Part 89
„Ik denk en kan niet anders over dien brief denken, dan zoo als gij wenscht,” zeide zij. „Naar ik meen, kunt gij uit mijn gedrag opmaken, dat ik niet zoo veel dáár aan hecht. Maar, daarenboven, mijnheer Jones, is er veel dat ik u te verwijten heb. Hebt gij u niet, na al wat er te Upton voorgevallen was, dadelijk in eene andere intrigue gewikkeld, terwijl gij voorgaaft,—en ik geloofde het,—dat uw geheele hart met mij vervuld was? Waarlijk! Gij hebt u op eene vreemde wijze gedragen! Kan ik gelooven aan de opregtheid der liefde, welke gij tot mij geveinsd hebt? En zoo ja, hoe zoude ik eenige zekerheid van geluk kunnen hebben bij een man, die tot zulken ontrouw in staat is?”
„O, mijne Sophia,” riep hij, „twijfel niet aan de zuiverste liefde, die ooit in eens menschen hart ontbrand is! Geliefde! denk aan mijn ongelukkigen toestand,—aan mijne wanhoop!—Had ik mij, dierbaarste Sophia, kunnen vleijen met de geringste hoop van mij ooit aan uwe voeten te mogen werpen, zooals ik nu doe, dan zou eene andere vrouw het nooit in hare magt hebben gehad om mij met ééne gedachte te bezielen, welke de strengste kuischheid had kunnen afkeuren! Ontrouw aan u? O Sophia, als gij de goedheid wilt hebben om het verledene te vergeven, laat dan geene wreede verdenkingen omtrent de toekomst mij van uwe genade berooven! Nooit heeft iemand meer opregt berouw gevoeld dan ik! O, laat mij aan uw hart, mij met den hemel verzoenen!”
„Het opregte berouw,” mijnheer Jones, „hernam zij, „kan den zondaar vergiffenis doen verwerven van iemand die volmaakt in staat is om zijne opregtheid te beoordeelen. De menschelijke geest laat zich echter bedriegen;—en er bestaat geen onfeilbaar middel om dat te voorkomen. Gij moet echter verwachten dat, als ik mij door uw berouw laat overhalen om u vergiffenis te schenken, ik ten minste er op staan zal om de stelligste bewijzen uwer opregtheid te hebben.”
„Noem maar welk bewijs ik in mijne magt heb,—” hernam Jones.
„De tijd,” antwoordde zij, „alleen de tijd, mijnheer Jones, zal mij kunnen bewijzen, dat gij opregt berouw gevoelt, en dat gij besloten hebt die slechte wegen te verlaten, welke mij u zouden doen verachten als ik dacht dat gij daarop blijven wildet.”
„Verbeeld u dat niet!” riep Jones. „Op mijne knieën smeek ik u, bid ik u om een vertrouwen, dat ik mij tot levenstaak stel te verdienen!”
„Laat het dan een gedeelte van uwe levenstaak zijn,” hernam zij, „om mij te bewijzen dat gij het verdient. Ik geloof genoeg gezegd te hebben met u te verzekeren, dat zoodra ik zie dat gij mijn vertrouwen verdient, het u geschonken zal worden. Na al wat er gebeurd is, mijnheer, kunt gij niet verwachten, dat ik u op uw woord zoude gelooven?”
„Geloof mij niet op mijn woord,” hernam hij; „ik heb een beter onderpand voor mijne trouw, dat gij onmogelijk zien kunt, zonder verder allen twijfel omtrent mij te laten varen.”
„En wat is dat?” vroeg Sophia, eenigzins verwonderd.
„Ik zal het u toonen, aangebedene!” riep Jones, terwijl hij hare hand vatte en haar vóór den spiegel bragt. „Daar! zie het daar in die heerlijke gestalte, in dat gelaat, in die oogen waardoor de ziel straalt;—zou de man, die zulke schatten bezit, ontrouw kunnen zijn? Onmogelijk, mijne Sophia, ze zouden een Dorimant, een Rochester voor altijd boeijen! Gij zoudt er niet aan twijfelen als gij u zelve met andere oogen dan de uwen kondt zien!”
Sophia bloosde en glimlachte eventjes, maar zich dwingende om weder ernstig te zien, zeide zij: „als ik de toekomst naar het verledene beoordeelen moet, zal mijn beeld niet langer in uw hart blijven als ik eens afwezig ben, dan in dezen spiegel, als ik me uit de kamer verwijder.”
„Bij den hemel—bij al wat heilig is,” riep Jones, „uw beeld is nooit uit mijn hart geweest! De kieschheid van uw geslacht kan het grove van het onze niet vatten, noch hoe weinig zekere soort van liefde met het hart te maken heeft.”
