Vogels van diverse pluimage

Chapter 9

Chapter 93,894 wordsPublic domain

Ik verbeeld mij, dat de afsnijding van den zin in dit oogenblik eene te treffende en prikkelende uitwerking teweegbrengt om er geen gebruik van te maken.

* * * * *

Tweehonderd ellen ongeveer van de stad en aan den rijweg, stonden twee huizen met ouderwetsche gevels, waarvan een het onze was.

Het sprong in het oog, dat beide juist van dezelfde grootte, breedte en uitwendige gedaante waren. Het waren geheel en al tweelinghuizen, want er was geen raam of boog of stang of steenen figuur of schakeering van roode en witte steen, die bij beide niet juist gelijk was en beide hadden een soortgelijk stuk grond achter zich.

Het eenige onderscheid was, dat het éene van de tweelinghuizen teekenen van leven en goed onderhoud droeg, het andere geheel verlaten, gesloten en verwaarloosd bleek te zijn.

Wat was de oorsprong dier steenen tweelingen? Vreemde, dwaze geruchten liepen er over het eene, en er was eene sprook, die ik in mijne kinderjaren altijd met trillende spanning en angstig genot had gehoord, hoe daar jaren geleden een man in een klein kamertje vermoord was, en er op de planken eene roodachtige vlek lag, die geen timmerman er uit kon schaven, maar die telkens weer opkwam, en hoe na dien tijd niemand meer in het huis kon wonen of hij stierf kort daarop.

Wat hiervan ook geweest zij, het nevenhuis was sinds eene reeks van jaren onbewoond en gesloten.

Op den top van den achtergevel stond eene windvaan, dat voorwerp, dat de mensch, als eene naïeve bekentenis, ten teeken en zinnebeeld zijner rusteloosheid en veranderlijkheid boven zijne woningen opricht, als de vlag, waaronder hij vaart. Rusteloos en knarsend had zij ook boven dit huis volgens elke windstreek rondgevlogen, misschien evenals de harten van menschen, die onder dat dak gewoond hadden. Maar eindelijk had de dartele en woeste wind zijn speelgoed gebroken, zooals de kinderen der menschen doen. Gebogen en scheef hing nu de windwijzer, en onbeweeglijk was hij aan de roestige stang vastgebleven, zeker wel om hoog en wijd en zijd de waarheid te prediken, dat wie met alle winden mede wil draaien er eindelijk door geknakt wordt.

De musschen nestelden vrij in het dak met de spreeuwen, en de kraaien in de schoorsteenen, waaruit geen opstijgende rook meer deed denken aan den huiselijken haard en de warmte der huiselijke genegenheden. Gansche geslachtsreeksen van zwaluwen hadden in de goten het eerste levenslicht ontvangen, en een wild en weelderig groeiende wingerd liet, als een zinnebeeld van verlatenheid, zijne ranken, in de grootste verwarring door elkander gestrengeld, langs een gedeelte van den achtergevel en over de geslotene en vervelooze luiken afhangen.

De tuin achter het huis was even woest als het overige, het gras groeide voeten hoog te gelijk met eene uitgelezene verzameling van onkruid. Al de boomen en heesters hadden in broederlijke toegenegenheid hunne takken in elkander gestrengeld, als tot eene les aan den mensch, dat, wanneer deze er de hand en het houweel niet in had, zij in liefderijke toenadering en omhelzing voort zouden leven. Het zou even moeilijk geweest zijn, er pad of weg te vinden als in de onbegane prairiën van Amerika of sommige grammatica's.

Het eenige, wat liefelijk scheen in deze woestenij, was de groote menigte rozen, die er in weelderigen overvloed en in dichte bosschen met honderden bloemen groeiden.

Zóo had ik jaren lang dezen tuin en dit huis gekend en nooit had ik daar, wanneer ik op de heining zat, eenig spoor van leven ontdekt. Soms was ik wel over die heining geklommen en had met verbazing in die wildernis gewandeld, en enkele malen had ik getracht over de halve buitenluiken in het huis te kijken, maar toen ik eens, daarmede bezig, een zwaren slag daarbinnen gehoord had, was ik met schrik weggeloopen, alsof de vermoorde man met eene geheele bende gruwzame spoken mij op de hielen zat.

