Vogels van diverse pluimage

Chapter 8

Chapter 83,903 wordsPublic domain

Als men ze één voor één trepaneerde--geen nood, dit is slechts eene metaphora, eene redefiguur, waarmede men zegt, wat men niet meent--en hunne hersenpannen als deksels oplichtte, dan zou men in die twee en twintig hersenen zien, dat de eene eigenaar vatbaarheid heeft voor de afgetrokken wetenschappen, de andere niet tot de diepte der dingen zal kunnen doordringen, maar altijd aan de oppervlakte blijven hangen; dat de eene den tact heeft van generaliseeren, de andere van analyseeren; dat er in dezen poëzie zit, in genen cijfers; dat de vermogens van dezen diep verscholen liggen en eerst bij den stoot van gunstige omstandigheden zullen opkomen, dat die van genen al vroeg en hoog zullen opgroeien, doch wel bladeren en bloempjes, maar geen vruchten zullen leveren. Men zou zien, eindelijk, dat evenals die twee en twintig jongens twee en twintig verschillende neuzen hebben, zoo ook de eigenschappen, de krachten, de behoeften der hersenen bij ieder verschillend zijn. En intusschen worden al die verschillende planten in dezelfde trekkas, aan denzelfden dampkring blootgesteld, en zit de wijze tuinman in zijn katheder en giet over allen hetzelfde vocht uit, een gietsel geschiedenis, een gietsel oude en een gietsel nieuwe taal, een gietsel logica of een gietsel prosodie.

Is het wonder, dat zoovele van die planten in het wild schieten of vergroeien of in het geheel niet opkomen?

Soms verbeeld ik mij, dat men bij ons jongens te werk ging als bij het opzetten van een apothekers--of drogistwinkel. Van alles moesten wij zoo wat in den winkel hebben, van alle markten moesten wij thuis zijn. Het was in dit stelsel natuurlijk, dat het er op aankwam van alles en zooveel mogelijk in die winkels opeen te pakken, met andere woorden, de hoofden der jongens zooveel mogelijk te vullen en te vullen. Nu is er in een jongenshoofd toch maar eene zekere ruimte. Het is waar, die, ruimte is voor uitzetting vatbaar, maar evenals er een eind is aan de rekbaarheid van elk elastiek voorwerp, is er een eind aan wat mijn vader: "_de elasticiteit der hersenen_" noemde.

Ware het dan niet verreweg beter....

* * * * *

Ik zie iemand den wijsvinger opheffen, om daarmee bedenkelijk te tikken op een der knoopen van des tegenpartij's jas, en zijne lippen zich plooien om te zeggen: "_de beste stuurlui staan aan wal_."

Maar mijnheer! dit is een argument misschien tegen den beoordeelaar geldende, doch niet tegen het beoordeelde feit zelf; en dit feit is, dat men te veel vult en te weinig _zelf-denken_ leert, te veel waarheden aanbrengt in plaats van ze vanzelve in de ziel te doen ontkiemen, dat men te veel opeenstapelt en te weinig verband en samenhang doet opmerken, dat in alles de grammatica, de regel of de vorm geleerd wordt, nergens de geest en de ziel.

Onze meesters intusschen begrepen het anders en vulden maar, vulden, vulden maar; gansche boeken met aardrijkskunde, optellingen van al de steden, van al de landen, gansche risten jaartallen en feiten (als risten uien in den winkel hangende) geregen aan chronologische, doch zelden logische draden, ontzettende massa's, woordelijk op te zeggen (of wij den inhoud en den zin kenden en begrepen, deed er niet toe), honderden veldslagen met het getal dooden en verminkten--van weerszijden: duizenden regels en voorbeelden (niet te vinden als het op de toepassing aankwam). Zoo vulden zij maar altijd door, en van alles door en achter elkaar--en ik weet niet, wat er van al de hoofden en hersenen zou geworden zijn, maar ... gelukkig, dat de reddende natuur den jongens bij de eigenschap van onthouden, ook die gegeven heeft van _vergeten_.

* * * * *

Hoeveel cijfers en rivieren heb ik vergeten,--maar niet mijnheer Tjilp en zijne viool in de met gemarmerd papier beplakte kartonnen doos.

Mijnheer Tjilp was de persoon, die mijne jeugdige begaafdheden zou vermeerderen door mij de kunst te leeren van de viool te bespelen.

