Vogels van diverse pluimage

Chapter 12

Chapter 123,915 wordsPublic domain

--Wat waait het, zei mijnheer Tjilp om iets te zeggen.

--Ja, zei mijne moeder.

--Ja, zei mijn vader in een anderen toon.

--Ja, zei ik, weder in eene andere toonwijziging.

Lange stilte.

Ik verliet even de kamer om nog eens naar mijne koffers te zien, die op mijn werkkamertje gepakt stonden.

Ik hoorde een voetstap.

Mijne moeder drukte mij in hare armen.

--Kind, lieveling! pas toch braaf op en denk altijd om ons....

Haar gemoed was te vol om meer te zeggen. O, hoe ondankbaar, hoe ellendig vond ik mij, dat ik zelfs toen niet met droefheid naar de toekomst zag en niet liever wenschte te blijven!

Toen wij weder terugkwamen, werd het gesprek niet levendiger.

Mijn vader bleef peinzend voor zich staren.

Mijnheer Tjilp zeide nogmaals, geloof ik, dat het zoo woei.

Mijne moeder werkte met neergeslagen oogen.

Bella was treurig, omdat zij een vriend en makker verloor.

En ik?...

Ook voor mij waren de ouderlijke wanden te eng, ook ik wilde de vrije vleugels wijder uitslaan: ik was verheugd, dat ik eindelijk die wereld in zou stevenen, waarvan zoovele idealen voor mijn geest heenzweefden, die wereld, waarvan ik niets dan den boom der vrijheid zag en de zon des geluks, die mij voor het hart niets dan verhevene gevoelens, voor den geest niets dan roemrijk voedsel beloofde; was het wonder, hoewel de droefheid om mij heen wel weerklank in mijn hart vond, was het wonder, dat dit alles op mijne gloeiende verbeelding te sterk werkte dan dat ik niet verheugd zou zijn?

O wonderlijk samenstel van het menschelijk hart! dacht ik een paar dagen later. Te midden van de droefheid rondom mij had dat hart gebonsd door het gelukkig vooruitzicht, en nu dat vooruitzicht niet meer vóór mij ligt, maar ik er middenin ben, is door mijne vreugde een weemoedige draad heengeweven.

Was het, omdat ik naar huis terugverlangde? Neen. Maar omdat elke verandering van levenstoestanden, hoe men er ook naar gewenscht hebbe, iets weemoedigs bevat.

Het is hierin ook waar, wat de oude Montaigne zegt: _La naissance, nourissement et augmentation de chasque chose, est l'altération et corruption d'une autre_.

De nieuwe toestand ontstaat uit den dood van den vorigen. Men kan geen jongeling worden, voordat het kind in ons gestorven is. Men kan geen man worden vóór den dood van den jongeling in ons. Dat sterven en verdwijnen is weemoedig, het geeft het besef, dat er iets in ons voorbij is, dat nooit weerom komt.

Zoo was het ook bij mij. Hoe sterk--de jongeling verlangd moge hebben, de wijde wereld in te gaan, wanneer hij van eenvoudig _kind zijner ouders_, burger wordt in de maatschappij om te trachten _man_ te worden, voelt hij toch een stuk van het geheel, dat zijn leven uitmaakt, achter zich afbrokkelen en verdwijnen in de diepte.

En zóó gaat het in het vervolg; telkens, als iets nieuws een later tijdvak in ons leven geboren wordt, sterft er iets af, dat wij nooit weer kunnen terugroepen of aanschouwen zullen.

* * * * *

's Avonds te tien uren moest ik op den postwagen wezen.

Een laatste glas wijn word tot mijn afscheid gedronken. Toen word het ook mij beklemd in de keel.

Mijn vader--gij zoudt u bedriegen, als gij verwachttet, dat hij een aanspraak hield met lessen van levenswijsheid, of vol gevoelige oratorie; hij gaf mij geen kaart van de klippen, die ik te ontzeilen en de gronden, die ik te mijden had.

Wien het tegen moge vallen, of wie het koud vinde--treffender dan alle welsprekendheid waren een paar gefluisterde woorden van liefde beter dan alle vertooning een eenvoudige omhelzing en handdruk.

Ik stond buiten het huis en de koude lucht woei mij tegen. Koude voorproef van den dampkring der onverschillige wereld, die mijne tranen droogde.

Ik stond buiten, en die koude lucht woei de warme en teedere indrukken weg en maakte mij weder verheugd en opgewonden.

Woei zij ze geheel weg?

