Vogels van diverse pluimage

Chapter 14

Chapter 143,832 wordsPublic domain

--Gij zijt eene onbeschaamde, zeide ik, boos, want ik had ongelijk;--verbeeldt gij u, dat gij in uw web het middelpunt der wereld zijt, en dat alle arme vliegjes u ten dienste moeten zijn?

--Och ja, evenals gij, die dit ook denkt van uzelven. Of meent de mensch niet, dat de aarde het middelpunt is van het om hem geschapen heelal en hijzelf het allermiddelste egoïstische punt, waar alles om draaien moet?--De geheele wereld bestaat uit eene reeks van wezens, die elkander opeten en uitzuigen; de meerdere den mindere, en die wordt op zijne beurt door zijn meerderen verslonden. Vroeger aten de menschen elkander ook op, maar sinds zij zoo geweldig in waarde gestegen zijn, dat is, sinds zij elkander zoo hebben opgevijzeld, zijn zij te duur en eet men ze niet meer. Maar dat belet niet, dat zij elkander toch uitzuigen, en het zeldzame voorbeeld opleveren van individuen van hetzelfde genus, die elkander vernielen. Als gij redelijk wilt zijn moet gij die groote wesp dáár verhinderen mij te verslinden en ook oppassen, dat die vogel, die deze wesp wel zou lusten, haar niet vangt.

--Gij zijt zeer vernuftig, schijnt het; misschien zijt gij wel een afstammeling van Darius of Alexander, eene van de twee spinnen, die Spinoza er op nahield; misschien hebt gij van daar uwe redekunst ontleend, maar uw vraatzuchtig stelsel bevalt mij niet. Gij zijt zeker een dogmaticus,--Baco zei, dat de dogmatici spinnen zijn, die hunne stelsels weven uit eene zelfstandigheid, die zij in zichzelve bevatten; gij, hebt als een dogmaticus uw systeem uit uw buik geweven, en de geheele wereld doen berusten op een stelsel van vraatzucht.

--Gij zoudt het gansche weefsel der natuurorde willen veranderen,--gij kunt nog geen spinneweb herstellen, dat gij vernield hebt!

Zij was al weer bezig de schering van een nieuw net op te zetten tegen de rosse bladeren des wingerds.

Ga maar voort, dacht ik, half boos en half beschaamd, gij zijt toch maar een dogmaticus, en het zijn in allen gevalle maar bitter magere vliegjes, die gij stilzittende vangt. Ik ga liever als empiricus de wereld in en naar buiten, daar is meer te vangen dan met stilzitten--al is het in het schoonste stelsel.

* * * * *

Nu had ik weer eens gelijk en ging dus tevreden de deur uit.

* * * * *

Waarheen? Naar de natuur, de vrije, de krachtvolle, de ware. Met den breedgeranden vilthoed, den stok, de tasch om de schouders, ga ik op reis. In die tasch zitten een potlood, enkele verven en een schetsboek, het boek, waarin schrift en beeld, uitwerksel en veraanschouwelijking der gedachten elkander beurtelings opvolgen en aanvullen. Soms moet er een boom op komen, doch wordt het een sprookje, of in de plaats eener lyrische ontboezeming, zie ik er uit de half onwillekeurige bewegingen der hand eene zacht hellende heuvelkling, een bemost hoekje muurs met eene schuilende kudde, of een wijd verschiet van duinen op verrijzen.

Dan naar buiten! Onbekend door achterstraten geslopen gejaagd en kloppend, want een is er, die mij op de hielen zit, of dien ik opeens bij het omslaan van een hoek der straat kan tegen het lijf loopen. Gij kent hem, het is Fatsoen. Als die mij betrapte in dezen toestand en deze kleeding, dan was ik verloren, of minstens een onbruikbare zonderling geacht: als hij eens wist, dat ik een ganschen dag ga zwerven in de bosschen en op de heide! als hij mij eens herkende en toesprak!--mijn dag was bedorven en mijn genot vergald. Daarom loop ik zoo snel, dicht tegen de huizen aan, en ren eene zijstraat in, als ik meen hem te zien aankomen in de verte. Dan de stad uit: bijna ben ik gered, maar nog kan hij mij verschalken: eindelijk, den landweg op, eene rijzing van den grond bedekt de stad voor het oog, eene boomgroep doet torens en geveltoppen verdwijnen, het geluid in de straten gaat in, gegons over en versterft geheel: het bosch langs, met een onwederstaanbaren dwazen glimlach om de zonderlinge ontsnapping en de gelukte list:--nu stil gestaan, om de versnelde ademhaling te bedaren, en omgezien--ik ben alleen, vrij, vrij!

