Part 32
Hier was dus een militair schouwspel te zien van meer dan gewoon belang, en hetwelk men maar zeldzaam aantreft. De beide legers, zoo verschillend in voorkomen en krijgstucht, en echter beide verwonderlijk goed geoefend volgens ieders bijzondere wijze van oorlogvoeren, en van wier worstelstrijd het tijdelijk lot, van Schotland althans, scheen af te hangen, stonden tegenover elkander, als twee zwaardvechters in het strijdperk, terwijl ieder bij zichzelven overlegt op welke wijze hij zijn vijand zal aanvallen. De hoofdofficieren en de generalenstaf van beide legers lieten zich gemakkelijk vóor het front hunner liniën onderscheiden, terwijl ze bezig waren elkanders bewegingen met hunne verrekijkers te bespieden, met het afzenden van orders, en het ontvangen van berichten, door de adjudanten en de ordonnansofficieren overgebracht, die de levendigheid van het tooneel verhoogden, door, in verschillende richtingen, heen en weêr te rennen, alsof het lot van, den dag afhankelijk was van de vlugheid hunner paarden. De ruimte, die de beide legers van elkander scheidde, werd van tijd tot tijd het tooneel van afzonderlijke en ongeregelde gevechten onder de scherpschutters, en nu en dan zag men een hoed of een muts vallen, of een gekwetste door zijn kameraden wegdragen. Doch dit waren slechts onbeduidende schermutselingen; want het strookte met het oogmerk van geen der beide partijen, om hiermede te blijven voortgaan. Uit de naburige gehuchten kwamen de boeren voorzichtig te voorschijn, alsof zij den uitslag van het dreigende gevecht bespieden wilden; en op een geringen afstand, in de baai, lagen twee schepen, die de Engelsche vlag voerden, en wier masten en want met minder vreesachtige toeschouwers waren opgevuld.
Toen deze ontzagwekkende pauze een tijd lang geduurd had, ontving Fergus, met nog een ander opperhoofd, het bevel om hunne clans naar den kant van het dorp Preston te doen trekken, ten einde de rechterflank van Copes’ leger te bedreigen, en hem te dwingen een andere stelling in te nemen. Om deze bevelen uit te voeren, bezette het opperhoofd van Glennaquoich het kerkhof van Tranent; dit was een hoogte, die de vlakte bestreek, en bijzonder geschikt was, zooals Evan Dhu aanmerkte, voor iederen heer, die het ongeluk mocht hebben van gedood te worden, en op een Christelijke begrafenis gesteld was. Om deze afdeeling in bedwang te houden, of om ze te verdrijven, zond de Engelsche generaal twee stukken geschut af, door een sterke afdeeling ruiterij gedekt. Zij naderden zoo dicht bij, dat Waverley duidelijk den standaard der compagnie kon onderscheiden welke hij voorheen had gecommandeerd, en de trompetten en pauken, aan wier klank hij zoo dikwijls gehoorzaamd had, het sein tot voortrukken kon hooren geven. Hij kon ook de welbekende woorden, in de Engelsche taal hooren uitbrengen, door de even bekende stem van den bevelvoerenden Officier, voor wien hij eens zooveel eerbied had gevoeld. Het was op dit oogenblik, dat hij, zijn oogen rondom zich slaande, de woeste kleeding en het voorkomen van zijn Hooglandsche makkers ontwaarde, hun fluisteren in een ruwe en onbekende taal hoorde, op zijn eigene uitrusting staarde, zoo verschillend van de kleeding door hem van zijn kindschheid af gedragen, – en door den plotselingen wensch bezield werd te ontwaken uit hetgeen hem thans een vreemde, verschrikkelijke en onnatuurlijke droom toescheen. „Goede Hemel!” dacht hij, „ben ik dan een verrader van mijn vaderland, een verzaker van mijn vaandel, en een vijand, zooals die arme Houghton zich uitdrukte, van dat Engeland dat mij zag geboren worden?”
Eer hij deze gedachten tot rijpheid brengen of smoren kon, viel de ranke krijgsmansgestalte van zijn voormaligen Overste, die de plaats wenschte te verkennen, hem duidelijk in het oog. „Nu kan ik hem raken,” zeide Callum, terwijl hij zijn geweer voorzichtig aanlegde over den muur, waarachter hij op nauwelijks zestig ellen afstands verborgen lag.
