Chapter 13
Maar toen de tijd naderde, dat mijnheer Van Randenrode zou terugkomen, toen zijn schip binnen was, toen hij bij ons was en de eerste dagen van verwarde vreugd en drukte voorbij waren gegaan, en er geen sprake was, dat hij naast ons zou komen wonen, toen er geheimzinnige beraadslagingen werden gehouden in de bibliotheek, toen.... en er nog zooveel gebeurde, dat ik niet zal vertellen, toen, ja toen----
--Och! zei een der nieuwsgierige lezers, het boek toeslaande (ik wist het wel, dat, als hunne nieuwsgierigheid voldaan was, zij de spijt, die volgt op de voldoening van eene dwaze neiging, op mij zouden wreken), och, zei die persoon, het zal wel weer zóó uitdraaien, dat Bella en hij....
Welnu?
NOOT:
[4] in een hoeksken, Met een boeksken Spreuk van Thomas à Kempis.
* * * * *
EEN BOUWVISIOEN.
Mijn wieg stond tusschen krullen--muren En sieraan van gebakken deeg.
Wij hadden een avond onder kunstvrienden doorgebracht en levendig gesproken over de bouwkunst onzer dagen. Zij was er geprezen, gehoond, ontkend en erkend. De groote meesters der Duitsche kunst waren opgeroepen, maar ook weder vrijgelaten. Want de kring onzer denkbeelden trok zich samen over de meer dagelijksche bouwwerken en de op vele plaatsen noodlottige bestelling, dat het architectonische talent verhinderd wordt, zijne wetten te doen heerschen over het industrieele.
Den volgenden dag kreeg ik een brief van onzen overdrijvenden vriend Bamboots, die dus luidde:
* * * * *
"Toen ik van onze lustige samenkomst in uw dichterlijk koepeltje, gelegen aan die sloot, die in haar zucht naar ontwikkeling er naar streeft, vaste stof te worden, waar de zon zoo heerlijk onderging in uw teeder groen getinte Rhijnwijnroemers, en de nacht in erbarmen zijn sluier spreidde over de moderne bouwerij, die wij zoo naakt hadden uitgekleed; toen ik daarna huiswaarts keerde naar mijne stad, voerde mijn weg mij weer langs dat stuk weigrond, waarop wij 's morgens reeds samen dien wonderbaren heksenkring met zijn breeden cirkel van paddestoelen hadden bekeken en bepraat. Ik had alles vergeten, wat uw landbouwkundige vriend ons daaromtrent had voorgepraat, maar toen ik daar dit stuk land voorbijging en in den vollen maneschijn den gordel zag, dien de champignons om die kale en uitgeputte plek gronds hadden gevormd, kon ik niet nalaten, er bij stil te staan. Het nog niet boven allen twijfel opgehelderde natuurverschijnsel, dat niet tot mijn verstand sprak, prikkelde daarentegen mijne verbeelding te meer. Daar waren van die paddestoelen, die er als groote regenschermen uitzagen, andere als ronde tafels op één voet, andere als geboomte met breede bladerkroon; ik dacht, hoe men er op zou kunnen zitten of er onder liggen, uitgestrekt op den rug. Dan gluurde ik, of ik de heksen niet zag, die in deze kringen plegen rond te varen en feest te houden. Alle gegevens waren voor eene verschijning voorhandem een geprikkelde geest, de stellige wil om zich alles te laten zien, de plaats, en de tijd, en de maan, de maan, die het licht, dat zij aan de zon ontleent, gebruikt om wat deze in helder daglicht stelt, weer terug te voeren in mythischen schemer, de maan, die met de zon denzelfden strijd voert als in den mensch de verbeelding met het verstand, als in den roman de verdichting met de historie. Ik begon te zien,--ik weet nog niet wat; ik trok met mijn stok een pentagram op den grond, en bedacht eene bezweringsformule;--ik zag--maar waarom _ik_?