* * * * *

Mijn verschil met de spin, had mij de oude sage van Arachne te binnen gebracht, en van haar weefsel, ook eens door de verbitterde Athene verscheurd, en ik had het kleine deeltje niet Ovidius' Metamorphosen in de tasch meegenomen. Gij kent het oude verhaal, maar willen wij het nog eens lezen, hier aan den zoom van het bosch, in het gras uitgestrekt, _lentus in umbra_? Misschien, dat wij er, buiten de school of het boekvertrek, en in deze omgeving...,

Patulae recubans sub tegmine fagi,

een nieuw en versch genot van kunnen smaken, want die ouden blijven altijd frisch en nieuw.

Pallas had van de nieuw ontstane hengstebron vernomen, en spoedde zich, in eene lichte wolk gehuld, naar den Helicon.

--Wees welkom in onze schoone streken, zegt Urania, eene van de negen maagdelijke kunstenaressen, en laat uwe oogen weiden over de dichte bosschen, het heerlijk tapeet vol kruiden en bloemen, de kristallijnen bron, onder des hengstes hoefslag geboren.

--Gelukkig, zegt Pallas, gelukkig dit verblijf der kunst!

--Ach, zuchtte eene andere uit het zustrental, ach, indien wij slechts in vrede waren!

Wat was de klacht der Muzen? Piërus was een overweldiger, die de Muzen aan zijn hof had willen verbinden, die haar allen zijne liefde had willen bewijzen. Maar zij waren onwillig,--nu, later, in Italië, bij voorbeeld, zijn zij aan de hoven der kleine overweldigers niet zoo eenkennig geweest. Toen hij ze nu wilde vasthouden, schoten zij vleugels aan en ontsnapten, en de ongelukkige kunstliefhebber sprong haar na uit een toren en verbrijzelde zijn hoofd.

Doch er was vroeger meer gebeurd, dat de Muzen ontstemd had en ziet, hier worden wij opeens door een geheel nieuw aanzicht van het verhaal verrast.

Negen Macedonische zusters, Piërus' dochters, hadden zich verstout, de Muzen uit te dagen tot een zangstrijd. Het ware schande geweest, zoo de Muzen den strijd geschroomd hadden. Toen zich eene maagdenrij, die tot rechtspraak gekozen was en bij de stroomen gezworen had, ter berechting had nedergezet in een kreits van uit den levenden steen gehouwen zetels, ving eene der Piërieden aan en zong de nederlaag der goden voor de macht der Giganten. Calliope zong haar tegen; het haar met klimop omwonden, rijst zij op, drukt met het plectrum de klankrijke snaren der citer en bezingt de macht, den lof der goden. Het eenparig oordeel stemde haar overwinnaar. Maar de negen Macedonische maagden hielden eene scherpe anticritiek, wat in die dagen niet paste, en zij werden tot straf daarvoor in snaterende eksters herschapen.

Gij begint te begrijpen, waar de schoen wrong: de Muzen waren nu eenmaal de erkende vertegenwoordigers der kunst en hadden daarvan, als officiëel lichaam, het monopolie; het kwam dus volstrekt niet te pas, dat een ander zich ook op kunst liet voorstaan, en haar op zijne wijze uitoefende. Wie had gedacht, toen wij ons op den Helicon waagden, dat wij daar al den strijd tusschen de vrije en de academische kunst zouden ontmoeten?

Wij zullen nog meer nieuws vinden; luister maar.

Dit hadden de schoone Muzen aan Pallas geklaagd en deze was er door ontvlamd.

Ja, dacht zij, de president der academie, daar woont in Macedonië de trotsche Arachne, die met hare kunst de onze, de eenige erkende naar de kroon wil steken. Ook zij moet gestraft worden, evenals de dochters van Piërus.

Daar stapt eene oude vrouw naar de Lydische maagd, die er de godin niet in vermoedt, maar die ook met de daarna geopenbaarde Pallas niet schroomt den wedstrijd aan te vangen. Beiden weven en stikken de schoonste tafereelen.