„Ik zal nooit een man huwen,” hernam Sophia heel ernstig, „die niet verfijnd genoeg geworden is om dat onderscheid evenmin te begrijpen als ik zelve.”
„Dat zal ik doen!” riep Jones; „dat is al het geval met mij! Het eerste oogenblik van hoop dat mijne Sophia de mijne kon worden, heeft mij dat dadelijk geleerd,—en sedert dat oogenblik hebben alle overige leden van haar geslacht even weinige bekoorlijkheden voor mijn oog als voor mijn hart!”
„Nu,” hernam Sophia, „de tijd zal dat moeten bewijzen! Uw toestand, mijnheer Jones, is nu zeer veranderd, en ik verzeker u dat ik me zeer verheug over die verandering. Het zal u thans niet aan de gelegenheid ontbreken om mij te zien, en mij te overtuigen dat uwe booze neigingen ook veranderd zijn.”
„O mijn engel,” riep Jones, „hoe zal ik mijne dankbaarheid toonen voor uwe goedheid? Bekent gij werkelijk dat gij belang stelt in mijne welvaart? Geloof mij, mejufvrouw, om uwentwil alleen stel ik eenigen prijs op die welvaart,—alleen omdat zij mij eenig vooruitzigt opent op het heerlijkste geluk. O, mijne Sophia, laat het niet al te ver verwijderd zijn! Ik waag het niet op iets aan te dringen dat gij mij niet wilt toestaan; maar laat mij u smeeken den proeftijd niet al te lang te maken! O zeg mij, wanneer zult gij overtuigd wezen van hetgeen ik u als eene plegtige waarheid verzeker?”
„Nu dat ik eens zoo ver gegaan ben,” hernam Sophia, „verwacht ik, mijnheer Jones, dat gij niet verder bij mij zult aandringen. Neen, ik zal dat niet dulden!”
„O, zie mij niet zoo onvriendelijk aan, Sophia!” riep hij. „Ik wil niet aandringen;—ik waag dat niet. Maar vergun mij u nog slechts te smeeken, een tijd te bepalen? Vergeet niet het ongeduld der liefde in aanmerking te nemen!”
„Nu dan—een jaar, misschien,” hernam zij.
„O, Sophia,” riep hij weder, „gij spreekt van eene eeuwigheid!”
„Het kan welligt iets korter duren,” antwoordde zij, „Maar ik wil niet geplaagd worden. Als uwe liefde zoo groot is als gij beweert, kunt gij, dunkt me, nu wel gerust wezen.”
„Gerust, Sophia? Noem zulke verrukkelijke zaligheid als de mijne niet met dien koelen naam! O heerlijke gedachte! Heb ik nu niet de zekerheid, dat de gezegende dag eens aanbreken zal, dat ik u de mijne zal noemen;—dat mij het onuitsprekelijke, verrukkelijke voorregt te beurt zal vallen om mijne Sophia ook gelukkig te kunnen maken?”
„Werkelijk,” hernam zij, „het staat aan u om dien dag te bepalen.”
„O mijn lieve, mijn aangebedene engel!” riep hij; „die woorden maken mij waanzinnig van vreugde! Ik moet, ik wil die lippen danken, welke mijne zaligheid uitgesproken hebben!”—En hij greep haar in de armen en kuste haar met een vuur, dat hij nooit vroeger gewaagd had te toonen.
Op dit oogenblik stoof Western, die een tijdlang had staan luisteren in de kamer en in zijne jagerstaal, riep hij uit: „Pak maar,—pak maar aan, jongen! Ga je gang maar, kleintjes! Pak maar aan! Zoo! Is het al gedaan? Heeft zij den dag al bepaald? Zal het morgen zijn, of overmorgen? Later dan dat, zal ’t niet wezen, dat heb ik vast besloten!”
„Laat mij u smeeken, mijnheer,” zei Jones, „thans geene aanleiding te zoeken om—”
„Smeeken? Smeek den Satan!” riep Western. „Ik dacht dat gij een te fiksche jongen waart dan dat gij u zoudt laten afschrikken door wat meisjeskuren! ’t Is niets dan gekheid, zeg ik je! Verdraaid! Zij zou gaarne heden avond al trouwen, niet waar, Sophia? Kom biecht maar eens in je leven eerlijk op, en wees eene zoete meid! Hoe? Ge zwijgt nog? Waarom spreekt ge niet?”
„Wat zou ik bekennen, vader?” vroeg Sophia, „daar het schijnt dat gij de gave hebt om mijne gedachten te raden?”