Het scheen Eduard toe alsof hij op het punt stond een vadermoord te zien begaan; want het eerwaardige grijze haar en het sprekende gelaat van den ouden krijgsman, herriepen in zijn geest den bijna kinderlijken eerbied, welke zijn officieren hem algemeen toedroegen. Maar eer hij een woord kon zeggen, hield een bejaarde Hooglander, die naast Callum lag, diens arm tegen. „Spaar uw schot,” zei de ziener, „zijn uur is nog niet gekomen. Maar laat hem zich wachten voor morgen – ik zie zijn doodskleed op zijn borst.”
Callum, die voor alle andere bedenkingen geheel onvatbaar zou zijn gebleven, was zeer toegankelijk voor het bijgeloof. Hij werd bleek bij het gezegde van den Taishair, en trok zijn geweer terug. Kolonel Gardiner, onkundig van het gevaar, waaraan hij ontsnapt was, keerde zijn paard om, en reed langzaam naar zijn regiment terug.
Thans had het geregelde leger een nieuwe linie gevormd; de eene flank er van was gericht naar de zee, en de andere leunde tegen het dorp Preston. Daar deze stelling dezelfde zwarigheden met betrekking tot den aanval opleverde, kregen Fergus en het geheele detachement bevel naar hun vorigen post terug te keeren. Deze verandering veroorzaakte een daarmede overeenkomstige frontsverandering van het leger van generaal Cope, zoo dat dit op nieuw in een linie, evenwijdig met die der Hooglanders, geplaatst werd. Deze aan weerszijde volbrachte bewegingen, hadden vrij wat tijd vereischt; de dag was bijna verloopen, en de beide legers maakten zich gereed, om den nacht onder de wapens door te brengen, in de stellingen, die ze reeds bezet hielden.
„Er zal van avond niets gebeuren,” zeide Fergus tot zijn vriend Waverley; „laat ons, eer we ons in onzen plaid wikkelen, gaan zien, wat de Baron, hier in de achterhoede, al zoo uitricht.”
Toen ze zijn post naderden, vonden ze den goeden, ouden, voorzichtigen Officier, nadat hij zijn nachtpatrouiljes afgezonden, en zijn schildwachten uitgezet had, bezig voor de rest van zijn volk de avonddienst der Episcopale Kerk te lezen. Zijn stem was krachtig en welluidend, en ofschoon de bril op zijn neus, en het voorkomen van Saunders Saunderson, die in uniform den post van voorzanger waarnam, iets belachelijks hadden, gaven de gevaarvolle omstandigheden, waarin ze verkeerden, het militair kostuum van het gehoor, en het gezicht hunner paarden, die gezadeld en gepiketteerd achter hen stonden, iets indrukwekkends en plechtigs aan deze godsdienstoefening.
„Ik heb vandaag al gebiecht, eer ge wakker waart,” fluisterde Fergus Waverley in, „en echter ben ik lang zoo’n stijve Katholiek niet, dat ik weigeren zou mij te vereenigen met de gebeden van dezen goeden man.” Eduard knikte toestemmend, en ze wachtten tot de Baron de dienst geëindigd had.
Zoodra hij het boek dicht deed, zeide hij: „Nu jongens, gaat het er morgen op los met zware handen en ligte gewetens.” Thans groette hij vriendelijk Mac-Ivor en Waverley, die verzochten zijn gevoelen omtrent hun toestand te mogen vernemen. „Welnu! ge weet, dat Tacitus zegt, in rebus bellicis maxime dominatur Fortuna, hetgeen zoo wat met ons nationaal spreekwoord overeenkomt: „In den oorlog hangt veel van ’t geluk af.” Maar gelooft mij, mijne heeren, de man daar tegenover ons is geen meester in zijn vak. Hij dooft den moed der knapen waarover hij het bevel voert, uit, door hen alleen verdedigend te laten handelen, hetwelk op zichzelf altijd minderheid, of vrees te kennen geeft. Nu zullen ze ginds op hunne wapens rusten, zoo ongerust en ongemakkelijk, als een pad onder een egge, terwijl onze manschappen volkomen frisch en vroolijk zullen zijn, als het er morgen op los gaat. – Nu, goeden nacht! – Eén ding verontrust mij, maar als het morgen goed afloopt, zat ik u er over spreken, Glennaquoich.”
