Part 31
Terwijl Waverley op dit merkwaardig schouwspel staarde, hetwelk nog indrukwekkender werd door de kanonschoten, die nu en dan uit het kasteel op de Hooglandsche wachten werden gedaan, wanneer deze uit de nabijheid afgelost werden, om zich bij hun hoofdkorps te voegen, herinnerde hem Callum, met zijne gewone vrijmoedigheid van spreken, dat Vich Ian Vohrs volk bijna aan het hoofd van de kolonne was, en dat ze „onder het kanonvuur zeer snel optrekken zouden.” Aldus aangespoord, stapte Waverley sneller voorwaarts, hoewel hij dikwijls een blik wierp op de dichte drommen van krijgslieden, die vóor en achter hem verzameld waren. Als men het meer van nabij bezag, leverde het leger echter een eenigzins minder indrukwekkend gezicht op, dan uit de verte. Zij die aan de spits van iederen clan voorttrokken, waren goed met sabel, schild en geweer gewapend, waarbij allen den dolk en de meesten het pistool voegden. Maar deze bestonden uit heeren, dat is bloedverwanten van het opperhoofd, schoon dan ook in verwijderden graad, die eene onmiddellijke aanspraak op zijne bescherming en bijstand hadden. Schooner en geharder manschappen zouden er bezwaarlijk te vinden zijn geweest in eenig leger ter wereld; en de vrije onafhankelijke houding van elk hunner, die echter zoo goed geleerd hadden ondergeschikt te blijven aan het bevel van hun Opperhoofd, benevens de bijzondere soort van krijgstucht, bij de Hooglanders op hunne veldtochten ingevoerd, maakten hen even geducht wegens hun persoonlijken moed en hun gevoel van eigenwaarde, als wegens hunne beredeneerde overtuiging van de noodzakelijkheid, om eendrachtig te handelen, en daardoor aan hunne nationale wijze van aanval de beste kans van welslagen te verzekeren. Maar in een lageren rang dan dezen, werden lieden gevonden van een mindere soort, de boeren van het Hoogland, die, ofschoon ze niet zoo genoemd wilden worden, en dikwijls, met een schijn van recht beweerden van ouder geslacht te zijn dan de heeren die ze dienden, echter de liverei droegen der uiterste armoede, daar ze op allerlei wijze toegerust, slecht gewapend, half naakt, klein van persoon waren, en een ellendig voorkomen hadden. Iedere clan van belang had eenige dezer Heloten in zijn gevolg. – Zoo waren de Mac-Couls, ofschoon ze hunne afkomst van Comhal, den vader van Finn, of Fingal rekenden, een soort van Gibeoniten, of erfelijke slaven der Stuarts van Appine. De Macbeths, afstammende van den ongelukkigen koning van dien naam, waren onderdanen van de Morays en van den clan Donnochy, of van de Robertsons van Athole. Nog een aantal andere voorbeelden zouden kunnen worden bijgebracht, indien ik niet vreesde den licht nog bestaanden trots van het Clanschap te kwetsen, en dus een Hooglandsch onweder over den boekwinkel van mijn uitgever te brengen. Nu waren deze zelfde Heloten, ofschoon naar het slagveld gedreven door het willekeurig gezag der Opperhoofden, onder wie zij hout hakten en water droegen, in het algemeen zeer slecht gevoed, en gekleed en nog slechter gewapend. De laatste omstandigheid was voorzeker hoofdzakelijk toe te schrijven aan het door het bewind uitgevaardigde bevel tot algemeene ontwapening, dat schijnbaar zeer streng door het geheele Hoogland was ten uitvoer gelegd, hoewel het de meeste opperhoofden gelukte om de zaak te ontduiken, door de wapenen van hunne onmiddellijke clanslieden te behouden, en die van mindere waarde, bij deze geringere satellieten opgezameld, uit te leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan was, dat, gelijk wij reeds te kennen gaven, een aantal dezer arme menschen in een allerellendigsten toestand te velde moesten trekken.