„Nu spreekt gij als eene brave meid,” zeide hij, „en gij geeft dus uwe toestemming?”
„Neen, vader,” hernam Sophia, „dat heb ik werkelijk niet gedaan.”
„Dus wilt ge hem morgen of overmorgen niet hebben?” vroeg Western.
„Wezenlijk, vader,” hernam zij, „ik dacht volstrekt niet aan zoo iets!”
„En wil ik je zeggen waarom,” zeide hij; „alleen omdat gij er lust in hebt om uw vader te kwellen en te plagen.”
„Mijnheer—!” kwam Jones tusschenbeide.
„Gij zijt een kwast!” riep hij uit. „Zoo lang ik het haar verbood, was het niets dan klagen en steunen en zuchten en weenen,—met allerlei gejank en geschrei; en nu dat ik er vóór ben, is zij er tegen. Het is niets dan de geest van tegenspraak, zeg ik. Zij is te wijs om door haar vader bestuurd en geleid te worden;—dat is de heele zaak! Het is alleen om mij te dwarsboomen en om mij te ergeren!”
„Wat verlangt gij dan, vader, dat ik doen zal?” vroeg Sophia.
„Wel! Wat anders dan dat gij hem dadelijk de hand zult geven!” hernam hij.
„Nu, vader,” antwoordde Sophia, „ik zal gehoorzamen.—Daar, mijnheer Jones,—daar hebt ge mijne hand!”
„Goed! En stemt ge er in toe hem morgen vroeg tot man te nemen?” vroeg Western verder.
„Ik zal u gehoorzamen, vader,” zeide zij.
„Nu dan, morgen vroeg zal de dag zijn!” riep hij.
„Als gij het zoo hebben wilt, zal het zoo moeten wezen,” zei Sophia.
Jones viel voor haar op de knieën en kuste haar de hand in zijne verrukking, terwijl Western in de kamer rondsprong en danste en uitriep: „Waar drommel blijft die Allworthy? Hij is hiernaast steeds met dien verd— Dowling aan het wawelen, terwijl hij hier moest wezen, om op geheel andere dingen te letten!”
Hierop vloog hij de kamer uit en liet de beide minnenden zeer gepast alleen om eenige teedere oogenblikken zamen te genieten.
Hij keerde echter spoedig met Allworthy terug, zeggende: „Nu, als gij mij niet gelooven wilt, vraag het haar maar zelf! Hebt ge er niet in toegestemd, Sophia, om morgen te trouwen?”
„Zoo luiden uwe bevelen, vader,” zei Sophia, „en ik waag het niet u ongehoorzaam te zijn.”
„En ik hoop, mejufvrouw,” riep Allworthy, „dat mijn neef uwe goedheid steeds waardig zal zijn, en even gevoelig blijven als ik aan de groote eer, welke gij mijne familie aandoet. De verbindtenis met zoo’n bekoorlijke jonge dame als gij zijt, zou zelfs de grootste familie in Engeland tot eer strekken.”
„Ja,” riep Western; „maar als ik haar nog had laten staan ja en neen te zeggen, dan hadt gij nog een heelen tijd die eer kunnen missen;—ik was wel gedwongen om gebruik te maken van mijn vaderlijk gezag om haar zoo ver te brengen.”
„Ik hoop van neen!” riep Allworthy. „Ik hoop dat er geen de minste dwang bestaan heeft!”
„Nu best!” hernam Western. „Voor mijn part, kunt gij haar verzoeken alles wat zij gezegd heeft, weer in te trekken! Gij hebt al opregt berouw over uwe belofte, niet waar Sophia?”
„Ik heb geen berouw, en ik geloof ook niet, vader, dat ik ooit berouw zal hebben, over iets dat ik aan mijnheer Jones beloofd heb,” zeide zij.
„Dan wensch ik u van harte geluk, neef!” riep de heer Allworthy; „want ik houd u voor den gelukkigste der stervelingen! En, mejufvrouw, vergun mij ook u bij deze gelegenheid mijne gelukwenschen te brengen; want ik ben wezenlijk overtuigd, dat gij uwe hand geschonken hebt aan iemand, die uwe groote verdiensten beseft, en die zijn best zal doen u waardig te zijn.”
„Zijn best doen?” riep Western. „Ja, daarvoor sta ik u borg! Hoor eens, Allworthy, ik wed met u, vijf pond sterling tegen een daalder, dat wij morgen over negen maanden een jongen hebben! Maar, zeg eens, wat wilt ge hebben? Bourgogne of Champagne, of wat anders? Want, zoo waar ik leef, zullen wij heden avond feest vieren!”