--Neen--zij deed ze zich slechts verschuilen, en in stilte bleven zij voortbestaan; want jaren later nog bestonden zij en ook nu komt er wel eene aandoening op, als ik ze herdenk.

* * * * *

En hiermede sluit het eerste deel van mijn _Levensboek_.

De volgende bladen behooren hier niet tehuis. Die wij nu hebben omgeslagen maken deel uit van een afgeloopen tijdperk; wat verder ligt, is of nog te versch of in wording.

O, hoe gaarne beschouw ik dat Eerste Boek! Met wat een wellust herdenk ik dien vorigen kring, waarin ik mij bewoog, en geheel die liefelijke omgeving, in al haar reinheid, frischheid en eenvoud, beschermen door den gloed der huiselijke genegenheden, onbesmet en onberoerd door het woelen en zwoegen en strijden van het latere leven.

Wat zijn zij diep en duurzaam, de indrukken in dien tijd ontvangen, wat zijn ze levensvol en frisch!

En dan, wat elken denker de oogen telkens naar dat tijdperk moet doen heenwenden, het is daarin, dat de ziel zich heeft beginnen te vormen, dat de geest eene beslissende, dikwijls voor het leven beslissende, richting heeft genomen. Het is dus eene onmisbare bron voor de verklaring van ons geestelijk zijn.

Het is ook goed, de herinnering aan dien tijd in ons levendig te houden, omdat de jongelingsleeftijd een bestanddeel bevat, dat wij niet in ons moeten laten versterven. Het is dat edel vertrouwen en dat geloof aan eene ideale zijde van het leven, waaruit zijne poëzie, zijne illusiën en inspiraties, zijne ontvankelijkheid voor alles wat edel, waar en schoon is ontspruiten. Daarom is het zoo heilzaam, dien tijd te herdenken, als de strijd van het leven dat deel wel eens doet verzwakken, en dáárin is het geheim van het aantrekkelijke, dat in die herdenking gelegen is.

Wee den mensch, die dit alles later als niets dan ijdel verbeeldingsbedrog gaat beschouwen, want zijn zedelijk en geestelijk wezen is dor als het zand.

Gezegend zij die tijd met al de beelden, die er bijhooren.

* * * * *

Er zijn altijd lezers of lezeressen, die, nieuwsgierig en ongeduldig, even, even maar het einde van het boek willen inzien, al ware het alleen om gerust te zijn, dat zij niet sterft, of om te zien of de boosheid niet gestraft en het misverstand niet opgehelderd zullen worden, _en of zij elkander nog krijgen_.

Zulken heb ik ook ontmoet, die ongeduldig de vingers uitstrekten naar de verdere bladen van het Boek, dat ik hun liet zien.

Dat ik ze waarschuwde voor berouw of hen vermaande, met geduld den groei en de ontwikkeling der verdere toestanden en denkbeelden te verbeiden, baatte niet, en ik zou bijna boos op hen geworden zijn, als ik niet bijtijds bedacht had, welk een onwederstaanbare aandrang ons armen stervelingen eigen is om de toekomst vooruit te loopen en haar sluier op te heffen.

Daar hebt gij dan nog enkele kijkjes in de verdere bladen, u ten beste gegeven, die het verlangt. De overigen mogen er gerust uitscheiden; wij leven in een vrij land.

* * * * *

Gezegend, zeide ik, gezegend die vroegere tijd, met al de beelden, die er bij behooren!

O, blijft dan om mij heen, gij liefelijke gestalten, mij eens zoo dierbaar in de werkelijkheid en waarvan sommige nu nog alleen dierbaar zijn in de herinnering; blijft om mij heen, zooals gij u bij het licht van het haardvuur voor het oog der herinnering afbeeldt!

Blijft als mijne ziel u weder oproept! O, thans is zooveel, dat eens _tegenwoordig_ was, _verleden_ geworden------, hier is de oude bibliotheek--nu zit ik op mijne beurt er te schrijven en zie naar dien hoek, waar, aan den voet van een der kasten, eens een jongen zat, _in angello cum libello_[4]; die bibliotheek, waar zoovele van mijne denkbeelden en indrukken, als ik ze naspoor, blijken ontvangen en ontkiemd te zijn, waar gewichtige toestanden van mijn leven zijn beslist, waar op alle planken herinneringen zitten en mij toewenken en verhalen van vroegere dagen.

Waar is het edele hart, dat in die dagen hier klopte? Waar is de diep doordringende, de veel omvattende, de wijsgeerige geest, die hier werkte?

