Part 34
„Ik verlang er geen,” zei de Kolonel; „laat men mij behandelen als den geringsten dier brave lieden, die, op dezen rampspoedigen dag, wonden en gevangenis boven de vlucht hebben verkozen; ik zou haast wel willen ruilen met een der gevallenen, indien ik slechts wist dat mijn woorden eenigen indruk op u hadden gemaakt.”
„Kolonel Talbot moet zorgvuldig bewaakt worden,” zeide Fergus tot een Hooglandschen officier, die het bevel over de wacht bij de gevangenen had; „dit is het uitdrukkelijke verlangen van den Prins; de Kolonel is een krijgsgevangene van het hoogste gewicht.”
„Maar laat het hem aan niets ontbreken wat zijn rang voegt,” zeide Waverley.
„In zoo ver het met zijn zekere bewaring bestaanbaar is,” hernam Fergus.
De officier gaf zijn bereid vaardigheid omtrent beide bevelen te kennen, en Eduard volgde Fergus naar de tuindeur, waar Callum Beg hen met drie opgezadelde paarden stond te wachten. Terwijl hij zijn hoofd omkeerde, zag hij dat kolonel Talbot naar de plaats zijner opsluiting door een wacht van Hooglanders terug geleid werd; hij toefde op den drempel van het huis, en wenkte Waverley nogmaals met de hand, als om nogmaals aan te dringen op hetgeen hij hem zoo even had toegevoegd.
„Paarden,” zeide Fergus, terwijl hij het zijne beklom, „zijn er thans even overvloedig als bramen; elk heeft ze maar voor het nemen. Kom, laat Callum uwe stijgbeugels in orde brengen, en rijden wij naar Pinkie-house, zoo vlug als deze ci-devant dragonders-paarden er ons zullen verkiezen te brengen.”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
NIET HEEL BELANGRIJK.
„Ik ben,” zeide Fergus tot Eduard, terwijl ze naar Pinkie-house reden, „ten gevolge eener boodschap van den Prins teruggekeerd. Maar ge weet, naar ik veronderstel, van hoeveel belang deze krijgsgevangene, de edele kolonel, is. Hij wordt voor een van de beste officiers der roodrokken gehouden, een bijzonder vriend en gunsteling van den Keurvorst zelven en van dien verschrikkelijken held, den hertog van Cumberland, die van zijn zegepralen te Fontenoi is opgeroepen, om over te komen en ons arme Hooglanders met huid en haar te verslinden. Heeft hij u verteld, wat de klokken van St. James onder het luiden verkondigen? Toch niet „keer weêr, Whittington,” gelijk in de dagen van ouds?” [161]
„Fergus?” riep Waverley met een verwijtenden blik.
„Waarachtig, ik weet niet wat ik van u denken moet. Gij wordt door elken wind geslingerd. Daar hebben wij een overwinning bevochten, die haars gelijke in de geschiedenis niet heeft – en uw moed wordt door iedereen tot in de wolken geprezen; – de Prins snakt er naar om u persoonlijk zijn dank te betuigen – en al onze schoonen van de Witte Roos [162] zullen haar best doen om u te veroveren, en gij, de preux chevalier van den dag, hangt op den nek van uw paard, als een boerin die naar de markt rijdt, en kijkt zoo donker alsof gij een lijkstatie volgdet!”
„Ik ben bedroefd over den dood van den armen kolonel Gardiner: hij heeft mij vroeger met zoo veel vriendschap behandeld.”
„Nu, wees dan bedroefd voor vijf minuten, daarna weder vroolijk. Het lot dat hem heden getroffen heet, kan morgen het onze zijn, en wat heeft het te beteekenen? Wat is naast de overwinning beter dan een roemvolle dood, maar het is een pis-aller, en men gunt hem den vijand liever dan zichzelven.”
„De kolonel Talbot heeft mij bericht, dat mijn vader en oom beiden door het bewind worden gevangen gehouden, om mijnentwil.”
„Wij zullen borg stellen, mijn jongen; de oude Andreas Ferrara [163] zal ze lossen, en ik zou hem de zaak graag in Westminster-Hall zien uitmaken!”
„Neen, ze zijn reeds in vrijheid, op borgtocht van meer wettigen aard.”