Pallas Athene schept er het geding tusschen haar en Poseïdoon over de schutsheerschappij van Attica--zij schildert de rechtende goden, het ros op den slag van Poseïdoons geweldigen drietand uit den grond ontsprongen, maar ook den olijf door haar, de maagdlijke godin, uit de steenrots der Acropolis te voorschijn gebracht en de overwinning haar daarvoor toegekend;--mythe van een beschaafd volk, het land veroverend en de heerschappij der zee innemend, van de overwinning der beschaving op de physieke kracht, zooals wij die ook terugvinden in de beeldgroepen aan den westgevel van het Pantheon. Athene weeft er voorts tot waarschuwing vier voorvallen bij, waarin de aanmatiging der menschen tegen de goden gestraft werd.

Maar Arachne weefde heel wat anders. Zich ontslaande van ideaal en traditie, vertoonde zij er eene reeks van guitenstreken der hemelingen, en de gevallen van een tal van schoone meisjes, door de godlijke heeren geroofd en gekust: Europa, Leda, Antiope, Alkmene, Danaë, Mnemosune, Ceres, enz. in het oneindige als eene repeteerende breuk. Die voorstelling was niet zeer orthodox, maar zij was satirisch en karakteristiek; zij was niet ideaal, maar zeer realistisch en pikant.

--Wat! barstte Athene uit, wat voor kunst is dit? Wat treedt gij onze wetten en regelen en de traditie met voeten! Wie geeft u vrijheid, de zaken anders voor te stellen dan wij gewoon zijn, en er eene kunst op uwe eigen hand op na te houden? En vergramd en naijverig scheurt zij het vernuftige weefsel, slaat de weefspoel op Arachne's hoofd aan stukken, en doet de Lydische kunstenares in eene spin veranderen, die van haar vorig bestaan nog het kunstige weven behouden heeft.

* * * * *

--_Daar_ hebt gij het, dacht ik, oprijzend en langzaam voortstappend, terwijl ik het boekje dichtsloeg en in de tasch deed glijden. Athene en de Muzen waren de aangestelde uitoefenaars van officiëele kunst, en het was dus eene misdaad van gekwetste majesteit, dit monopolie aan te raken; hare kunst is de alleenheerschende, de staatskunst, met haar traditioneelen stijl en hare conventioneel--ideale voorstelling. Maar Piërus' dochters en Arachne zijn de democratische kunst, die, uit alles zichzelve wil ontleenen, haar eigen weg volgt en haar eigen begrip.

Het spreekt vanzelf, dat, toen de academie en de president boos werden, de vrije kunst in die dagen voor geweld moest onderdoen. Doch de tijden veranderden. De Piërieden werden toen eksters en Arachne een spinnekop, maar zij bleven toch natuur, dacht ik. Nu is de academie versteend, en de president is afgezet, maar de anderen leven nog. Hodie mihi, cras tibi.

* * * * *

Zoo werd ik door Arachne weder met de spin verzoend. Een mensch wil altijd langs een omweg verzoend worden. Dat is natuurlijk, want dan ziet hij zijn ongelijk niet zoo, of voelt de soort van schande niet, die hij in het erkennen van ongelijk waant. Zoo vond ik het ook eene tamelijk eervolle wijze om met schik van mijn toorn af te komen, vooral sinds ik uitgevonden had, dat de spin of Arachne de vrije kunst is. Wat eene heerlijke gelegenheid voor eene spin om de juistheid, van mijn beginsel te beproeven, en, van den rand van mijn hoed tot mijn neus een web wevende, mij ook de leelijke werkelijkheid te laten zien, die mij van mijn naturalistischen waan weer bekeerd zou hebben tot de ware kunst!

Ziedaar mij dan weer in het evenwicht gebracht, waaruit de woordentwist mij had gestooten, en bereid de natuur te genieten met dat gevoel van kalmte en vrijheid, dat ons uit hare kalmte en vrijheid ademend wezen toestroomt.

