Vogels van diverse pluimage

Chapter 15

Chapter 153,726 wordsPublic domain

Tot zoolang, mijn waarde, nu de ladder Jacobs nog overeind staat, en wij de sporten niet missen kunnen, zullen wij niet op de stof en de zinnelijke wereld smalen, noch haar dooden in en buiten ons, maar liever dat stoffelijke bestaan veredelen en zoo homogeen mogelijk maken aan den geest, waaraan het gebonden is. Wij zullen ze niet beminnen met ziekelijke gehechtheid, niet uitsluitend voor haar leven, maar wij zullen ze toch vurig liefhebben die wereld van natuur en zinnen, waarin wij zooveel schoons en goeds belichaamd zien, waarin zich uitdrukt al wat de geest, werkt, waarvan ook de uitwendige vormen gemaakt zijn onzer ouders, onzer vrouwen, onzer kinderen, en ook van u, mijn vriend.

Hierbij laat ik het voor het oogenblik; ik zend u mijnen groet, en weldra, hoop ik, het vervolg mijner heiwandeling.

_Truly yours_ C. V.

* * * * *

II.

Ik was er niet geheel en al op onvoorbereid, carrissime, door u gehekeld te worden om den weidschen aanhef van mijn eersten brief, die u niets minder dan de gansche wereld door zou voeren, en waarin wij zoo lang op een stuk heigrond en in het bespreken van een paar denkbeelden bleven ronddraaien. En toch ben ik nog op die hei, en zal ik er u nogmaals heentronen.

Quousque tandem....![5] zoudt ge mij plagen met den al of niet Ciceroniaanschen uitval tegen Catilina.

Stil!--de ontboezeming is eene mimosa, raak hare teedere bladeren niet aan: en daarenboven, ik weet immers toch, dat, wat uw vernuft ook spotte, gij evenwel met mij deelt in het genot van het schoone, vrije natuurleven; ik weet immers toch, dat gij het mij niet zult tegenspreken, hoe men op een beperkt stuk gronds, in éénen toestand eene wereld van gedachten of gewaarwordingen kan beleven.

Weet dan, dat ik die wereldreis koos om in onzen geestesomgang geen nauwe grenzen te hebben, maar ruimte, waar gemoed en verstand stoeiend of ernstig konden omzweven in zoo wijde banen als zij zouden gelieven.

Ik voor mij kan er nog geen afstand van doen, onder mededeeling aan u, het rijke levensgenot te herdenken, dat mijne natuurbeschouwing mij schonk op dien herfstdag. Te meer, omdat uwe bedenkingen zoo juist overeenstemmen met de gedachten, die mij toen bezielden.

Want gij klaagdet in uw antwoord over de maatschappij en het gezelschap, in het algemeen over de samenleving. Juist deze zijn het, die mij bijwijlen nopen, verademing te zoeken in de natuur, den ouden sleur te ontvluchten en in eene omgeving van oprechtheid voor de gekunsteldheid vergoeding te vinden.

Ik stem het u toe, dat zij ziek zijn, of, zoo wellicht deze stellige uitdrukking te sterk is, dat zij niet gezond zijn,--en, zij willen niet genezen worden. Dat is het geval bij zielszieken. Wie lichamelijk lijdt, haast zich, van zijne kwalen bevrijd te wezen, maar de zielszieken willen meestal niet genezen worden. Hoe zouden zij ook willen, daar hun wil mede ziek is? Zij consulteeren en medicineeren er wel tegen, maar voeden te gelijk dagelijks hunne kwaal, aanvullend, wat de geneesheer wegnam, en gij kunt ze niet meer grieven dan door hun te zeggen: gij wordt beter. Ook onze samenlevingsmensch is zielsziek. Door gemaaktheid, conventie, oververfijning, die weekheid is geworden, door gebrek aan hoogere overtuiging, door leugen en schijnzucht, en alleen waarheid kan hem redden, waarheid en die schoone verschijning, waarin de waarheid vleesch geworden is, de natuur.

