Chapter 10
Het duurde eene poos, totdat al de gemoedsbewegingen bedaard waren; doch toen zijne goede vrouw en ik onzen lach onmogelijk langer bedwingen konden, toen mijnheer Tjilp zeide, dat mijn vader die schoonmaaksters veeleer dank verschuldigd was, omdat zij de lang verloren papieren gevonden hadden, toen de onschuldige ham, van haar net geknipt papieren handvat beroofd, werd weggedragen, toen won het toch de comische zijde van de zaak, toen vloeiden mijnheer Van N.'s rimpels weg en plooide ook zijn humoristische mond zich onwillekeurig, en wij lachten hartelijk om het gebeurde.
Een paar uren later zaten wij in den tuin thee te drinken: mijnheer Tjilp, dien ik gedurig aanstookte, wees met zijne pijp naar het nevenhuis en drong, dat mijnheer v. N. ons nu de wedergevonden aanteekeningen zou voorlezen.
Bella zat intusschen met bloemen te spelen in een perk, dat _haar_ tuintje heette en ik, op mijn eene been zittende in eene geliefkoosde houding, luisterde gretig naar het verhaal van de tweelinghuizen.
* * * * *
--Het moet al lang geleden zijn, begon mijnheer v. N., als ik het wel heb in de helft der vijftiende eeuw, toen op dezelfde plaats, waar nu deze twee huizen staan, twee broeders woonden. Hun vader was een bouwmeester en word gezegd, geheime krachten en kunsten te bezitten, zooals dikwijls in die tijden aan de bouwmeesters werden toegeschreven, alsook de macht om met het bouwen van een huis daar een vloek of een zegen in te leggen. Hij scheen eenig vermogen te hebben en bouwde op deze plaats, toen hij oud van dagen was, voor zijne zoons twee huizen. Deze huizen waren toen veel kleiner dan zij nu zijn en half van steen, half van hout opgetrokken. Als iets hoogst merkwaardigs er van staat in onze oudste stadsbeschrijving aangeteekend, dat zij beide tot de kleinste bijzonderheden juist eender waren.
Het waren volkomen tweelinghuizen, zooals de oude bouwmeester ze ook noemde, steunende, zooals men zeide, op het in zwang zijnde geloof, dat al wat tweelingen betrof dubbel geluk ondervond. Het is waar, de broeders waren geen tweelingen--maar de huizen waren het en dit scheen genoegzaam. En is het ook niet zoo, dat het huis en de eigenaar, dat hun beider lot ten nauwste verbonden is? Ziet men niet dikwijls, dat hij, die zijn voorvaderlijk huis verlaat om een nieuw en hem vreemd te betrekken, in het oude zijn geluk en genoegen achterlaat? Zóó nauw zijn huis en bewoner vereenigd, en zoo kon dan ook het gelukkige lot, dat aan die tweelinghuizen verbonden was, of volgens anderen door den kunstigen ouden bouwmeester er in was gemetseld, zich mededeelen aan de beide broeders.
Met nauwlettende zorg waren dan die twee huizen juist gelijkgemaakt, ja zelfs toen er aan een der bogen boven een venster van het eene een kleine misstand was, werd dit bij het andere huis evenzoo gemaakt.
De oude bouwmeester word ziek en liet zijne zoons bij zich komen. Hij hield eene lange bijeenkomst met hen en eindigde met bun deze woorden toe te spreken:
--Kinderen! zeide hij, gij hebt beiden een schoon en eerlijk bedrijf, houdt u daarbij, ieder naar zijne wijze, en zoekt uw geluk daarbij, maar zoekt het niet daarbuiten. Ik druk u vooral deze woorden op het hart: evenals uwe huizen eender en gelijk zijn, blijft ook gijlieden in karakter en stand gelijk.
Kende de oude man zoo juist de karakters zijner beide zonen, dat hij ze aanmaande aan elkander gelijk te blijven, in de overtuiging, dat de zwakke dan den aard van den betere zou blijven navolgen?
Misschien was dit zijne bedoeling, want beiden waren toen brave kerels, maar in den eene zat toch de kiem van wat later onrust zou worden en onvastheid van karakter en neigingen, met de zucht om zich te verheffen.
De oude man intusschen was gestorven, en de broeders leefden in hunne gelijkvormige huizen. De een was wapensmid, de ander goudsmid.
