Part 30
Er lag een ligte nadruk op het woord, die ieder oor zou ontgaan zijn, uitgenomen dat, hetwelk door koortsige vrees overmeesterd was. De toon was echter bepaald aangegeven en volkomen in overeenstemming met haar houding, en gaf blijkbaar te kennen: „Ik zal nooit aan den heer Waverley denken in eenige andere betrekking.” Eduard verstomde, boog en zag naar Fergus, die zich op de lippen beet, – een beweging van toorn, die bewees, dat hij insgelijks een ongunstige verklaring gaf aan de wijze, waarop zijn zuster zijn vriend had ontvangen. „Ziedaar dan het einde van mijn wakenden droom!” Dit was Waverleys eerste gedachte, en ze was zoo bij uitstek pijnlijk, dat ze hem voor een oogenblik doodsbleek maakte.
„Genadige Hemel!” riep Rose Bradwardine, „hij is nog niet hersteld!”
Deze woorden, welke ze met groote aandoening uitte, werden door den Prins zelven gehoord, die haastig vooruit trad, en, Waverley bij de hand vattende, vriendelijk naar zijn welstand vernam, en er bijvoegde dat hij hem wenschte te spreken. Door een krachtige en plotselinge inspanning die de omstandigheden noodzakelijk maakten, werd Waverley zichzelven in zoo verre meester, dat hij den Prins zwijgend kon volgen naar een afgelegen hoek van het vertrek.
Hier hield de Prins hem eenigen tijd op, terwijl hij een aantal vragen tot hem richtte over de groote Tory- en Katholieke familiën in Engeland, haar betrekkingen, haar invloed en haar gehechtheid aan het huis van Stuart. Op deze vragen had Eduard ten allen tijde niet anders dan algemeene antwoorden kunnen geven; en men kan gemakkelijk nagaan dat, in zijn tegenwoordige gemoedsgesteldheid, deze berichten tot verwardheid toe onnauwkeurig waren. De Prins glimlachte een paar malen over zijn ongerijmde antwoorden, maar zette hetzelfde onderhoud voort, ofschoon hij zich gedwongen vond zelf de voornaamste rol op zich te nemen, tot op het oogenblik waarin hij bespeurde, dat Waverley zijn tegenwoordigheid van geest had herwonnen. Het is waarschijnlijk dat deze lange audiëntie gedeeltelijk ten doel had om de meening te versterken, welke de Prins zoo vurig verlangde onder zijn aanhangers te zien bevorderd, dat Waverley iemand was van grooten staatkundigen invloed. Maar het bleek uit hetgeen hij later zeide, dat hij nog een andere beweegreden gehad had, om dit gesprek te rekken, een geheel verschillende reden, en wel een die van toegenegenheid vóor en belangstelling in onzen held getuigde. „Ik kan de verzoeking niet weêrstaan,” zeide hij, „om op mijn voorzichtigheid te roemen, als de vertrouwde van een schoone dame. Gij ziet, mijnheer Waverley, dat ik alles weet, en ik verzeker u, dat ik levendig belang stel in deze zaak. Maar, mijn beste jonge vriend, ge moet uw gevoelens beter weten te beteugelen. Er zijn hier een aantal lieden, wier oogen even helder zien als de mijne, maar op wier voorzichtigheid en stilzwijgendheid men niet zoo goed vertrouwen kan.”
Dit zeggende, keerde hij zich zonder gemaaktheid naar elders, terwijl hij Waverley achterliet om over zijn laatste woorden na te denken. Zoo deze woorden voor hem niet geheel verstaanbaar waren, waren ze toch voldoende om hem het noodzakelijke der hem aanbevolen voorzichtigheid te doen inzien, en terwijl hij dus een poging deed, om zich de belangstelling waardig te toonen, welke zijn nieuwe meester voor hem aan den dag had gelegd, door oogenblikkelijk diens wenk te gehoorzamen, wandelde hij op naar de plaats, waar Flora en Freule Bradwardine nog gezeten waren, en na de laatste gegroet te hebben, slaagde hij boven zijn verwachting er in om over onverschillige zaken met beide in gesprek te komen.