Die onnatuur, dat geveinsde en gekunstelde, heeft ook het gezelschapsleven verwaterd of bedorven. Onder conventioneele vormen beweegt het zich voort op den stroom der meening, maar derft te veel de geestesbezieling. Wat er zich tegen verheft is maar eene reactie van onverschilligheid. Hoe dikwijls waart in de gezelschappen der wereld die melancholische gestalte onzichtbaar, maar voelbaar om,--wilt gij haar Hamlet of Shakespeare noemen,--met de bittere woorden op de lippen:

Hoe mat, oudbakken, geestloos schijnen Der wereld vormen en gebruiken.

* * * * *

De algemeene beschaving berust te weinig op inwendige vorming, te veel op uitwendige, en deze is het fatsoen, dat alles beheerscht, de afgod van alle standen, naar wiens gunst allen streven, en het groote einddoel der zedelijke opvoeding. Het spreekt overigens vanzelf, dat dit fatsoen slechts tot het uitwendige leven beperkt is en tot het niet openlijk schenden van de wellevenskunst.

Ten gevolge van dit alles heeft er ook in de taal en spreekwijze eene geheele verschuiving van beteekenis plaats gehad. Een aantal woorden heeft zijne kracht verloren, is verlept, verschaald, afgestompt en wij moeten, om vroegere kracht te behouden, ze opflikken met adjectiva, of er uit vreemde talen nieuwe voor in de plaats stellen. De taal is ook onoprecht geworden, gemaskerd, geblanket; valsche munt, geeft zij uit, als zij de beteekenissen verdraait en aan leelijke dingen schoone woorden schenkt.

Het valt moeilijk te ontkennen, dat met den loop der beschaving deze verschijnselen gelijken tred hebben gehouden, en dat zij elkander op de hielen, zitten; ja, het is zeker eene vrij juist schijnende redeneering, de gekunsteldheid, de verbastering, de afwijking van de natuur aan de beschaving toe te schrijven. Wij hopen toch eene bevredigender uitkomst te vinden.

* * * * *

In de beschouwing van de hei was ik met u blijven staan. Verbeeld u mij later aan mijn landelijk maal van wat ik had medegenomen, een dergelijk als wij meermalen samen plachten te gebruiken op onze tochten, wanneer wij--gij met de lange blikken bus, door dien boer eens voor een verrekijker gehouden, over den schouder,--gingen herboriseeren. Ik was op het punt om van den bodem, die mij tot tafel en stoel strekte, op te rijzen, toen de stilte en het daardoor gewekte gevoel van eenzaamheid opeens verbroken werden door den klank van een klokje, een geritsel in de struiken, en twee geiten, niet ver van mij weidend, mijne oogen troffen.

Eene tegenstrijdigheid moogt gij het misschien gaan noemen, en eene overwinning der gezelligheid op de afzondering, als ik u beken, dat dit teeken van levende wezens mij opeens eene gewaarwording van genoegen gaf. Doch het is ook waar, dat deze dieren en het meisje, dat ik iets verder ontwaarde, geen storende klanken waren in de stille natuurharmonie om mij heen, zij stemden er geheel mede samen. Ik kan niet zeggen, dat zij de stilte braken.

Deze dieren zochten naar de jongste en zachtste planten, en dicht bij hen bespeurde ik een meisje, dat ze moest hoeden. Daar ik in half gerezen en half liggende houding door de hooge bremstruiken verborgen was, die met hun sappig groen hier en daar in groepen over den bodem. verspreid, eene schoone wisseling van kleur gaven aan het eentonige heikleed, zag zij mij niet. Het was een hoogst schilderachtig beeldje--het hoofd voorovergebogen, op een langen stok, om de geiten te drijven, tusschen schouder en arm leunend, het bovenlijf met een rooden doek omknoopt, waaruit de hoog opgestroopte hemdsmouwen kwamen, die de armen bloot en vrij lieten; de heupen, de linksche sterk geteekend door het rusten op het been aan die zijde, achteloos met eene dikke stof als rok omhangen, die de bruingebrande, maar fijne enkels zien liet, terwijl de voeten scholen onder de heistammen,--zóó was zij een beeld van slechts even gerijpte jeugd, slank, lenig, veerkrachtig, een natuurkind met eene merkwaardige sierlijkheid en harmonie van verhoudingen in hare vormen.

Straks bukte zij, en zich in een kleinen waterplas spiegelend, ging zij de dicht en rijk groeiende, los golvende, blonde haren bijeenvlechten. Eerste daad van een nog duister, maar zachtkens uit zijn natuurslaap oplevend zelfbewustzijn.