........................................................................... ...........................................................................

En daar ginds staat de oude met marmerpapier beplakte doos. Toen ik op de kamer van haar vorigen eigenaar kwam, zooals ik beloofd had, heb ik ze opengedaan en de viool gevonden met drie gesprongen snaren: ik heb ze in de hand genomen en getokkeld op de laatste snaar, doch haar trillende, weemoedige toon, eenstemmig met dien van mijn gemoed, trof het oor niet meer, waarvoor hij gewoon was te klinken. Dat gevoelige zintuig was nu gesloten voor deze, en misschien geopend voor hemelsche klanken. Zou het nu voldoening smaken, dat fijne gevoel voor het schoone?

Ik heb toen de viool in de bordpapieren doos gelegd, om ze mede te nemen als een aandenken, en zoo staat zij daar, stoffig als de herinnering aan dingen, die niet meer zijn.

........................................................................ ........................................................................

Maar, waar dwaal ik heen! De gedachten schieten te veel vooruit, en de vingers grijpen te ver in de bladen van het Boek, dat ik in handen heb; de enkele bladzijden, die ik beloofde u nog te laten lezen, liggen niet zoo ver in het boek en zijn van vroolijker aard.

Vijf jaren waren voorbijgegaan, waarin ik maar bij tusschenpoozen te huis was geweest, toen ik eindelijk weder het eene van de tweelinghuizen binnentrad.

Voor mij--wat een druk bewogen tijd, wat een tijd van ontwikkeling en verandering, waarin nu eens gedwaald, dan weer teruggekomen was, waarin zich de geest uit een rusteloozen chaos gevormd had, niet tot een stilstaand water, want de geest staat nooit stil, maar tot een stroom, die eene vaste richting heeft aangenomen. Maar wat al veranderingen in vijf jaren!

Doch dat oude huis stond daar nog altijd rustig en onveranderd, rustig als de ziel der bewoners: zijn spitse gevel wees ten hemel, evenals het gemoed der bewoners, zijne glazen glinsterden vriendelijk en helder als hunne oogen, zijne deur was gastvrij als hun hart: zijn uiterlijk was altijd even net naar den aard mijner moeder, maar altijd even ouderwetsch (behalve de groote ruiten, want mijnheer v. N. was een vriend van licht) naar de onwrikbare begeerte mijns vaders. Mijnheer en mevrouw v. N., waren dezelfde als altijd, met dit onderscheid, dat zij jonger schenen te worden, toen ik te huis kwam.

Ik was geen halven dag in huis, of mijn vader had mij allerlei zeldzame boekskens laten zien, nieuwe aanwinsten. Mijnheer Tjilp, oude trouwe vriend, was er ook en vroeg, hoe mijne viool voer.

En Bella?

Wat bloost zij, als ik haar een welkomskus geef! en wat ziet zij telkens steelsgewijze naar mij--ja, ik bemerk het wel--om te zien, hoe die vroegere broeder en speelmakker van haar nu is.

Wat schoone maagd is er geworden van het kleine, tengere, zwarte kind! Zij is nu twintig jaar, maar de omstandigheden harer kindsheid hebben haar verstand vroeg gerijpt. De zwarte haren hebben den gloed van gitten, met een nauw merkbaren bruinen weerschijn; de donkere oogen, in helder en zacht blauw liggende, worden door lange pinkers in fluweelen schaduwen en diepten gehuld of schitteren helder en lief in het licht. Het geheele gelaat doet denken aan den heerschenden toon in Rembrandts stukken en men zou in sommige oogenblikken geneigd zijn, haar als eene schepping van zijn penseel te beschouwen.

Zoo vond ik het te huis.

* * * * *

Wat ik mij verbeeld had omtrent Bella's vader en zijn levenslot was behoudens een paar omstandigheden geheel verkeerd geweest. Hij was niet gestorven. Toen de eerste vreemdheid onzer hernieuwde kennismaking voorbij was, verhaalde Bella mij veel over hem. In zijne legende der tweelinghuizen, had mijnheer v. N. op Bella's vader gedoeld en in meester Egbert den rusteloozen zoeker geteekend. Hij had aldus gebruik gemaakt van eene oude legende, die waarlijk veel overeenkomst van toestanden aanbood.