Wouter, de wapensmid, was een rijzig en sterk gebouwd man, met een open, gul gelaat, en als de reuzenkracht zijner armen het zwaarste en hardste ijzer naar zijn wil behandelde, was het vreemd te denken, dat zijn aard en zijn hart zoo gul en zoo zacht waren.
De goudsmid, die Egbert heette, was een man van eene lange en schrale gestalte, met een schitterend oog en een immer werkend verstand. In die dagen was een goudsmid een merkwaardig kunstenaar, die doorgaans tevens teekenaar en schilder was. Egbert verkreeg ook veel roem in zijn vak; maar welke kerk of convent ook kon bogen op een schoon gedreven of besneden stuk zilver of goud van zijne hand, geen was er, wel vijftig uren in den omtrek, dat een werk kon aanwijzen, zoo kunstig als de outergereedschappen van het Sint Agnieten-convent in de buurt en vooral als een uitstekend reliquiënkastje, dat hij pas daarvoor vervaardigd had. Daar had hij zeer kunstig op gedreven den val der trotsche engelen, tot groote stichting van allen, die het stuk zagen. Maar hij scheen zelf weinig daaruit geleerd te hebben, want de groote fout van Egbert was, dat hij nooit tevreden was met zijn staat, dat hij altijd hooger op wilde, en dat hij altijd zijn geluk zocht elders dan het was--want als hij bereikt had, wat hij begeerde, haakte hij weder naar iets anders. Dit gaf dikwijls aanleiding tot ernstige gesprekken tusschen de beide broeders en vaak moest meester Wouter zijn hoofd schudden en zeggen: Broeder! denk aan de woorden van onzen vader.
Meester Egbert had eene jonge vrouw, die hem met hart en ziel beminde, die met zachtheid zijne gebreken zocht te temperen en verschoonde, en wier trots en roem het was, de kunst van Egbert te hooren bewonderen. Haar zacht en liefelijk gelaat had dikwijls tot model gestrekt voor de Madonna's van meester Egberts penseel, en in al de huizen en stulpen van bedroefden en armen ging er menige bede en dank tot de Moedermaagd op voor de liefderijke hulp en vertroosting, door Egberts vrouw aangebracht. Had het in haar aard gelegen, dat hare weldaden niet zoo stil en geheim plaats hadden, het algemeene gevoelen had haar in haar leven reeds eene heilige gewaand. En eene schutsheilige scheen zij wel te wezen voor het huis van meester Egbert en een goede genius voor dezen. Helaas! waarom besefte hij zoo weinig het geluk, dat hij had kunnen genieten! Vreugd en welvaart hadden dan in zijn huis kunnen wonen, en het door haar een gelukkig huis kunnen maken. Maar Egberts geest en lust waren even vast als de windvaan op den spichtigen toren van het Sint Agnieten-convent. Nu eens zocht hij in het mystieke der hooge kunst zijn geluk, dan liet hij dit weder varen om zich met smeltkroezen en fornuizen bezig te houden om goud goud te maken, in plaats van het met zijn talent te versieren. Soms, waren er ook tijden, dat hij zich geheel overgaf aan feesten en drinkgelagen met de lustige snaken uit het St. Lucasgilde.
Intusschen als zijne vrouw hem weder tot de kunst aanspoorde en hem voor een tijd van zijne veranderlijke levenswijze afbracht, dan oefende de kunst haar veredelenden en verheffenden invloed op hem uit, leidde werkzaamheid hem tot betere gedachten en gedrag en bracht zijn wispelturigen geest weder tot eene kortstondige rust.
Maar het leed niet lang.
Eens begon hij te begrijpen, dat voor een man als hij zijne woning veel te onaanzienlijk was. Hij liet werklieden komen. Vruchteloos waren de tranen zijner vrouw. Vruchteloos de vermaningen van Wouter, die in ernst toornig was over die schending van den wil huns vaders.
Het nederige huis werd opgetrokken met een hoogen gevel met verschillend beeldhouwwerk, de oude venstertjes door grootere met bogen versierde kruiskozijnen vervangen, en het nederige uithangbord van Egberts bedrijf, een vergulde beker, weggenomen.
Trotsch stak nu het rijzige huis af bij zijn tweelingbroeder, die met zijne kleine ruitjes, zijne smalle ramen, zijn eenvoudigen houten gevel en het groote zwaard, dat als een teeken van des bewoners bedrijf aan eene lange ijzeren stang uit den gevel hing, en zeer nederig uitzag.