„Waarom laat uw groote geest zich dan ter nederslaan, Eduard? Denkt gij dat de ministers van den keurvorst zulke duifjes zijn, dat zij hunne vijanden in dit netelig oogenblik in vrijheid zouden stellen, zoo zij hen konden of durfden gevangen houden en straffen? Wees verzekerd, dat zij óf geene gronden van beschuldiging tegen uwe bloedverwanten hebben, volgens welke zij hunne opsluiting kunnen doen voortduren, óf anders zijn ze bang voor onze vrienden, de dappere cavaliers van Oud Engeland. In elk geval behoeft gij niet bevreesd voor hen te zijn, en wij zullen wel middel vinden om hun bericht van uwe veiligheid te doen geworden.”
Eduard werd door deze redenen tot zwijgen gebracht, maar niet overtuigd. Het had reeds meer dan eens een pijnlijke gewaarwording bij hem opgewekt, dat Fergus weinig deelneming in de gevoelens verried, zelfs van hen, die hij het meest beminde, zoo deze niet in overeenstemming waren met zijn eigene gemoedsgesteldheid op het oogenblik, en vooral zoo ze hem hinderlijk waren in het ernstige najagen van een geliefkoosd oogmerk. Fergus bespeurde inderdaad soms, dat hij Waverley gekrenkt had; maar daar hij altijd het een of ander lievelingsplan voor zichzelf op het oog had, sloeg hij nooit ernstig acht op de mate en den duur van dit ongenoegen, zoodat de herhaling van deze kleine ergernissen de buitengemeene gehechtheid van den vrijwilliger aan zijn officier een weinigje deed verkoelen.
De Prins ontving Waverley met de meeste genegenheid, en roemde sterk zijn uitstekende dapperheid. Vervolgens trok hij hem ter zijde, deed hem een aantal vragen betreffende kolonel Talbot, en toen hij alle berichten ontvangen had, die Eduard omtrent hem en zijn betrekkingen in staat was te geven, vervolgde hij: – „Ik kan niet nalaten te denken, mijnheer Waverley, dat, daar deze heer zoo bijzonder vertrouwd is met onzen waardigen en uitnemenden vriend, Sir Everhard Waverley, en daar zijn echtgenoote behoort tot het Huis van Blandeville, welks gehechtheid aan de ware en echt koningsgezinde beginsels der Kerk van Engeland zoo algemeen bekend is, de bijzondere gevoelens van den kolonel ons niet ongunstig kunnen zijn, welk masker hij ook moge hebben aangenomen, om zich naar de tijden te schikken.”
„Te oordeelen naar de taal, die hij heden tegen mij voerde, ben ik genoodzaakt geheel en al in meening van Uwe Koninklijke Hoogheid te verschillen.”
„Wel, het is ten minste de moeite waard een proef te nemen. Ik belast u derhalve met de zorg voor kolonel Talbot, met volmacht om te zijnen aanzien te handelen, zoo als ge het raadzaamst zult oordeelen, en ik vertrouw, dat ge wel middelen zult vinden om u te vergewissen, welke zijn wezenlijke gezindheid is, met betrekking tot de herstelling van onzen Koninklijken Vader op den troon.”
„Ik ben overtuigd,” hernam Waverley, met een buiging, „dat zoo kolonel Talbot zijn woord verkiest te geven, men met zekerheid er op bouwen kan; maar indien hij het weigert, zoo vertrouw ik, dat Uwe Koninklijke Hoogheid aan iemand anders, dan aan den neef van zijn vriend, de taak zal willen opdragen om hem onder het noodige opzicht te houden.”
„Ik zal hem aan niemand toevertrouwen dan aan u,” zei de Prins met een glimlach, terwijl hij evenwel zijn bevel op stelligen toon herhaalde; „het is van belang voor mijn dienst, dat er een goede verstandhouding tusschen u schijne te bestaan, al kunt gij ook zijn vertrouwen in goeden ernst niet winnen. Gij zult hem derhalve in uw kwartier ontvangen, en weigert hij u zijn woord van eer te geven, dan moet ge om een behoorlijke wacht vragen. Ik verzoek u dit oogenblikkelijk te bewerkstelligen. Wij keeren morgen naar Edinburgh terug.”