Ik geloof genoeg gezegd te hebben om mijne verbazing te verklaren, toen ik, juist mijne eerste kersepit naar die ramen willende knippen, zag, dat de luiken openstonden en de woeste wingerdranken voor de glazen eenigermate waren weggesnoeid en opgebonden. Maar in den tuin ziende, was daar iets, dat mij nog meer verbaasde en mij met eene kers halverwege in mijn mond deed blijven zitten.

Midden in het hooge gras en half bedolven onder een grooten hoop afgeplukte rozen zat een klein meisje, zeven jaar oud, denk ik, met deze bloemen te spelen. Nu eens wierp, zij ze in de lucht en ving ze, met de kleine handjes weer op, dan bedekte zij haar hoofd en gitzwarte haren er mede, en als zij er dan uit opdook, was het alsof zij, als Afrodite uit het fonkelende schuim der zee, uit die bloemen geboren werd.

Eene soort van tegenstrijdigheid was er evenwel voor het uitwendige tusschen dit kind en die rozen, in zoover, dat men haar niet daarmede had kunnen vergelijken, gelijk men anders gaarne een blond en blozend kind zou willen doen, want dit meisje was niet blond en rooskleurig als de kinderen van het Noorden, maar hare tint was bleek, en donker waren oog en haar. Eene sterke sympathie scheen er toch tusschen die bloemen en haar te bestaan, want evenals bloemen zich in eene vunzige lucht intrekken en verwelken en zich ontluiken en verlustigen in een liefelijken dampkring, zoo was het nu, alsof die rozen, al werden ze door haar dartel spel gekneusd, toch frisscher geurden en bloeiden in den luchtstroom, die het kleine meisje omringde.

En waaruit anders, zoo niet uit eenige zonderlinge verwantschap, was het te verklaren, dat zij zich door zulk speelgoed voelde aangetrokken?

En die sympathie--bestond zij tusschen de kleuren en geuren in haar gemoed, en den gloed en den reuk dier rozen?

Was het, omdat in dat jeugdige kindergemoed de kiem lag eener gave, die wellicht later zou ontwikkeld worden, de gave om bij voorkeur de bloemen in het leven op te merken?

Of omdat in latere dagen in het huis, dat zij zou betreden, en op het pad, dat zij zou bewandelen, bloemen onder ieder van hare voetstappen zouden opspringen?

Of was er gelijkheid van lotsbestemming in beide? Zou zij als eene bloem òf door een achteloozen voet vertrapt, òf wel door een droevig toeval geknakt worden?

Wat al mogelijkheden in de toekomst ook van dit kind! En welke daarvan zal tot werkelijkheid gemaakt worden?

* * * * *

Mijn romantische geest hield zich voortdurend met dit meisje bezig en begon den raadselachtigen vreemde, dien ik in mijns vaders bibliotheek gezien had, met haar in verband te brengen en daarvoor allerlei toestanden en geschiedenissen te verzinnen. Dikwijls nog zag ik het kind, evenals die eerste maal, met hare rozen bezig, zoo het scheen haar eenig en geliefdste speelgoed. Noch door mijne ouders, noch door mijnheer Tjilp kon ik iets van haar vernemen, hoewel het duidelijk was, dat zij er meer van wisten, zooals mij bleek, wanneer op mijne vragen mijnheer Tjilp het eenvoudigste gezicht van de wereld wilde zetten en daardoor zich juist verraadde.

Eenige weken waren hierna verloopen, toen ik op eenen avond mijn vader hoorde uitgaan en naast ons het huis binnentreden. Sedert dien dag werd het zijne dagelijksche gewoonte 's avonds uit te gaan en na twee of drie uren van afwezigheid terug te komen.

Dit had acht of tien dagen geduurd, als eens op een avond mijnheer v. N.---- buitengewoon lang uitbleef. Het werd tien, elf, bij twaalf uren, en nog kwam hij niet terug. Eindelijk hoorden wij voetstappen.

De deur ging open--het was mijn vader, die binnentrad. Doch hij was niet alleen; in zijne armen hield hij het kleine meisje, dat ik in den tuin had zien spelen met de rozen, maar dat na luid snikkende het hoofdje tegen zijne borst drukte. Met de snelheid van eene electrische vonk over den draad was mijn geest in beweging en bouwde zich eene gansche geschiedenis.