Terwijl dus de voorhoede van een clan bestond uit manschappen op hunne wijze, wonderlijk goed gewapend, scheen de achterhoede daarentegen uit wezenlijke bandieten te bestaan. De een was met een strijdbijl, de ander met een sabel zonder schede gewapend; hier zag men een roer zonder slot, daar een mes stevig aan een stok gebonden; sommige hadden ook niets dan hunne dolken en stokken, of uit de heg gesneden knuppels. Het grimmige, havelooze en woeste voorkomen dezer lieden, waarvan de meesten met al de verbazing der onwetendheid, de meest gewone voortbrengselen van het maatschappelijke leven aangaapten, verwekte opzien in de Laaglanden, maar verspreidde er tegelijkertijd den schrik. Zoo weinig zelfs waren op dat tijdstip de Hooglanden nog bekend, dat het karakter en voorkomen van hun bevolking, die op deze wijze als militaire avonturiers zich vertoonden, bij de zuidelijke Laaglanders geen mindere verbazing wekten, dan een inval van Afrikaansche Negers of Eskimo’s, uit de noordelijke gebergten van Schotland komende, zou gedaan hebben. Het kan dus geen verwondering baren, dat Waverley, die tot hiertoe de Hooglanders in het algemeen beoordeeld had naar diegenen, welke Fergus had geraden geacht hem van tijd tot tijd te doen zien, ongerust en angstig gestemd werd, als hij dacht aan de roekelooze onderneming van een legerkorps, dat geen vierduizend man sterk, en waarvan de helft op zijn best gewapend was, om een ommekeer te brengen in het lot van het Britsche rijk en het regeerende Huis door een ander te doen vervangen.
Terwijl hij langs de kolonne voorttrok, welke zich nog niet in beweging had gesteld, werd een ijzeren kanon, het eenige stuk geschut van een leger dat zulk een belangrijke omwenteling op het oog had, afgevuurd als het signaal tot den marsch. De Prins had den wensch te kennen gegeven, om dit nutteloos stuk geschut achterwege te laten; maar, tot zijn verbazing, smeekten de Hooglandsche Opperhoofden hem vurig, dat het hen op hun tocht mocht vergezellen, terwijl ze zich berispen op de vooroordeelen hunner volgelingen, die, weinig aan artillerie gewoon, een belachelijk gewicht aan dit veldstuk hechtten, en verwachtten dat het wezenlijk zou bijdragen tot een overwinning, die zij, inderdaad, niet konden hopen alléen met hunne eigene geweren en zwaarden te behalen. Twee of drie Fransche kanonniers waren dus aangewezen om dit krijgswerktuig te besturen, hetwelk door een span Hooglandsche hitten werd voortgetrokken, en, ten slotte, alleen maar gebruikt werd om seinschoten te doen. [143]
Zoodra dan het schot bij deze gelegenheid gehoord werd, kwam de geheele linie in beweging. Een woeste vreugdekreet der voorttrekkende bataljons kliefde de lucht, en werd vervolgens opgelost in den schrillen toon der doedelzakken, gelijk het geluid van deze, op hare beurt, bijna uitgedoofd werd door den zwaren stap van zoo vele manschappen, die zich te gelijk in beweging zetten. De vaandels schitterden en wapperden, en de ruiterij haastte zich om hare plaats als voorhoede in te nemen, en kleine afdeelingen op verkenning uit te zenden, ten einde de bewegingen van den vijand gade te slaan en daarvan verslag te doen. Ze verdwenen uit Waverleys oog, toen ze het voetpad van „Arthurs zetel” insloegen, onder den merkwaardigen rand van basaltrotsen, tegenover het kleine meer van Duddingston.
De infanterie volgde in dezelfde richting, terwijl ze haar pas naar een ander korps regelde, dat een meer zuidelijken weg volgde. Eduard was verplicht al zijn krachten in te spannen, om dat gedeelte der kolonne te bereiken, waar Fergus en zijn manschappen zich bevonden.
ELFDE HOOFDSTUK.
EEN TOEVAL GEEFT AANLEIDING TOT NUTTELOOS NADENKEN.
Toen Waverley dat gedeelte der kolonne bereikt had, hetwelk uit den clan van Mac-Ivor bestond, hielden ze halt, maakten front, en ontvingen hem met een zegedeun op de doedelzakken, gevolgd door een luid hoezee van de manschappen. Een aantal hunner kende hem persoonlijk, en verheugde zich hem in de kleeding van hun land en van hun stam te zien, „Ge juicht,” zeide een Hooglander van een naburigen clan tot Evan Dhu, „alsof het Opperhoofd zoo even bij u gekomen ware.”