Iemand, die beweerde, dat er in het leven al wanklanken genoeg zijn, zou niet begrijpen, waarom men ze nog trachtte te vermeerderen met die, welke ik uit mijn speeltuig haalde. Maar bij wien dit ook moge zijn opgekomen, zeker nooit in het hoofd van den goeden mijnheer Tjilp, want zoo die wanklanken al in de wereld bestonden, hij was het niet, die er bittere aanmerkingen op zou maken.

Als mijnheer Tjilp dan aankwam, zijn met gemarmerd papier beplakte vioolkist in de hand dragende, gingen wij in een klein werkkamertje, dat ik had, en dan vervulde ik de lucht in huis gedurende een uur met de erbarmelijkste geluiden, die ooit door de aanraking van paardenhaar en kattendarmen kunnen veroorzaakt worden.

Ik vrees, dat mijnheer Tjilp veel heeft moeten lijden, want zijn oor was even gevoelig als zijn hart.

Later deed hij zijn best mij de fluit te leeren bespelen, maar ik kon het nooit gedaan krijgen precies in dat kleine gat te blazen, en als ik het bij herhaling beproefd had en mijne lippen in allerlei vreemde en scheeve bochten gedraaid, dan kwam er altijd een onweerstaanbare lach bij mij op, en plooide ik de lippen in een stand, volstrekt ongeschikt om te blazen. Want het is een wonderbaar bestel in de natuur, misschien een teleologisch argument, dat de mensch niet te gelijk kan lachen en op de fluit blazen. Ik scheen geen mond en vingers te bezitten, geschikt om eenig instrument te bespelen, en toch--kwam ik in eene verheffing en vervoering, zoodra ik muziek hoorde.

Dikwijls liet ik viool en fluit rusten, en speelde mijnheer Tjilp alleen en luisterde ik, en anders, vooral toen ik ouder werd, besteedden wij onzen tijd met praten.

Mijnheer Tjilp was sedert jaren een huisvriend. Bij eene bijzondere gelegenheid hadden mijnheer Van N.--en hij in elkanders hart gekeken en elkander leeren waardeeren.

Mijnheer Tjilp was een onbekend, eenvoudig man. Zijne stille wijze van zijn en handelen zou hem door de meesten onopgemerkt hebben doen voorbijgaan, of het moest wezen, dat men hem uitlachte om zijn stoutmoedig ouderwetschen rok en zijn zonderlingen hoed. Hij was een vijand van het _trumpetting oneself_, en met zijne kennis te koop te loopen of zijn gevoel in het openbaar uit te stallen, waren twee hem geheel onbekende dingen. Ik vond het altijd eene wonderlijke tegenstrijdigheid, dien man, die er zelf zoo onaanzienlijk en zonderling uitzag, zoo ingenomen te zien met alles, wat tot de fijnste schoonheid behoort. Want de liefde voor het schoone was hem bijzonder eigen; het was alsof hij buitengewone organen bezat om het te genieten, en alsof die er op afgericht waren het overal op te sporen en te vinden. Of het zedelijk schoon was, of schoonheid der natuur of der kunst, wat daarvan in het leven bestond wist hij te vinden, en hij trachtte altijd die zijde der wereldsche verschijnselen in het oog te houden, die iets schoons bezat. Maar dat die wereld en hare verschijnselen vaak hiermede in pijnlijken tegenstrijd waren, behoeft nauwelijks opgemerkt te worden. Mijnheer Tjilp had er dikwijls de smartelijkste ondervinding van gehad, en dit had wel bijgedragen om bij hem die stille gevoeligheid te ontwikkelen. Maar zijn geloof aan het schoone werd daarom toch niet uitgeroeid.

--Jongen, zei hij mij meermalen, ik geloof wel, dat de menschen het leven somtijds leelijk maken, maar bestaat daarom toch het schoone niet overal? Daar hebt gij de kunst, onuitputtelijke bron van schoonheid: zie naar de lucht en de boomen, de natuur, even onuitputtelijke bron.... en in het leven, och, er moet natuurlijk in het wereldplan ook leed en boosheid voorkomen, maar waarom kunt gij niet de zonzijde zoeken in plaats van de schaduw?

--Maar, zeide ik, mijnheer Tjilp! het gebeurt toch dikwijls, dat onze zon achter de wolken is.

--Jongen, ik kan je bij ondervinding verzekeren, dat het dan toch altijd verwarmend en verheugend is, naar de zonzijde van anderen te kijken.