De wanhopende man, dien ik in mijns vaders kamer gezien had, zou de vader van dit meisje zijn. Zijne vrouw zou overleden zijn in een vreemd land, waar zij hem met dit kind alleen zou hebben achtergelaten. Door eene reeks van rampen vervolgd, door armoede, door wie weet welke schuld of misdaad bezwaard, zou hij zich onbekend hebben moeten houden, waarom hij zich eindelijk in dit verlaten en onbezochte huis naast ons was komen verbergen. Hier zou hij ziek zijn geworden, en het zou naar hem zijn geweest, dat mijnheer v. N. zich dagelijks begaf om hem te helpen, totdat hij ten laatste het tijdelijke verlaten en zijn kind aan de zorgen van zijn weldoener zou opgedragen hebben.

Zóó, maar met oneindig meer en fijnere bijzonderheden (als ware ik van alles zelf getuige geweest), was de geschiedenis, die mijn geest zich in een oogwenk te voorschijn riep.

Mevrouw v. N. nam de arme kleine wees in hare armen, kuste en streelde ze. Wat kan in zulke gevallen liefelijker en heilzamer zijn dan eene moeder? Maar vreemd, het kleine meisje scheen ook hieromtrent van gewone kinderen af te wijken, en terwijl het zich met de buitenzijde der linkerhand de oogen afwischte, stak het haar arm naar mijn vader uit, en het was stiller en kalmer, als het bij hem was en om dat grijze en vriendelijke hoofd de armpjes geslagen had.

Eindelijk was het moe geweend, en de slaap, de goddelijke balsem voor droeven, look het de donkere oogen.

Wat mij aangaat, de klapperman van drie uren had zijn zangerigen deun in den stillen nacht doen hooren, vóórdat al het gebeurde genoegzaam plaats kon maken in mijnen geest voor de rust van den slaap.

* * * * *

Mevrouw v. N. had het druk met voor Bella een kamertje in te richten en voor hare kleederen te zorgen. Ook zocht zij eenig speelgoed voor haar op, speelgoed van eene jong gestorven dochter, dat in eene doos was weggelegd als de laatste overblijfselen van het korte spel, dat zij op aarde gespeeld had. Er was een vlekje van witte, zijdeachtige haren bij, een paar kleine schoentjes, kleine kousjes, kleine mutsjes en verdere voor het moederhart droevige relieken.

Ik weet, wat er in dat hart omging, toen die weder aan het licht kwamen, en ik weet, dat mijne moeder, met dankbaarheid de verlatene Bella als eene tegemoetkoming voor het verlorene ontvangend, het nieuwe kind in hare veel omvattende liefde opnam.

De kinderlijke relieken werden weder zorgvuldig geborgen te gelijk met menigen stillen traan, terwijl eene oude pop, die met het vroolijkste gezicht ter wereld tien jaren tusschen die overblijfselen van droefheid had gelegen, met eenig ander speelgoed uit de doos werd gehouden. De schimmel werd van hare krullen gewreven, de neus was, wel is waar, wat ingedeukt en geplet, doch dat gaf iets pikants aan het gezicht, en overigens was het eene tamelijk mooie pop, indien men er ten minste vrede mee had, dat hare kuiten aan den verkeerden kant van de beenen zaten.

Maar Bella was weinig met dit speelgoed ingenomen: hetzij dat haar ingeschapen schoonheidsgevoel iets tegen den platten neus en de verdraaide kuiten had, hetzij dat zij niet gewoon was, er mede om te gaan.

Bella was in den beginne stug en schuw en het liefst zat zij alleen in den tuin met bloemen te spelen. Het bleek evenwel later, dat deze schuwheid niet in haar aard lag, maar daardoor ontstond, dat zij nooit teedere zorg en liefde van moeder of zusters had ondervonden en altijd alleen met haar vader geweest was. Het was ook daarom, zooals mijnheer Van N. zeide, dat zij zich zoo vreemd bij zijne vrouw voelde, en bij hem meer op haar gemak was.

Het was een heerlijke, warme zomeravond, en wij zaten in de tuin, toen mijne moeder Bella tot zich riep. Zij verliet met zekeren weerzin hare bloemen en kwam zachtkens aan.

Mevrouw Van N. streelde de zwarte haren, die in dichten overvloed het fijne tengere gezichtje omringden en het nog fijner en tengerder deden schijnen.

--Zult gij veel, veel van mij houden, Bella? vroeg zij. Wij allen zullen veel van u houden, en gij van ons, wilt gij wel, lieve Bella?

