Chapter 16
De schoone jongeling Thunar, de machtigste met den grooten Wodan, de god der hemelverschijnselen, rijdt niet meer met zijn gespan van tandenknarsende bokken[5], raatlend door de lucht. Hij leeft alleen in den donder; zijn machtige roede baard, waar de bliksem uit schoot, als hij er in blies, is tot het plantenrijk overgegaan, en de donderwiggen, die zijne krachtige vuist eens wist te slingeren, liggen rustig in de aarde te slapen, waaruit de landman ze soms opspit; en de vriend der oudheid bewaart ze. Bloemen en vruchten strooiend, rijdt Hertha niet langer over de aarde. De kleine slimme Lichtalven en de booze, zwarte Nikkers nemen aan der menschen handelingen geen deel meer en voeren geen guitenstreken meer uit, maar in de lucht, in de planten, in de waterpoelen en de dwaallichten hebben zij zich teruggetrokken. Vast blijven de, vonken van Muspelheim nu aan het nachtlijk hemelgewelf staan. De machtige Wodan zetelt niet langer in Asgard, het lot besturend, de vader der poëzie en der wijsheid, hij, die één zijner oogen verpand had om uit Mimirs bron de voorzienigheid te drinken. Voor de laatste maal heeft hij met Freya over het slagveld gereden om de gevallenen te deelen; blijvend staat zijn Wagen in het noorder halfrond onder de starren te blinken; en ook Freya drijft haar met katten bespannen voertuig niet meer als liefdegodin door het luchtruim. De wateren en wouden hebben hunne heilige huivering verloren;, de roerende tragedie van den edelen, blonden Baldur, door den boozen, zwarten Loki gedood, en zijne Nana, die uit weemoed sterft in zijns moeders schoot, heeft opgehouden te bestaan.
Dit alles is voorbij, als de menschenwereld, die het schiep, en teruggekeerd, tot de natuur, waaruit het geboren was. Zoo ging het in verschillende tijden, in alle streken der aard. Wat niet tot de natuur terugkeerde was de menschenwereld; zij ging voort, al weder iets anders opbouwend, altijd voort op den langen weg der beschaving, zich hoe langer hoe verder van hare moeder verwijderend, zich hoe langer hoe meer in samengestelder vormen der maatschappij inwerkend.
* * * * *
Met den grond waren mijne denkbeelden veranderd. Afwateringsbeken en greppels, die de slangsgewijs kronkelende beek vervangen, snijden nu in regelmatige lijnen den bodem; overal zijn gronden in bebouwing gebracht, hier met jong plantsoen, elders met boekweit of met tabak; geregeld staan de boomen, en hier en daar verheft zich een net, rechtlijnig huis; ten laatste snijdt eene spoorbaan mijn weg, en een tal van ijzerdraden trilt en gonst in de lucht. Mijne gedachten zijn nu geen herfstdraden meer, maar voegen zich naar de ijzeren draden van de telegraaf.
Met een geweldigen gedachtensprong ben ik eeuwen vooruitgestoomd en ik voel mij opeens te midden der nieuwste beschaving, te midden dier wereld met hare duizenden kunstmatige vormen, behoeften en denkbeelden, waarin de mensch niet langer naar zijn instinct, maar naar zijn verstand,--en vaak onverstandig genoeg,--leeft.
* * * * *
Het is hier de plaats om natuur en cultuur, om Eden en den boom der kennis te verzoenen, en het ons duidelijk te maken, hoe wij weer tot natuur kunnen komen zonder op vier pooten te gaan loepen.
Wat er strijdigs is, valt gemakkelijk op te lossen. De menschheid heeft haar tijd nog niet volbracht, zij is in een toestand van wording en ontwikkeling. De gebreken, die men in de maatschappij te berispen vindt, zijn dus geen einduitkomsten, maar de voorbijgaande gevolgen van de werking en gisting der bestanddeelen van het leven, en de weg, dien wij gaan, is duidelijk die van het onvolmaakte tot het meer volkomene. Dat die weg zoo kronkelt, moet ons het einddoel niet uit het oog doen verliezen. Wij moeten het dus niet tegen de beschaving hebben, maar tegen hare verbasterde kinderen; en als wij in de geheele maatschappij, waar zij in allerlei onnatuur en onwaarheid haar vooruitgang zoekt, het betere leven niet opeens kunnen herstellen, wie belet ons het in onszelven te doen?