Zoo gij, waarde lezer, ooit in het geval geweest zijt om postpaarden te nemen te ***, of te ****, (een van welke blancos, of waarschijnlijk alle twee, ge wel in staat zult zijn met een of ander poststation in uwe nabuurschap in te vullen) dan moet gij, en waarschijnlijk met deelnemende smart, den pijnlijken angst hebben opgemerkt, waarmede de arme dieren hunne geschaafde halsen in de hamen van het tuig steken. Maar, wanneer de onweêrstaanbare aandrang van den postiljon hen gedwongen heeft een halfuurtje af te leggen, zullen ze verhard worden tegen dat gevoel, en „warm in het tuig geworden”, gelijk genoemde postiljon zich zal uitdrukken, zullen ze voortdraven, als of hunne schoften gaaf en onbezeerd waren. Deze vergelijking past zoo volkomen op den toestand van Waverleys gewaarwordingen, in den loop van dezen merkwaardigen avond, dat ik haar de voorkeur geef (en dat te meer, dewijl zij, naar ik vertrouw, geheel oorspronkelijk is) boven iedere schitterende opheldering, die Byshe’s „Kunst der Poëzy” mij zou kunnen opleveren.
Inspanning vindt, even als de deugd, hare belooning in zichzelve; en onze held had bovendien nog andere beweegredenen, om een gemaakte bedaardheid en onverschilligheid omtrent Flora’s onvriendelijk gedrag aan den dag te blijven leggen. De hoogmoed kwam hem spoedig te hulp, door op de wonden van zijn hart zijn bijtend maar heilzaam geneesmiddel aan te wenden. Kon of mocht hij, onderscheiden door de gunst van een Prins; bestemd, gelijk hij reden had te hopen, om een aanzienlijke rol te spelen in de omwenteling, welke een machtig koningrijk wachtte; waarschijnlijk uitmuntende in kundigheden boven, en ten minste gelijk staande in persoonlijke hoedanigheden met de meeste edele en aanzienlijke personen, waaronder hij zich thans bevond, jong, rijk en hoog geboren; kon, of mocht hij (zeggen wij) kwijnen onder de minachtende blikken eener grillige schoone?
„O nimf, zoo onbuigzaam en koud als graniet; Mijn hart is zoo trotsch als het uwe.”
De in deze regels uitgedrukte gewaarwordingen die toenmaals echter nog niet geschreven waren [138] brachten Waverley er toe om al zijne pogingen aan te wenden, ten einde Flora te doen gevoelen, dat hij er de man niet naar was zich door een afwijzing te laten ter nederslaan, waarbij zijn ijdelheid hem influisterde, dat hare uitzichten er niet minder onder leden, dan de zijne. En om deze verandering in zijn gevoelens te versterken, kwam hem de stille en door hemzelven niet erkende hoop te hulp, dat zij er toe mocht komen om zijn genegenheid op hooger prijs te stellen, wanneer zij niet meer van meening was dat het altijd in hare macht stond die aan te moedigen, of af te wijzen. Er was ook een geheimzinnige soort van bemoediging in des Prinsen woorden, ofschoon hij vreesde dat ze alleen betrekking hadden op Fergus’ wenschen, wat eene vereeniging tusschen hem en zijn zuster betrof. Maar de omstandigheden, de tijd, de plaats, alles liep samen om tegelijk zijn verbeelding op te wekken, en een manhaftige en standvastige houding van hem te vorderen, terwijl hij het aan het noodlot overliet om de uitkomst te regelen. Daarenboven, als hij alléén droevig en ontmoedigd scheen op den avond voor een veldslag, welke wapenen zou hij dan niet verschaffen aan den laster, die zich reeds maar al te zeer met zijn goeden naam had bemoeid! „Neen, neen,” zeide hij tot zichzelven, „ik zal hier mijn vijanden, wier haat door mij nooit is uitgelokt, geen gelegenheid geven, om zulk een voordeel boven mij te verkrijgen.”