Sommige van Egberts bekenden schudden bedenkelijk het hoofd en mompelden: Alle geluk is sinds dien tijd van Egberts dak voorgoed gevloden!
De zwaluwen, die bij de verbouwing verjaagd waren, kwamen ook niet terug, en de ooievaar, dat teeken van geluk, die op den schoorsteen placht te nestelen, was weggebleven.
* * * * *
In het kleine huis van meester Wouter was daarentegen alles vroolijk en gelukkig. Wouter had eene kloeke vrouw, en als zijne zes kinderen te hard schreeuwden, beukte hij wat harder op de stalen platen van harnas of stormhoed en overstemde hun geschreeuw.
--Gegroet, meester Wouter! zei een ruiter, die het huis binnentrad, uwe werkplaats is als vanouds weer een lust om te zien!
Wouter was aan het zingen.
O nachtegael, clein voghel, Woudt ghij der mijn bode zijn, En vliegen tot den ruiter Den allerliefsten mijn.
zong meester Wouter, uit het oude, toen nieuwst in zwang zijnde liedeke, tot hij, den vreemde ziende, ophield en dezen zijne ruwe hand toestak, die de ander gaarne drukte, al was ze met roet en kool bezwart.
--Ha! zei hij, oude vriend, welkom weer in het lieve land! Geluk, dat u de vijandige kolven en zwaarden gespaard hebben--al hebben zij de rusting deerlijk gehavend.
--De rusting was beproefd, want ze is van meester Wouter, zei de andere, en onder allerlei uitroepen van bewondering en goedkeuring voor wat hij met aandacht beschouwde, ging hij den winkel rond, langs welks wanden glinsterende rustingen en halsbergen, en verschillende soorten van zwaarden, daggen en knijven hingen. Het was ook voor een krijgsman een lust om te zien, hoe alles er keurig en sterk uitzag, en menig ruiter, die voor de deur ophield om een schalm in zijn maliënkoker of een bult uit zijn stormkap te laten slaan, liep met genoegen de werkplaats rond.
--Hoe maakt meester Egbert het? vroeg de ruiter.
Wouter antwoordde eerst niet, de glimlach verdween van zijn gul gelaat.
--Treurig, treurig! zei hij eindelijk, de zware hand vertrouwelijk op des anderen schouder leggende; gij kent de geruchten, dat er op verscheidene plaatsen onnoemelijke schatten in de aarde verborgen zitten. Nu heeft hij zich in het hoofd gezet, daarnaar te gaan zoeken. Eer- en geldzucht waren altijd zijne gebreken, en nu zet hij alles op het spel om die schatten te vinden. In verre landen, over de zee zelfs, heeft hij al gereisd, maar altijd tevergeefs; hij wroet overal de aarde om, en, de hemel vergeve het mij, zeide hij zich kruisende, maar ik geloof, dat hij nu heult met den Booze.
En fluisterend ging hij voort:--Hij zoekt nu allerlei toovermiddelen en bezweringen, en lieden van het land hebben hem te middernacht in verdachte heuvels zien graven en in kolken en waterplassen zien visschen. En dan zeggen zij, dat hij niet alleen is, maar dat er een in een mantel gewikkelde persoon bij hem staat! Onze Lieve Vrouwe behoede hem!
Werkelijk was het sinds geruimen tijd de rustelooze bezigheid van Egberts leven, dien schat te zoeken, dien zijne verbeelding hem in al zijn schitterenden glans voorspiegelde. Eene koortsachtige prikkeling joeg door zijne aderen, nog te meer door de aanhoudende teleurstelling aangevuurd, en weldra maakte hij zijn gezin en zijn leven tot het rampzaligste, wat men denken kon.
Zijne vrouw bezweek onder dit leed, en zijne kinderen werden door meester Wouter opgenomen.
Daar zat dan die man, vóor zijn tijd een magere grijsaard, te peinzen aan den eenzamen en uitgedoofden haard. In de naaste kamer lag zijne vrouw op het bed, waarop zij de rust was ingegaan. Allerlei akelige beelden zweefden den peinzenden grijsaard voor den geest.