Evenals meester Egbert was deze man--hij heette de heer Van Randenrode--de wereld rond geweest in rustelooze omzwervingen, overal geluk, rijkdom en eer zoekend, terwijl hij het eerste zeker te huis had kunnen vinden en de beide laatste in zijne wilde ondernemingen versmeet. Zijne vrouw was eene Engelsche; zij was te fijn van ziel en van gestel om onder de veranderlijke nukken en bij den onbezonnen en wisselzieken aard van dezen man te kunnen blijven leven. Zij was gestorven, hem een klein kind achterlatende. Met dit kind was hij opnieuw de wereld door geweest, nu eens in Spanje, later in Indië zijn geluk beproevende, maar overal door dat hem telkens ontwijkende geluk verlaten. Na eene reeks van rampen, na het verlies van zijne laatste middelen, van zijn goeden naam, van zijne eer, van alles, behalve van zijne kleine Bella, was hij eindelijk, als een bedelaar bijna, terechtgekomen in het huis naast ons. Wat ik nu eerst hoorde, dat huis was toen in mijns vaders handen geraakt en die edelmoedige man had den ongelukkige daar eene rustplaats geschonken, waar hij onder dak kon komen, totdat hij hem op eene andere wijs zou kunnen helpen. Want verdere en betere hulp wilde hij hem verschaffen. Het gelukte hem, den ongelukkige de middelen te bezorgen (en voor hoeveel, wat het geldelijke aangaat, heeft mijnheer v. N. nooit aan zijne vrouw durven bekennen; hij was soms zoo onberedeneerd edelmoedig, dat hij zich schaamde!) om nog eenmaal, na zooveel zware beproevingen, zijn fortuin te gaan zoeken in Amerika.

Maar nu moest bij Bella achterlaten--het was een uitdrukkelijk beding. Bella was de oogappel, de afgod van haar vader, en die man voelde zich het bitterst ongelukkig, toen mijn vader de wreedheid had, zooals hij het noemde, op die voorwaarde aan te dringen. Maar mijnheer v. N. was onverbiddelijk; hij zeide den heer Van Randenrode, dat hij aan de nagedachtenis zijner vrouw, dat hij aan zijn kind verschuldigd was, als eene expiatie van al zijne dwaasheden, deze opoffering te doen, dat het kind niet mocht gewaagd worden aan de onzekere kansen, die hij nu stond te ondergaan--dat het kind in hemzelven altijd een vader en in zijne vrouw eene trouwe moeder zou hebben. Tranen en smeekingen baatten niets.

Zoo werd Bella bij ons gelaten. Haar vader was alleen de wijde wereld ingetogen. Ongelukkig de man, die zoo laat, die met grijze haren zijn levensloop nog eens beginnen moet!

Hij had het geluk, op zijn pad een man te ontmoeten, die dat wilde en rustelooze karakter, dien wisselzieken geest eenigszins tot zelfkennis en verandering bracht. Eene vereeniging van edele mannen nam den verdwaalden broeder op; hij ontving de stoffelijke hulp, die het eerst noodig was, en later zedelijke ondersteuning; een gelukkige keer nam eindelijk in hem plaats, en na een twaalftal jaren, jaren van beproeving en van harden arbeid, was hij in staat, zich met eer en onafhankelijkheid in de maatschappij te bewegen.

Sommige van deze omstandigheden had ik van mijn vader, andere van Bella vernomen, die ze mij verhaalde, toen wij eens eene lange wandeling deden.

Hare wangen gloeiden van het vuur, waarmede zij gesproken had. Wat eene teederheid was er in den klank van hare stem, als zij van mijnheer en mevrouw v. N. sprak, en als zij herinnerde, wat zij voor haar vader en voor haar, arme, gedaan hadden. En hoe zij getracht had, dit te beantwoorden en hoe zij gebeden had om zegen over hare weldoeners!

O, zegen op u, dacht ik, zegen op u, Bella! voor alles, wat gij in het huis mijner ouders voor hen geweest zijt, zegen op u, voor de liefde en zorg, waarmede gij ze omringd hebt, toen ik weg was, voor de vroolijkheid, die altijd was, waar gij waart, voor den lieven klank uwer stem, aan wier toon men de stemming uwer ziel kon kennen!

Of deze gedachten duidelijk genoeg in mijne oogen te lezen stonden, toen ik ze lang op haar vestigde, terwijl zij sprak, weet ik niet, maar zij sloeg de hare neder.

--Bella, zeide ik, weet je wel, toen je een klein meisje was, dat ik je eens in het gras met die rozen zag zitten spelen?

Zij lachte zoo welluidend, dat de vogels in het bosch gingen medezingen.