* * * * *

Liefelijk is het, rond te, dwalen in deze herfstdagen. Dan genieten wij nog zoo gretig van de laatste zachtheid en teederheid der natuur, te liever, omdat zij ons zoo spoedig dreigen te verlaten. Want ook hierin zijn wij zoo, wij kinderen, dat wij het speelgoed in een hoek werpen, en er om dreinen, als men het ons afneemt. Thans verwijt ik mij, dat ik haar niet lief genoeg gehad heb en haast mij, in vurig genot, haar schoone wezen als met alle zintuigen te omhelzen. Het liefst is mij in dezen jaartijd toch de heide, dat grootsche van hare uitgestrektheid, dat vrije, dat eenzame, gedachten bezielende. Daarom spoed ik mij voort, hoe mij de eiken- en beukenbosschen ook tarten met al den gloed hunner stoute en schitterende kleuren. Allengs begroet ik de kenteekenen van den heigrond. Terwijl de eiken met hun kantige bladmassa's en hun knoestigen, gekromden takkenbouw, de beuken met hun gladder, fijner vormen, hun scherper, meer horizontaal gestrekte bladerengroepen, en de slanke berken met hun blikkerend loof, hun teedere gestalte en wuivend gepluimde toppen, reeds alle achter mij gedompeld liggen in den rijkdom van tinten, die de toonladder van goudgeel tot bruin of vurig rood oplevert; terwijl hier en daar al eene enkele groep de ontbloote toppen, als kale schedels, uit het loof heft, kunnen de dennen, die ons nu omringen, nog op al hun groen bogen, al is dit wat gehard of gebruind door de zomerhitte; en het dichte naaldgebladerte geeft den schichtigen eekhoorn nog eene schuilplaats, die voor mij vlucht, als ik--voor, ge weet wel wien. De koningen der hei, de statige dennen, wier ruischend lied en geurig aroma mij altijd zoo bekoren, bewassen in lange en dichte rijen de zoomen van den heigrond. Ik spoed mij voort tusschen hunne afgeschilferde, roodbruine stammen, voort over den met tengels, schors en pijnappels bedekten grond; tot waar de stammen ijler worden en de lucht laten doorschermen; nog eene kleine, zandige streek, waar het bosch ophoudt, de laatste hoog opgeschoten stammen de kruinen zachtkens wiegelen, en een jeugdige opslag, de vrucht van door den wind hierheen gestoven zaden, weder een stuk gronds heeft veroverd, en wij zijn op de wijde vlakte, waar de voet het schoone vloertapeet drukt der veerkrachtige erica's.

Achter mij liggen nu de lange reeksen van pijnbosschen, die het landschap aan die zijde omlijsten, eene lijn, rijzende en dalende te gelijk met den bodem, versmeltend in steeds dampiger tonen en wegloopend in den gezichteinder.

En vóór mij, wat een rijkdom in die twee eenvoudige gegevens, eene wijduitgestrekte vlakte en het koepelgewelf des hemels daaroverheen!

Nu eens helder en gespannen, laat die lucht de nog warme herfstzon over de heide stralen; dàn vormen zich in het westen dampen en groeien daar tot een paar wolkjes aan, die als de rookwolk van een kanonschot daar blijven neerhangen bij den gezichteinder; of vluchtend op den adem des winds ijlen meerdere wolken elkander achterna en werpen evenzoo elkander naglijdende banden van schaduw op de zonnige vlakte, die er de verrassendste licht--en schaduwpartijen door wint.

Duizend geestige motieven voor het penseel liggen in dien grond met al zijn hoogjes en laagjes, dien grond, die, zonder hooge heuvels toch zachte zwellingen en dalingen der oppervlakte aanbiedt. Nu eens is de heiplant en de dunne zwarte aardkorst opgerukt en ligt de witte zandgrond bloot, ten gevolge van natuurlijke oorzaken of door het afsteken van zeden, die als plaggen elders op den dorren grond tot bouwaarde moeten strekken; ginds is eene moerassige streek, met eene harde en leelijke grassoort ten deele begroeid, die bij overvloedigen regen in deze vlakte een kleinen spiegel zal vormen; elders is de bovengrond door den regen in slangsgewijs voortloopende groeven en spleten omgewoeld, en zijn de geel--of roodachtige banken zand--oer ontbloot.

Het meest karakteristiek is de hei in haar plantentooi. Hier en daar met andere planten vermengd, varen, russchen en brummels of beziën, bestaat haar meest kenmerkend gewas toch uit ericaceeën. Duizenden bij duizenden in dichte bundels groeiend, bedekken de schoone erica's met hare bruine stammen, hare fijne, donkergroene bladeren, en de stengels aarvormig bezet met de lila en rozenroodachtige, zelden witte bloemen, den bodem, en, geven daaraan die paars--bruine kleur, die naar de mate des lichts hare schakeeringen meer naar het paars of naar het bruin doet overhellen.