Het meisje zag haar met groote oogen vragend aan. Nog nooit had zij mevrouw Van N. zoo open in het gelaat gezien, en was zij vroeger schuw, het bleek wel, dat dit eer eene zucht naar en eene gewoonte van eenzaamheid, dan bedeesdheid was. Nog altijd zag zij haar met die heldere verstandige oogen aan. Er scheen eene ontwikkeling van gedachten in haar om te gaan en nieuwe denkbeelden schenen in haar op te komen, want het eerste woord, dat zij sprak, was geen antwoord op mevrouw Van N.'s vraag, maar was waarschijnlijk de slotsom eener reeks van gedachten, die elkander op dit oogenblik in haar hadden opgevolgd.

"Wat is eene moeder? vroeg zij.

Dat was eene onverwachte vraag en ook mijnheer Van N. zag verbaasd uit zijn boek op.

--Eene moeder? zei mevrouw Van N. Hebt gij uwe moeder gekend?

--_Mijne_ moeder? zei Bella, alsof zij eenigszins aan zoo iets twijfelde:--Wat is dan eene moeder?

Ik geloof, dat mevrouw Van N. er mee inzat, welke bepaling zij van eene moeder zou geven, en hoe goed wist zij toch door lief en door leed wat eene moeder is,--en welk eene moeder was zij!

--Of zult gij zeggen, zei mijnheer Van N. glimlachende, en wat hij in gedachten had aangevangen nu hardop vervolgende, of zult gij zeggen, eene moeder is eene eenigszins bejaarde vrouw, met even grijzende haren, die boterhammen maakt en thee schenkt, en voor het eten zorgt, en een mandje met sleutels heeft--of, eene moeder is de vrouw van een vader--maar dan doet zich terstond eene soortgelijke vraag op: wat is een vader?--waarlijk, het is moeilijk een kind, voor wie dit begrip niet van jongs af bestaan heeft en zich heeft doen _voelen_, te verklaren wat eene moeder is. Als ik zeg verklaren, dan meen ik eene juiste, eene logische definitie er van geven: wij zouden dan moeten opklimmen tot de wording der kiem van het kind--en dan staan wij al dadelijk stil bij de bedenkelijke vraag: van waar is het eerste levensbeginsel--hoe dit physiologisch en psychologisch op te lossen....

Ik vrees, dat Bella op deze wijze moeilijk tot het, begrip van eene moeder zou zijn gekomen, en mevrouw v. N. beproefde daarom eene eenvoudiger definitie.

--Eene moeder, zei ze, is degene, die de kinderen opkweekt en van wie de kinderen innig veel houden.

--Dan zijn de bloemen mijne moeder, zeide Bella, deze stoute paradox zonder eenige aarzeling uitende, want zij hebben mij gezegd, dat ik uit de bloemen ben voortgekomen--en ik houd zooveel van bloemen!

Mijnheer v. N. lachte.--Haha! zeide hij, moeder, moeder! daar loopt gij er in met uwe definitie; de _ergo_, de gevolgtrekking van Bella was juist, maar het is duidelijk, dat uw _major_ niet deugde.

--Nu, zeide mevrouw v. N., dan moet de tijd haar maar leeren, wat eene moeder is, en nu lieve Bella! wil ik uwe moeder zijn--uwe moeder is in den hemel, en eens, Bella! had ik--een meisje, net als gij--en dat--is ook in den hemel, en misschien ziet uwe moeder nu op u neder en is gelukkig, dat er eene vrouw is, die voor u als eene tweede moeder zal zorgen en aan wie gij dierbaar zijn zult als een kind.

Bella weende en legde het hoofdje met de donkere haren in den schoot, die haar wel niet gedragen had, maar waarboven een hart klopte zoo vol en zoo overvloeiend van moederlijke liefde!

Mevrouw v. N. keek haar man aan, en hij zag haar aan, en beiden dachten met stillen weemoed aan een lief kind, dat, evenals Bella nu, aan hare zijde gehangen had, en nieuwe tranen welden op met deze oude herinnering.

Bella hief het hoofd op en haar wonderlijk verstandige en levendige oogen op mevrouw v. N. richtende, begreep zij die droefheid, en hare armen teeder om mevrouw v. N.'s hals slaande, riep zij:

--Moeder! mag ik u dan moeder noemen? En wilt gij mij nemen in de plaats van wat gij verloren hebt?