--Geloof me, geloof me, zeide hij mij een anderen keer, het schoon is in zijn verheven zin een der stralen van den glans van dat wezen, dat de menschen godheid noemen: zoek het, bevorder het, bemin het, want het is een van de middelen, die den mensch tot haar kunnen terugvoeren.

* * * * *

Hij kon soms verwonderlijk mooi spelen, mijnheer Tjilp, zoo verwonderlijk mooi, dat de meeste menschen het leelijk zouden gevonden hebben; maar zóó, dat, ik wil er om wedden, Mozart en Weber geen watten in hunne ooren zouden verlangd hebben als zij hem gehoord hadden; Zóó verwonderlijk, dat het soms net was alsof men een veel beter mensch was, soms alsof men haast lust zou hebben gehad een traan te laten glippen. Nu en dan speelde hij voor ons in den tuin, als het een warme zomeravond was, en als dan de duisternis viel, en de lucht om ons heen in eene zee van harmonie herschapen was en gelijk een zoete adem ons oor en onze ziel streelde, en de sterren opkwamen, en er telkens eene nieuwe begon te flonkeren, dan was het alsof die sterren aankwamen om te luisteren en alles scheen mij een wonderlijk betooverde wereld en mijnheer Tjilp, die zooveel schoons en liefelijks kon scheppen,--een _groot man_.

En zonderling, als het licht werd aangestoken, dan was het maar een dun, oudachtig mannetje, die met zijne magere handen op eene oude vedel speelde. Dan was de betoovering gebroken. Was dan de wellust, die de, ziel genoten en de ideale kring, waarin zij eene wijle vertoefd had, ijdel en dwaas geweest? Men zou evengoed kunnen zeggen, dat de viool van mijnheer Tjilp niet bestond.

--Ik geloof, zei mijnheer Van N.---- nadenkend, ik geloof, dat er meer waarheid is dan men denkt in het oude verhaal van den speelman, die allen, waar hij kwam, met zijne viool betooverde en met hen kon doen, wat hij wilde; ik meen geen feitelijke waarheid, maar psychologische waarheid; die zijde der legende is miskend. Zoo heeft men bij zoovele zaken het feit geloochend, omdat men het bloot als een feit opvatte en niet als symbool van eene gedachte.

--Ik heb nooit sterker werking gezien van eene viool, zeide dokter Vijzel, dan in mijne jeugd: toen speelde ik ook op dat werktuig en was er eens mee bezig, toen mijn hond, wien het altijd verveelde, zoo razend werd, dat hij als een tol door de kamer draaide en eindelijk, toen hij al zijne aantrekkingskracht verspild en alleen middelpuntvliedende kracht overgehouden had, als een kogel door het vensterglas heenvloog.

* * * * *

Mijnheer Tjilp glimlachte en trok het zich volstrekt niet, aan.

--Dokter, zei mijnheer Van N.---- neem mij niet kwalijk, maar dat bewijst meer voor je hond dan voor je talent.

* * * * *

Er komt een tijd in het leven van den jeugdigen mensch, waarin het scheppend vermogen en de verbeelding levendig werkzaam worden, en waarin de zichtbare en onzichtbare wereld hooger en gloeiender tinten ontvangen van de poëzie, die blaakt in het jonge gemoed. Het is de tijd, waarvoor _there's music in all things_, waarin de wolken gedaanten, de lucht stemmen, de schaduwen leven hebben, waarin alles tot de verbeelding spreekt, en de verhoogde werking van het bloed een gevoel van uitbundige kracht en levenslust geeft.

In dezen leeftijd en de stemming, die hij meebracht, kon het niet anders of het classicisme begon voor het romantisme te wijken. Wij kenden van de klassieken vooral het ernstige en deftige. Wel werden wij opmerkzaam gemaakt op het gevoel in sommige tafereelen van Homeros, op "zedelijke schoonheden" van Euripides. Maar van het Grieksche en Romeinsche gemoedsleven, van hunne hartstochten, bleef ons veel verborgen. Daarom opende zich het gevoelige hart te gretiger voor de zoet mystische poëzie der middeleeuwen. Wanneer ik dan weder: als naar gewoonte aan den voet van eene der kasten in de bibliotheek zat te lezen, was het doorgaans een boek, dat mij thans zeer aantrok. Het was eene verzameling van oude ridderromans, vol vechtende paladijnen en schoone jonkvrouwen, niet al te preutsch, en tournooien; en reuzen en wonderen, die mijne verbeelding innamen en mij als in die tijden terugtooverden.