Zijn leven onnut doorgebracht, zijn geluk en dat van zijn huis door eigene hand verwoest, zijne kunst verwaarloosd, zijn geest verstompt!
Bij dien eenzamen, uitgedoofden haard gezeten, in het stille uur van den nacht, hoorde hij nu buiten een voetstap en eene hand aan de klink der deur. Hij nam den ijzeren bout van de deur af.
Op dit oogenblik, zegt de sage, dat er een rijzig man in een langen mantel gewikkeld, binnentrad.
Deze persoon wenkte, hem te volgen naar de kamer, waar de doode lag. Hij schoof de gordijn der sponde ter zijde en ontblootte de borst van de ontslapene. Daarop een ontleedmes van onder zijn mantel halende, sneed hij de borst open, en het hart er uit nemende, legde hij het op de tafel.
Egbert stond te klappertanden: toen zag hij den onbekenden man het hart van zijne vrouw openen en er iets uit nemen, dat het flauwe licht der eenige kaars verdoofde en het gansche vertrek verlichtte met een schitterenden glans. Het was een fonkelende diamant, zoo zuiver van water en zoo groot als de aarde nooit had voortgebracht. De rampzalige man strekte er gretig de handen naar uit, maar de onbekende hield hem terug.
--Gij hebt altijd naar een schat gezocht, zeide de vreeselijke onbekende, die u rijkdom en geluk zou geven! Hier hadt gij moeten zoeken!
Weer strekte de grijsaard de gretige handen uit naar het edelgesteente, hij greep het--maar het verkruimelde tot stof in zijne hand.
Met een spottenden lach liet de onbekende hem alleen.
Egbert verdween, en niemand heeft ooit geweten, waar hij gebleven was. Zijne kinderen werden door meester Wouter verpleegd. Men zegt, dat deze het huis zijns broeders weder liet veranderen en in zijn vorigen stand terugbrengen; anderen verhalen, en dit schijnt meer waar, dat de nakomelingen van de beide broeders, in later tijd, deze twee huizen lieten veranderen zooals ze tegenwoordig bestaan, weder volkomen gelijk aan elkander.
De overlevering schijnt ook steeds in die geslachten bewaard te zijn gebleven, want hoewel de huizen vernieuwd en veranderd werden, elke verandering geschiedde steeds aan beide huizen te gelijk. Maar altijd was dat ééne huis in slechten reuk gebleven. Ook zegt men, dat niet alleen op de afstammelingen van meester Egbert een ongelukkig lot rustte, maar ook vreemde bewoners, die dit huis betrokken, dat lot overerfden en ook zij gedoemd waren, hun geluk te zoeken, waar het niet was, en het voorbij te zien, waar het lag.
* * * * *
Zomers zijn voorbijgegaan met zonneschijn en zingende vogels--winters zijn weggesmolten met ijs en sneeuw--sinds wij in den tuin zaten te luisteren naar de woorden van mijnheer Van Nijwoude.
Ik was intusschen de kinderschoenen uit- en de jongelingslaarzen ingegroeid, en het werd nu bij mijne vrienden eene belangrijke vraag, wat ik moest worden. Ik was niet weinig verlegen, toen mijn vader mij eens in de bibliotheek riep en vroeg:
--Jongen! wat wilt gij worden?
Nu moet men weten, dat ik wel verscheidene bepaalde wenschen en plannen had, als bij voorbeeld, een schoon rijzig man te wezen met lange zwarte knevels en eene losse bevalligheid van taal en manieren, waar ieder onwillekeurig door ingenomen werd, zooals mijn neef de student, die allerlei buitensporigheden bedreef, maar wiens dwaze grillen en phantastische zotheden ieder onweerstaanbaar deden lachen.
Op andere tijden was er een andere wensch, die zich op den voorgrond plaatste, namelijk een beroemd schilder te worden, voor wiens scheppingen de menschen opgetogen zouden staan en wiens genie hen aan de toovermacht van het schoone zou onderwerpen.
Of ook boeken te schrijven, die tranen van aandoening aan lieve oogen zouden ontlokken, of waardoor de menschen in hun diepste binnenste geroerd, waardoor zij veredeld zouden worden.
Verder wilde ik getrouwd zijn en kinderen hebben, en in dichterlijke tinten zweefde mij het gelukkigste gezin voor oogen.