En ik stond daar bij en terwijl ook mijn hart vol was en ik het zoo voelde, dat eene moeder toch wel iets meer is dan eene eenigszins bejaarde vrouw, die thee schenkt en boterhammen maakt, en een mandje met sleutels heeft,--en ik ook wel iets had willen zeggen om mijn gevoel te luchten, stond ik als een slungel aan mijn neus te krabbelen en mij te verwonderen over de onbevalligheid en onhandigheid van een jongen en over de snelle gevatheid, waarmede een meisje in zulke toestanden de juiste snaren weet te treffen.

* * * * *

De bibliotheek van mijnheer v. N. was de kamer, waarin ik zoo dikwijls gezeten, waarin ik zoo veel geleefd en gelezen heb, waaraan zoo vele draden van latere verschijnselen en eigenschappen van mijn geest zijn vastgehecht, dat het geen wonder is, indien menig blad van het levensboek mijner jeugd daarvan vol is. Het blad, dat ik bij het doorbladeren van dat boek nu opsla, bevat omtrent die bibliotheek een gewichtig en merkwaardig voorval.

Wat in geen jaren gebeurd was--het _spinnekoppennest_ zou worden schoongemaakt! Zóó was beslist in eene zitting met gesloten deuren, welke mevrouw v. N.--met hare meiden en schoonmaaksters had gehouden.

Op een ochtend--ik zat in oude prenten te snuffelen--kwam mevrouw v. N. binnen. Dat gebeurde nooit of er moest iets bijzonders aan de hand zijn, want de bibliotheek diende ook voor de plaats, waar belangrijke aangelegenheden werden bepraat en beslist.

Of mijnheer v. N. eenig voorgevoel had, weet ik niet; maar ik dacht, dat hij ongerust opzag. Zijne vrouw had den vorigen avond reeds zorg gedragen, te doen uitkomen, hoe door mijne bekentenis, dat ik den _Boetius_ had weggenomen, de onschuld der schoonmaaksters triumfantelijk aan het licht kwam, en mijnheer v. N. had ook zeer wel gevoeld, welk een krachtig argument tegen deze hem daardoor ontvallen was. Het was eene welberaamde belegering, die hij nu had uit te staan.

Door zich in de bibliotheek te begeven had zijne vrouw met veel tactiek den vijand den terugtocht afgesneden. En toen deze aldus ingesloten was, nam de belegering een aanvang.

Bij het binnentreden haalde mevrouw v. N. veelbeteekenend den neus op.

--Manlief! zei ze, het ruikt hier muf!

--Och! zei bij kregelig.

--De stof ligt duimen dik op alles, hervatte zij, met den vinger eene kapitale N. schrijvende in de stoflaag, die op den band van een der boeken lag; en het is hoogst noodig....

--Onnoodig! zeide hij, onnoodig! als het noodig was, zou ik niet zeggen ... maar het is volstrekt onnoodig! En in het vuur der redeneering eene beweging met den arm makende, deed hij een bundel papieren met een paar boeken van de tafel vallen. Er ging eene stofwolk van op alsof een kanon was afgeschoten.

Mevrouw v. N. lachte en wees hem dit.

Maar gelijk het gaat, wanneer onze argumenten wat al te duidelijk wederlegd worden, wordt men driftig.

--Ik verkies niet, dat je ellendige schoonmaaksters ... riep mijnheer v. N. uit.

Ik begreep, in mijn hoekje zittende, dat hij verloren was; want als hij driftig werd, kreeg hij langzamerhand berouw en gaf dan doorgaans hals over kop alles toe.

Intusschen ging zijne vrouw, na aldus eenige bressen gemaakt te hebben, van tactiek veranderen.

--Het is hier bedompt, zei ze, en vochtig, het is niet goed voor de boeken, er moet gelucht worden, waarlijk, ik heb laatst zelf gezien, dat er vochtvlekken op een band waren.

--Waar, welke band? vroeg mijnheer v. N.

Ja;--dat weet ik niet meer,--waarlijk het is slecht voor de boeken.

Nu eens de stof, dan weer de vochtigheid. O mevrouw v. N., uwe tactiek geeft zich bloot! Maar haar ega bemerkte de tegenstrijdigheid niet.

_Zou het slecht zijn voor de boeken_? was een klein twijfelduiveltje, dat in zijn geest binnenkroop.

--Wat een aardig end boekje hebt gij daar! hervatte de verraderlijke vrouw, een zeer klein in fluweel gebonden boekje in de hand nemende (het was hoogst zeldzaam). Mijnheer v. N. werd verteederd.

--Zou het vochtig zijn? vroeg hij; zou het goed voor de _boeken_ zijn, als er werd schoongemaakt? Hij wilde zich eene soort van _honorable retraite_ verzekeren.