Laten wij er eene legende van maken; legende, kind van het morganatisch huwelijk van feit en fictie; laten wij een ruiter hierheen doen draven over den weg, die het land doorsnijdt. Ik zie hem al, hem en zijne schaduw. Zij gelijken wel een paar van de wolken, die voorbij de maan zweven, de man, die zonder scherp begrensden vorm in draf daarheen trekt, en zijne schaduw, die naast hem, en even nevelachtig als hij, het lage hakhout even streelt en er langs glijdt. Het is doodstil en eenzaam, de hoefslagen smoren in het zand: hoor, hoe stil het is, ting--één klokslag, zeer in de verte: er leven dus nog menschen, waar klokken zijn, die zij aan den gang moeten houden of zijn het eer de klokken, die de menschen aan den gang houden? De schim op dat hakhout staat stil en de ruiter ook, om te luisteren: alles doodstil; over de vlakte is niets te zien, dan in de verte ongelijke, hoopjes schaduw, waar over dag boerenhoeven in kunnen zitten, maar die thans verdwenen zijn; doodstil,--woew, woew!--in de verte slaat een werfhond even aan, maar zoover, zoover als alles wat over dag werkelijkheid heet. De schim glijdt weer voort over het hakhout en de ruiter haar na. Wat zijn die witte gedaanten, die in een kring daar op het veld zitten? Het paard maakt er een sterken zijsprong voor, steigert, met de voorbeenen maaiend, dat de hoeven tegen elkaar kletteren, en stort onderstboven, nadat zijn ruiter al in het zand is gegleden. In twee, drie wentelingen is het weer op de been, terwijl de ruiter midden op den weg zit en zitten blijft. Hij had nu ook wel willen schrikken en op zij springen, maar was als aan de plek gekluisterd op den weg, die voorbij den heksenkring loopt.
Wat groeien die paddenstoelen! Waar er geen staan, spruiten zij met snelheid uit, en die er zijn, zwellen, tot zij zoo groot zijn als kinderen. Het glinstert er, het wriemelt, het zweeft, het leeft. Op elken zit eene schim; deze geven elkaar de hand en gaan draaien en gieren, zij zijn alle gemaskerd en verkleed. Hier schijnt het Orfeus te zijn, op eene padde rijdend en spelend op de citer; Orfeus, de symbolische genius aller bouwkunst, die door rythmus en harmonie de onbewerktuigde stof zich tot gebouwen verbinden doet. Aan hare kleederen kunt gij zien, wie de anderen nabootsen. Sinte Katharina is er met het radvenster, dat haar naam draagt, en Braga, de kunstenaar van het Noorden, met Neith, Egyptische Adiene; ginds is Aholiab en Bezaleël en Hiram van Tyrus, en meester Erwin von Steinbach, met eene puntige muts als het ogief zijner kathedraal, en zijne kunstrijke dochter Sabina, en zoovelen nog, wier namen belangrijke tijdperken teekenen in de geschiedenis der bouwkunst. Dat schijnt wel Brunellesco, de eerste moderne bouwmeester, en ginds Bramante, Palladio, Vignola. In het midden staat eene reusachtige, padde overeind, met een witten mantel om en eene gevederde kleine muts op den kop, en houdt een troffel in den poot, waarmede zij zwaait en beveelt. De anderen noemen haar Borromini. De wilde dansers houden op, en nu gaan zij van aardkluiten en steenen allerlei werken maken, met daken en koepels en zuilen van champignons; zij bouwen, maar komen niet verder, want anderen schoppen er tegen, of trekken een der onderste stutten weg, en dan valt het opeengestapelde weer in, en dan joelt en jankt en kijft het weer onder en door elkander. Die in het midden roert nu met den troffel in een ketel, de brij wordt dikker en taaier, het is eene pap van de steeds groeiende paddestoelen. Nu gaan zij het deeg kneden en daarvan bouwen, en zij stapelen zuil op boog en lijst op sokkel en alles op en over elkaar.
Hiii!! snerpt het als eene gierende windvlaag door de lucht, nu de bouw is voltooid, en als eene draaiende hoos gaat het er weer omheen, tot de kring van gemaskerde spoken, die elkander aan de hand houden en den rug toekeeren, eene wentlende streep gelijkt. Het is een woeste sabbat.
* * * * *
Hier is het kind, hier is ons aller kind! zingen zij.
Van mij is de neus!
Ik verschafte de ooren!
De glinstrende oogen zijn mijne!
Ik gaf het de macht om zijne kaken op te blazen.
En ik die van alle vormen aan te nemen en nooit iets te zijn!
Ieder had zijn deel aan het kind. Zij brachten het in hun midden en wierpen het elkander beurtelings toe, al sneller en sneller, den kring rond, terwijl zij het doopten met een naam, waarvan zij ieder slechts eene letter uitspraken, en leder gaf het eten uit den grooten ketel met paddestoelen--brij; en bij ieder groeide het kind, snel, even snel als des nachts de tooverkring der paddestoelen opschiet. En het was weldra volwassen.