Met geen van deze plannen, die alle reeds zeer uitgewerkt als idealen in mijn geest rondzweefden, durfde ik evenwel bij mijn vader voor den dag komen, daar ik flauw vermoedde, dat deze minder aan de bedoeling zijner vraag zouden beantwoorden dan de keuze van een bepaald vak. En een bepaald vak had ik nog niet gekozen, ik had er zelfs nooit aan gedacht, maar in mijn leeswoede en weetdorst even gretig naar ieder deel van menschelijke kennis (behalve de edele cijferkunst) de hand uitgestoken.
Ik aarzelde dus.
--Jongen! zei mijn vader nog eens, doorgaans kiezen niet de menschen een vak, maar een vak kiest hen, doe gij nu eens omgekeerd en kies, wat gij worden wilt.
--Vader! ik zou wel willen worden--wat gij zijt.
* * * * *
Zooals hij was! Wel hem, die zoo mocht worden; doch ik meende dit toen niet in die rijke en schoone beteekenis, maar doelde alleen op zijne wijze van leven en werken.
Eene staatsbetrekking had hij niet meer. Als iemand mij vroeg, wat mijnheer Van N. thans was, of hij medicus of litterator, rechtsgeleerde, sterrenkundige, theoloog of philosoof was, ik zou het niet weten: maar wel, dat er geen tak van menschelijke kennis was, waar zijn geest niet mede bekend was. De studie van de menschheid en van den mensch in den ruimsten omvang--_omne quod ad humanitatem pertinet_--dat was altijd zijn hoofdstreven geweest, en was het nog, wanneer hij thans te midden van de rijke wereld der boeken, den mysterieuzen draad naspoorde, langs welken de ontwikkeling van den menschelijken geest voortgaat.
--Wat ik ben: zeide mijnheer Van N. glimlachende. Ja, er is geen gelukkiger leven voor den geest dan om in de onuitputtelijke mijnen der wetenschap te graven en te werken. Dwazen zijn het, die op de boekenwereld en boekengeleerdheid smalen en ze dood noemen: hoe zal men ons _geestelijk zijn_ kunnen bestudeeren, als men niet de historische ontwikkeling van dat zijn heeft nagespoord in de verledene eeuwen, en hoe kan men dat anders dan in de boeken? En wat een genot, wat een licht, wat een troost geeft die boekenwereld! Boeken weigeren nooit hulp, stellen nooit teleur; met hen behoeft men zich nooit te vervelen en kwaad te spreken en te babbelen over de nietigheden van den dag, en Lucas de Penna heeft gelijk, als hij, onder andere schoone lofredenen, zegt: Boeken zijn een licht voor den geest, zij steunen ons in tegenspoed, matigen ons in voorspoed, zij zijn gezellige vrienden op reis, zoowel als thuis, zij....
Maar opeens bemerkende, dat dit alles weinig geschikt was voor iemand, die een bepaald vak moest kiezen, ver volgde hij na eene korte poos:
--Maar, beste vriend! gij zijt te jong om te leven zooals ik leef. Gij moet eerst zelfhandelend in het practische leven u bewegen en werken; de geest kan niet alleen door bespiegeling en overpeinzing gevormd en gevoed worden. Daarom moet gij een vak kiezen, waarin gij de maatschappij zult dienen.
--Boeken schrijven, zeide ik, ik wou boeken schrijven--zoo kan ik immers ook werken en de maatschappij dienen?
Dat gedeelte van mijn vader, waar zijn gevoel, zijn gemoed in zat, glimlachte en was verheugd, dat er zulk een aard in mij lag, maar het andere gedeelte, waar zijn verstand in was, schrikte.
--Neen, neen, zeide hij snel, dat meet ge u uit het hoofd zetten,--kijk eens om u heen, hoeveel duizenden boeken zijn hier en hoeveel millioenen zijn er al geschreven--en zoudt ge denken, dat het noodig was, dat aantal ongeroepen nog te vermeerderen?
Daarover had ik niet gedacht, maar ik antwoordde toch boud weg:--Maar als ik geroepen ben?
Mijn vader glimlachte, dat is eigenlijk: de eene helft glimlachte, maar de andere helft zeide:
--Geroepen? Ja, maar weet je het onderscheid wel tusschen roeping, dat is krachtige, zichzelf bewuste overtuiging, en dat wat slechts lust of neiging is?
--Studeeren dan, zei ik eindelijk, onderstellender wijze.