Aldus naar Preston terug gezonden, ging het plechtig huldebetoon van den baron van Bradwardine voor Waverley verloren. Maar hij was op dit oogenblik zoo weinig met gedachten aan ijdelheden vervuld, dat hij de plechtigheid, waarvoor Fergus zoo veel moeite gedaan had hem belang in te boezemen, geheel vergat. Den volgenden dag verscheen er een oficiëele courant, met een uitgebreid verslag van den slag van Gladsmuir [164], zoo als de Hooglanders hunne overwinning verkozen te noemen. Het eindigde met een beschrijving van het, dien avond op Pinkie-house gegeven hoffeest, en bevatte onder andere gezwollen beschrijvingen, het volgende:
„Sedert dat noodlottige tractaat, hetwelk Schotland als een onafhankelijke natie, vernietigde, hebben wij het geluk niet gehad zijn vorsten te zien ontvangen, en zijn edelen die bewijzen van leendienst en hulde te zien brengen, welke, op de luisterrijke bedrijven der Schotsche dapperheid gegrond, hunne vroegere geschiedenis in het geheugen terugroepen, benevens de manhaftige en ridderlijke eenvoudigheid der banden, die aan de Kroon de hulde verzekerden der krijgslieden, door wie zij bestendig geschoord en verdedigd werd. Maar op den 20sten werden onze herinneringen verlevendigd door een dier plechtigheden, welke tot de oude dagen van Schotlands glorie behoorden. Nadat de kring gevormd was, naderde Cosmo Comyne Bradwardine, op het oogenblik kolonel in dienst enz. enz. enz, den Prins, bijgestaan door den heer D. Mackwheeble, den rentmeester van zijn aloude baronie van Bradwardine, (die, gelijk wij vernemen, onlangs tot een van de krijgs-commissarissen is benoemd,) bij vorm van publieke acte, en met de meeste bescheidenheid, verlof vragende, om aan den persoon van Zijne Koninklijke Hoogheid, als vertegenwoordigende den Vader van den Prins, den gebruikelijken en gewonen dienst te mogen bewijzen, waarvoor, volgens een charter van Robert Bruce, (waarvan het oorspronkelijke in der tijd vertoond werd aan en gewaarmerkt door Zijne Koninklijke Hoogheids kanselarij) de eischer de baronie van Bradwardine en landen van Tully-Veolan in leen hield. Nadat zijn eisch was toegestaan en geregistreerd, plaatste Zijne Koninklijke Hoogheid den voet op een kussen, en de baron van Bradwardine, op zijn rechter knie gevallen, ging over om den brogue of Schotschen schoen los te maken, welken onze jonge held, ten believe zijner brave volgelingen, heeft aangenomen. Toen dat gedaan was, verklaarde Zijne Koninklijke Hoogheid de plechtigheid voor volbracht, en, den ridderlijken krijgshaftigen grijsaard omhelzende, betuigde hij, dat niets dan gehoorzaamheid aan een ordonnantie van Robert Bruce hem zou bewogen hebben, zelfs de zinnebeeldige volbrenging van kleine diensten aan te nemen van handen, die zoo dapper gestreden hadden om de kroon op zijns vaders hoofd te zetten. De baron van Bradwardine stelde thans de akten in handen van den heer commissaris Mackwheeble, inhoudende, dat alle punten en omstandigheden der huldiging waren rite et solemniter acta et peracta, en er werd een gelijkluidend bewijs gebracht ten protocolle van den Grootkamerheer en in de aanteekeningen van de kanselarij. Wij vernemen, dat Zijne Koninklijke Hoogheid in overweging heeft genomen, om, zoo het Zijner Majesteits welbehagen is, den kolonel Bradwardine te verheffen tot het pairschap, onder den titel van burggraaf Bradwardine van Bradwardine en Tully-Veolan, en dat het, middelerwijl, Zijner Koninklijke Hoogheid, op zijns vaders naam en gezag, heeft behaagd hem een eervol toevoegsel op zijn voorvaderlijk wapenschild te verleenen, bestaande in een laarzentrekker, kruiselings geplaatst met een ontblooten sabel, aangebracht rechts in het schild, met een toepasselijke spreuk er onder op een perkamenten rol, namelijk de woorden:
„Trek en trek uit.”
„Ware het niet door Fergus’ spotternij,” dacht Waverley bij zichzelven, toen hij het lange en deftige stuk had uitgelezen, „hoe deftig zou dit alles luiden, en hoe weinig zou ik er aan gedacht hebben, om het met eenig belachelijk denkbeeld te verbinden! Och! alles wél beschouwd, heeft iedere zaak hare gunstige en hare gebrekkige zijde, en ik zie niet in, waarom de laarzentrekker van den baron niet even fraai in de wapenboeken zou prijken, als de wateremmers, de wagens, de karrewielen, de ploegscharen, schietspoelen en andere gewone zaken, die aan niets minder doen denken dan aan ridderschap, en op de wapenschilden van onzen oudsten adel voorkomen.” Maar dit is slechts een episode; laat ons tot de eigenlijke geschiedenis terug keeren.
