Vogels van diverse pluimage

Chapter 11

Chapter 113,978 wordsPublic domain

Als het een weinig geregend had en er kleine plassen lagen, was het vooral aardig de physionomieën der verschillende vrouwenvoeten te bestudeeren. Dan vooral werden deze zichtbaar. Dan zag ik, welke er op de hielen liepen met opgewipte toonen, welke er klauwden en naar binnen draaiden bij elken stap, of plomp en smakeloos werden nedergezet. Zoo ontdekte ik, dat het meisje met de slanke gestalte, ook lieve welgemaakte voeten had, hoogst bevallig en flink van beweging. Er zat stijl in die voeten en hun gang. Daar zie ik weder haar vluggen tred in de verte, ik zie het prettige gezichtje naderen: zij vat de rokken op en stapt behendig tusschen al die kleine meeren door. Als zij voor mijn raam is, zal zij wel eens opkijken--maar neen, zij heeft het te druk met de plasjes te mijden--zij geeft er meer om, hare laarsjes--zij zijn netjes, dat beken ik voor dat slijk te vrijwaren, dan om mij--bah! ik ga mijne pen in den bitteren inkt doopen, maar wacht weer zoo lang, dat zij er in gedroogd is, als ik wil beginnen te schrijven.

Wat is natuurlijker dan de pen weer neder te leggen, te meer daar er een paard komt aandraven? Ik loop dus naar het venster, en nadat ik het opschrift van het uithangbord schuin over ons van achteren naar voren gespeld en gelezen heb, blijft mijn oog rusten op datgene, wat het paard op straat heeft achtergelaten;--dan kijk ik naar de musschen, die er haar voer uit pikken, en de kat, die ze beloert, en den hond, die de kat wil grijpen--totdat paard, musschen, kat en hond, alle verdwijnen. Ieder van hen schijnt een bepaald doel en een bepaald vak te hebben--ik alleen niet, en ik ben nog altijd aan

[Grieks: Polyphloisboion tha]

Ik voeg er nu [Grieks: la] bij, maar het is of de duivel er mee speelt vandaag. Daar komt een klein beestje, een hout- of boekluisje of een dergelijk ongewerveld iets, over het papier en in de richting van mijne pen wandelen. Natuurlijk houd ik op met schrijven, om zijn gang na te gaan, en ook om het niet te vermoorden. Ik volg het, zoals het dwars over verba, substantiva, komma's en verdere leesteekens heenloopt, net als mijne goede moeder, wanneer zij iets uit de courant voorleest. Wat of wel het vak en het doel van zulk een beest zou zijn? Door een vergrootglas zie ik zijne acht beenen haastig voortspoeden als moest hij een brief op de post brengen of iemand inhalen, dien hij spreken moest; maar terstond keert hij terug alsof hij iets vergeten heeft en wandelt met dezelfde haast in eene tegenovergestelde richting. Eindelijk komt hij in het laatst geschreven woord en stapt in de nog natte _a_, waarin hij blijft staan en al het bittere van den inkt en van zijn aardsch bestaan overdenkt.

Eindelijk neemt hij een kloek besluit en tot over zijne kuiten in de inktbeek stappende, komt hij er uit en gaat verder.

Nu is hij op het witte papier--eene uitgestrekte vlakte ligt voor hem als eene onafzienbare witte woestijn. Met zijne voorbeenen krabt hij zich achter de ooren, waaruit blijkt (evenals bij een mensch), dat hij zich bedenkt, en terwijl niets hem hindert dan de vezeltjes van het papier en geene letter hem in den weg staat, gaat hij met drift één kant op om een oogenblik daarna weer om te keeren en met dezelfde drift een gansch anderen kant heen te loopen. Waarom gaat hij nu niet rechtstreeks op zijn doel af zonder die duizend gekke slingers te maken?

Terwijl ik met ingespannen genoegen hiernaar zat te kijken kon ik niet nalaten, hem een beetje te plagen. Ik blaas dan groote rookwolken boven hem uit, die zich als eene donderbui boven het hoofd van den wandelaar verzamelen. Hij staat stil en peinst blijkbaar.

Zoo hij een geoloog is, zal hij peinzen over den dampkring en zijne werking op de aarde--zoo hij een alledaagsch en onwijsgeerig beest is, zal hij denken, dat er een onweer opkomt en zich naar huis spoeden, daar hij geene parapluie bij zich heeft. Eindelijk blaas ik de rookwolk weg en zie ik hem met dezelfde besluiteloosheid heen en weder scharrelen....