--_Dat zeker_! zei mevrouw doodelijk onverschillig, maar als je niet wilt, enfin.

--Och, lieve vrouw! zei hij, hare fijne hand streelende, laat je schoonmaakster maar komen!

Den volgenden morgen kreeg mijn vader geweldig berouw over zijne zwakheid, maar het was te laat.

Borstels, zeemlappen, raagbollen, rookende potten met zeepsop en pokdalige sponsen vulden weldra de bibliotheek, en een oogenblik daarna leverde deze stille rustige kamer een rampzalig schouwspel op, waarnaar mijnheer v. N. radeloos stond te kijken.

Ramen en deuren werden geopend, oude portretten, al fronsten zij het voorhoofd in verontwaardiging, door elkaar en het onderstboven in de gang gezet om te luchten! _Apollo_ en _Diana_ afgeschuierd wordende, de eerwaardige rug van _Ignatius_ geboend met zeemen lappen, _Bijnkershoek_ en _Flavius Josephus_, _Herodotus_ en _Guicchardini_, door armen met opgestroopte mouwen uit hunne rustige standplaatsen gehaald om alle naderhand weder op verkeerde plaatsen neergezet te zullen worden; risten boeken uit eene onhandige omarming--qui trop embrasse, mal étreint--uitspattende en van eene hoogte van zes planken neertuimelend, de _kerkvader Eusebius_ en _Buma's boerenbruiloft_, tegen elkander geklopt, dat de profane en geestelijke stofwolken door elkander vlogen en de oude kerkvader in zijn hoornen band ontwricht werd!

Wat eene chaotische omverwerping des choses les plus saintes!

* * * * *

Den geheelen dag was mijnheer v. N. uit zijn humeur, niets was goed, alles maakte hem kregelig, nergens in huis vond hij iets op zijne plaats, en als hij het waagde in de bibliotheek te gaan om, iets te zoeken, keerde hij verschrikt terug voor de norsche blikken der schoonmakende wandalen. Zoo was het tot 's middags, toen mijnheer Tjilp kwam eten en zijn kalm en tevreden gelaat zich vertoonde. Toen kwam er afleiding en de bui dreef langzaam over; ik geloof, dat eene fijne ham er 's middags het hare toe bijbracht en dat de opvoering daarvan door mevrouw v. N. behendig berekend was. De goede luim was geheel hersteld, toen de ham op de tafel kwam.

Maar toen het gerecht afgeloopen was----o! waarom hadden zij de ham maar niet spoedig weggenomen--daar valt mijnheer v. N.'s blik op het uitgeknipte papier, dat om het been was gewonden.

Tot onze verbazing zagen wij hem dat er afnemen, het ontvouwen, zijn bril opzetten en--het scheen een ongeluksdag te zijn.

--Wat is dát! riep hij, hebben zij gezworen zooveel mogelijk van mijne boeken en papieren te vernielen! Duivelsche ... waar komt dit vandaan ... waar is het verdere....

Ik zal dit gansche drama niet uitvoerig beschrijven. De zaak was deze: mijnheer v. N. had--het was misschien al drie jaar geleden--uit oude genealogische papieren eenige belangrijke bijzonderheden opgeteekend omtrent het huis, waarin wij woonden en zijn verlaten tweelingbroeder. Mijnheer Tjilp had er al zoo dikwijls over gesproken, en wij waren er allen nieuwsgierig naar, of liever mijnheer Tjilp en ik alleen, want mijne moeder bemoeide zich minder met alles, wat tot zulke oude prullen behoorde; doch allerlei drukten en gebeurtenissen waren tusschenbeide gekomen, en de zaak was onder een reusachtigen berg van papieren en uit het geheugen geraakt, totdat op den genoemden middag een fragment van mijnheer v. N.'s handschrift daarover ontdekt werd ... om het been van de ham.

De meid werd binnengeroepen, scherp ondervraagd, en door eene zedelijke pijnbank werd er uit haar getrokken, dat zij eenige losse vellen schrifts van de schoonmaaksters--al weder die schoonmaaksters!--had gekregen, die ze bij het reinigen van de bibliotheek hadden opgeredderd. IJlings werden de overige bladen opgezocht; een, dat reeds op een blaker lag; een, dat een peperhuis met blauwsteen bleek te zijn geworden, en de overige werden nog ongeschonden gevonden.