„Ik kan bijna van Bradwardine zeggen, wat Henry omtrent Fluellen [147] beweert,” zeide Waverley, terwijl zijn vriend en hij weder naar hun bivak wandelden:
„Al schijnt hij ook wat ouderwetsch en bot, Daar ’s overleg en moed in dezen Schot.”
„Hij heeft veel gezien,” hernam Fergus, „en men staat er somtijds verbaasd over, hoeveel dwaasheid en wijsheid in zijn persoon vereenigd zijn. Ik begrijp niet, wat hem verontrusten kan – misschien iets Rose betreffende. Hoor! de Engelschen zetten hun wachten uit.”
Het tromgetroffel en het schelle accompagnement der pijpers liet zich hooren, verwijderde zich, begon op nieuw en zweeg eindelijk geheel. De trompetten en pauken voerden vervolgens den schoonen en woesten oorlogsdeun uit, voor dit gedeelte van den avonddienst bestemd; eindelijk stierf het geluid weg, alsof het zich met den wind ter ruste legde.
De beide vrienden, die nu hun post bereikt hadden, bleven een oogenblik stilstaan en zagen rond, eer ze zich ter rust nedervlijden. In het westen flikkerden de sterren aan den hemel; maar een koude mist, die uit den Oceaan oprees, bedekte den oostelijken gezichteinder, en rolde, in witte wolken over het veld, waar de vijandelijke armee gelegerd was. De voorposten er van strekten zich uit, tot aan den kant van de breede sloot, beneden de schuinsche hoogte, en hadden op zekere afstanden groote vuren ontstoken, die met doffen, donkeren gloed door den dikken nevel heengloorden, welke ze met een geheimzinnigen kring omsluierde.
De Hooglanders lagen, „dicht als het gebladerte in Valambrosa,” uitgestrekt op den rug van de heuvels, met uitzondering van de schildwachten, in de diepste rust verzonken. „Hoe vele van deze brave kerels zullen, eer het morgenavond is, vaster slapen, Fergus!” zeide Waverley, terwijl hem onwillekeurig een zucht ontsnapte.
„Daar moet ge niet aan denken,” antwoordde Fergus, die alleen met krijgshaftige gedachten vervuld was; „gij moet enkel denken aan uw zwaard, en aan hem, door wien het u gegeven is. Alle andere bedenkingen komen nu te laat.”
Met het slaapmiddel, in dit onweêrsprekelijke gezegde toegediend, poogde Eduard het oproer zijner tegenstrijdige gewaarwordingen te sussen. Het Opperhoofd en hij, brachten hunne plaids bijeen, en maakten er een gemakkelijk en warm leger van. Callum, aan hun hoofdeinde gezeten, want het was zijn post onmiddellijk voor den persoon van zijn chef te waken, begon een lang, treurig gezang in het Gaelsch, met eene zachte en eentoonige stem, die hen, even als het geluid des winds op een afstand, weldra in slaap suste.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE SLAG.
Toen Fergus Mac-Ivor en zijn vriend eenige weinige uren geslapen hadden, werden ze gewekt en verzocht bij den Prins te komen. Men hoorde de dorpsklok in de verte drie uur slaan, toen ze zich naar de plaats spoedden, waar Karel Eduard den nacht had doorgebracht. Hij was reeds omringd door zijn voornaamste Officieren en de Opperhoofden der clans. Een bos erwtenstroo, dat pas zijn bed geweest was, diende hem nu tot zitplaats. Juist op het oogenblik dat Fergus binnen den kring trad, had de beraadslaging een einde genomen. „Moed, mijn wakkere vrienden!” zei de Prins, „en laat een ieder zich terstond aan het hoofd van zijn kommando stellen. Een getrouw vriend [148] heeft aangeboden om ons langs een bruikbaar, ofschoon smal en kronkelend pad te geleiden, dat, ter rechterhand loopende, het oneffen terrein en het moeras doorsnijdt, en ons in staat stelt den vasten grond en de open vlakte te bereiken, waarop zich de vijand gelegerd heeft. Als wij deze zwarigheid te boven gekomen zijn, moeten de hemel en uwe goede zwaarden het overige verrichten!”