Zoo strekt zich dit landschap tot den verren, verren gezichteinder uit, eene schier onbegrensde ruimte voor den geest des mijmerenden zwervers, en geen berg hindert het uitzicht.

Geen berg, die _hindert_?--Ja:--al ontken ik het grootsche schoon der bergen niet. Ik zal niet onderzoeken, in hoever die hindernis een moreel of wel een aesthetisch gevoel ten grondslag heeft; maar zeg mij, waarom gij geen berg zien kunt of gij wilt hem beklimmen, en u zelfs bij geschilderde bergen de lust bekruipt van te weten, wat er achter ligt? Is het niet, omdat hij u het uitzicht beneemt, dat gij uw blik zóó ver in de ruimte wilt laten weiden, als het physisch vermogen van het oog toelaat?

Welnu, dat kunt gij hier, en laten wij er in allen geval tevens de krachtige aesthetische uitwerking bij erkennen, die ook aan het vlakke landschap eigen is.

Somtijds wordt de stilte en eenzaamheid van dit natuurleven gebroken door eene kudde, die hier grazen gaat, en wier herder in eene greppel zich uitstrekt of achter eenig struikgewas een plekje schaduw zoekt. Diep in den grond geploegd kronkelt een oud spoor zich voort, welks voren reeds gedeeltelijk weer met pruiken van heide bewassen zijn, en somtijds rinkelt daarover de bel van een paard, dat schuddende het door een netwerk of een boomtak beschermde hoofd, met langzamen en zekeren stap de open kar voorttrekt, wier hooge, schuine wielen het oude spoor weder omwoelen. Lang kunt gij het geklikklak der bel hooren en de kar nastaren, die zich naar de leemen hut voortbeweegt, wier bemost dak zich in de verte nauwelijks van den heigrond onderscheidt.

Het is mij alsof ik hier zou willen leven, voor eenen tijd. Het is in alles een zuivere natuurindruk, dien men ontvangt, de menschenhand heeft hier nog niets gedaan, en daarom bleef er zooveel, dat tot ons spreekt uit de eenvoudige bestanddeelen van het landschap om ons henen. Beurtelings is het een ethisch en intellectueel leven, dat zich openbaart, een wereld voor het gemoed of het verstand, beurtelings eene aesthetische kracht, die zich doet gelden. Denker of kunstenaar, beiden kunnen hier dien toestand van zuiver genot smaken, waarin de mensch, in de beschouwing verloren, vrij wordt van zijn eigen ik, vrij van wat zijn wil en begeerte opwekt, en geheel belangeloos tegenover de natuur en het schoone staat. Vandaar die rust, dat evenwicht, dat gevoel van geluk.

* * * * *

Voor den schilder is de lichtwerking in dezen jaartijd eene rijke bron van schoonheid. Hij vindt er schaars de kracht en het vuur van het zomerlicht, de volheid en de diepte zijner schaduwen en beider sterke tegenstellingen; maar de herfst geeft eene fijnheid van tonen, eene zachtheid van schakeeringen, die verrukkelijk zijn. Hier spreidt zich over de vlakte een stroom van nevelig licht uit, ginds werpt de lage zon hare stralen met scherper hoek; het licht scheert als het ware over de oppervlakte heen, de toppen van grasspriet of heiplant en bloem verlichtend en aan deze kleine voorwerpen, aan de kluiten op den grond zelfs, lange schaduwen gevend. Een andermaal beschijnt het eene groep van halfontbladerde boomen, die zeer helder bruin van kleur, en uiterst fijn en teeder van toon, licht afsteken tegen de grijze wolken. Keert gij den rug naar het zuidwesten, dan ziet gij het landschap in het volle licht, wendt gij u naar de zon, dan is de boschzoom in het donker, want hij is vóór de zon, en in stille, vlakke tinten, bijna ééntonig en zonder diepsels en hoogsels, vormt hij ééne, door de reflex--lichten van den grond wazige, massa, boven wier toppen alleen een rand van licht komt schemeren.