't Weder was soete ende scone, Die sonne verbaerde an den trone Joliselike an die morghenstonde, Menich vogelyn dat begonde Daer singen met soete gelude; Bedauwet waren bome ende crude Tot dien dat die sonne op quam. ............................. Entie maget quam an dat foreest Daer die vogele hadden feest, Elc sanc na der nature sine, Daer stonden scone bloemkine Op dat groene velt ontploken. Die scone waren ende soete roken.

Wat eene liefelijke maagd kwam daar!

Haer voorhooft was wit ende slecht Haer neuse scone ende recht Hare winbraauwen bruin ende gebogen, Lachende waren haer die oogen; Haer mont was cleene ende niet groot, Ende hare lippen rosenroot, Die altoos stonden in die stede Als om haar lief te cussen mede.

Zoo stond zij bij het water bloemen te plukken en te peinzen, tot zij opeens opzag en bloosde, want zij had haren lieven geselle, den sconen Rogier zien komen.

Die jonefrouwe hevet hem outfaen, Sciere is si opgestaen, Ende quam te Rogiere ter stont, Ende custene an sinen mont. .......................... ..........................

Liefelijke teedere beschrijving der zoetste min. Hoe dikwijls las ik met kloppend hart.

Vijf eeuwen zijn voorbijgegaan, sinds deze naïeve poëzie werd geschreven en gevoeld. Wereldrijken zijn vernietigd met de groote mannen daarbij behoorende, groote daden en groote plannen zijn tot stof en vergetelheid verkruimeld! Wat al verandering en ontwikkeling van beschaving en vooruitgang heeft de menschheid ondergaan! Hoevele eens warme gevoelens en gedachten zijn verkoeld en versteend! en te midden van dat alles blijft, in een ruwen perkamenten band besloten, eene dichterlijke vonk voortgloeien, om na eeuwen nog met zoeten klank het gevoelig hart te verwarmen. O zegepraal der poëzie!

* * * * *

Hoe was mijne aandacht gespannen, als die verschrikkelijke zwarte ridder de lieve Galiëne heeft weggeroofd en met haar voortvlucht. Maar wacht! daar ontwaart de roover in de verte een helder punt, dat flikkert in de zon als eene ster van goud; zijn geoefend oog bedriegt hem niet. Weldra ziet hij ook den grond stuiven. Vlieg, vlieg, dappere Rogier! als gij uwe Galiëne wilt redden! Ren door, sterke Gringolet, als gij uw meester intijds wilt brengen!

Helaas! een diepe en breede stroom scheidt hen nog. Onze spanning vermeerdert. Gringolet snuift en besnuffelt den oever, en eene goede plek gevonden hebbende, springt het kloeke ros in het water en zwemt het over.

Nu is Galiëne gered? Onze spanning is ten top. Rogier! Rogier! hoe kunt gij nog dralen--voort, voort! Maar neen, trillend van ongeduld en vrees, moeten wij nog eerst lezen, hoe hij afstijgt om zijn edel ros te verzorgen. Nog eerst zijn paard, zijn trouwen gezelle, gestreeld en verpleegd, en gedroogd met zijn eigen wapenrok.

En dàn kwam de vreeselijke strijd.

Rogier rijdt zijn vijand te gemoet. Dek u met uw schild, roept hij hem toe, en verdedig uw lijf! De zwarte laat zijne prooi los en stelt zich te weer.

Doe decten si sich op die wile: En vlogen noit twee pile Daer men mede sciet in bogen, So sere als si te gader vlogen, Hen waren noit ridders haer genoot, Also di twee soo sterc ende groot: Het scenen beide twee liebaerden, Ende elc sloech andren metten swaerden Van haren helmen grote stucken Dat si op hare artsoenen bucken. Van haren slagen waren si milde In stucken liggen hare scilden ........................... Rogier was verheuget sere Ende zeide: vrient, bi onzen Here Ic wane gi zult nu ontgelden Als u God niet langer ne spaert. Rogiere die hevet zijn swaert geheven Ende hevet den swarten geslegen Dat hi den helm altemale Cloofde ende den hoet van stale. ........................... Doe ginc Rogier ter selver stede Daer di Ridder lach gewont Ends dede hem den helm af en sach Of hi jegens hem spreken mag. Hi lach in onmacht van de slagen, Rogier die peinsde of hi iet sage Daer hi hem mede conde genesen. Sijns selven helm nam hi te desen, Ende liep er mede ter rivieren Ende haalde water en laefde hem sciere, Ende looc die wonde tot hi bequam.