Nu gaan zij het inwijden in de bouwleer, en geven het zijn leerbrief:
_De leerling, die den knaap een breekijzer geeft_.
De eerste plicht van den leerling is het gebruik van het breekijzer: breek af, maar roof u eerst wat vormen, die gij onthouden en gebruiken kunt.
_De gezel, die den leerknaap een troffel en een verfkwast geeft._
Om alles glad te strijken krijgt de bouwgezel den troffel, en om te overpleisteren, wat men niet zien mag. Kunst is schijn, en schoon is schijn. Bouw van hout, van stroo, van bordpapier, van oude vilten hoeden. Verachtlijk is de stof, maar de schoone schijn is het al. Snel vaart de verfkwast over alles heen, en hout en stroo en klei worden goud, graniet en marmer.
_De meester teekent den leerknaap met het duivelsteeken op de linkerheup._
Uit uzelven schep, maar steel het eerst van andren.
De kunst is klein, lang het lustige leven.
Geen wet of regel gelde u meer.
Wees vrij!
* * * * *
Dan volgt het practisch onderwijs. Zij wijzen hun ingewijden zoon, hoe zij bouwen van stukken paddestoel, en van de brij uit den ketel, van stroo en papiertjes, van biezen en takjes; zij leeren het van allerlei tuig alle stoffen na te maken; zij kneden en knoeien en lijmen, zij knutselen en plakken en stapelen een bouwwerk opeen, waar ieders bouwtrant een stuk toe gaf, Egyptisch, Grieksch, Chineesch, Romeinsch, Gothisch, uit elke streek der wereld.
* * * * *
Met een ontzettend gieren zwalkte de bezeten troep thans om het voltooide werkstuk heen. De opperheksenmeester vloog boven op den top, stak daar in de gedaante van een bok zichzelven in brand, en regende naar omlaag in aschvlokken, die door de anderen opgevangen en verslonden werden.
Het spokende heir was nu buiten alle bedwang.
Allen begonnen te twisten over den voorrang; zij smaalden en spotten over elkanders werk, tot zij het eindelijk in stukken begonnen te slaan, en het geheel in duigen lag. In hunne dolheid misgrepen zij zich ook aan hun eigen kind, dat zij met de brokstukken wilden dooden en daaronder dreigden te verpletteren.
Ginds kraait een haan.
Woew!--op een werf in de verte slaat de hond weer aan. De dag breekt door. Als eene woedende hoos vliegt de drom om en om, in spiraal--kringen, die al kleiner en kleiner worden, de lucht in en eindelijk uit het oog, gelijk de morgennevel, die voor het zonlicht uitwijkt, en zijn slepend kleed na zich trekt. Gelukkig voor den armen leerknaap, die er gekneusd, maar toch levend afkwam, en voortsnelde naar eenig toevluchtsoord, de wijde wereld in. Daar is hij aannemer van huizen geworden en bouwt zich in de groote steden spoedig rijk. Zelfs wordt hem eerlang het maken van een monument opgedragen.
Zachtjes aan werd de gewone wereld weer hersteld. De takken verscholen hun dwaze, spookachtige gezichten, de schaduwen krompen in, het licht begon alle vormen, als de steenhouwer, van de grove omhullingen te ontdoen en ze scherper en nader aan te dringen; de boerenhoeven werden weder op haar plaats gezet in de nesten van groen; als een gouden maan ging de phantasie onder, en de scherpe, alles ziende zon van het verstand rees op.
En de ruiter, die, nog altijd verstijfd van schrik, in het zand had gezeten, kwam weer, hij wist niet hoe, op zijn paard, dat hij met de toomen verward vond in de struiken. Het beest schudde zich en rilde niet minder dan de ruiter, die, bevreesd om achter zich te zien naar den dorren heksenkring met zijn krans van paddestoelen, rende naar de stad, waar hij mij stillekens alles vertelde, en zijne haren liet zien, verzengd door den gloeienden walm van den zichzelven verbrandenden bok.
Er is geen twijfel aan of de man heeft het geheim betrapt van de wording en voortplanting van onze tegenwoordige bouwkunst; en naar zijne beschrijving te oordeelen, heb ik het heksenkind als meester zien bouwen aan eene nieuwe villa in mijne buurt.
Wees voor hem gewaarschuwd door uw vriend
BAMBOOTS."