De maatschappelijke wedergeboorte zal er eindelijk wel door gebaat worden, zoo wij maar aanvangen met onze eigene, en daartoe moeten wij allereerst beginnen met natuurlijk, eenvoudig en, waar te worden. De weg om de natuur in ons te herstellen, om den strijd, die tusschen de cultuur en haar schijnt te bestaan, op te heffen, loopt niet achteruit, maar voorwaarts en hooger op. Geen terugkeer tot den oorspronkelijken natuurstaat. Het is een valsch begrip, dat natuurlijkheid slechts bij naïefheid te vinden is. Zij kan het gevolg zijn dier eigenaardige afwezigheid van gekunsteldheid, en dan is zij naïef, maar zij kan het ook zijn van zelfkennis en zelfverbetering, van bewusten en overdachten terugkeer tot waarheid, en dan staat zij veel hooger. Het is even valsch, dat wij, om natuurlijk te zijn, tot den oudsten toestand der menschen moeten terugkeeren, en, uit dit oogpunt beschouwd, wordt de strijd tusschen cultuur en natuur steeds geringer. Want natuur is niet enkel die eerste toestand, maar ook de volkomene evenredigheid des menschen in zijne geheele ontwikkeling. Er is dus in den aard geen noodwendige strijd tusschen natuur en beschaving, en als de laatste zich in hare vele vormen en ontwikkelingen voor een tijd van de eerste verwijdert, zullen beide toch hereenigd kunnen worden. Zooals alles in de stof naar harmonie streeft, zal ook dit streven zich bij het verstandelijk en zedelijk zijn openbaren. Eenheid is de grondtoon van de stoffelijk genoemde schepping, eenheid zal het ook blijken voor de niet--stoffelijke. Het probleem om natuurlijk te worden, om de natuur en de beschaving in _Einklang_ te brengen, is dus te zoeken in het afschudden van het juk eener valsche beschaving, in eene evenredige ontwikkeling van alle vermogens, is te zoeken in den omgang met de landschappelijke natuur om ons heen, eene onuitputtelijke bron van waarheid en schoonheid, waarin wij ons nimmer met vertrouwen zullen dompelen, zonder schooner en warer te verrijzen.
* * * * *
Weldra hoorde ik het getjingel van torenklokken en zag de hooge spitsen der oude torens in de lucht steken. Onder de met starren bezaaide lucht ligt de stad uitgestrekt, eene zwarte massa, wier onregelmatige silhouet zich tegen de lucht afteekent. Als een evenbeeld van het natuurlijke, blinkt uit de donkere massa der huizen een ander starrenheer in de lichten der vensters, die ook als starren schijnen. Dat zijn de sterren der beschaafde, der maatschappelijke wereld, ook al dikwijls werelden op zichzelve, evenals wellicht die verre lichten van het hemelgewelf. Menigeen van die stadsstarren is een haard, waar het vuur des geestes flikkert en gevoed wordt, een lichttoren, waar de een of andere geest phantaseerend en dichtend schittert in het rijk van het schoone, of peinzend en zoekend arbeidt op het gebied van het ware; menig ander is een altaar van huiselijke trouw en liefde, van werkzaamheid en zelfopoffering, en al zijn er vlammende lichten bij, die het middelpunt zijn van onbeduidende feestelijkheid of van boosheid, dat hindert niet het geheel aan te nemen als een heerlijk, weldadig starrenheer, waaruit symphonisch de hymne rijst van een groot menschengezin, dat arbeidt in het leven, van een leven, dat rijker, dieper en veelzijdiger is, naarmate het verder is voortgegaan, en dat eerst zijne hooge beteekenis heeft gekregen, sinds het uit zijn natuurstaat tot den toestand der beschaving is gekomen. Want eerst in de beschaafde maatschappij kan het leven worden wat het wezen moet, kunnen onze zedelijkheid en onze geest door de aanraking met anderen vooruitgaan. Zedelijkheid, wetenschap, kunst, de drie hoogste punten van menschelijke ontwikkeling, zijn alleen onder beschaving en in eene maatschappij mogelijk.
In die stemming vallen als door eene zuiverende zeef de schillen en bolsters van het bijzondere, toevallige en wisselende weg, en blijven slechts de kernen over van het eenig ware.