Maar ik was te veel in strijdlust ontstoken om deze grootmoedigheid te achten.

Ha! ik greep een ouden sabel, waarmede mijn vader was uitgetrokken met de schutterij. Verroest zat hij in de scheede geklemd, eindelijk trok ik hem met geweld er uit. Ik voelde den geest van den strijdbaren ridder in mij varen, en mij op een stoel te paard zettende, kon ik niet nalaten een zestal oude folianten (het waren Grieksche werken, en daar had ik toen in mijne romantische bui een hekel aan) met hevigheid aan te vallen. Ik hakte er op in, dat zij door elkaar vlogen, ik werd hoe langer hoe meer opgewonden, ik dacht om den Razenden Roeland, om Walewein en Percheval, om Rogier--niet om Don Quijot, want ik vond dit toen eene zeer ongepaste satire. Mijn kling vloog rond, ik hakte van den aardbol een stuk van de kust van Madagascar af, ik kon het niet laten een grooten _gladiator_ van pleister een klap op zijn arm te geven, even maar om te beproeven, hoe hard ik wel zou kunnen slaan, voordat hij brak--maar als ik hem eens brak?--even maar, niet hard, niet te hard, maar alleen hard genoeg om hem niet te breken, tot de uiterste grens, waar de breekbaarheid begint, juist dát was zoo uitlokkend,--er is iets heerlijks, iets bedwelmends, iets onwederstaanbaar verleidelijks in het beproeven van iets, dat gevaar in heeft--zóó--nu nog één....

* * * * *

Het was te hard geweest, veel te hard, dat is duidelijk; lieve hemel! de arm lag er naast op den grond. Maar dat was nog weinig. De ellendige gladiator nam verliefd eene naast hem staande Venus in zijn anderen arm, sleepte haar in zijne omhelzing met zich mede en liet deze liefelijke godin, vlak voorover, plat op haar neus vallen.

Ik hoorde voetstappen de trap opkomen, had nauwelijks tijd de beelden weer recht te zetten, den _gladiator_ met zijn gebroken arm tegen den muur, en zijn rug gekeerd (zoo gaat het meer in de wereld) naar de schoonheid, die hij ten val had gebracht, eene schoonheid, die nu, met platgedrukten neus, eene Hottentotsche Venus geleek, en terwijl ik met angst de nadering der voetstappen, die ik voelde, dat die van mijn vader waren, afwachtte, zette ik mij weder aan het lezen.

Maar ach! Galiëne en Rogier en het gansche boek hadden op dat oogenblik hun aantrekkelijkheid verloren, en te midden van mijn angst had ik een gevoel als iemand, die zelf een schoonen droom en een ideaal heeft vernietigd, en alsof ik het dichterlijk en tooverachtig waas, dat over die figuren uit het verre verleden ligt, gescheurd en vaneengereten had.

De voetstappen naderden; wat zou ik zeggen, welke toevallige omstandigheden in het spel brengen om de vernieling te verklaren? De waarheid zeggen? Maar hoe zou ik mijn vader de geheimzinnige aantrekkelijkheid verklaren, die er in gelegen is om te beproeven, hoe hard men iets kan slaan, voordat het breekt?

Daar gaat de deur open! Gelukkig was mijn vader niet alleen; hij had een vreemden heer bij zich, en beiden waren in een druk levendig gesprek. Daar de vreemde tusschen mij en het licht van venster was, kon ik zijne gelaatstrekken niet goed onderscheiden; ik zag evenwel, dat hij weinige en witte haren had en zijne gestalte gebogen was. Een vluchtigen blik slechts had ik, toen hij binnenkwam, op hem kunnen werpen. Ik zag toen, dat hij zeer gejaagd was en zijn gelaat in zenuwachtige beweging.

Wat zijn wij toch weinig meester van onze gedachten en weinig bewust van haar oorsprong! Zonder eenige bekende reden, wekte die man, wiens gelaat ik nauwlijks gezien had, bij mij eene sterke belangstelling, en later kwam hij mij dikwijls in de gedachten niet alleen, maar begon ik ook velerlei gebeurtenissen zonder blijkbare reden met hem in verband te brengen.