Toegevende aan den invloed dezer gemengde aandoeningen, en nu en dan aangemoedigd door een lachje van verstandhouding en goedkeuring, zoo vaak de Prins de groep voorbijkwam, riep Waverley al zijn luim, levendigheid en welsprekendheid te hulp, en verwierf zich de algemeene bewondering van het gezelschap. Het onderhoud nam langzamerhand den toon aan, die het meest geschikt, was voor de ontwikkeling zijner talenten en kundigheden. De vroolijkheid van den avond werd eer verhoogd dan gestoord door de naderende gevaren van den volgenden dag. Alle zenuwen waren gespannen over de toekomst, en voorbereid om het tegenwoordige te genieten. Deze zielsgesteldheid is ten hoogste gunstig tot het oefenen der vermogens van de verbeelding, voor de poëzij, en voor die welsprekendheid, welke zoo nauw aan de poëzij verwant is. Waverley bezat, gelijk wij elders opmerkten, bij tijden een ongemeene welbespraaktheid; en bij deze gelegenheid deed hij meer dan eens de hoogere toonen des gevoels trillen, terwijl hij dan weder tot een wild spel van geestige aardigheden afdaalde. Hij werd ondersteund en opgewekt door bevriende geesten, die denzelfden prikkel van den tijd en de gemoedsstemming ondervonden, en zelfs zij, wier aard voor koud en berekenend gehouden werd, werden medegesleept door den stroom. Verscheidene dames weigerden deel te nemen aan den dans, al duurde deze nog steeds voort, en voegden zich, onder verschillende voorwendsels, bij het gezelschap, waaraan „de knappe jonge Engelschman” zich scheen verbonden te hebben. Hij werd aan een aantal lieden van den hoogsten rang voorgesteld, en zijn manieren, welke voor het oogenblik geheel vrij waren van de beschroomde stijfheid, waaronder ze bij mindere opwekking, leden, verwierven de algemeene goedkeuring.
Flora Mac-Ivor scheen het eenige daar tegenwoordige vrouwelijk wezen te zijn, dat hem met een zekere mate van koelheid en terughouding beschouwde; doch ook zij kon een soort van bewondering niet onderdrukken bij het ontdekken van talenten, welke zij hem, in den loop hunner kennismaking, nooit zoo luisterrijk en gelukkig had zien ontwikkelen. Ik weet niet, of ze niet misschien een oogenblik spijt gevoelde een besluit genomen te hebben omtrent het aanzoek van een minnaar, die zoo uitstekend geschikt scheen een eerste plaats in de hoogste rangen der maatschappij te bekleeden. Zeker had ze tot hiertoe onder Eduards ongeneeselijke gebreken die mauvaise honte gerekend, waaraan ze, daar zij in de hoogste kringen aan een vreemd hof opgevoed, en weinig met de stijfheid der Engelsche zeden bekend was, het denkbeeld hechtte van een beschroomdheid, die zelfs in zwakheid ontaardde. Maar, zoo er een vluchtige wensch bij haar opkwam, dat Waverley zich altijd zoo beminnelijk en aantrekkelijk mocht hebben voorgedaan, was dit toch slechts de opwelling van een oogenblik; want er hadden zich, sedert ze elkander hadden gezien, omstandigheden opgedaan, welke, in haar oog, het besluit, dat ze omtrent zijn aanzoek genomen had, beslissend en onherroepelijk maakten.
Door geheel tegenovergestelde gevoelens overmeesterd, luisterde Rose Bradwardine met geheel haar ziel naar hem. Zij gevoelde een heimelijke zegepraal, bij de algemeene schatting aan iemand betaald, wiens verdiensten ze maar al te vroeg en te hoog had leeren schatten. Zonder den minsten zweem van ijverzucht, zonder eenig gevoel van vrees, smart of twijfel, niet verontrust door een enkele baatzuchtige gedachte, gaf ze zich over aan het genot van de algemeene toejuiching waar te nemen. Als Waverley sprak, hoorde ze niet anders dan zijn stem; wanneer anderen antwoordden, vestigde haar oog zich nog op hem, om geen enkel zijner antwoorden te missen. Misschien was het geluk, dat ze in den loop van dien avond smaakte, hoewel voorbijgaand, en door veel gevolgd, in zijn aard het zuiverste en onbaatzuchtigste, dat de mensch in staat is te genieten.