--Ja, zeide zij, en een wonderlijk, eigenzinnig kind was ik toen! Zou je gelooven, vervolgde zij opeens ernstig, dat ik toen een bepaalden afkeer had van alles, wat gewoon was: speelgoed, gewoon speelgoed, daar een ander kind gelukkig mee zou geweest zijn--het is waar, ik heb het zelden gehad----maar ik had het toch niet willen hebben, ik moest iets vreemds hebben, iets, dat mijn eigen was, dat ik zelf en alleen koos: zoo was het met alles. Ik was een eigenzinnig, zonderling klein kind; ik hoop niet, dat die trek mij bij is gebleven, want ik heb een afkeer van vrouwen, die opzettelijk zonderling willen zijn; de vrouw moet het gewone leven niet versmaden, zij moet er niet buiten of boven willen staan, maar zij moet dat juist verhoogen, veredelen, en dan wordt het vanzelf minder plat en prozaïsch!

Ik glimlachte om het vuur, waarmede zij sprak.

--Lach je mij uit? vroeg zij met een opgeruimd gelaat.

--Ik glimlach, zei ik, maar het is uit genoegen; ik bewonder je--ik maak nooit complimenten--dat je eene zoo juiste beschouwing hebt van het leven en van de wijs om het te veredelen; vrouwen vallen meest in uitersten; of zij maken zich weinig beduidend en alledaagsch, of zij zijn altijd in de wolken en geneigd tot mysticisme.

Zeker, wat er verkeerd en ziekelijk is in de eigenschap, die zij bedoelde, had zij niet, maar het goede, het gezonde er van had zij; het was het afwijken van den gewonen flauwen sleur, een eigenaardig zijn en denken, met eene zachte tint van eigen geestigheid overgoten, genoegzaam om aardig en bekoorlijk te zijn zonder te hinderen.

Zoo wandelden wij voort, pratende en gaande over de oude plaatsen onzer jeugd. Bella sprak mij daarop van mijne ouders, mijne moeder noemde zij ook altijd moeder; zij vertelde, hoe zij den lieven ouden het leven gemakkelijk en genoeglijk trachtte te maken, hoe zij den ouden heer op allerlei wijzen plaagde met zijne boeken, maar hoe zij ook, wanneer het noodig was, de _preciosa_ daaronder zelve voor hem schoonmaakte; en duizend kleine omstandigheden meer, onbelangrijk voor een derde, maar boeiend voor mij.

Er was een aardig mengsel van heldere vroolijkheid en van ernst in Bella, en de overgangen van de eene naar den andere dikwijls snel en onverwacht; er was eene losheid en natuurlijkheid in haar, die men in onze maatschappij, waar vooral meisjes zoo naar geijkte, conventioneele vormen en in aangeleerde manieren gedresseerd worden, niet altijd met kieschheid en fijne beschaving vereenigd vindt.

Wat bovenal in dit meisje zoo bekoorde, was eene frischheid, frischheid van geest en gemoed, in haar gansche wezen en handelen.

Ik geloof, dat ik hierover lang liep te denken, en ik werd opeens wakker door een vroolijk gelach van Bella, toen ik op het punt was, door mijne afgetrokkenheid in eene beek te stappen.

--Waar denk je over? vroeg zij.

--Ik denk er over, zei ik, dat wat ik eens over je gedacht heb, is uitgekomen.

Zij keek mij vragend en glimlachend aan.

--En dat is?

--Dat, waar je ook wezen zoudt, bloemen uit je voetstappen zouden ontluiken.

--O, o! lachte zij, ik dacht, dat je nooit complimenten maakte?

* * * * *

Mijnheer Van Randenrode zou terugkomen! Op een ochtend ontvingen wij de brieven: een was er aan mijnheer v. N. en een aan Bella gericht. Hij schreef, dat hij met het vermogen, dat hij nu bezat en met de betrekkingen, die bij in Amerika had aangeknoopt, zich nu ook in het moederland een eervol bestaan kon verschaffen. Er sprak evenwel geene zelftevredenheid uit den brief, er was iets weemoedigs zelfs in de kalmte en vastberadenheid van den schrijver, en men voelde, dat dit zwaar beproefde en daardoor gelouterde karakter geleden had onder die verbuiging naar het goede, en wel kalmte, maar geen vroolijke opgewektheid meer zou kunnen verkrijgen.