* * * * *

Intusschen ligt de weide wereld even wijd voor mij open als het blanke papiervlak voor het houtluisje; even besluiteloos als hij ijl ik in gedachten nu her--en derwaarts; even weinig als hij weet ik den weg, dien ik zal kiezen.

In het leven gaat het den menschen zoo dikwijls evenals dat kleine beest; zij weten niet altijd, waar zij heen willen en er overvalt hen wel eens eene donderbui, zonder dat zij eene parapluie bij zich hebben.

Ik geloof, dat ik nog met dat beest zou bezig zijn, als mijnheer Tjilp met zijne viool daar niet aankwam.

* * * * *

De vraag, wat zal mijn toekomstige werkkring zijn? begint zich intusschen sterker, veelzijdiger en onder gedurig andere gestalten aan mij voor te doen, want hoe langer wij over eene zaak denken, des te omvattender en uitgebreider wordt zij. Zoo was deze zaak niet meer alleen eene vraag van broodwinning, maar had zij eene spiritueele uitbreiding gekregen en klonk nu: welke is de richting en de behoefte van mijn geest.

De wildste droomen--en de naakste en koudste terugkeer daarvan; nu eens jeugdige onbezonnenheid en overmoed--dan de voorloopers reeds van de critiek en het beredeneerde van den man; zal ik een gevoelsmensch worden of een verstandsmensch? Is de materiëele wereldbeschouwing de ware, of de spiritueele? De reëele of de ideale? Is er slechts stof hierbeneden en cijfers, of is er ook geest en poëzie? En stormachtig baant bij wijlen de hartstochtelijke zucht zich een weg: God, o God, wat is de waarheid?

Dat alles doet zich aan mijn geest voor, niet met die bewustheid, waarmede ik het nu stel, maar verward en in onophoudelijken strijd. Onder deze indrukken ben ik niet meer de wilde speelmakker van Bella en beschouw haar niet langer als een jongen met rokken. Ik moet ook nog opmerken, dat ik sinds eenige weken met verwondering ontdekt heb, dat Bella bijzonder mooi wordt. Waarom ik dit niet vroeger gezien heb, begrijp ik niet.

In plaats van met haar te vechten en te draven, wandelen wij dikwijls deftig samen, en praten en redeneeren, waarbij ik haar ongewone vlugheid en verstand bewonder en benijd.

Als wij in het bosch wandelen, is er eene uitgezochte plek, op een kleinen, groenen heuvel, waar wij dikwijls in het gras gaan zitten, onder drie stokoude eiken,

ros van het zomerzonneroosten,

zoo oud, zoo oud, dat het moeilijk viel te denken, dat zij ook slechts drie eikels of drie jeugdige loten geweest waren.

Hoeveel menschen hadden die eiken al onder hunne takken gezien!

Geslachten opgekomen, voorbij en te niet gegaan. Kinderen hadden zij onder hunne schaduw zien spelen en zich verschuilen achter de stammen.

Jongelingen, den arm om eene fijne leest geslagen en teedere beloften uitsprekende.

Schilders, die de natuur bestudeerden en roem zochten.

Wijsgeeren, die den roem versmaadden--om zich een naam te maken.

En zooveel meer hadden zij gezien, die oude eiken. En intusschen rolde de wereld steeds voort, en zij werden ouder en ouder, en die kinderen waren ook ouder geworden; en die jongelingen hadden hunne belofte vergeten of gehouden, maar waren nu zelf vergeten. Altijd geslachten, die voorbijgingen om plaats te maken voor de nieuwe, zooals de dorre gele bladeren voor de groene.

--En hoeveel namen en letters staan er in gesneden! zei Bella. Willen wij ook onze namen er in snijden?

--Verliefden, antwoordde ik, en vrienden hebben er letters in gesneden met harten er omheen, maar de tijd heeft die boomen ouder gemaakt, en die harten en letters zijn geheel vergroeid en onkenbaar. Hoe zouden, de harten dier menschen nu zijn? Zou nog altijd die W in het hart van H, en die H in het hart van W staan, als voor jaren?

Is DINA nog altijd de geliefde klank voor hem, die dezen naam daar zette, of is ook in zijn hart, evenals in dat op den ouden stam, die naam nauwelijks leesbaar meer, zoodat men hem nu veeleer voor DORA zou houden?

Is de eeuwige cirkel om die twee letters daar, in gulle jeugd gezet, nog altijd gesloten? Of is die hand gebroken en heeft de wereld eene kloof tusschen hen gezet, even diep als de scheur in den ouden eikenbast, waarop die twee letters staan?