* * * * *
WANDELINGEN DOOR DE WERELD.
I.
Ik ga de wereld doorreizen, mijn waarde, en u van tijd tot tijd mijne berichten toezenden.
Gij schrikt reeds, als ik u wel ken, voor eene reisbeschrijving, omdat gij weet, hoe de meesten reizen.
Zoo zaten er eenigen op de boot met mij, dezen zomer, die ik u veilig als monsters kon overzenden van het geslacht der hedendaagsche reizigers. Daar heeft er een zich neergeplant, die maar reist om aan te komen: hij draagt als eene pyramide zijn lot, en blikt rechts noch links, tot hij er is. Ginds loopt een ander, die slechts reist, opdat men wete, dat hij reist; en zijn troost is niet te zien, maar gezien te hebben en te kunnen zeggen: dáár ben ik ook al geweest. In tegenstelling met den vorige kijkt hij overal heen en wendt zich tot iedereen. Voorts zijn er de periodieken, die jaarlijks hun tour doen, even vast en even onbewust als eene natuurwet.
Maar buiten deze bijzonderheden zijn er nog andere soorten. Zij zijn uitstekend toegerust met kleederen, koffers, plaids, parapluies, alpenstokken, tasschen, verrekijkers, blauwe brillen en Guide's. Zij hebben alles medegenomen, maar alleen vergeten, iets in hunne schedels te doen; de woonplaatsen van verstand en gevoel staan te huur, of zoo gij wilt, de werktuigen zijn er, maar de grondstof ontbreekt, of zoo gij het weer anders wilt, de machines zijn onvolmaakt en de machinisten ongeoefend.
Eene van dezen had lang staan turen in het stoomwerktuig der boot. Uiterlijk, wat schoone verschijning! Het koeltje waait de klapperende linten te gelijk met een paar vlekjes van de blonde haren los en uit het aangezicht, dat de frissche blos er te frisscher door zichtbaar worde, en jaagt de kleederen vaster om de gestalte, dat zij zich sterker teekene in haar schoonen bouw. Wat peinst deze allerfatsoenlijkste en welopgevoede jonkvrouw over de machine? Ziet zij wel, dat de zwarte, vuile stoker telkens kolen in den oven werpt? Och, mocht hij eens een fijn, fatsoenlijk en welgemanierd vermoedentje bij haar kunnen opwekken, dat, zoo hij dit nalaat, wij weldra stil zullen liggen dobberen midden in den stroom, of meedrijven met den vloed en terug met de ebbe, opdat zij er uit opmake, dat een organisme voedsel moet hebben om te werken en te handelen!--Zij en hare ouders, en haar zuster en broeder behoorden tot een gezelschap van de meest voorkomende soort. Zij hebben alles bij zich, zooals ik u zeide, maar alleen geen geestige bagage medegenomen. Geheel ongevoelig kunt gij ze niet noemen, want zij geven aan de meeste indrukken toe, die toevallig op hen werken, mits zij oppervlakkig zijn.
Wat zullen zij terugbrengen van de reis? Ik heb deernis met hen, als ik ze aanzie en dit naga. Een klein getal van uit de zesde hand verkregene verkeerde indrukken, een paar onbekookte oordeelvellingen over eene stad, eene verlepte gevoelige zinsnede over den Mont--Blanc, een dozijn geleende phrasen over natuur, komedie en table d'hôte; misschien eens anders oordeel over een paar monumenten, en eene leugenachtige bewondering van een grootsch stuk oude kunst, een Tiziano of een Correggio. Op bevel van den Murray of Baedeker, zullen zij zuchten in den kerker te Chillon, even hè! zeggen van de Jungfrau, in het voorbijgaan, vluchtigjes, vluchtigjes hun lof schenken aan de kathedraal te Florence, en in hetzelfde vertrek zijn (meer mag het niet heeten) als de _Stanze_ van Rafaël. En dan naar huis, met even ledig hoofd als bij den uittocht, met uitzondering, dat er een paar hokjes gevuld blijven met wat er van den Guide in is blijven hangen.
Zoo zijn er duizenden, en die zijn nog de ergsten niet eens, want wij wenden gevoel voor en eenige belangstelling, of leenen die van een ander, zijdelings bewijzend, dat die dan toch vereischt zijn.