Wat ging er bij die handeling om in het hoofd van dat natuurkind, geboren en opgewassen in de eenzaamheid? Zoo mogen wij wel vragen, als wij bedenken, dat zij in den leeftijd was, waarop wat het sterkst heerscht de verbeeldingskracht is. Wat al visioenen kwamen in dien tooverspiegel des waters haar voor den geest? Wat voor nikkers keken van onder door het heldere medium haar in de oogen? Kind, wat doet gij! Het is de eerste voetstap, dien gij zet uit uw Eden, uit uwe volstrekte en onbewuste onschuld, uit uw natuurstaat. Helder is toch nog de spiegel, waarin gij kijkt, helder als uw gemoed tot nu was; maar gij hebt de betoovering verbroken, van nu af _moeten_ er wolken overheen gaan, _moet_ die heldere oppervlakte door het slib, dat op den bodem ligt, verduisterd worden.

Zooals ik haar bespied had, bracht ik haar snel met eenige trekken op mijn teekenboek, maar nauwelijks snel genoeg of zij zag het plotseling, en trok, met een donkeren blos over hals en wangen, de pas gevlochten haren uiteen, als door een duister instinct gedreven om mij een bewijs te geven van het argelooze harer daad, maar juist daardoor de kleine wereld van haar binnenste openbarend.

Ik.--Waar woont gij?

Het meisje (bedremmeld).--Wat?

Ik.--Waar uw huis is?

Ginds--wees zij met den uitgestrekten, arm naar een kleine hut, in de verte nauwelijks van den grond te onderscheiden, en meteen op twee vingers fluitend, bracht zij de geiten naar zich toe, en ging ze met haar langen stok den weg huiswaarts opdrijven.

Ik.--Laat mij met u gaan: vertel mij intusschen iets van uw huis: wie zijn daar te huis?

Zij (aarzelend en met zeker wantrouwen, omdat ik haar in hare naïeve handeling gezien had).--Thuis zijn wij met ons vijven,--de oudste is weg,--ik ben nu de oudste.

Ik.--Hebt gij vader en moeder?

Zij.--Vader hakt hout en rijdt hout en keien, die hij delft: moeder werkt in 't veld, hier en daar, als ze kan,--nu moet ze op den jongen passen,--en ze werkt in huis en op ons veld.--Raapt gij dat op?

Ik.--Weet gil, wat dit is? Het is een fraai geslepen--wig, zooals ze hier vele eeuwen geleden als beitels gebruikten.

Zij.--Die vinden wij zoovele hier. Vader bewaart er een; zij zeggen, dat ze goed zijn om den bliksem af te weren.

* * * * *

Toen een stilzwijgen. Van ter zijde zag ik haar dikwijls aan. Zij was in het schoone tijdperk der wordende rijpheid, waarin de vormen voller worden, het vermeerderde bloed met sneller omloop naar hals en wangen vloeit, de zintuigen scherper zijn, de verbeelding gaat heerschen; de uitgang uit de algemeenheid, de intrede in de individualiteit; physisch en moreel eene zoo belangrijke en critische periode:--ik had lust, het kind der natuur te bespieden in haar zieleleven.

Ik.--Wat doet gij gewoonlijk?

Zij (met een blos).--De geiten hoeden, en sprokkelen, en dan werk ik in huis....

Ik.--Hebt gij niet op school geleerd?

Zij.--Een korten tijd;--wij wonen te ver af, en zij kunnen mij niet missen voor de beesten.

Ik.--En blijft ge hier zóó leven?

Zij.--Ik weet het niet; ik wilde liever weg; 't is hier doodsch.

Ik.--Kunt gij dan niet hier vandaan?

Tranen verduisterden hare oogen. Ik bukte mij om eene plant te plukken, en deed alsof ik het niet bemerkte. Waarom, dacht ik, verder snaren aangeroerd, die haar wellicht kwellen, en ik liet den tip los van den sluier, dien ik wilde oplichten. Toen weer een lang stilzwijgen.