Toen Waverley te Preston terug kwam, en zich weder bij kolonel Talbot vervoegde, vond hij hem hersteld van de sterke en in het oog loopende aandoeningen, die een samenloop van onaangename omstandigheden bij hem opgewekt had. Hij had zijn natuurlijke houding hernomen, – die van den fatsoenlijken Engelschman en soldaat, manhaftig, open en edelmoedig, maar niet zonder vooroordeel tegen de inwoners van een ander land, of tegen diegenen welke in staatkundige gevoelens van hem verschilden. Toen Waverley den Kolonel berichtte dat de Prins hem aan zijn zorg had aanbevolen, zeide hij: „Ik had niet gedacht zoo veel verplichting aan dezen jongen heer te zullen hebben, als in deze bepaling gelegen is. Ik kan ten minste hartelijk bidden met dien eerlijken Presbyteriaanschen prediker, dat, daar hij onder ons gekomen is, om een aardsche kroon te zoeken, zijn moeite spoedig beloond moge worden met een hemelsche. [165] Ik zal gaarne mijn woord geven, om geene ontsnapping te beproeven zonder uw medeweten; daar ik inderdaad met geen ander doel in Schotland ben gekomen, dan om u te ontmoeten; en ik verheug mij, dat het mij – al is het ook op deze wijze – gelukt is. Maar ik denk, dat wij niet lang bij elkander zullen zijn. Uw „Ridder,” (dat is een naam, dien wij beide hem geven mogen) zal met zijn plaids en blauwkappen, naar ik vermoed, zijn kruistocht naar het zuiden voortzetten.”
„Naar ik gehoord heb, niet; ik geloof dat het leger eenigen rusttijd in Edinburgh zal houden, om versterking af te wachten.”
„En om het kasteel te belegeren?” zeide Talbot, met een spottenden glimlach: „nu, zoo mijn oude overste, generaal Preston, geen verrader wordt, en het kasteel in het Noordermeer niet verzinkt, gebeurtenissen die ik al even waarschijnlijk acht, dan zullen wij wel eenigen tijd hebben, om kennis te maken. Ik verbeeld me, dat deze beleefde Ridder zich in het hoofd heeft gezet, dat ge mij bekeeren zult, en, daar ik wensch zelf u te bekeeren, kon er geen schooner voorstel gedaan worden dan om ons volop gelegenheid te geven met elkaar te praten. Maar, daar ik van daag gesproken heb onder den invloed van gewaarwordingen, waaraan ik zelden toegeef, zoo hoop ik dat ge mij zult verschoonen van andermaal geschillen te behandelen, voor en aleer wij een weinig beter met elkander bekend zijn.”
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
DE LISTEN DER LIEFDE EN DER STAATKUNDE.
Het is niet noodig in deze bladen den zegevierenden intocht van den Prins te Edinburgh, na den beslissenden slag van Preston, te beschrijven. Eéne omstandigheid echter verdient vermeld te worden, omdat zij volkomen Flora Mac-Ivor’s edelmoedigheid in het licht stelt. De Hooglanders, door wie de Prins omringd was, brandden, in de uitgelatenheid van dit vroolijk oogenblik, herhaalde malen hunne geweren los: en toen een hunner bij toeval het zijne met een kogel geladen had, vloog deze langs de slapen der jonge dame, terwijl zij, van een balkon, met een zakdoek wuifde. [166] Fergus, die getuige was van dit ongeluk, snelde in een oogenblik naar haar henen; en ziende dat de wond van geen belang was, trok hij zijn sabel, met oogmerk, om, naar beneden, op den man aan te vliegen, wiens achteloosheid haar in zulk een groot gevaar had gebracht; toen ze, hem bij zijn plaid vasthoudende, uitriep: „Doe den armen knaap geen leed, – in ’s Hemels naam doe dat niet! Dank veeleer God met mij, dat het ongeluk Flora Mac-Ivor trof; want als de kogel een Whig had getroffen, zou men voorgewend hebben, dat er met opzet op hem geschoten was.”
Waverley ontging den schrik, welken dit ongeluk hem zou veroorzaakt hebben – daar hij genoodzaakt werd om kolonel Talbot naar Edinburgh te vergezellen.