Aan Bella schreef hij evenwel anders; de woorden, die hij aan haar richtte, schenen, door het vooruitzicht van haar weder te zien, meer gloed te ontvangen: het was of zij, zelfs zoo uit de verte, ook haar zonneschijn--invloed uitoefende. Bella las ons gedeelten uit die bladen voor; zij waren vervuld van vreugde over zijn terugkeer, hij kon het niet langer uithouden, hij moest zijn land, zijne weldoeners, maar bovenal zijn klein, wonderlijk, geestig kind (de man verbeeldde zich haar nog altijd als het kind, dat hij achterliet), terugzien. Bij die gedachten scheen zijn gemoed overgevloeid te zijn, en de warmste woorden waren niet voldoende, als hij van mijnheer en mevrouw v. N. sprak.

--Tut, tut! dwaasheid! zei mijnheer v. N.

Maar toen Bella voortlas en mevrouw v. N. omhelsde, bedierf deze het boordje, dat zij opzette, en toen zij nog meer las, en daarop haar arm om het grijze hoofd van mijnheer v. N. sloeg, zeide deze weer:

--Tut, tut, dwaasheid, genoeg, genoeg. En hij lachte, maar met een traan in zijn oog.

* * * * *

Op een ochtend nam mijnheer v. N. mij vertrouwelijk onder den arm, zooals hij gewoon was, nu ik man was geworden, en Bella mede noodigende, gingen wij te zamen naar het nevenhuis.

--Ik wil het geheel laten opmaken, zei mijnheer v. N., maar in ouden stijl natuurlijk, en de beide huizen moeten elkander blijven gelijken: den spitsen gevel zullen wij behouden, den weerhaan zullen wij weder laten draaien; groote ruiten zullen er in moeten, hm! ja, het staat anders aardig die kleine ruitjes, maar achter boven wilde ik ze behouden voor de aardigheid, vindt je het goed?

--Ik? zeide ik lachend; maar, vervolgde ik, zal Bella's vader hier komen wonen?

--Neen, zei mijn vader, die zal zich in eene handelsstad moeten vestigen.

--Gaat gij dan het huis verhuren, dat gij het zoo laat opmaken?

--Neen, antwoordde hij, maar laat ons binnengaan.

Werklieden waren reeds bezig met behangen, schoonmaken, timmeren, enz. Wij kwamen in de achterkamer, die op den tuin uitzag, een groot vierkant vertrek.

--Kijk, zeide hij, eene prettige kamer zal dit wezen! De drie ramen zullen tot den grond worden verlaagd: wat een gezellig vertrek voor een gelukkig gezin, 's winters bij dien breeden marmeren schoorsteen, 's zomers met die wijd geopende ramen, waardoor men de kinderen in den tuin zou kunnen zien dartelen, ziet, met eenige vernieuwing.... maar zou dat goudlederen behangsel niet behouden kunnen worden, wat denk je? vroeg hij, in vrees over zijn goudlederen behangsel.

--Mij dunkt, de huurder moet er maar genoegen mee nemen; ik geloof zelfs, dat dit behangsel _behoort_ behouden te worden, omdat het geheel met den stijl der betimmering overeenkomt, ik zou zelfs dien ouden schoorsteen willen behouden....

--Ja? ja? zei mijnheer v. N., en hij bloosde van welgevallen; dus neem je er genoegen me.... zou je het goed vinden, dien stijl te behouden? Ja, ja, die stijl is toch aardig! En hij liet met een glimlach en een komiek genot zijn blik gaan langs de met dikbeenige engeltjes versierde zoldering, de rijke tinten van het goudleer en het weelderige loof--en krulwerk om lijsten en paneelen.

--Maar lage ramen, niet waar? Waarom zouden wij geen nieuwe en oude vormen kunnen vereenigen, mits er harmonie zij?

Wij moesten boven ook alles in oogenschouw nemen. De bloedvlak in het kleine kamertje met haar verschrikkend verhaal vond ik niet: alleen was er ergens eene oude inktvlak op den vloer, die misschien aanleiding tot het verhaal gaf. Het spijt mij voor het romantische gedeelte van deze bladen, als dit de prozaïsche oplossing is.

Mijnheer v. N.'s gedrag en handelwijs omtrent dat huis ging evenwel voort niet minder raadselachtig te zijn. Hij had blijkbaar een plannetje, en ik geloofde doorgaans, dat hij het wel voor mijnheer Van Randenrode bestemde. Soms schoot er pijlsnel en schuw wel eens eene andere gedachte in mijn hoofd....

Maar neen, hoe was het mogelijk, dat hij zoo diep in mijne ziel had kunnen lezen, dat bij had kunnen lezen, wat voor mij zelven nog onbestemd en nauwelijks leesbaar was?