Zij de geiten voortdrijvend, en ik in mijmering verzonken, zoo kwamen wij weldra bij de woning. De lage hut was als één met den grond; het werk der menschenhand was maar weinig merkbaar, en de woning scheen een voortbrengsel van den bodem zelven. Denneplanken en klei vormden de wanden, waar ze helden, door een paar jonge dennestammen geschoord; het dak, dat als de kroon van een paddenstoel het geheel overhuifde, was één plantaardig geheel geworden; bladmossen gaven er eene groene kleur aan, die hier en daar door sterker licht steeg tot het diepste, sappigste groen; het huislook leefde daartusschen en schoot zijn langen bloemstengel omhoog, en de donderbaard, naar Thunars rooden baard genoemd, beveiligde het dak tegen het onweer.

De geiten waren de hut ingeloopen, en toen ik mij onder den lagen deurpost gebukt had, verwelkomde mij eene vrouw met een knaap, die met beide handen zich aan hare rokken vastklampte; eene krachtvolle vrouw, in hare gestalte eenigszins tot den mannelijken vorm naderend. Zooals in de beschaafde wereld het mannelijke tot het vrouwelijke, zoo nadert bij het volk het vrouwelijke type tot het mannelijke.

De vrouw.--Laat mijnheer gaan zitten,--hier is eene bank, en wat melk, als mijnheer wil. Komt mijnheer jagen?

Ik.--Neen, ik zwerf maar voor mijn genoegen op de heide.

En ik moest glimlachen om de onmogelijkheid van haar te verklaren, wat ik eigenlijk kwam doen. Op de jacht?--Ja, juist op de jacht,--van menschen, van toestanden, van beelden en gewaarwordingen, van schoonheid en van waarheid....

De vrouw.--Ik dacht het om die tasch--maar daar zijn kruiden en planten in, zie ik nu.

Het meisje (blozend).--Hij heeft de geiten uitgeschilderd....

Ik.--En uwe dochter er bij, moeder.

Eene hooge kleur overdekte haar hals en wangen.

De vrouw.--Dus is mijnheer een schilder:--schilders komen hier veel.

Ik.--Ook dat niet: ik kom een dag leven in de natuur, de stad ontvluchten met haar drukte en gewoel, en buiten uitrusten.

De vrouw.--Zijt ge dan niet tevreden in de stad?

Tevreden? Wat is tevredenheid? Is het stilstand, die niet meer werkt, die niet meer wenscht, dan is zij apathie. Of de gemoedsstemming, die wel vrede kan hebben met wat is, maar waarbij het streven naar iets beters niet is uitgesloten? Dan ben ik tevreden. Maar geen stilstand, geen afgesloten leven; oneindig is het streven des geestes. Het geheele leven is streven, en misschien is zelfs sterven hetzelfde, en slechts een zeer gewone letteromzetting van streven.

Ik.--Tevreden? Ja--maar in de stad verliest men zichzelven, men moet zich terugvinden in de vrije velden en bosschen.

Het meisje (blozend).--De stad! eenzaam en stil is het leven hier. Wat ziet of geniet men hier? Hoe vroolijk en druk en heerlijk is de stad! Hoe gelukkig is het, onder de menschen te wonen!

Ik (tot de vrouw).--Zijt gij tevreden met uw leven hier?

De vrouw (verwonderd).--Waarom zou ik ontevreden zijn? Wij hebben niets te verlangen; de grond geeft plaggen om te branden, en ons bebouwd veld geeft vruchten; mijn man verdient veel geld met het delven van keien, waarmee de grond hier gevuld is; met de zon staan wij op en werken totdat de zon ondergaat; wij eten, slapen en werken goed, wat wilt gij meer?

Ik.--En hindert u de eenzaamheid niet?

De vrouw.--De afzondering geeft vrijheid; wij leven vrij en gerust, en hebben het noodige.

Het meisje.--Niet altijd,... of het noodige is heel weinig.

Ik.--Verlangt gij dan niets?

De vrouw.--Wij verlangen zon en regen voor ons veld, en keien in overvloed in den grond.

Ik.--Gelukkige eenvoud.--En zal die jongen, die uw kleed maar vast blijft houden, er ook zoo over denken? Een flinke knaap, moeder!

De vrouw.--Ja, flink, is de jongen, niet waar? Zoo wou ik hem houden, wat hebben wij anders aan de kinderen? Mijn oudste, mijn zoon is naar de stad, hij werkt daar,--maar voor ons is het alsof hij niet leeft.