„Baron,” zeide de Prins, „ik zou mijne beminde in het gezelschap van uw jongen vriend niet vertrouwen. Hij is inderdaad, ofschoon wat romanesk, een der betooverendste jonge lieden, die ik ooit gezien heb.”
„En op mijne eer, Prins,” zei de Baron, „onze vriend kan soms zoo dof zijn, als een zestiger, gelijk ik; indien Uwe Koninklijke Hoogheid hem had zien droomen en druilooren langs de heuvelen van Tully-Veolan, als een hypochonder, of, gelijk het in Burtons Anatomie heet, een Phreneticus of Lethargicus, zoudt gij u gewis verwonderen, van waar hij al deze fraaie praat en vroolijkheid en scherts zoo spoedig gehaald heeft.”
„Het is waar,” zeide Fergus Mac-Ivor, „mij dunkt, het kan alleen de ingeving van de „tartans” zijn; want ofschoon Waverley altijd een man van eer is, heb ik hem tot nu toe meestal zeer verstrooid en onoplettend in gezelschap gevonden.”
„Wij hebben dus nog te meer verplichting aan hem,” zei de Prins, „dat hij tot voor dezen avond hoedanigheden heeft verborgen gehouden, welke zelfs zijn gemeenzame vrienden niet in hem hebben kunnen ontdekken. – Maar, komt, heeren, de avond gaat voorbij en wij moeten bij tijds op de bezigheden van morgen bedacht zijn. Ieder zorge voor zijn gezelschap, en doe eer aan een klein feestmaal dat ik u aanbied.”
Hij ging hen voor naar een andere reeks van vertrekken, en zette zich in den leuningstoel, onder een verhemelte, aan het hoofd eener lange rij van tafels, met een waardigheid en hoffelijkheid tevens, welke aan zijn hooge geboorte en grootsche bedoelingen volkomen betaamden. Nauwelijks was er een uur verloopen, of de muzikanten lieten het in Schotland zoo wel bekende sein tot vertrek hooren. [139]
„Goeden nacht dan,” zeide de Prins, opstaande; „goeden nacht dan, en zij de vreugde met u allen! – Goeden nacht, schoone dames, die ten verjaagden en gebannen Prins zoo hoogelijk hebt vereerd. – Goeden nacht, mijn dappere vrienden. – Moge het geluk, dat wij heden avond genoten hebben, een voorteeken zijn van onze spoedige en zegevierende terugkomst in dit ons voorvaderlijk verblijf, en van vele, zeer vele vroolijke bijeenkomsten in het paleis van Holyrood!”
Als de baron van Bradwardine later dit afscheidswoord van den Prins vermeldde, liet hij nooit na, op droefgeestigen toon, te herhalen:
„Audiit, et voti Phœbus succedere partem Mente dedit; partem volucres dispersit in auras;”
hetwelk, zoo als hij er bijvoegde, vrij goed is weêrgegeven:
Phœbus verhoorde goedgunstig de helft van dees bede, maar hevig Floot hij in de andere helft en gaf ze den winden ten prijs.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE MARSCH.
Het was laat toen Waverley naar huis terugkeerde, en de uitputting door de hartstochten die elkander in zijn hart bekampten, en door de ondervondene aandoeningen veroorzaakt, stortte hem in een diepen maar gezonden slaap. Zijn droomen brachten hem naar Glennaquoich, en in de zalen van Ian nan Chaistel, meende hij aan het feest, deel te nemen, dat zoo pas op Holyrood had plaats gehad. Ook het geluid der zakpijp hoorde hij duidelijk; en dit ten minste was geen bedrog; want „de trotsche stap van den voornaamsten pijper” van den clan Mac-Ivor deed zich op het plein, en wel voor de deur des verblijfs van zijn Opperhoofd hooren, en, gelijk vrouw Flockhart die blijkbaar geene vriendin van zijn muziek was, goedvond aan te merken, „deed de steenen uit den muur springen met zijn gegil.” Bij gevolg werd dat geluid spoedig sterk genoeg om Waverleys droom te verjagen, waarmede het zich eerst op een harmonische wijze had vereenigd.