Maar er zijn ook duizenden, die alleen reizen voor hun zinnen en wufte ijdelheid. _Buikreizigers_ moogt gij ze noemen, of zoo gij aan de phrenologische localisatie gelooft, _achterhoofdsreizigers_. Zij weten alles van comfort en lekkernij, van uitspanning en uitspatting; zij hebben vele kleederen gezien en geen menschen, en die de schoonste kleederen droegen vonden zij ook de voortreffelijkste menschen; zij zijn ten toppunt van geluk, als zij met graaf Polyplonski hebben gedronken, gegeten of gereden; hunne wereld is eene groote stad of eene badplaats, en hun levensdoel zinnendienst. Met duizenden trekken zij uit, om terug te keeren als een ledig paaschei, aardig geverfd, maar--hol.
* * * * *
En zou ik u dan nog het recht betwisten om bang te zijn voor de vruchten van zulk reizen?
Maar hiervan staat u niets te overkomen. Ik reis dezen keer maar met mijn schetsboek en mijn potlood; menschen en dieren, een hek of eene stad, kunst en zeden, het verledene en het tegenwoordige, er komt van alles in dat boek, en er waait als vliegende bladen, van alles tot u uit. Ik wil reizen met mijne voelhorens ver uitgestoken, en met het honderdvoudig facettenoog der vlieg. Ik zal ook eens buiten de plat getreden banen gaan zoeken. De bloemen en vruchten groeien niet op de gladde heirwegen, maar daarnaast in een greppel of een ander verborgen hoekje. Zaken en menschen zijn schier overal gelijk geworden, eene gelijkheid ongelukkig meer door afslaan van het uitstekende dan door verheffing van het lage verkregen. Met alles slechtende kracht gaat de gelijkmakende werking der beschaving voort,--een nivelleeringswerk als dat van het water, dat de hooge punten afschuurt;--overal dezelfde kleeding, dezelfde gezichten, dezelfde manieren, hetzelfde eten, dezelfde maatschappij, dezelfde denkbeelden. Als ik mijne medereizigers bezie, zoowel de oppervlakkige als de buikreizigers, moet ik bekennen, dat zij even goed--Engelschen, Franschen, Duitschers, als Hollanders, Russen of Amerikanen kunnen zijn. Wat moet er diep en ver gezocht worden naar eene oorspronkelijkheid, naar een individu!
Beschaving! Wij zullen de oude thesis van Dyon niet weer aan de, orde stellen, wij blijven u huldigen; en toch is het mij somtijds of u een klein vischstaartje uit het zijden kleed komt kijken,--schoone vrouw, zooals Horatius zegt, maar die in een vischstaart uitloopt. Doch liever werp ik met verontwaardiging dit denkbeeld weg. Neen, dat staartje behoort slechts aan uwe nagemaakte bastaardzuster, die licht en dicht, met een imitatie-stofje gekleed, met een dun laagje verf is opgeflikt, dat zij heel wat schijnt. Het is die, gij weet wel wie en wat, die wisselzieke, die kleur- en karakterlooze, die men niet pakken kan en zeggen, nu heb ik je en nu zal ik je dood knijpen, maar die men overal en telkens duidelijk ziet, die zich meest in het, gezelschap van beschaving vertoont; dat ding, dat men dan maar bij benadering fatsoenlijkheid moet noemen, hoewel het geen fatsoen heeft. Fatsoenlijkheid,--het woord toont in zijn vorm reeds zijne gemaniëreerdheid.
Fatsoen, dat is nog goed, dat is vorm; fatsoenlijk is reeds eene afleiding, dat is afwijking; het is iets, dat den aard van fatsoen heeft, dat er na lijkt, maar het niet is; en dan nog--_heid_--dat is weer een verdere afstand van de bron, van den stam.
Daar hebt gij den moordenaar van vrijheid, van oorspronkelijkheid, van natuurlijkheid. Durf eens _waar_ zijn, als hij er bij is!
* * * * *
Nu zullen wij er toe komen te weten, wat voor wereld wij gaan bezoeken. Gij ziet al, dat het niet de groote kosmos is, noch die wereld, die met minder grootspraak eenvoudig de aarde heet, noch, overdrachtelijk, de bol, dien keizer Karel in de hand houdt, de staatkundige, noch de zeepbel, die de groote wereld heet, noch die onzichtbare, maar overal ingrijpende, overal gevreesde en gevierde tyran, van wien het heet de eischen, de opinie, de convenances der wereld, en die in den vorm van _wat zou de wereld daarvan zeggen_? maatstaf is van handelen en oordeelen. Maar die vereeniging van menschelijke aandoeningen, gewaarwordingen en gedachten, die bij den omgang der menschen elkander kruisen; die wereld der phantasie, die ons omvoert in alles, dat de menschheid doorleefd heeft en nog doorleeft; die wereld, wier ruime kringen het gebied der natuur, van het zedelijk bewustzijn, der rede, der kunst omvatten, het ware _leven_, dat zich in gevoel, in daad en in denken uit, maar toch altijd één is.