Ik.--Wat kunt gij er aan doen? Het is eene noodzakelijkheid van het leven. De vleugels zijn om te vliegen, dat is om het nest der ouders te verlaten.

De vrouw.--Had hij niet hier kunnen werken met ons?

Het meisje.--Wat zou hij hier gedaan hebben? Moeder, moeder! ach wanneer gaan wij ook naar de stad! Daar is alles schitterend, zeggen zij, en vroolijk, en meer dan duizend menschen wonen daar!

* * * * *

Ik dacht het wel. Het is de zucht tot maatschappelijk leven, die in opstand komt tegen den natuurstaat. Die traan, die blos hebben het al lang gezegd, en getoond, hoe diep het er reeds in zit. Vrij moge, moeder, uw leven in rust, in eene geslotenheid liggen, die er eene soort van plantaardig of dierlijk bestaan aan geven, deze natuurtoestand is een onafgewerkte, een onvolkomene, en indien gij al niet, dan zal de dochter zich aan dien toestand ontrukken, wellicht met al het geweld, dat uit de noodzakelijkheid van deze ontwikkeling voortvloeit. Daar hebt gij weder eene dier geheime drijfveeren, die de wereld en de maatschappij in beweging stellen. Is er dan eene gebiedende wet, die alles uit zijn rust en eenvoud, naar den strijd en de tweespalt des levens heenjaagt?

Onvoorzichtig kind, wat gaat gij beginnen! Wilt gij uwe schoone wereld verlaten? Ja, de jonge maagd zal dat paradijs van onbewustheid, van onschuld verlaten,--in dien éénen blos van verrukking, op het hooren van den naam der stad, is het al te bespeuren. Welk drama ligt er voor haar in gereedheid? Wolkjes komen op, aan den gezichteinder zijn zij al gerezen, om den helderen spiegel, waarin zij straks tuurde, te overschaduwen. Zooals duizenden vóór haar, zooals de menschheid met haar, zal zij het Eden der volstrekte onschuld verlaten en de wereld ingaan, om daar in de beschaving, in het kunstmatige, in eene versierde en mismaakte zedelijkheid te zwoegen, te worstelen, te lijden, te struikelen en voort te strompelen; misschien, zoo het haar gegeven zal zijn, zich op te richten.

De vrouw.--Zie, de jongen snuffelt al in uwe tasch, en pas op, de geiten knabbelen aan de planten, die er uit steken; wat doet gij daarmede?

Ik.--Wij willen alles kennen; ik zal ze onderzoeken, de wortels en de bladeren, de bloemen en het zaad, om te ontdekken, hoe de plant leeft.

De dieren plukken en eten ze zonder nadenken, uit instinct; doen zij niet beter? Wij zijn reeds te ver van de natuur verwijderd, om haar beeld geheel te ontsluieren. Zij genieten zonder te kennen, wij moeten kennen om bevredigd te kunnen zijn.

De vrouw.--Wat, jongen? Durft gij 't zelf mijnheer niet vragen? Hij wou zoo graag dat potlood hebben, om poppetjes te teekenen; nu trekt hij ze maar in 't zand.

Ik.--Wel zeker en ik zal hem wat papier daarbij geven;--en gij moogt dit beeldje van uwe dochter behouden. Nu dank ik u, moeder, voor uw frisschen dronk, de lage zon waarschuwt mij terug te keeren. Vaartwel en leeft samen gelukkig.

* * * * *

Toen ik een eind verder eens omkeek, zag ik het meisje, de hand boven de oogen houdend, mij staan nastaren.

Mijn weg liep langs de kleine beek, die, uit eene welige ader der natuur opborrelend, zich voortslingerde in den bodem, gereinigd over de kiezels in hare bedding. Lang vergezelde zij mij, maar eindelijk verliep zij in een grond met dichter groei van mossen, varens en struiken bewassen. Toen ik mij nog eens omkeerde, alvorens de hei te verlaten, zag ik in de verte de hut bijna niet meer. Het donker begon te vallen, de zon was al onder; de meerdere gloed van licht en de meerdere beweging van wind, die haar ondergaan plegen te vergezellen, hadden voor de schemering en voor eene groote stilte plaats gemaakt; kalmte heerschte zoowel in het rijk des lichts als in dat des geluids.