Het geluid van Callums voetstappen in zijn kamer, (want Mac-Ivor had Waverley wederom aan diens oppassing aanbevolen) was het tweede teeken tot het vertrek. „Wil Mijnheer,” zeide hij, „niet opstaan? Vich Ian Vohr en de Prins zijn reeds vertrokken naar het lange groene dal achter de buurt, die zij des Konings Park noemen [140], en er is een groote menigte volks op de been, dat eer het nacht wordt door andere beenen weggedragen zal worden.”
Waverley sprong terstond op, en bracht, met Callums hulp, zijn Bergschotsche kleeding in behoorlijke orde. Callum berichtte hem tevens, dat de pakwagen een lederen en van een slot voorzien ding medegebracht had, dat op nieuw bij de bagaadje van Vich Ian Vohr en op diens wagen bezorgd was.
Waverley begreep uit deze beschrijving dat Callum van zijn mantelzak sprak. Hij dacht terstond aan het geheimzinnige pakje van het meisje uit het dal, dat hem altijd scheen te ontgaan, juist als het binnen zijn bereik was. Maar het was thans geen tijd om zijn nieuwsgierigheid te voldoen; en na vrouw Flockharts beleefd aanbod van een morgengroet, dat is een morgenslok te hebben afgeslagen, hetgeen, uitgezonderd hij, wellicht geen enkel man in het leger van den Prins zou hebben afgewezen, nam hij afscheid en vertrok met Callum.
„Callum,” zeide hij, terwijl ze over een modderig stuk land gingen, om de voorstad van Canongate te bereiken, „hoe zal ik aan een paard komen?”
„Daar moet gij niet aan denken,” hernam Callum, „Vich Ian Vohr trekt te voet op aan het hoofd van zijn volk, (om niet te spreken van den Prins, die hetzelfde doet) met zijn schild op den schouder, en gij dient wel naast hem te gaan.”
„Best, Callum! geef mij mijn schild. – Zoo, nu zijn wij klaar. – Hoe staat het mij?”
„Als de brave Hooglander, die op het uithangbord voor de groote herberg van Luckie Middlemass staat uitgeschilderd,” antwoordde Callum, waarmede hij, zooals men begrijpen zal, een fraai compliment bedoelde; want, volgens zijn gevoelen, was het uithangbord van Luckie Middlemass een uitnemend kunststuk. Maar Waverley, die de volle kracht zijner beleefde vergelijking niet gevoelde, deed hem geene verdere vragen.
Nadat zij de armoedige en vuile buitenwijken der hoofdstad doorgeworsteld, en in de open lucht gekomen waren, gevoelde Waverley zoowel zijn krachten als zijn moed verjongd; hij bepaalde zijne gedachten kalm bij de gebeurtenissen van den vorigen avond, en vestigde ze vol hoop en welberadenheid op die van den naderenden dag.
Toen hij een kleine, steenachtige hoogte, St. Leonards heuvel geheeten, beklommen had, lag het Konings Park, of het dal hetwelk zich tusschen „Arthur’s zetel” en de helling, waarop het zuidelijk gedeelte van Edinburgh thans gebouwd is, aan zijn voeten, en leverde een vreemd en
opwekkend tooneel op. Het was bezet door het leger der Hooglanders, die nu bezig waren met zich tot de marsch gereed te maken. Waverley had reeds iets van dezen aard gezien bij de jachtpartij, die hij met Fergus Mac-Ivor had bijgewoond, maar het tegenwoordige was op een veel grooter schaal, en oneindig belangrijker. De rotsen, die den achtergrond van dit tooneel uitmaakten, en de lucht zelve, weêrgalmden van den klank der doedelzakspelers waarvan ieder met zijn instrument, zijn opperhoofd en zijn clan tot den strijd opriep. De Bergschotten, die van hun leger onder den blooten hemel oprezen, met veel geraas en als een verwarde en ongeregelde menigte door elkaar krioelden even als bijen, die, in haar korven verontrust, zich tot den uitval voorbereiden, schenen al de vlugheid van geest en ligchaam te bezitten, die tot het uitvoeren van militaire bewegingen vereischt zijn. Wat zij deden, scheen zonder overleg en verward te zijn; maar zooveel orde en regelmatigheid ontstonden daaruit dat een veldheer de uitkomst moest geprezen hebben, al mocht een drilmeester ook lachen om de wijze, waarop men er toe geraakte.
