zij waren alles behalve gunstig ten uwen opzichte. Nadat ik door mijn familie-invloed, die zooals gij waarschijnlijk weten zult, niet gering is, er in geslaagd was om Sir Everhards ontslag te bewerken, ging ik naar Schotland op reis. Ik ontmoette kolonel Gardiner, een man, wiens jammerlijke dood alleen genoegzaam is, om dezen opstand voor altijd te brandmerken. In den loop van het met hem gehouden gesprek, bevond ik, dat hij, door latere omstandigheden, door een op nieuw ingesteld verhoor der in de muiterij betrokken personen, en wegens zijn oorspronkelijk gunstige meening omtrent uw karakter, aanmerkelijk zachter ten uwen aanzien gestemd was, en ik twijfel niet, dat, zoo ik gelukkig genoeg mocht zijn om u te ontdekken, deze zaak nog gelukkig ten einde gebracht kon worden. Maar deze onnatuurlijke opstand heeft alles verijdeld. – Ik heb voor het eerst gedurende een lang en bedrijvig krijgsmans leven, Britten zich zien onteeren door een schandelijke vlucht, en dat voor een vijand zonder wapens of krijgstucht. En nu vind ik den erfgenaam van mijn dierbaarsten vriend – den zoon, mag ik zeggen, van zijn hart – deelgenoot van een zegepraal, waarover hij zich het eerst had behooren te schamen. Waarom zou ik Gardiner beklagen? Zijn lot was gelukkig bij het mijne vergeleken!”

Er lag zoo veel waardigheid, zulk een mengeling van krijgsmansfierheid en manhaftige droefheid in kolonel Talbots manieren, en het bericht van Sir Everhards bezwaren werd op zulk een diepgevoeligen toon medegedeeld, dat Eduard, vernederd, verlegen en verpletterd stond voor zijn gevangene, die hem, slechts weinige uren geleden, het leven verplicht was. Hij was er niet bedroefd om, dat Fergus andermaal hun onderhoud kwam storen.

„Zijn Koninklijke Hoogheid beveelt dat mijnheer Waverley zich naar het hoofdkwartier zal begeven,” zeide deze laatste. „Kolonel Talbot wierp een verwijtenden blik op Eduard, die het scherpe oog van het Hooglandschen Opperhoofd niet ontging. „En wel onmiddellijk,” herhaalde hij met nadruk. Waverley keerde zich weder tot den Kolonel.

„Wij zullen elkander weder zien,” zeide hij; „ondertusschen zal elk mogelijk gemak –”