De kleine woning zag ik niet meer, en zij werd mij als een ver, zeer ver verleden der menschheid.

Gelijk die vrouw, was eens de natuurtoestand des menschen, met een streven, dat maar weinig verder ging dan dat van planten en dieren.

Kon de mensch zoo blijven?

Daar ontwikkelde zich met den grond, dien ik betrad, de geschiedenis der menschheid.

De kinderlijke volken zijn geheel in de natuur verzonken, één er mede; zij denken haar niet tegenover zich als voorwerp van waarneming. Zoo leven zij naar hun instinct, hun natuurdrift.

Maar dit zelfs is niet eens een volstrekte natuurtoestand meer; vrijheid van alle maatschappelijke banden is slechts denkbaar in het aanzijn van één mensch op aarde. Zoodra twee niet al te domme wezens te zamen moesten blijven leven, zal hun de noodzakelijkheid gebleken zijn, dat ieders vrijheid beperkt werd door de eischen der vrijheid van den ander. Reeds in het bestaan van twee menschen op aarde dus is de wet gegeven van opoffering ter wille van elkander, van beperking van zelfzucht, en met deze conventie is de maatschappij al gegrond, en gerechtvaardigd tevens.

Daarna zichzelven en de wereld buiten zich waarnemende, opgevoed in den strijd om zich te handhaven tegenover de andere wezens en de verschijnselen der aarde, verminderde de mensch voortdurend zijn instinctleven en nam zijn kennisleven toe. In de paradijsmythe is het volkomen juist, dat de kennis den mensch uit dat Eden verdrijft. Maar onjuist is de voorstelling, dat hij toen _viel_. Integendeel, deze verdrijving uit het instinct, deze verlossing uit de dierlijke onbewustheid was een groot voorrecht. Menschelijke schuld is een hooger trap dan dierlijke onschuld; en oneindig hooger het onvolmaakte kennisleven, dan het volmaakte instinctbestaan. Eerst dan is het onderscheid van kwaad en goed begrijpelijk; eerst dan kan er sprake zijn van eenige verdienste in het bestrijden van het eerste en het streven naar het tweede; eerst dan is een leven van den geest en de geboorte van idealen daarin mogelijk.

Maar dat ideaal kan nooit een terugkeer tot den natuurstaat zijn, en wie met Jean Jacques dat wenschte, kunnen wij geen beter antwoord geven dan Voltaire hem schreef:--Après avoir lu vôtre discours, on prend envie de marcher à quatre pattes.

Vooruit dus, op twee beenen, en recht overeind.

* * * * *

Hier, op den ouden grond, dien ik betreed, verlevendigt zich uit het doffe verleden een latere phase der menschheid.

Op dezen driesprong, waar de heksen komen dansen en geen gras kan groeien, schieten als door betoovering de oude geslachten weer te voorschijn. Ruw is de mensch nog, maar er zijn al maatschappelijke vormen. Op zijn reis van de oorspronkelijke natuur naar de beschaving is hij nog aan de natuur verkleefd. Hare kracht is hem eene duistere overmacht, hare wet willekeur, hij heeft haar noodig, hij vreest haar. Zoo maakt hij uit haar zijne goden. Merk intusschen op, hoe hij aan den voornaamsten der goden geen dommekracht, maar verstandsattributen toekent,--de raven Hugin (gedachte) en Munin (herinnering) zitten op Wodans breede schouders,--en in die apotheose van het verstand ziet gij reeds den wegwijzer, die altijd vooruit wenkt naar het land der _kennis_. Dien weg, volgde de mensch en hoe verder hij kwam, des te verder raakte de natuur van hem af. Daarom verdween ook eindelijk voor hem die bovennatuurlijke wereld, die hij zich schiep, en zij keerde terug tot de natuur. Ik had, bij het heengaan, van de hut een fraai exemplaar van den donderbaard meegenomen en zoo kwamen mijne gedachten op den schoonen Thunar, naar wien hij heet. Zoo keerden de natuurgoden terug tot hun oorsprong, dacht ik, en hunne namen blijven zich slechts aan natuurverschijnselen hechten. Al wat eens in deze zelfde streken bovennatuurlijks leefde en heerschte, heeft voor zijne persoonlijkheid een physisch leven teruggekregen.