--Wat ben je vandaag wantrouwend en zwart! zei Bella.

--Zoo is de wereld, sprak ik.

--Als je haar zoo wilt beschouwen, ja! Wil je onze namen niet snijden?

--Bella, zeide ik peinzend, ik twijfel zeer, of er wel verbeelding en gevoel bestaan, en of dat niet maar ijdele herschenschimmen zijn!

Bella nam een grooten doorn en stak daarmede in mijn been.--Ai! riep ik, wat wil je?

--Zien of je gevoel hebt: gelukkig bestaat het toch nog.

--Neen, zeide ik, het hoofd schuddende,--kijk! die oude boomen zijn drie grijze wijsgeeren, die minachtend op al de nietigheid om hen heen neerzien.

--En ik, zeide zij, vind ze als drie oude aartsvaders, die zegenend hunne armen over alles uitbreiden. Waarom zouden wij ook niet liever vrede hebben met alles, daar wij weten, welk eene heerlijke harmonie in alles heerscht, als wij ze maar niet dom voorbijzien?

Toen wij tehuis kwamen, vonden wij er mijnheer Tjilp en dokter Vijzel, en allen in een druk gesprek, waarvan wij het laatste gedeelte bijwoonden.

* * * * *

....................................................................... .......................................................................

--Neen, vriend Van Nijwoude, zei dr. Vijzel, neen, gekker voorwerpen dan de wijsgeeren ken ik in de wereld niet, en het tooneel van hunne dwaasheden is nog te zotter, daar zij zich juist altijd verbeeld hebben de eenige ware wijzen te zijn; maar men kan altijd blijven zeggen: _barbam et pallium video, philosophum nondum video_! Het is nog altijd, vervolgde hij, aan het einde van dezen zin het deksel zijner snuifdoos met een krachtigen tik toeslaande, als sleet hij deze woorden onherroepelijk er in op, het is altijd de oude historie van Thales, die zóó naar de sterren keek, dat hij in een put viel: altijd blijven zij in putten vol dwaasheden vallen, terwijl zij het abracadabraschrift der sterren willen lezen.

--Zij hebben de waarheid niet altijd gevonden, zeide mijnheer Van N., maar wij mogen ze toch roemen, omdat zij er naar gezocht hebben.

--Hunne groote fout, zei mijnheer Tjilp, was hun overmoed: zij meenden uit de verstandelijke redeneering, uit een syllogisme alles te kunnen verklaren.

--Neen, hunne groote fout was, dat zij in bespiegeling en verbeelding omdoolden, zeide dokter Vijzel, in plaats van in de praktijk en bij het materiëele te blijven. Er is maar ééne school geweest, die op den waren weg was, de stoïcijnsche. De Stoïci waren geen ijdele maankijkers en droomers, zij verloren zich niet in dolle bespiegelingen en metaphysische onzinnigheden, mijnheer! Zij waren mannen van het positieve, dat is wat niet in verbeelding, maar wat in werkelijkheid bestaat.

Ho! ho! dokter! riep mijnheer Van N.--met warmte; de drommel hale je Stoïci, die waren het verst van allen van de waarheid; zij zijn in de dwaze meening vervallen, dat de mensch te volmaakter zou wezen, hoe meer hij al zijne gevoelswerkingen en aandoeningen uitroeide, ergo verloochenen zij een....

--Phoe! phoe! viel dokter Vijzel hem in de rede, phoe! is er iets dwazer dan gevoel en verbeelding, is er iets, dat den mensch meer op een dwaalspoor brengt; dat het, verstand meer benevelt? Neen, als men eens door een scheikundig proces al dat gevoel en die verbeelding uit het menschdom destilleeren kon en ze in een hermetisch gesloten flesch bewaren met het opschrift: _Hier ligt de dwaasheid der wereld begraven_,--kijk, dan zou het menschdom oneindig wijzer en beter wezen. Er is een Stoïcus, ik weet niet wie, en dat doet er ook niets toe, die in vier regels het beste recept heeft geschreven om gezond naar lichaam en ziel te leven, dat ik ooit gezien heb:

_Gaudia pelle_, zegt hij, _Pelle timorem_ _Spemque fugato_ _Nec dolor adsit;_

dat is: een mensch, die volmaakt gezond van lijf en verstand, en dus gelukkig wil zijn, moet geen hoop en geen vrees, geen vreugd en geen leed gevoelen.