Al worden dus in vele opzichten natuur en waarheid door eene verkeerde richting van beschaving verdrongen, dat zijn tijdelijke afwijkingen, om welke men de beschaving niet zal kunnen veroordeelen. Haar wezen blijft er even edel door. Alleen, zoolang wij onder die tijdelijke afwijkingen leven, zal men niet ophouden, somtijds de behoefte te gevoelen om zich daaraan voor eene wijl te onttrekken en nieuwe lucht in te ademen. Wanneer in een vertrek vol menschen de lucht bedorven wordt, verwenschen wij daarom de lucht zelve niet, maar zetten een raam open. Zoo is het ook in het geestelijke. Ook daar moet somtijds een raam open ter verversching. Die dringende behoefte naar zuiveren dampkring, naar de vrijheid der bosschen, den geur der velden, naar natuur en natuurlijkheid, is het bewijs van wat der maatschappij ontbreekt. Het is een instinctmatige prikkel, die ons vermaant, de lucht te ververschen en een gebroken evenwicht te herstellen. Wij moeten ook hierin van het instinct tot de bewustheid opklimmen, dat wij ons maatschappelijk leven en onzen geest van tijd tot tijd met opzet opfrisschen in de natuur, dat de cultuur en de natuur in ons tot harmonie komen.
Als men dat ondervindt, houdt de trek naar de natuur op, een verzet tegen de beschaving, en de beschaving een strijd tegen eenvoud en natuurlijkheid te schijnen. Het bewustzijn wordt geboren,. dat zij in ons verzoend te zamen kunnen zijn, en de morgengloor van een nieuw leven heeft aangebroken. Eenheid te brengen in de verscheidenheid, harmonie in het uiteenloopende en een evenwicht te scheppen van alle bijzondere deelen, ziedaar een der grootste vraagstukken in de levenskunst.
* * * * *
In de rust van dit evenwicht sluit ik mijn brief. Ik behoud mijne maatschappij en hare beschaving,--maar ik behoud ook mijne natuurwandelingen. Wees hartelijk gegroet van
C.V.
NOOT:
[5] Dit is de beteekenis hunner namen Tanngnistr en Tangrisnir.
* * * * *
VAN TWEE KONINGSKINDEREN.
Het was in oude, oude tijden.
Daar woonden in een heerlijk oord der wereld twee kinderen, tusschen wier geslachten de aarde sinds onheuglijke tijden was verdeeld geweest. In het rijk van Verstand heerschte, de oude koning intellectus, en in het land van Gevoel de oude koning Sensorius, en zij waren koningen der Alven, die toen de aarde bewoonden, en tusschen hen en hunne volken was een eindelooze vijandschap, die al sinds eeuwen van geslacht tot geslacht was overgeleverd.
Het paleis van koning Intellectus was in de rots uitgehouwen en het huisraad was van metaal en marmer, want de onderdanen van dezen koning waren kundig in alle nuttige werken van steenhouwen en metaalbewerking;--zij wisten de groeven en mijnen op te sporen en kenden de toepassing van allerlei krachten der werktuigkunde. Ernstig, maar niet helder en opgewekt van gemoed, waren zij altijd aan het werk. Geen vreugde bood ontspanning, geen poëzie bezielde, geen schoonheid adelde het leven, en hoe verstandig de wijze koning regeerde en de welvaart toenam, er was in, den toestand van het volk altijd iets, dat onaangevuld was, en iets, dat zekere kilheid, zekere stroefheid bezat.
Koning Intellectus en zijne gemalin Nutte hadden maar één kind, een zoon, den krachtigen jongeling Logicos, den roem en de hoop des lands.
In het andere gedeelte der aarde was het rijk van Gevoel. Het was geen wonder, dat tusschen de beide landen een onophoudelijke strijd was, want niet alleen waren de beide koningen zeer heerschzuchtig en streefden zij naar de wereldheerschappij, maar het geheele land van Gevoel was in alles de volkomen tegenstelling van het andere land. Het was of daar nooit iemand dacht aan het nut, maar alleen aan het aangename en bekoorlijke. Een warme luchtstreek, de grootste weelderigheid van bloemen en vruchten, deden daar het leven als in een zoeten droom, vol weekheid en ledigheid, voortgaan, maar wekten ook teederheid en gevoelvolle schoonheid. Bijwijlen zwak en onstandvastig, bijwijlen hartstochtelijk en opgewonden, altijd meedrijvende op de eb en den vloed der wisselende gewaarwordingen, zoo was het volk. Het was allerbeminnelijkst onpractisch. Wanneer het niet door hevige aandoeningen was gedreven, leefde het zoet droomend voort, genoeg hebbend aan zonneschijn, aan bloemengeur en aan zinnelijk kunstgenot. Genoeg? Niet altijd. Daar waren tijden van krijg, van natuurrampen of van verwoesting door den oorlog, en dan was er gebrek en ellende, door geen wijs overleg voorkomen of gelenigd. In dit prachtig schoone, dikwijls zacht en dikwijls fel bewogen land, woonde koning Sensorius met zijne koningin Parel in een heerlijk paleis. Goud en edele steenen vormden de wanden en zuilen, en een dak van ineengevlochten pauwvederen overhuifde het; bloemen wonden zich overal in weelderige spiralen om de zuilen en lijsten, en spreidden hare pracht van kleuren en geuren alom uit; slechts door hare veelvervige bladeren heen scheen het licht, en welriekende kruiden doorwasemden de lucht.