De dampkring is niet meer zoo ijl en doorschijnend, hangt lager en vormt dichter ineengedrongen een zacht waas, dat zich over den omtrek uitbreidt, dat, hoe verder het verschiet is, des te dikker wordt en boomen en heuvelen bij den gezichteinder in een steeds blauwender kleed hult. Daarom geen heele tonen en kleuren, maar gebrokene, en eene eenheid en harmonie, eene verwantschap van allerlei tusschentinten, die soms tooverachtig onwerkelijk, die gemoedelijk en liefelijk zijn, en aldus stillend en weldadig op het oog werken. Zij klinken als een eentonig wiegelied en roepen eene zachte rust te voorschijn in het gemoed, eene tevredenheid, een volkomen evenwicht door het uitsluiten van alle hartstochtelijkheid.

De zomer is gloeiend, hartstochtelijk, schel, levendig bewogen en bewegend, de zomer is de tijd der alom werkzame krachten, hij is de jeugd in hare onrust, in haar vuur, in haar zoeken en jagen.

De herfst is de mensch, wiens driften hebben uitgewerkt, de zacht vlietende stroom na den storm, helder als deze, nadat het slib en meegevoerde slijk zijn bezonken en die nu slechts een hemel zonder buien weerkaatst.

De herfst is de man, wiens oogsttijd is gekomen, in rustig zelfbezit, in wien de drift tot geestdrift is geadeld en het rusteloos zoeken tot eene beraden werkzaamheid, de man in het evenwicht zijner natuurlijke en verstandelijke krachten.

De herfst is de vrouw, die gevonden heeft, waar zij tastend naar zocht, een kring om te werken en te lieven, de vrouw, die moeder is geworden; niet meer, laat het zijn, met de dartelslanke leest, met de weelderige lokken, de tintelende oogen en de gloeiende wang, maar met dat spiegelgladde voorhoofd, met den kalmen en blijvenden glimlach van het gevonden geluk, van een verworven levensdoel.

Daar is geen droefheid voor mij in het najaar. Droefheid moge er zijn in de afgevallen bladeren en doode takken, in den looden hemel of in de neerstortende buien en de kille sneeuwjacht en den mist. Maar dit is de herfst niet in zijne kracht, het is de herfst in zijn dood en in zijn overgang om winter te worden. Nu is het natuurlijk leven nog in, al zijn rijkdom. De zon geeft nog helderheid en warmte, de plantengroei is nog rijk aan loof, al is het gebruind, en al zien wij daarin de jonge, licht gekleurde, saprijke spruitsels niet; en is de akker leeg, de boomgaard is vol. Er is alleen rijpheid, geen verval in het physisch leven der aarde.

Wel is er ernst in den herfst. Geen, ernst zooals die gewoonlijk begrepen wordt, geen ernst, die zuur kijkt en de, wenkbrauwen samentrekt met de sombere voorhoofdsrimpels, die smaalt op alle stof, op alle zinlijkheid, op alle schoon van vormen en kleuren, en voor wien eindelijk niets van het leven overblijft dan eene dorre, kale woestijn; geen ernst, die konfijt in suikerzoet geteem, of veroordeelt in harde liefdeloosheid. Maar die andere, die de oogen opent en het voorhoofd glad plooit, die alle levensuiting niet veroordeelen, maar adelen wil, die schoon, sterk, gezond is, het leven tot zijne bestemming wil opvoeren, en in alles dit hooger beginsel wil, DE GEEST ZWEVENDE BOVEN DEN CHAOS.

Die ernst behoeft er niet bleek en mager uit te zien, slaat de oogen niet wanhopend op dit tranendal, prevelt geen formulieren, is niet aan vormelijkheid, als een mollusk aan zijne schelp, gebonden; maar hij kan lachen, zijn bloed stroomt krachtig door de gezonde aderen, zijn oog blikt helder als eene lichtende vonk van het vuur, dat Prometheus uit den hemel veroverde en zijn geest is als de ladder Jacobs, waar de gedachten op en af zweven, en die met hare stijlen hemel en aarde verbindt.

Eens doen de gedachten op die ladder haar laatsten op- en nedertocht,--en staan zij naar gelang op eene hooge of op eene lage sport; dán valt de ladder weg en de geest blijft, wie zal het zeggen, of nog gebonden, om eerst langs vele ontwikkelingen hooger op te mogen klimmen, of zoo hij op eene hooge sport stond, terwijl hem de ladder ontviel, zal ook hij, evenals de GROOTE GEEST VANOUDS, leeren zweven boven den chaos van stof en vormen.