„Het voorstel verwekte algemeene vreugde, en iedere aanvoerder haastte zich zijn manschappen, met het minst mooglijke geraas, in orde te scharen. Het leger verliet door een rechtsche beweging zijn stelling op de hoogte, en kwam spoedig op den weg door het moeras, terwijl het zijn marsch in verwonderlijke stilte en met grooten spoed voortzette. Daar de opkomende mist de hoogere gronden nog niet bereikt had, zoo hadden de soldaten een tijdlang het voordeel van het schijnsel der sterren. Maar dit flauwe licht ging verloren, toen de sterren voor den naderenden dag verbleekten, en het hoofd der voorttrekkende kolonne dompelde zich onder het afdalen van de hoogte, als het ware in den zwaren mist-oceaan, die zijn witte golven over de geheele vlakte en de aangrenzende zee voortrolde. Thans ontmoette men eenige zwarigheden, onafscheidelijk van de duisternis, een smal, ruw en moerassig pad, en de noodzakelijkheid om eenheid in den tocht te bewaren. Dit alles leverde echter minder bezwaren voor de Hooglanders op, uit hoofde van hunne levenswijze, dan het voor ieder ander leger zou gedaan hebben, zoodat zij hunne geregelde en snelle beweging bleven voortzetten.
Toen de clan van Ivor den vasten grond bereikte, door het volgen van de voetstappen dergenen die hen voorgegaan waren, liet zich het geroep van een schildwacht, dwars door den mist, hooren, ofschoon zij den dragonder, die het „Werda!” had geroepen, niet zagen.
„St!” riep Fergus, „st! Dat niemand antwoorde, zoo hij zijn leven lief heeft. – Dringt voorwaarts;” en zij zetten hun marsch in stilte en met verdubbelde schreden voort.
De dragonder brandde zijn karabijn op hun korps los, en dit geluid werd onmiddellijk gevolgd door den hoefslag van zijn paard, terwijl hij wegdraafde. „Hylax in limine latrat,” [149] zei de baron van Bradwardine, die het schot hoorde, „die ellendeling zal alarm maken!”
De clan van Fergus had nu den vasten grond der vlakte bereikt, die nog kort te voren met een heerlijk gewas van granen was bedekt geweest. Maar de oogst was binnen gehaald, en het veld was zonder eenige hindernissen van boomen, struiken of iets dergelijks. Het overige gedeelte van het leger volgde met snelheid, toen zij de trommels van den vijand alarm hoorden slaan. Het had intusschen niet in hun plan gelegen den vijand te verrassen; dus werden zij ook niet van hun stuk gebracht toen zij begrepen dat de Engelschen op hunne hoede waren en gereed om hen te ontvangen. Het verhaastte slechts de schikking hunner slagorde, die zeer eenvoudig was.
De Hooglandsche armee, die nu den oostkant der breede vlakte bezette, trok op in twee liniën, welke zich van het moeras tot aan de zee uitstrekten. De eerste was bestemd om den vijand aan te vallen, de tweede om tot reserve te dienen. De weinige ruiterij, aan wier hoofd de Prins in persoon zich bevond, hield zich tusschen de beide liniën. De vorstelijke gelukzoeker had zijn voornemen te kennen gegeven, om persoonlijk, aan het hoofd zijner eerste linie, aan te vallen; maar allen hadden hem gesmeekt hiervan af te zien, en hij was slechts met moeite daartoe bewogen geworden.
Beide liniën trokken nu voorwaarts, de eerste gereed om onmiddellijk slag te leveren. De clans, waaruit zij bestond, vormden elk een soort van afzonderlijken Phalanx, met een stal front en tien, twaalf of vijftien gelederen diep, naar gelang der sterkte. De best gewapenden en aanzienlijksten van geboorte – want deze woorden hadden hier één en dezelfde beteekenis – werden vooraan geplaatst, in ieder dezer onregelmatige afdeelingen. De anderen, in de achterhoede, steunden al voorwaarts dringende het front, en vermeerderden, door hunne aansluiting, zoo wel de lichamelijke kracht als de geestdrift en het vertrouwen van hen, die het gevaar onmiddellijk in de oogen moesten zien.
„Werp uw plaid weg, Waverley!” riep Fergus, terwijl hij de zijne afdeed; „eer de zon boven de zee is, zullen wij zijden tartans gewonnen hebben.”