Deze ingewikkelde beweging, waardoor de verschillende clans weldra onder haar bijzondere banieren gerangschikt werden, om in marschorde te geraken, schonk op zichzelf een vroolijk en levendig schouwspel. Ze hadden geen tenten op te ruimen, daar ze algemeen, en bij voorkeur, in het open veld geslapen hadden, ofschoon het al laat in den herfst werd, en het des nachts nog al begon te vriezen [141]. Een tijd lang, en terwijl ze zich ordenden, zag men ieder oogenblik een golvende en verwarde beweging van vlottende en in den wind fladderende pluimen en banieren, die de trotsche leuze van Clanronald: „Ganion Coheriga” – (spreek tegen, wie durft!) „Loch-Sloy” het wachtwoord der Mac-Farlanes; – „Forth, fortune and fill the felters,” (Voorwaarts, fortuin, en vele gevangenen!) het motto van den Markies van Tullibardine; „Bydand,” (Ferm!) dat van Lord Lewis Gordon, en de leuzen en teekens van verscheidene andere opperhoofden en clans te lezen gaven.
Eindelijk werd deze bonte en wemelende menigte tot eene smalle en dichte kolonne van groote lengte geschikt, die zich langs de geheele vallei uitstrekte. Aan het hoofd der kolonne woei de standaard uit van den Prins met een rood kruis op een wit veld en het motto „Tandem Triumphans.” [142] De weinige ruiterij, die voornamelijk uit Laaglandsche heeren, met hunne huisbedienden en meiers bestond, maakte de voorhoede van het leger uit, en hare vaandels, waarvan zij wat het aantal betreft overvloedig voorzien was, zag men aan den uitersten rand des gezichteinders wapperen. Verscheidene leden van dit korps, onder welke Waverley toevallig Balmawhapple, en zijn luitenant Jinker opmerkte, (welke laatste echter, met verscheidene anderen, volgens advies van den Baron van Bradwardine, teruggebracht was tot den stand van „overcomplete officieren” zooals hij hen noemde,) droegen bij tot de levendigheid, ofschoon geenszins tot het geregelde van het tooneel, daar ze met hunne paarden, zoo veel het gedrang dit maar toeliet, vooruitdraafden om hunne plaats bij de voorhoede in te nemen. De betooveringen der Circe’s uit de Hoogstraat, en de sterke drank, waarmede ze gedurende den nacht waren gelaafd, hadden waarschijnlijk deze helden wat langer binnen de muren van Edinburgh opgehouden, dan met hun plicht en dienst bestaanbaar was. Van zulke achterblijvers namen de voorzichtigsten den langsten en meest omloopenden, maar wel zoo vrijen weg, om hunne plaats, volgens de marschorde, te bereiken, door zich op een afstand te houden van het voetvolk, en zich een pad te banen door de tuinen ter rechterhand, waartoe ze slechts de moeite hadden te nemen om de losse steenen afscheidingen over te springen of neêr te rukken. Het onregelmatig opdagen en verdwijnen van deze kleine afdeelingen, zoo wel als de verwarring, te weeg gebracht door hen, die, schoon meestal vruchteloos, in weerwil van vloeken, verwenschingen en tegenstand, door de menigte der Hooglanders naar het front poogden te dringen, vergoedden door de schilderachtige woestheid van het tooneel wat door gemis aan militaire regelmatigheid daaraan ontnomen werd.