Ook geschiedde er met opzicht tot hem iets, dat mij in meer zaken of toestanden wel eens gebeurd was; namelijk, dat ik mij stellig en vast verbeeldde te weten, dat ik dien man, met juist al dezelfde bijkomende omstandigheden, in dezelfde kamer, en met dezelfde gedachten nog eens in mijn leven gezien had. En toch wist ik toen, en weet ik nu zeker, dat dit onmogelijk was.

Ik begreep, dat ik weg moest gaan, en toen eerst bemerkten mijn vader en de vreemde mij. Ik ging, maar niet zonder hevige nieuwsgierigheid, want er moest wel iets zeer bijzonders en gewichtigs aan de hand zijn, dat een vreemde in het spinnekoppenhok werd toegelaten, en mijne nieuwsgierigheid verminderde niet, toen ik heengaande den vreemde met een wanhopend gebaar de handen mijns vaders zag grijpen.

Toen ik de deur gesloten had, hoorde ik, dat ook de sleutel werd omgedraaid. Ik bleef staan.

Ik moet bekennen, dat mijne nieuwsgierigheid door alles ten sterkste geprikkeld werd.

Luisteren--ik voelde, dat er iets schandelijks in was; maar de prikkel was zoo hevig--en besluiteloos bleef ik staan. Jeugdige sophismen begonnen zich op te dringen, toen ik toevallig opziende, mij zelven in een spiegel zag.

Welk een sterken indruk maakt het ontmoeten van onze eigene oogen op ons, wanneer wij kwaad broeden! Die stille geheimzinnige blik, dien dat beeld in den spiegel op ons en in onze ziel schijnt te werpen, doet ons dan huiveren. Het is alsof het beeld daar in het glas niet de weerkaatsing van ons zelven is, maar een andere persoon, een ander ik, ons beter ik, een onzer beide naturen, de betere, die op de andere, de booze, een ernstigen blik werpt.

Ai! daar heb ik mij onvoorzichtig uitgelaten! Ik sprak daar van twee naturen, van eene goede en eene booze.

Men zit elkander zoo nauw op de vingers te kijken ten opzichte van zijne theologische begrippen, ten einde elkander dadelijk op de vingers te kunnen tikken, dat het onmogelijk is, dat ik er met die twee naturen heelhuids zou afkomen. Men zou mij dadelijk voor een Brahmin, voor een leerling van Zoroaster, maar vooral voor een Manichieër uitkrijten. Ik beken daarom bijtijds, dat ik dat niet ben, en dat het waarlijk zonder erg is geweest, dat ik van eene goede en eene booze natuur gesproken heb--ik moet zelfs bekennen, doorgaans zoo weinig dit voorname punt in het oog te houden, dat het mij waarschijnlijk dikwijls gebeurd is, iemand eene hand te geven, zonder vooraf te weten, hoe hij over die twee naturen dacht; gij ziet dus, dat het bij mij onschuldige achteloosheid geweest is, en dat ik met die twee naturen niets kwaads gemeend heb.

Om tot dien spiegel terug te komen. Ik geloof, dat, als een man, die op het punt is een moord te bedrijven, zichzelven in een spiegel zag, terwijl hij het mes opheft, ik geloof, als zijne oogen in het glas dat andere oogenpaar ontmoetten, dat hij zou terugdeinzen....

Ik luisterde niet.

* * * * *

Gestoord in mijn rustig verblijf in het spinnekoppennest, en het hoofd vervuld met duizend dooreendwarrelende gedachten, liep ik onzen tuin in.

Onze tuin wordt van een anderen afgescheiden door eene houten schutting. Ik ben gewoon daarbovenop te paard te gaan zitten; dan houd ik mij met het een of ander bezig en scheur middelerwijl van al mijne broeken het kruis.

Het is nu kersentijd, en bij de schutting, ter plaatse, waar ik erop zit, staat een kerseboom. Ik neem het den jongen musschen en meezen zeer kwalijk, dat zij, evenals ik, veel van kersen houden, en terwijl haar snoeplust mij vertoornt, voldoe ik volop aan den mijnen. Een mensch moet ook wat voorhebben boven de dieren.

Dit is reeds eene groote vermakelijkheid en geriefelijkheid van mijne door volgeladen takken overschaduwde zitplaats. Een ander genot is, de pitten te knippen tegen de glazen van het onbewoonde buis, dat naast het onze staat.

Daar zat ik dan weer, en at eene kers en wilde juist de pit naar eene der ruiten mikken, toen ik opeens....