--Studeeren dan, herhaalde mijn vader, ik heb altijd gehoopt, dat ge daarin lust zoudt hebben; maar in alle geval, bedenk je vrij en handel naar de inspraak van je verstand--en je hart, je hart ook, want die twee moeten elkander altijd trouw vergezellen.
Zoo liepen de eerste beraadslagingen over mijn vak af.
--Phoe! zeide mijnheer Van N. naderhand, met een lachende zucht, tot zijne vrouw, daar heb ik de zwaarste taak gehad, die gij bedenken kunt, verbeeld u, dat de jongen, die dol is op boeken, zelf een schrijver wil worden--en dat _ik_ daarin om zijn bestwil zijne drift heb moeten matigen!
* * * * *
Intusschen steeds onbepaald omtrent die keuze, zit ik druk in de classici.
Ik ben met Homeros bezig.
[Grieks: Polyphloisboion tha]
Maar ik heb eene groote afgetrokkenheid.
Welk een geestdriftvolle vereerder van de oude classici ik vroeger was, en hoe gelukkig ik mij gevoelde _in angello cum libello_, thans werd niet alleen het classicisme geheel ter zijde en weggedrongen, maar begon de levensvolle en rustelooze geest ook de boekenwereld te verlaten. Eene andere wereld en een ander leven, de levende wereld en de beweging om mij heen, werkten sterker op mij en trokken mij nu geheel aan.
In dat tijdstip, waarin ik toen was, heeft er eene physische en moreele gisting plaats in den mensch, eene kentering van het tij dat hem een tegenovergestelden kant opstuwt. In elken leeftijd is een zekere eb en vloed onzer vermogens, maar nooit is die zoo sterk en voortdurend dan als wij het eerst van onze krachtige jonkheid bewust worden. Daar nieuwe behoeften zich sterk doen voelen, verzwakken de oude banden en vormen. Dit wegslaan van alle dijken en dammen, het krachtige, frissche, nieuwe van het jonge leven, dat wij intreden, bij de eerste zelfbewuste ontwikkeling onzer vermogens, is het, dat die plotselinge kentering in ons levenstij veroorzaakt. Ons oordeel (critiek) is met ons den kinderschoenen ontwassen en staat op eigen beenen, het maakt weldra allerlei _tours de force_, zoowel om zijne kracht te beproeven, als om die te toonen. Dan breken wij alles af of tornen en twijfelen aan alles. De onbesuisde soort van critiek van het ontwakend en voor het eerst zelfdenkend verstand bezit slechts een breekijzer om te sloopen, geen troffel om te effenen en op te bouwen. Het gaat met de groote omwentelingen der volken evenzoo; zij zijn slechts de pogingen der massa om zelf te denken en voor zichzelf te handelen.
Och, angstvallige, en bedeesde zielen! schudt het hoofd niet om de verdorvenheid van het menschelijk verstand en de razernij der critiek. Het is het natuurlijke proces van zelfontwikkeling, gelijk dit onder de algemeene ontwikkeling plaats heeft.
En als mijne moeder soms beducht was om mijne hyperheterodoxe en paradoxe stellingen, zeide mijn vader:
--De natuur moet haar loop hebben, en evenzeer de ontwikkeling van den geest: laat hij gerust alles afbreken, hij zal het later zelf weer opbouwen; maar dit jongen, zeide hij ernstig tot mij, dit eene moet gij altijd vasthouden
Heart within and God overhead.
Zoo liepen mijne gedachten spelen en ik geloof, dat er gemiddeld wel een kwartier tijdsruimte lag tusschen elk woord, dat ik schreef. Nu eens denk ik aan mijn toekomstig vak en werk onderwijl aan het beschaven van mijne nagels, dan aan mijn toekomstig leven en pas intusschen mijne nieuwe laarzen aan: en steeds komen nieuwe visioenen en andere voorwerpen mij aan en van Homerus aftrekken, zoodat het maar niet verder komt dan
[Grieks: Polyphloisboion tha]
--Naar den duivel de doode dichteren zijne doode taal, roep ik uit, het leven op de straat trekt meer mijne belangstelling.
En ik kijk naar de mooie meisjes, die voorbijkomen, vooral eene, die dagelijks langs ons huis gaat en die somtijds opkijkt naar mijn raam, misschien eene reden, waarom ik haar boven allen verkies.