--Dat recept is van _Boetius_, zeide mijnheer Van N.; je vindt het in zijn _consolatio philosophiae_.

--Dat is eene verfoeilijke leer, zeide mevrouw Van N., er zich in mengende, en die dat gezegd heeft is zeer te berispen,--Boetius! _Boetius_? is dat niet dat boekje, daar je zooveel beweging over gemaakt heb?

--Hm! zeide mijnheer Van N., tot wien deze vraag gericht was, ja, dat was dat boekje....

--Dat gij, zei mevrouw Van N., met een verwijtend gewicht van honderd pond op dat woord, dat gij zulk een afschuwelijk boek zóó vereert!!... dan was het waarlijk maar goed, als de schoonmaaksters het werkelijk gestolen of liever vernield hadden!

--Een _incunabel_, een kostbare, druk, een der oudste in ons land! riep mijnheer N. met schrik over het wandalisme zijner vrouw.

Intusschen had dokter Vijzel met een triomfant gelaat zijne laatste onomstootelijke redeneering weer met een vervaarlijken slag op het deksel, onherroepelijk in zijne snuifdoos weggelegd. Maar nu zullen wij zien, hoe mijnheer Van N., die sinds geruimen tijd op hem gemikt had, als iemand, die opeens een beslissenden slag wil slaan, en die hem nu eindelijk had, waar hij wilde, die snuifdoos zou openen, om al die onherroepelijke uitspraken van den dokter te verpletteren. Hij vergat dus het door zijne vrouw opgeworpen incident, en met een glimlach de vingers uitstekende om een snuifje van den dokter te nemen, zeide hij na het plechtig opgesnoven te hebben:

--Pyrrho was een zeer groot wijsgeer, in Alexanders tijd; hij was de grootste van de sceptische en aporetische philosofen. Hij beweerde de akatalepsie, dat is de onbegrijpelijkheid en onzekerheid van alle dingen, en leerde, dat de mensch, wel verre van den invloed van gevoel en hartstochten op zich toe te laten, daarvoor geheel ontoegankelijk moest zijn. Hem zelven was alles gelijk en onverschillig; hij haatte niet en beminde niet en maakte voorkeur tusschen niets ter wereld, en ik twijfel niet of hij zou het volkomen eens geweest zijn met de woorden van Boetius, of liever (want Boetius meende dit eenigszins anders) met het recept, dat dokter Vijzel daarvan gemaakt heeft. Hij was zoo volkomen onverschillig en had zoo weinig gevoeligheid, dat hij eens zijn leermeester Anaxarchos in een put ziende liggen, voorbijging zonder hem te helpen.

--Dat is consequent van hem, merkte dokter Vijzel op.

--Welke menschen! zei mevrouw Van N. En staat dat nu in al die boeken, waarmede gij zoo dweept?

--Pyrrho dan, vervolgde mijnheer Van N., nog eens in dokter Vijzels snuifdoos tastende en het snuifje tusschen vinger en duim houdende, als had hij des dokters systeem nu bij den nek, Pyrrho dan, die, zooals wij gezien hebben, behoorde tot hen, die het gevoel veroordeelen en alle aandoeningen voor het denken doen wijken, wandelde eens en werd door een hond aangevallen. Hij liep weg on klom in een boom, en toen zijne metgezellen hem met recht uitlachten en dit niet overeenkomstig zijne leer vonden, zeide hij:--[Grieks: chalepon esti ton anthroopon ekdynai], dat is: _het is moeilijk den mensch uit te trekken_.----Ik weet het niet, maar zou er wel ooit scherper satire op het besproken systeem en op Pyrrho's leer gemaakt zijn, dan die Pyrrho zelf daarop met daad en woord maakte, toen hij benauwd _pro tibiis suis_, onwillekeurig toonde, toch ook aandoeningen en gevoel te hebben----al was het dan maar in zijne beenen!

* * * * *

Ik zwerf in deze dagen gaarne alleen wet mijne gedachten; want er zijn gewaarwordingen en aandoeningen in onze ziel, zoo fijn als zeepbellen, die bersten, als men ze aan een ander zou willen teruggeven; er zijn snaren in ons gemoed, zoo teer als spinrag, die breken zouden, als men ze aanroerde.

Nu voel ik mij aangetrokken door de zee, die in harmonie is met de onbestemdheid en rusteloosheid mijner gedachten.