„Mar e Bran is e a Brathair, als het Bran niet is, dan is het Brans broeder” was het spreekwoord dat Maccombich tot antwoord bezigde.
„O, dan is het de knappe Saksische Duinhé-wassel, die trouwen zal met freule Flora?”
„Dat kan wel zijn, of het kan niet zijn; en dat is mijn zaak, noch de uwe, Gregor.”
Fergus trad vooruit, om den vrijwilliger te omhelzen, en hem een warm en hartelijk welkom toe te brengen; maar hij achtte het noodig zich te verantwoorden omtrent de verminderde sterkte van zijn bataljon (dat geen twee honderd man te boven ging), door de aanmerking, dat hij een goed deel zijner manschappen op kleine tochten had uitgezonden.
De waarheid echter was, dat Donald Bean Lean hem van ten minste dertig geharde knapen had beroofd, op wier dienst hij vast gerekend had; en een aantal zijner van tijd tot tijd verworven aanhangers waren door hunne verschillende opperhoofden teruggeroepen tot die standaards, waaronder zij eigenlijk behoorden. Desgelijks had het mededingend opperhoofd van den grooten noordelijken tak, ook van zijn clan zijn volk gemonsterd (ofschoon hij zich nog niet voor het bewind, noch voor den Prins had verklaard) en door zijn kunstgrepen eenigszins de macht verkleind, waarmede Fergus te velde trok. Als een vergoeding voor deze tekortkoming, werd algemeen erkend, dat het volk van Vich Ian Vohr, wat houding, uitrusting, wapens, en behendigheid, betrof, met de beste troepen van het geheele leger van Karel Eduard kon wedijveren. De oude Ballenkeiroch diende als zijn majoor, en ontving, benevens de andere officieren, die Waverley op Glennaquoich hadden leeren kennen, onzen held met groote hartelijkheid, als deelgenoot van hunne aanstaande gevaren en van de eer waarop zij hoopten.
Na het dorp Duddingston verlaten te hebben, volgde de Hooglandsche armee, een geruimen tijd, den gewonen straatweg tusschen Edinburgh en Haddington, tot zij te Musselburgh de Esk overstaken; toen zij, in plaats van de lage gronden naar den zeekant te houden, meer landwaarts in trokken, en den rand der hoogte, Carberry-heuvel genoemd, bezetten, een plaats reeds bekend in de Schotsche geschiedenis, als de plek waar de schoone Maria zich aan haar oproerige onderdanen overgaf. Deze richting was gekozen, omdat de Prins bericht gekregen had, dat de troepen van het Bewind den vorigen nacht ten westen van Haddington gelegerd waren geweest, met oogmerk om naar de zeezijde af te zakken, en Edinburgh langs den lager kustweg te naderen. Door deze hoogte te bezetten, die op een aantal plaatsen den genoemden weg bestreek, hoopten de Hooglanders gelegenheid te vinden om hen met voordeel aan te vallen. Het leger hield dus halt op den bergrug van Carberry-heuvel, deels om de soldaten te laten rusten, deels omdat men van hier den marsch zou kunnen richten naar ieder punt, dat de bewegingen van den vijand als het meest raadzaam mochten aanwijzen. Terwijl ze aldus gelegerd waren, kwam er in haast een boodschapper, om te verzoeken dat Mac-Ivor zich bij den Prins zou vervoegen, en bracht tevens het bericht, dat hunne voorhoede een schermutseling had gehad met een deel van des vijands ruiterij, en dat de baron van Bradwardine enkele gevangenen had opgezonden.