Ze volbrachten de reis gezamenlijk te paard; en een tijd lang als wilden zij elkanders gevoelens en denkwijze polsen, spraken ze over alledaagsche en onverschillige onderwerpen.
Toen Waverley weder op de zaak kwam, die hem het naast aan het harte ging, namelijk den toestand van zijn vader en oom, scheen kolonel Talbot thans eerder verlangend zijn bezorgheid te verligten, dan ze te verzwaren. Inzonderheid bleek dit het geval te zijn, toen hij Waverleys geschiedenis vernam, deze geene zwarigheid maakte hem die toe te vertrouwen.
„En dus is er,” zei de Kolonel, „geen kwaad opzet geweest, zoo als, meen ik, de rechtgeleerden zeggen, bij uw overhaasten stap; en zijt gij tot de dienst van dezen dolenden ridder verlokt en overgehaald, door eenige beleefde woorden van hem, en van een paar zijner Hooglandsche werfofficieren? Het is zeker al heel gek, maar toch op verre na zoo erg niet, als ik reden had te denken. Evenwel kunt ge hem op dit oogenblik niet verlaten; dat schijnt onmogelijk. Maar ik twijfel volstrekt niet, of bij de oneenigheden, die er onder deze menigte woeste en wanhopige knapen voorvallen, er zich wel éen gelegenheid zal opdoen, waarvan ge u bedienen kunt, om u, voor dat de bom losbreekt, met eere van uwe overhaaste verbindtenis te ontslaan. Indien zich dit liet bewerkstellingen, zou ik wenschen dat gij een schuilplaats zocht die ik u zal aanwijzen in Vlaanderen. En ik verbeeld mij dat, na eenige maanden verblijfs buiten ’s lands, een amnestie voor u bij het bewind wel te verwerven zal zijn.”
„Ik mag u niet toestaan, kolonel Talbot, van eenig plan te spreken dat in verband staat met het verzaken eener onderneming, waarin ik mij met overhaasting mag hebben gestort; maar ik deed het toch uit vrijen wil, en met oogmerk om, wat ook de uitkomst wezen mocht, daarbij te blijven.”
„Dan hoop ik,” hernam kolonel Talbot, glimlachende, „dat zoo ge mij al verbiedt te spreken, gij mij toch meester van mijn gedachten en wenschen zult laten. Maar hebt ge nooit uw geheimzinnig pakje onderzocht?”
„Het is onder mijn bagaadje, wij zullen het te Edinburgh vinden.”
Weldra bereikten ze die stad. Aan Waverley was, op ’s Prinsen uitdrukkelijk bevel, een verblijf aangewezen in een flink kwartier, waar hij voor kolonel Talbot een vertrek kon doen inrichten. Zijn eerste bezigheid was zijn mantelzak te onderzoeken, en na een oogenblik gezocht te hebben, kwam het bewuste pakje te voorschijn. Waverley opende het in haast. Onder een witten omslag, met het eenvoudig adres: aan den heer E. Waverley, vond hij een aantal open brieven. De beide bovenste waren van kolonel Gardiner aan hem zelven: de eerste, die van de oudste dagteekening was, behelsde een zachte en vriendelijke berisping over het verontachtzamen van des schrijvers raad, betreffende het besteden van zijn tijd, gedurende zijn afwezigheid met verlof, welks verlenging hij kapitein Waverley herinnerde dat weldra geëindigd wezen zou. „Inderdaad,” zoo luidde de brief verder, „ware het anders geweest, het nieuws van buiten ’s lands, en mijn voorschriften van het ministerie van oorlog, zouden mij genoodzaakt hebben het in te trekken, daar er, sedert den tegenspoed in Vlaanderen, groot gevaar is voor inval van buiten en voor opstand der kwalijkgezinden binnen ’s lands. Ik bid u dus, zoo spoedig mogelijk, naar het hoofdkwartier terug te keeren; en het is van belang er bij te voegen, dat dit te noodzakelijker wordt, daar er eenige ontevredenheid onder uw escadron heerscht, en ik het onderzoek naar bijzonderheden uitstel, tot ik het genoegen van uw bijstand kan smaken.”