Aan alle kanten legden nu de clanslieden hunne plaids af, en maakten hunne wapens gereed. Er was een ontzagwekkende stilte van drie minuten, gedurende welke de manschappen hunne mutsen afnamen, hun oog ten hemel sloegen, en een kort gebed uitten. Waverley voelde in dat oogenblik zijn hart kloppen, alsof het uit zijn borst wilde springen. Het was geen vrees, het was geen geestdrift, – het was een mengsel van beide, een voor hem nieuwe en krachtige prikkel, die, eerst huivering en schrik, daarna koortshitte en een soort van dolzinnigheid opwekte. Het geraas rondom hem werkte mede om zijn geestvervoering te verhoogen, de doedelzakken speelden en de clans rukten voorwaarts, ieder op zich zelve in een onheilspellende, sombere kolonne. Naarmate zij voortrukten, versnelden ze den pas, en het geluid hunner samengesmolten stemmen begon aan te groeien, en in een woesten kreet over te gaan.
Op dit oogenblik verdreef de zon, die zich boven den gezichteinder verhief, de hangende dampen. Zij werden opgerold als een gordijn, en lieten de beide legers, op het punt om handgemeen te worden, zichtbaar. De linie van het Engelsche leger stond recht tegenover het corps der Hooglanders geschaard; de wapens van dat volkomen uitgeruste, en aan weerszijde door ruiterij en artillerie gedekte leger, schitterden de Hooglanders tegen. Maar dit gezicht boezemde hun geen vrees in „Voorwaarts, zonen van Ivor!” riep hun opperhoofd, „of de Camerons zullen het eerste bloed storten!” Zij stormden met een vreeslijken gil op hunne vijanden in.
Het overige is bekend. De ruiterij, die bevel kreeg om de aanstormende Hooglanders in de flank te vallen, ontving, terwijl zij aanrukte, het vuur uit hunne geweren, en door een schandelijken, panischen schrik overvallen, wankelde zij, hield stand, geraakte uit elkander en rende van het slagveld. De kanonniers, door de ruiterij verlaten, vluchtten, na hunne stukken te hebben losgebrand, en de Hooglanders, die, hunne geweren, zoodra zij ze afgeschoten hadden, wegwierpen, en den sabel trokken, stormden met onbeteugelde woede op het voetvolk in.
In dit oogenblik van verwarring en schrik, ontdekte Waverley een Engelsch officier, blijkbaar van hoogen rang, die alleen en hulpeloos bij een veldstuk stand hield, dat hij, na de vlucht der manschappen, die er bij behoorden, zelf gericht en op den clan van Mac-Ivor, den naasten troep Hooglanders binnen zijn bereik, had afgeschoten. Getroffen door zijn hooge, krijgshaftige gestalte, en met den wensch vervuld om hem voor een onvermijdelijken ondergang te bewaren, snelde Waverley voor een oogenblik zelfs de vlugste krijgslieden vooruit, en toen hij de plek het eerst bereikt had, riep hij hem toe zich over te geven. De officier antwoordde met een degenstoot, dien Waverley op zijn schild ontving, waardoor het wapen van den Engelschman brak. Op hetzelfde oogenblik zweefde Dugald Mahony’s strijdbijl boven het hoofd van den officier. Waverley keerde den slag af, en de officier, ziende dat verdere tegenstand nutteloos was, en getroffen door Eduards edelmoedige bezorgheid voor zijn behoud, gaf hem zijn gebroken degen over. Waverley stelde den officier in handen van Dugald, met streng bevel om hem goed te behandelen en niet uit te plunderen, terwijl hij den Schot een volle vergoeding voor den buit toezegde.