Waverley, die zich voorwaarts, buiten de gelederen begeven had om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, ontdekte spoedig een vijf- of zestal ruiters, die, met stof bedekt, waren komen aandraven, om te melden dat de vijand, westwaarts langs de kust, in vollen aantocht was. Nog een weinig verder, werd zijn oor getroffen door een zacht gekerm, dat uit een hut voortkwam. Hij naderde de plek, en hoorde een stem, in het Engelsch dialect van zijn geboorteplaats, die, schoon dikwijls door de pijn afgebroken, het „Onze Vader” poogde op te zeggen. De stem des ongeluks vond altijd terstond weêrklank in het hart van onzen held. Hij trad de stulp binnen, die bestemd scheen voor wat men in de Schotsche herdersstreken een „ziekenkooi” noemt; en in het duister kon Eduard vooreerst niets ontdekken, dan in een hoek een soort van rooden bundel. Zij, die den gekwetste van zijn wapens, en voor een gedeelte van zijn kleederen hadden beroofd, hadden hem den dragonders mantel gelaten, waarin hij gewikkeld was.
„Om Gods wil,” steunde de gewonde, toen hij Waverleys stap hoorde, „geef mij een slokje water!”
„Ge zult het terstond hebben,” antwoordde Waverley, terwijl hij hem tegelijk in zijn armen oprichtte, hem naar de deur der hut bracht, en uit zijne flesch te drinken gaf.
„Het is of ik die stem ken,” antwoordde de gewonde; maar, terwijl hij met een verwilderden blik op Eduards kleeding zag, voegde hij er bij, „neen dat is toch niet onze jonker!”
Dit was de gewone benaming, voor Eduard op de goederen van Waverley-Hanour. De stem, die hij zoo even hoorde deed zijn hart trillen en verlevendigde duizenderlei herinneringen, die het bekende dialect van zijn landgenoot reeds had helpen ontwaken. „Houghton!” riep hij, terwijl hij de trekken beschouwde, welke de dood reeds bijna onkenbaar maakte, „Houghton, is het mogelijk, zijt gij het?”
„Ik had nooit gedacht weêr de stem van een Engelschman te hooren,” hernam de gekwetste; „zij lieten mij hier liggen om te leven of te sterven, zoo als het uitkwam, toen ze begrepen, dat ik hun niet wilde zeggen hoe sterk ons regiment is. Maar, o! mijnheer, hoe kondt ge zoo lang van ons wegblijven, en ons in verzoeking laten brengen door dien boosdoener, Ruffin? – wij zouden u, zoo waar, door water en vuur gevolgd zijn.”
„Ruffin! Ik verzeker u, Houghton, dat hij u allerschandelijkst bedrogen heeft.”
„Dat heb ik meer dan eens gedacht,” zeide Houghton, „ofschoon zij ons uw cachet, met het wapen lieten zien; en daarom werd Tims doodgeschoten, en benam men mij de sergeants-strepen.”
„Put uwe kracht niet uit door spreken,” zeide Eduard, „ik zal u terstond een dokter bezorgen.”
Hij zag Mac-Ivor naderen, die thans uit het hoofdkwartier terug kwam, waar hij een krijgsraad had bijgewoond, en zich haastte om hem te ontmoeten. „Goed nieuws!” riep het Opperhoofd; „wij zullen in minder dan twee uren slaags zijn. De Prins heeft zich aan het hoofd van den tocht gesteld, en riep, zijn zwaard trekkende, uit: „Vrienden, ik heb de schede weggeworpen!” Kom, Waverley, wij breken oogenblikkelijk op.”
„Een oogenblik, – een oogenblik! deze arme gevangene is in levensgevaar; – waar vind ik een arts?”
„Een arts? Wij hebben er geen, zoo als gij weet, behalve twee of drie Fransche knapen, die, geloof ik, niet veel meer zijn dan garçons apothécaires.”
„Maar de man zal dood bloeden!”
„Arme drommel!” zeide Fergus, door een opwelling van medelijden getroffen, en voegde er oogenblikkelijk weder bij: „Maar dit zal het lot van duizenden zijn, eer het nacht is; kom dus mede.”
„Ik kan niet; ik zeg u, dat hij de zoon van een boer van mijn oom is.”
„O, zoo hij tot de uwen behoort, moet hij bezorgd worden; ik zal u Callum Beg zenden; maar Diaoel! – ceadie millia molligheart,” [144] ging het ongeduldig Opperhoofd voort, – „wat drommel! zendt een oud soldaat, als Bradwardine, ons stervenden, om ons tot last te zijn?”