Mimosa, de tooverachtig schoone Mimosa, was de dochter van Parel en Sensorius, zij, op wie de sagen des lands duidden, het bevallig kind van schoonheid en gevoel.
* * * * *
Jacht en lichaamsoefeningen waren de eenige uitspanning in het land van koning Intellectus, en de koningszoon werd daarin door geen enkele overtroffen. Hij was eens ter jacht, en niemand was er zoo snel, kloek en onvermoeibaar. De zijnen ver vooruitgesneld, zat hij een rooden vos na, die hem den ganschen dag ontloopen was; aamechtig waren allen neergezonken; zijn laatste gezel zeeg in het gras, maar nog altijd pijlsnel vloog Logicos over struiken en hoogten, tegen de heuvels op, de hellingen af, ha! over die greppel heen, voort, voort, hij is hem nabij, maar telkens, als hij de hoogte oprent en hem bijna bereikt, duikt de, vos weer, met den breeden staart omhoog, de andere zijde af. Voort weer, voort....
De zon was ondergegaan, en des konings zoon zeeg op den grond neder en de slaap kuste zijne oogleden dicht. Niet ver van hem af viel de vos in de varenstruiken op den grond. Nauwelijks scheen de zon weer, of Logikos rees op; als het lichte stof had hij zijne vermoeidheid afgeschud en frisch ademde bij in den frisschen morgenstond.
Daar trof de vos weer zijn oog, dezelfde, die hem zoo gekweld had en hem zelfs in den droom over veld en moeras had medegesleept. Hij spande den ijzeren boog, die klonk bij het krommen; de pees trilde in de vingers, en de fijn gevederde pijl stoof sissend vooruit. Vergeefs; opgesprongen met eene vervaarlijke veerkracht, rende de vos vooruit, te gelijk toen de pijl de pees verliet, en de schicht trof de platgelegen bladeren van zijn verlaten leger. Met schaamte en spijt sprong de kloeke jongeling hem na. Te huis te komen en te zeggen, dat de beste schutter gemist had! Te huis te komen en te bekennen, dat de vlugste Alvenvoet zijne veerkracht had verloren?
Vooruit! vooruit! met wilde haren, mond en neusgaten wijd geopend, om lucht te ademen voor de verhitte longen, met bonzend bloed in de aderen.
Vooruit! vooruit! weer over struiken en heggen heen, over greppels en boomstronken; hier hem met juiste berekening den pas afgesneden; daar klinkt weer de gekromde boog, en trilt de pees en gonst bij het loslaten; weer tevergeefs; de wol stuift van de rosse vacht, maar met eene helsche snelheid vliegt de vos door, het bosch in, en de kloeke jongeling moet met woede en spijt zijn buit opgeven, die nu te veel op hem gewonnen heeft, om ingehaald te kunnen worden.
Mistroostig en vertoornd liep Logikos, bij het vallen van den avond, voort, als zonder doel. In een dicht bosch kwam hij, waarin hij eene opene plek vond, waar de lucht weer zichtbaar werd. Eene breede beek vloeide daar doorheen tusschen groen bemoste en als geëmailleerde rotsblokken, tot wat verder de oevers lager werden en de kanten rond afliepen naar den zoom van het water. De duisternis verspreide alom haar donkeren nevel, de kruinen der boomen wiegelden niet langer heen en weder, maar staken scherp af tegen de groenachtig getinte avondlucht en zij sliepen stil. Tusschen het dichte loof legde de vogel het hoofd onder de vlerken; de Uil vloog uit, maar schrikte van de opkomende sterren en vloog weer terug. De nacht heerschte over alles.