Ik kijk dan naar dien ronden horizon, waarvan ik het einde niet ken, en die weer verder is, als ik hooger klim; dien hemel, die er op schijnt te rusten; dat altijd aankomen van golvengroepen--wie weet van waar en waarheen?--, die aanrollen op het strand, gestuwd door eene kracht, die mij onbekend is, om straks weer terug te glijden. Alles onbestemd en oneindig. Ik hoor naar het gefluister der golven in eene taal, die zij meebrengen van wie weet welke geheimzinnige streken.

Hoor het levenslied der golven, dat mijne ziel en zij elkander beurtelings toezingen:

Als de deinende zoo is het leven; Steeds rusteloos wentelt en stuwt Nu de vloed dan de ebbe der wereld Golf op golf als geslacht op geslacht.

Zoek er niet naar de bronne die waatren Of de veer, die het alles beweegt; De verschijnselen, nooit de verklaring, Zijn den denker ten schamelen oogst

Hoe die golven den oever bereiken Waar een andere nutteloos breekt Hoe die eene zich heft naar de hoogte, En er praalt in de glanzende zon.

Waar die andre verzinkt in de diepte-- Ik vraag het vergeefs;--maar het fluistert: Een verborgene macht, die ze voortdrijft, En maar één bestemming haar wet.

Dus voort met de golven des levens, Niet _vragen_, maar _doen_ is uw taak; Aan het lot of gij needrig verdwijnen Of fonkelen zult in het licht.

Aan het werk! Wat er schitter of kwijne, Het is ééne beschikking die heerscht En ons drijft naar den eeuwigen oever, Waar de vraag is: wat brengt gij hier aan?

* * * * *

De zilte lucht wekt mij op en spant het geheele organisme, en bij het gefluisterde lied der golven verheft, zich de geest. Hij vormt zich plannen voor de toekomst, plannen van moed, van veredeling, van alles omvattenden arbeid des denkers, droomen van roem; de blik verlengt zich tot in eene schoonere wereld, totdat de ziel, in een gevoel van overmoedige stoutheid, een fier welbehagen voelt in zichzelve, als had zij reeds die verhevene idealen vervuld.

O, edele zelfverheffing der ziel, wat anders zijt gij dan poëzie?--Ja, ik voel, dat zij bruist in mijn geheele wezen. Maar leeft zij er alleen als eene gaaf om haar te voelen, of zal ik ze ook kunnen uitstorten en zal de vormkracht van den geest sterk genoeg zijn om die aandoeningen van denken en voelen te belichamen?

De tijd zal het uitwijzen, maar niet alleen in dit laatste, ook in het eerste geval is die gaaf een hemelsch geschenk aan den mensch, dat met eene liefelijke muziek zijn gansche leven zal kunnen vervullen.

Doch er was weldra wat meer te doen dan te mijmeren en te wandelen. Het was nu bepaald, dat ik studeeren zou, en wel in de ------ maar wat kan het u schelen, waarin....

Daar ik een examen moest afleggen om aan de academie toegelaten te worden, moest ik nog veel werken, totdat ik op het laatst tot overloopens vol was gegoten met de daartoe benoodigde wijsheid. Nadat alzoo mijn hoofd vol was gepakt, werd ook mijn koffer gepakt.

Ik ben daarbij bepaald tot het besluit gekomen, dat mijn hoofd toen de meest verbazende gelijkenis moest hebben met een koffer.

Die vergelijking moet ik noodwendig wat uitpluizen om daardoor die verbazende gelijkenis aan den dag te doen komen.

--Maar een koffer is een parallelepipedum, en een hoofd is een bol, zegt Criticaster.

--Vooreerst, mijnheer, spreek ik niet tegen u--en ten tweede spreek ik niet van _uitwendige_ gelijkenis. En toch, zou ik ook voor het uitwendige genoeg punten van vergelijking kunnen, vinden: b.v., mijn koffer is bedekt met leer: leer, mijnheer, is een weefsel, geheel gelijk aan het weefsel onzer huid, de huid, die mijn en uw hoofd, indien gij ten minste niet gescalpeerd zijt, bedekt; mijn koffer en mijn hoofd zijn dus met hetzelfde weefsel bekleed, welk weefsel op zijne oppervlakte weder bij beide met een ander gelijksoortig, het celweefsel van het haar, is begroeid: alleen bij den eene (het is een ouderwetsche koffer) is het rood en wit koehaar, en bij het andere menschenhaar.

En mocht nu voor het overige, wat den parallelepipedischen en den bolvorm aangaat, de vergelijking in vele punten falen--hebt gij Homeros gelezen?--welnu, gij zult bij hem kunnen opmerken, dat het tot het wezen eener vergelijking behoort, dat zij niet in alle deelen doorgaat.