Ook de zon was op hare schijnbare reis om de wereld. Zij was aan de _Waag_ gekomen, en in gelijke schalen lagen dag en nacht tegen elkander opgewogen. De herfst was begonnen. Mijn eerste reisdag is een herfstdag, en gij moogt boven dit blaadje zetten:
HERFSTDRADEN.
Van den eenen boom naar den anderen, of zacht gewiegeld op de golvingen der lucht, dwarlen de herfstdraden der phantasie, licht bewogen door elken luchtstroom, verguld door de zon, als een teeder weefsel gevlochten over het ruim der aarde. Het zijn geen touwen, vriend, waar men eene katoenbaal mede kan ophijschen in het pakhuis--maar snaren kan men er van maken, wier trillingen liefelijk en bevallig klinken in de wereld des goeden en schoonen.
Als gij maar niet zegt, dat zij langdradig zijn, of dat het maar rag van spinnen is.
Daar zat er eene--eene spin meen ik eene groote, achtbeenige, diklijvige. Tusschen de ranken van een weelderigen wilden wingerd, die langs het raamkozijn oploopend, in steeds geler, bruiner en vuriger tinten, tot gloeiend rood toe, voortklom naar het dak, had zij hare webbe uitgespreid. Zij had haar middelpunt gekozen, en daaruit vele stralen getrokken als de spaken van een rad, en van de eene spaak op de andere klimmend, met den kleverigen draad achter zich, verbond zij die de eene aan de andere, den eenen veelhoek om den anderen scheppend, totdat het geheel was afgeweven, en zij zich in het middelpunt plaatste als de vorstin des rijks. De onnadenkende kleine vliegjes, met zilveren en lichtgroene vleugeltjes, bijna onstoffelijk fijne wezentjes, fladderden op de schoone kleuren van den wilden wingerd af en raakten jammerlijk in het kleverige net verward en vastgeplakt. De spin--koningin bleef gerust in haar middelpunt hangen, en zag met welgevallen haar voorraad toenemen en de vruchtelooze worstelingen der arme kleinen. Alleen, wanneer eene groote vlieg in de spaken van het wiel verward raakte, rende zij, trillende van drift, op haar af en omwond de gevangene met haar onuitputtelijken voorraad van draadstof.
Ik moet bekennen, dat ik iets zeer stuitends vond in de wijze, waarop de arme kleine vliegjes, die niets verlangd hadden dan een weinig te rusten en te eten van de schoone bladeren, door den barbaar werden gevangen en gemarteld; dat hare stuiptrekkende pogingen om zich te bevrijden mijn, gemoed in beweging brachten.
Wat, dacht ik, doet zulk eene vuile spin in de wereld? Hebt gij niets beters te doen, dan schoone vliegjes te martelen? Is dat uwe eenige levensbestemming? Zal ik dulden, dat gij voortgaat met uw barbaarsch werk, en niet liever de onnoozele slachtoffers uwer vraatzucht verlossen?
Één duw met mijn stok, en het weefsel hing gescheurd ter neder. De spin liet zich pijlsnel vallen. Nu, daar is kunst aan noch moed, als men weet, dat men toch aan een draad uit zijn lijf blijft hangen en niet dood valt. Echter, in het weefsel der verschillende aandoeningen, die in dat oogenblik in mij heen en weder werkten, was een draad van berouw. Het verstand schijnt eerst terug te keeren, als de dwaze daad bedreven is,--en eene dwaze daad was het, de arme koningin zoo ruw uit haar rijk te stooten.
Ook een draad van beschaming liep er door het weefsel--ik kon niet eens herstellen, wat ik misdreven had.
De gevallen koningin, zittende op de bouwvallen van haar kasteel, deed mij bittere verwijten.
--Gij vernielt mijn nijveren arbeid, gij hindert mij in mijn levensonderhoud, gij, die zelf honderden onschuldige dieren verslindt! en gij waant u wijs!--zei de verontwaardigde spin, zoo kwaad als ... als eene spin.