* * * * *
De schitterende zon was al uit de kleurenpracht van het oosten uitgebroken, toen het bosch nog stille schaduwen bewaarde in zijn binnenste. De schoone koningsdochter Mimosa had met hare blanke speelgenooten den morgenstond gevierd met luchtige dansen en welluidende melodieën. Mijmerend was ze dezen ochtend, de teedere Alve, en in zoete gedachtenwisseling met zichzelve, en hare gezellinnen verlatend, zocht zij de eenzaamheid. Langs een ruizelend stroompje ging haar vederlichte voet, en bloemen zamelend in haren sluier volgde zij zijne bochten tot in het bosch. In het midden van het dichte woud--zóó ver was zij nog nooit geweest--was eene opene plaats: pas was de zon hier doorgedrongen en verkwikte het groen en de bloemen, die hare kelken openden, het licht te gemoet; de vogelen groeven zich kleine holen in het warme zand en koesterden en wreven zich daarin met uitgespreide vederen en klappende vlerken.
Toen Logikos zich ontwond aan de omarming van den slaap en voor dien schoonen morgen de oogen opende, zag hij een schouwspel, dat hem nog nooit gegeven was te genieten, zelfs in zijne stoutste droomen niet.
De heldere zon deed het riviertje sprankelen van licht en de 1 veelkleurige kiezels schitteren op zijn ondiepen bodem. Over het water, te midden der heerlijke waterleliën, zag hij de schoonste Alve, die hij ooit had aanschouwd, zich wiegelen op de als goud, schijnende herfstdraden en zich spiegelen in het heldere nat, dat zich onder haar zachtkens rimpelde. Zoo blank, zoo schitterend, zoo edel, zoo verlokkend en betooverend had zijn land nooit iets opgeleverd. Was er eene booze tooverelf in het, spel, die hem een zinsbedrog voorspiegelde? Of zou het werkelijkheid mogen zijn? Mocht hij nog twijfelen dan zouden hem nu de liefste tonen overtuigen, op wier maatgeluid zij zich wiegde.
Zoo sprong hij van zijn bemost rustbed op, om aan den oever de schoone Alvenmaagd te begroeten.
--Wie zijt gij, die mij hier komt overvallen? Ik zing niet voor wien ik niet ken.
--Welkom, zei hij tot haar, laat mij bij u nederzitten, en luisteren naar uw gezang.
--O zing toch! van duizenden, die ge kent, kan niet een u bewonderen als ik;--zing, nog nooit hoorde ik in ons land zulke klanken.
Zachtkens begon zij toen weer, half verlegen, half uittartend, te zingen:
Alles teeder in den morgen. 't Vooglenkoor de schauw ontvluchtend Koestert zich in 't jonge licht; D'aarde geurt als waar z' één gaarde, Zoete lucht suist overal.
Teerder klinken nog van binnen Alle stemmen van 't gemoed, Dat van zacht gevoel doortinteld, Rozengeurig, rozenkleurig, Zwelt van geestdrifts zonnegloed.
Zon van buiten, zon van binnen, Schoonheid heerscht er overal.
--Goddelijke stem, zei de zoon van Intellectus peinzend, wat wonderlijks voel ik in mij worden? Het is of eene openbaring in mijn binnenste geschiedt, duister, niet half begrepen; en mijn geest zoekt tastend hare symbolen te verklaren; mijne spieren ontspannen zich en mijn ijzeren wil wordt zacht; nooit heb ik schoonheid gezien in de natuur, en het is alsof zij nu eerst voor mij geschapen wordt in al hare pracht; wie wist het, wat kunstige tooverij daar ligt in de melodische buigingen en trillingen der stem! Alles noopt mij tot vreugde en weelde--en een traan welt bijna op in mijn oog!
--Kent gij de verheffing van het kunstgevoel niet? Van waar komt gij, gij, die verwonderd schijnt bij den naam der kunst?
--Ook wij hebben kunsten, maar hare voortbrengselen zijn geheel anders; wij bewerken het ijzer, en koper ... tot nuttige zaken.
--O, dat is de kunst niet! riep Mimosa, de kunst, die ijzer smeedt! Is dan de kunst niet alleen tot verrukking?
--Mijn verstand kan dit niet beseffen; kom gij schoone, en leer mij zien in dat andere tooverland, dat zich nog slechts als een duistere nevel aan mij voordoet.