Callum kwam met zijn gewone vlugheid toesnellen; en inderdaad, Waverleys bezorgdheid voor den gewonden man, deed hem veeleer in de achting der Hooglanders rijzen, dan dat ze hem schaadde. Zij zouden geen begrip gehad hebben van de algemeene menschenliefde, die het Waverley onmogelijk zou gemaakt hebben, wien ook in zulk een jammerlijken toestand voorbij te gaan; maar toen zij vernamen dat hij een der „zijnen” was, stemden zij algemeen toe, dat Waverleys gedrag dat was van een vriendelijk en liefderijk Opperhoofd, die de genegenheid van zijn volk verdiende. Binnen ongeveer een kwartier gaf de arme Humphrey den geest, na vooraf zijn jongen meester gebeden te hebben, om zoo hij op Waverley-Honour terug kwam, goed voor den ouden Job Houghton te zijn, terwijl hij hem bezwoer niet met deze woeste kortrokken tegen Oud Engeland te vechten.
Toen hij den laatsten snik gegeven had, beval Waverley – die voor het eerst getuige was van de doodsangsten eens stervenden, en een diep gevoel van leed niet zonder een zekere gewetensknaging ondervond – aan Callum, het lijk in de hut te brengen. De jonge Hooglander voldeed terstond aan dat bevel, zoodra hij eerst de zakken van den overledene onderzocht had, die echter, zoo als hij aanmerkte, zeer netjes geleêgd waren. Hij nam evenwel den mantel, en terwijl hij met de voorzichtigheid van een hond, die een been verstopt, te werk ging, verborg hij zijn buit onder eenige bremstruiken, en zette een merk zorgvuldig op de plaats, zeggende, dat, zoo hij dezen weg weêr langs mocht komen, het een schoone schoudermantel voor zijn oude moeder Elspat wezen zou.
Eerst na veel inspanning, herwonnen zij hun plaats in de voortrukkende kolonne, daar zich deze thans tamelijk snel voorwaarts bewoog, om de hooge gronden boven het dorp Tranent te bezetten, tusschen welk dorp en de zee het vijandelijke leger heen marscheren moest.
De treurige ontmoeting, die Waverley met zijn voormaligen wachtmeester gehad had, wekte in zijn ziel een aantal smartelijke en nuttelooze gedachten op. Uit de bekentenis van den gesneuvelde bleek duidelijk, dat kolonel Gardiners gedrag nauwkeurig gericht was naar, en zelfs noodzakelijk gemaakt werd door de in Eduards naam gedane stappen, om zijn krijgslieden tot muiterij aan te zetten. Nu eerst herinnerde hij zich de bijzonderheid van het cachet, en dat hij het in het hol van den roover Bean Lean verloren had. Dat de listige schelm zich er meester van gemaakt, en het als een middel gebruikt had om een list te smeden tot bereiking van zijn eigene bijzondere doeleinden, was genoegzaam bewezen; en Eduard twijfelde thans geenszins meer, of hij zou in het pakje, door des mans dochter in zijn mantelzak gestoken, verder licht over diens handelingen verspreid vinden. Te gelijker tijd klonk het herhaalde malen geuite verwijt van Houghton: „Ach, mijnheer, waarom verliet gij ons?” hem als een doodsklok in de ooren.
„Ja,” zeide hij, „ik heb jegens u inderdaad met onbedachtzame wreedheid gehandeld. Ik heb u uw vaderlijk dak doen verlaten, en u beroofd van de bescherming van een edelmoedigen en minzamen meester; en na u aan de gestrengheid der krijgstucht onderworpen te hebben, weigerde ik mijn eigen deel van den last te dragen, en verzuimde de plichten die ik op mij genomen had, door zoo wel hen, die het mijne zaak was te beschermen, als mijn eigen goeden naam, bloot te geven aan de listen van een verrader. O, traagheid en besluiteloosheid! zoo gij al op u zelve geene ondeugden zijt, tot welke ellende baant gij niet menigmaal den weg!”
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE AVOND VOOR DEN SLAG.