Ter rechter zijde van Eduard woedde de strijd nog hevig en zwaar. De Engelsche infanterie, in den oorlog in Vlaanderen geoefend, hield moedig stand. Maar haar uitgestrekte gelederen werden op een aantal plaatsen doorboord en gebroken door de geslotene massa’s der clans; en in de persoonlijke worsteling, die hierop volgde, gaven de aard der wapenen van de Hooglanders, en hunne buitengewone kracht en vlugheid hun een beslissende meerderheid op dezulken, die geleerd hadden het meest op hunne orde en krijgstucht te vertrouwen, en nu bespeurden dat de eerste verbroken en de andere onbruikbaar was geworden. Toen Waverley zijn oogen naar dit tooneel van rook en slachting keerde, zag hij kolonel Gardiner, door zijn krijgslieden, in spijt van zijn herhaalde pogingen om hen te verzamelen, verlaten, en terwijl hij zijn paard nog door het veld spoorde, om het bevel op zich te nemen over een klein corps voetvolk, dat, met den rug tegen den muur van zijn eigen park geschaard, (want zijn huis grensde onmiddellijk aan het slagveld) een wanhopigen en vruchteloozen tegenstand volhield. Waverley ontwaarde, dat hij reeds verscheidene wonden ontvangen had, daar zijn kleederen en zadel met bloed bedekt waren. Dezen dapperen en braven man te redden, werd nu oogenblikkelijk het doel van Eduards streven; maar hij mocht slechts getuige zijn van zijn dood! Eer Eduard zich een weg kon banen door de Hooglanders, die, woedend en tuk op buit, elkander verdrongen, zag hij zijn voormaligen overste van het paard slingeren door een zeis, en op den grond gestort meer wonden ontvangen, dan noodig waren om hem twintigmaal het leven te benemen. De stervende krijgsman scheen Waverley te herkennen; want hij vestigde zijn oog op hem met een bestraffenden en toch treurigen blik, en scheen een poging te doen om te spreken. Maar gevoelende, dat de dood naderde, gaf hij zijn voornemen op, en zijn handen als tot het gebed vouwende, beval hij zijn ziel zijn Schepper aan. De blik, waarmede hij Waverley, in zijn laatste oogenblikken, aanzag, trof hem, in dien tijd van onrust en verwarring, zoo diep niet, als toen, – na verloop van eenigen tijd, – zijn herinnering, dien voor zijn verbeelding terugriep. [150]
Nu weêrgalmden luide triumfkreten over het gansche veld. De strijd was gestreden en gewonnen, en de geheele bagage, artillerie en krijgsvoorraad van het Engelsche leger vielen in handen der overwinnaars. Nooit was een zege meer volkomen. Slechts enkelen ontkwamen aan het gevecht, behalve de ruiterij, die het reeds bij den aanval verlaten had, en zelfs deze was naar alle kanten, en in kleine afdeelingen, over de gansche landstreek verstrooid. Voor zoo ver onze geschiedenis aangaat, hebben wij alleen het lot van Balmawhapple te vermelden, die, op een paard gezeten, dat niet minder koppig en onhandelbaar was dan de ruiter zelf, de vluchtende dragonders meer dan vier mijlen van het slagveld vervolgde. Eenige dozijnen vluchtelingen keerden in een laatste opwelling van moed om, kliefden hem den schedel met hunne sabels, en overtuigden daardoor de wereld, dat de ongelukkige edelman inderdaad niet misdeeld was van hersenen, zoodat het einde van zijn leven het bewijs gaf van iets, waaraan men gedurende den loop daarvan zeer sterk getwijfeld had. Zijn dood werd door weinigen beweend. De meesten van die hem kenden stemden er in toe, dat de vaandrig Maccombich gelijk had met te beweren, dat men te Sheriff-Muir [151] grooter verlies geleden had. Zijn vriend, de luitenant Jinker, wist zijn lievelingsmerrie vrij te pleiten van eenig deel aan het ongeluk. „Hij had,” zeide hij, „den heer wel duizend malen gezegd, dat het schande en zonde was het arme beest een springriem aan te doen, daar hij hem rijden wou met een kinketting van een halve el lang; en dat hij zich maar in het ongeluk zou storten (het beest daargelaten) door te vallen, of iets van dien aard; zoo hij, daarentegen, naar hem had willen luisteren, zou het dier zoo mak geweest zijn als een karrepaard.”
Dit was de lijkzang op den heer van Balmawhapple [152].
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
EEN ONVERWACHT BEZWAAR.
Toen de slag geëindigd en alles weder op orde gekomen was, zocht de baron van Bradwardine, na zich van zijn plicht gedurende den strijd gekweten, en hen, die onder zijn bevel stonden, in hunne kwartieren bezorgd te hebben, het opperhoofd van Glennaquoich en zijn vriend Waverley op. Hij vond den eersten bezig met uitspraak te doen in een aantal tusschen zijn clanslieden gerezen verschillen over punten van voorrang en daden van moed, en in het bijzonder over een aantal hooggeloopen en moeielijke twisten betreffende den buit. De belangrijkste van de laatste soort betrof den eigendom van een gouden horlogie, dat eens aan dezen of genen Engelschen officier had toebehoord. De partij, in wiens nadeel het vonnis gewezen werd, troostte zich met de aanmerking: „Het (dat is, het horlogie, hetwelk hij voor een levend dier aanzag) stierf den eigen nacht, dat Vich Ian Vohr het aan Murdoch gaf,” omdat het uurwerk, daar het niet opgewonden was, bleef stilstaan.