Allengs was zij op den oever gekomen. Weldra de weg is zoo kort, als twee harten opengaan zaten zij naast elkander en waren in lief gekoos verzonken.
--Wie zijt gij toch? zei ten laatste Mimosa.
--Ik ben ... de oudste jager uit het land; ik woon in het rijk van Verstand; en gij?
--Ik woon in het land van Gevoel. Helaas! zei ze blozend en de oogen neerslaande,--dan zijn wij vijanden!
--Dat zou wel zoo behooren, maar daar heb ik geen moed toe; laat ik u medenemen naar mijn land, mijne ouders zijn machtig, en als zij niet weten van waar gij komt....
--Ach! ach! dat kan niet, ik kan niet weg, mijne ouders zouden zich dood treuren.
Logikos vleide en smeekte; Mimosa schudde twijfelend het hoofd en haar boezem zwoegde onder den strijd.
--Ach! geliefde! zeide zij, hoe zullen wij doen, om elkander niet te verliezen?
--Hier moeten wij te zamen kom en om elkander te zien; wekelijks zal ik hier komen, alsof ik ter jacht ging....
Wekelijks! en moet ik dan de andere dagen niet leven?
* * * * *
Aan de schoonste dingen komt een einde, en zoo ook, want de onbevangen uitstorting der onberedeneerde liefde behoort tot de schoonste dingen, aan deze minnekoozerij. Scheiden moesten zij, maar scheiden, om het zoete wederzien te kunnen genieten.
Eenmaal 's weeks, dacht Logikos, toen hij te huis kwam,--het is misschien beter zoo; eene geheime vrees bevangt mij wel eens, dat ik in hare netten zou gevangen zijn, dat zij eene booze Nixe zou kunnen wezen; maar betooverend schoon is zij en ik tart de geheele wereld van Verstand en Gevoel!
Eenmaal 's weeks was het voor de gelieven feest in het bosch, en teerder en teerder sloten zich hunne zielen aan elkander. Eens had Mimosa, spelend de boogpees van den jager tot snaren, den boog tot eene citer gevormd, waarmede zij hare stem begeleidde. Sinds dien tijd moest zij dit telkens voor haren geliefde doen. Toen zij dit weder gedaan had, zagen zij beiden eene zwarte raaf hen beluisteren en hen vijandig met haar rond oog beloeren; Logikos greep naar zijn boog, maar, helaas! het was een nutteloos speeltuig. Krassend en krijschend vloog de raaf driemaal in een kring boven hun hoofd en streek toen pijlsnel naar het land van Gevoel.
* * * * *
De oorlog was weer op zijn hevigst. Het Gevoelsvolk had allerlei gewelddadige invallen gedaan, vergezeld van wat er verwoestends, vreeselijks en hartstochtelijks gelegen is in dergelijke tochten. Wraak, bandeloosheid, roof en moord waren als losgebroken.
Den grooten koning Intellectus groefden het peinzen en de inspanning rimpels in het hoofd, en de rustelooze zorg weefde witte haren om zijne slapen. Hij was er op bedacht, een beslissenden krijg te voeren, opdat voorgoed eens een einde mocht komen aan zulke geweldenarijen: en het gold niets minder dan alle krachten in te spannen, om het Gevoelsvolk ten eenenmale uit te roeien. In kleine onverwachte overvallen waren deze meestal overwinnaars, want listiger waren zij, en als zij eens losbraken, woester en ontembaarder. Maar in het open veld waren zij tegen de Verstandenaars niet opgewassen, wier tactiek, wier krijgskunde, wier werktuigen en wapenen oneindig veel beter waren, die koeler en beradener waren in hun krijgsbeleid. Het stond dus geschapen, dat, als het tot een treffen kwam, het met de Gevoelers slecht zou afloopen en hun koning er zijn kroon en leven bij zou inschieten, ja dat van dat eenmaal zoo glansvolle rijk weldra geen spoor meer zou overblijven, dan in de mythen van het nageslacht.
De groote koning Intellectus zat in zijn paleis al de kansen en gevallen van den oorlog te berekenen, zijn machtig verstand doorzag alle toestanden en mogelijkheden, en met wijsheid werd zijn oorlogsplan vastgesteld. De grootste wijze van het land, dien de koning zelf zich verwaardigde te raadplegen, de diepdenkende Logarithmos, kwam den vorst in zijn kabinet opzoeken.