Ofschoon de Hooglanders een snellen marsch hadden afgelegd, was toch de zon aan het ondergaan, toen zij den rand dier hoogten bereikten, welke de open en uitgestrekte vlakte bestrijken, die zich noordwaarts naar de zee uitstrekt, en waarop, hoewel tamelijk ver van elkander verwijderd, de dorpen Seaton, Cockenzie en het uitgebreider Preston gelegen zijn. De lage kustweg naar Edinburgh loopt door deze vlakte, waar hij uitkomt bij Seaton-House, en bij het vlek, of dorp, Preston weder door een meer bedekte streek kronkelt. Langs dezen weg had de Engelsche generaal zich voorgenomen de hoofdstad te naderen, daar deze zoowel de gemakkelijkste weg voor zijn ruiterij was, als omdat hij waarschijnlijk van gevoelen was, dat hij, zoodoende, de Hooglanders in het front zou krijgen, terwijl ze, in de tegenovergestelde richting, van Edinburgh kwamen. Hierin bedroog hij zich; want het gezond oordeel van den Prins, of van hen aan wier raad hij het oor leende, [145] liet den onmiddellijken toegang vrij, maar bezette de voordeelig gelegene hoogten, van waar de weg overzien en bestreken kon worden.
Zoodra de Hooglanders die hoogte bestegen hadden, werden ze oogenblikkelijk, langs den rand der steilte, in slagorde geschaard. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de voorhoede der Engelschen, die van uit het geboomte en de omheiningen van Seaton opdaagde, met het oogmerk om den oploopenden grond tusschen de zee en de hoogten te bezetten. Daar de ruimte, die de legers verdeelde, slechts omtrent een halve mijl breed was, kon Waverley duidelijk de escadrons dragonders, het een na het ander, uit de engte te voorschijn zien komen, met hunne videtten in het front, en zich scharende op de vlakte, vlak tegenover het leger van den Prins. Ze werden gevolgd door een trein veldstukken, die, toen ze de flank van de dragonders bereikten, desgelijks in linie gebracht en tegen de hoogten gericht werden. Drie of vier regimenten infanterie marcheerden vervolgens met open kolonnes vooruit, terwijl hunne bajonetten als het ware een reeks van wandelende stalen heggen vormden, en hunne wapens bliksems schenen te schieten, toen ze, op een gegeven teeken, zich eensklaps in linie plaatsten, en onmiddellijk tegenover de Hooglanders in slagorde gesteld werden. Een tweede trein artillerie, met, nog een regiment te paard, sloot den langen stoet, en greep op de linkerflank der infanterie post, zoodat de geheele linie naar het zuiden gekeerd was.
Terwijl het Engelsche leger deze evolutiën ten uitvoer bracht, legden de Hooglanders even veel vaardigheid als verlangen naar den strijd aan den dag. Naar gelang de clans op den bergrug aankwamen, die in het front van den vijand lag, werden ze in linie geschaard, in dier voege dat beide legers op hetzelfde oogenblik in volkomen slagorde waren. Toen dit volbracht was, hieven de Hooglanders een vreeselijk gegil aan, hetwelk door de hoogten achter hen terug gekaatst werd. De geregelde troepen, die vol moed waren, beantwoordden met een luid, uitdagend geschreeuw den Schotschen oorlogskreet, en brandden een paar kanonnen op een voorpost der Hooglanders los. De laatsten verriedden het grootste verlangen om oogenblikkelijk tot den aanval over te gaan, terwijl Evan Dhu tegen Fergus, bij wijze van argument, aanvoerde, „dat de roode soldaten waggelden als een ei op de punt van een stok, en dat de troepen van den Prins het voordeel hadden van den aanval, want dat zelfs een haggis [146] (God zegene haar!) den heuvel af storm kon loopen.”
Maar ofschoon de grond, waarlangs de Schotten hadden moeten afdalen, niet zeer uitgestrekt was, was die evenwel onbruikbaar, omdat hij niet slechts moerassig, maar door muren van lossen steen afgebroken, en over de geheele lengte door een zeer breede en diepe sloot doorsneden was, wat aan het geweervuur der geregelde troepen geen geringe voordeelen zou gegeven hebben. Het gezag der bevelhebbers werd dus ingeroepen, om de onstuimigheid der Hooglanders te beteugelen, en slechts eenige weinige scherpschutters werden de steilte afgezonden, om met de voorposten der vijanden te schermutselen en den grond te verkennen.