De tweede brief, een week later gedagteekend, was in zoodanigen toon vervat, als men kon verwachten na het uitblijven van eenig antwoord op den vorigen. In dezen werd Waverley herinnerd aan zijn plicht, als man van eer, als officier en als Engelschman; de kolonel stond stil bij de aangroeiende ontevredenheid zijner manschappen, en dat men sommigen hunner had hooren zeggen, dat de Kapitein hun oproerig gedrag aanmoedigde en goedkeurde; en eindelijk gaf de schrijver zijn hoogste leedwezen en verbazing te kennen, dat Waverley zijn bevelen niet had opgevolgd, en naar het hoofdkwartier was teruggekeerd; voorts herinnerde hij hem dat zijn verlof ingetrokken was, en bezwoer hem op een toon, waarin vaderlijke bestraffing met militair gezag vereenigd was, zijn dwaling te herstellen, door zich onmiddellijk bij het regiment te voegen. „Om zeker te zijn,” dit was het slot van den brief, „dat dit schrijven u werkelijk in handen komt, zend ik het u door korporaal Tims, met order om het u zelven te overhandigen.”
Het lezen dezer brieven vervulde Waverley met smartelijke aandoeningen en hij voelde zich gedrongen amende honorable te doen aan de gedachtenis van den braven en uitnemenden schrijver; want, daar de Kolonel alle reden had gehad om te denken, dat zij hem veilig in handen gekomen waren, kon er, nu de gegeven raad in den wind geslagen was, niets minder volgen, dan die derde en laatste oproeping, welke Waverley inderdaad te Glennaquoich ontving, ofschoon te laat om er aan te gehoorzamen. Zijn schorsing in den dienst, ten gevolge van zijn oogenschijnlijke veronachtzaming van dit laatste bevel, was, wel verre van een harde of strenge maatregel, slechts een onvermijdelijk gevolg daarvan. De volgende, door hem geopende, brief was van den majoor van het regiment, waarin hem bericht werd, dat er een gerucht, ten nadeele van zijn goeden naam, in de omstreken verspreid was, namelijk dat zekere mijnheer Falconer van Ballihopple, of zoo iets, in zijn tegenwoordigheid, een verraderlijken toast had ingesteld, dien hij met stilzwijgen had aangehoord, ofschoon die dronk zulk een grove beleediging van de koninklijke familie bevatte, dat een heer in het gezelschap, juist niet bekend door zijn ijver voor het bewind, de zaak echter had opgevat, en dat kapitein Waverley dus had geduld, dat een ander, vergelijkender wijze minder in de zaak betrokken, zijn gevoeligheid over een beleediging bewees, tegen hem, als officier, persoonlijk gericht. De majoor zeide ten slotte, dat niet één van kapitein Waverleys kameraden deze schandelijke historie kon gelooven, maar dat zijn eigene eer, zoo wel als die van het regiment, vorderde, dat ze oogenblikkelijk uit zijn naam werd tegengesproken, enz. enz.
„Wat dunkt u van dit alles?” zei kolonel Talbot, wien Waverley de brieven overhandigde, na ze zelf gelezen te hebben.
„Wat mij er van dunkt? Het maakt elke gedachte onmogelijk; en is in staat om mij krankzinnig te maken.”
„Bedaard, mijn jonge vriend! Laat ons zien, wat dit vuile gekrabbel is, dat nu volgt.”
De eerste had tot opschrift: „Aen den heir W. Ruffin, deze.” – „Waerde menheir, sommige van onze jonge slokkers wille maer niet bijte, al heb ik hun zeid dat jij mij mijnheirs ijgen cachet had laete kijke. Maar Tims zal je, volgens belofte, de brieven overlevere, en vertel onzen ouden Addam, dattie ze mijnheirs hand heit gegeve, daer dit toch op ’t zelve uitkomt; en wacht op het sein en hoera voor de kerk en voor ons goed recht, zoo als mijn vader in den oogst zingt.
De uwe, waerde menheir,
H. H.
Naschrif. Zeg aan menheir, dat we dol zijn om wat van hem te hoore, en niet vatte waarom ie zelf niet schrijft.”
„Deze Ruffin is dan denkelijk,” zeide kolonel Talbot, „uw Donald uit het hol, die uwe brieven onderschept, en een briefwisseling aangeknoopt heeft met dien armen duivel Houghton, terwijl hij voorgaf in uw naam te handelen.”
„Het schijnt maar al te zeker. Maar wie kan Addam zijn?”
„Mogelijk Adam, de ongelukkige Gardiner!”
De overige brieven hadden een gelijke strekking; en thans werden zij nog volkomener ingelicht omtrent Donald Beans streken.