Maar nog eens, ik sprak niet van _uitwendige_, maar van _inwendige_ gelijkenis.

Van mijne jeugd af werd mijn koffer--ik meen mijn hoofd--steeds gevuld: ik kan niet opnoemen, wat er al zoo inging, maar dat is zeker, dat het boeltje goed werd aangestampt en de hoekjes gevuld. Maar toen het op het laatst liep, was er dikwijls een gevecht tusschen mijne meesters over den voorrang; de een nam te veel plaats in naar den zin van den ander, ieder wilde de beste plaats voor _zijne_ goederen, en ieder wilde zijn goed bovenop leggen, dat het niet door de zwaarte van het overige wierd gekreukt. Het was verder weer natuurlijk volgens de _koffer-logica_, dat zij zooveel inpakten als zij konden, daar zij het allen op dit ééne punt eens waren, dat, hoe meer er in een koffer is, des te meer er ook uit kan komen.

Zij rekenden er evenwel niet op, dat de bodem er wel eens uit kon vallen of breken.

En mijne goede moeder, die ook zoo bezorgd was om toch van alles in mijn hoofd--ik meen in mijn koffer te pakken.

Zoo werden dan mijn hoofd en mijn koffer ongeveer eveneens behandeld en volgepropt, en beide naar de stad X geadresseerd, om daar uitgepakt te worden.

Te X werd ik uitgepakt, als een reiziger aan de grenzen: de hooggeleerde douanen snuffelden en doorzochten of alles in orde was, voordat ik met mijn boeltje veilig de grenzen der wetenschap over mocht.

Maar wat mij zoo vaak, als ik op reis was, gebeurd is, dat ik behoefte had aan iets, dat onder in mijn koffer zat of maar niet te vinden was, geschiedde evenzoo bij mijn examen.

Telkens zat ik te zoeken naar een stuk geschiedenis, dat misschien onder een hoop mathesis lag--of naar eenig taalkundig ondergoed, waarvan ik niet meer wist, waar ik het gelegd had. Ook bemerkte ik, dat ik eene menigte zaken bij mij had, die niet noodig waren, en aan den anderen kant soms vergeten had, mee te nemen, wat volstrekt onmisbaar bleek.

Evenwel was het vrij goed afgeloopen en werd ik over de grenzen der wetenschap toegelaten.

* * * * *

De laatste avond tehuis! Wat een zonderling gemengd gevoel bevat dit oogenblik voor een jongen! Voor de ouders is er alleen verdriet. Maar de jongen vol vuur en levenslust, wien de wanden der ouderlijke woning te eng worden, die de wieken wijder uit wil slaan, voor wien de wereld een tooverparadijs is, vol half bekende, en daarom des te aanlokkender genoegens, die zich de grootsche gestalten der edele vriendschap en liefde, van moed, roem en eer met de schitterendste kleuren heeft afgemaald--een jongen, voor wien alle geluk reeds bevat is in dat ééne tooverwoord _vrijheid_! O, hoe anders, hoe gemengd zijn zijne gevoelens, als hij die wereld in zal treden!--Hoe trouw en braaf zijn hart, hoe edel zijne beginselen ook zijn, met hoevele banden hij ook in warm geval gehecht zij aan zijn ouderlijk huis, het oogenblik, dat hem vrij zal maken, dat hem in dat tooverland zal voeren, is te aangrijpend, te sterk prikkelend, om niet op te wegen tegen het verdriet van scheiding, en om dat verdriet niet terug te drijven en alleen geluk voor te spiegelen.

De laatste dagen tehuis waren in drukte van allerlei aard voorbijgevlogen; den allerlaatsten dag had mijne moeder nog eenig geld van haar en eenige flesschen lekkernijen en besten wijn bij mijn goed gepakt, hetgeen ik eerst naderhand bemerkte; toen was eindelijk alles klaar en hadden wij niets meer te doen, dan te wachten, dat de avond zou omgaan.

O, hoe pijnlijk was die avond, met dat gesprek, dat maar niet vlotten wilde en die nietsbeduidende woorden en zinnen.

Er zaten daar niets dan lichamen om de tafel, ieders geest was afwezig, ieders gedachten hadden hare eigene bezigheden. Men wilde niet over het afscheid spreken en alleen daaraan dacht de geest--men wilde over iets onverschilligs spreken en niets van dien aard kon den geest boeien.

Algemeene stilte.