„Gij moet mij werkelijk verontschuldigen,” hernam Allworthy; „want mijn neef en ik hadden al ons woord gegeven eer ik vermoeden kon dat hem zooveel geluk wachtte—”
„Uw woord gegeven?” herhaalde de landjonker. „Praat me daar niet van! Ik laat u heden avond, om geene reden ter wereld vertrekken! Zoo waar ik leef—gij blijft hier souperen!”
„Gij moet mij verontschuldigen, waarde buurman,” hernam Allworthy. „Ik heb plegtig beloofd, en gij weet dat ik altijd woord houd.”
„En aan wien hebt gij uw woord gegeven?” vroeg de landjonker.
Allworthy lichtte hem hieromtrent in en omtrent het overige gezelschap.
„Wat drommel!” riep Western, „dan ga ik mede,—en Sophia ook; want heden avond laat ik u niet loopen;—het zou wezenlijk al te wreed zijn om Tom en het meisje nu te scheiden!”
Dit aanbod werd dadelijk aangenomen door Allworthy, en Sophia was ook spoedig gereed, nadat zij haar vader in stilte de belofte afgeperst had, dat hij geen woord zou spreken over haar aanstaand huwelijk.
HET LAATSTE HOOFDSTUK.
EINDE VAN DE GESCHIEDENIS.
De jonge Nightingale was dien namiddag, volgens afspraak, bij zijn vader geweest, die hem vriendelijker ontvangen had, dan verwacht werd. Hij ontmoette ook bij hem zijn oom, die naar de stad was teruggekeerd, om zijne pas gehuwde dochter te zoeken.
Dit huwelijk was de gelukkigste gebeurtenis, welke den jongen Nightingale had kunnen overkomen; want de beide broeders leefden in aanhoudenden twist met elkaar over hunne kinderen, terwijl zij elkaars stelsel van opvoeding diep verachtten. Zij trachtten dus nu, beiden, zooveel mogelijk het gedrag van hun eigen kind te verschoonen, en dat van het andere in het zwartst mogelijke licht voor te stellen. Deze wensch om op zijn broeder te zegevieren en de vele redeneringen door Allworthy gebezigd, werkten zoo sterk bij den ouden heer, dat hij zijn zoon met een glimlach op de lippen tegenkwam, en er zelfs in toestemde om dien avond met hem te souperen hij jufvrouw Miller.
Wat den anderen broeder betreft, die werkelijk buitengewoon veel van zijne dochter hield, het kostte slechts weinig moeite om hem tot eene verzoening over te halen. Zoodra hij van zijn neef vernam, waar zich zijne dochter en haar man bevonden, verklaarde hij dadelijk bij haar te willen gaan, en eens dáár, duldde hij ter naauwernood, dat zij zich voor hem op de knieën wierp, of hij hief haar op, en omhelsde haar met eene teederheid waardoor iedereen, die er getuige van was, getroffen werd;—zoodat hij binnen een kwartier evenzeer met haar en haar man verzoend was, alsof hij zelf het huwelijk gesmeed had.
Zoo stonden dus de zaken toen de heer Allworthy met zijn gezelschap verscheen, om het geluk van mejufvrouw Miller te volmaken, die, zoodra zij Sophia zag, gissen kon wat voorgevallen was, en zoo opregt veel van Jones hield, dat dit niet weinig de verrukking verhoogde, welke zij gevoelde over het geluk van hare eigene dochter.
Er zijn denkelijk weinige voorbeelden bekend van een vereeniging van menschen, die allen zoo volmaakt gelukkig waren, als de leden van dit gezelschap. Onder dezen was de vader van Nightingale de minst gelukkige; want niettegenstaande zijne liefde tot zijn zoon, en in weerwil van het gezag en de redeneringen van Allworthy en van de andere reeds opgegevene redenen, was hij niet geheel en al tevreden met de keuze van zijn zoon, terwijl welligt het bijzijn van Sophia in geene geringe mate zijn verdriet vermeerderde en verbitterde, als tusschenbeide de gedachte bij hem opkwam, dat zijn zoon zelf die jonge dame, of eene andere van haren aard had kunnen krijgen. Het waren echter noch de ligchamelijke noch de verstandelijke bekoorlijkheden van Sophia, welke dezen wensch opwekten;—het was alleen de inhoud van haar vaders geldkist, welke zijne begeerte deed ontvlammen. Hij kon er niet aan denken dat zijn zoon bekoorlijkheden van dezen aard aan jufvrouw Miller opgeofferd had.
De bruidjes zagen er beide heel goed uit; maar werden zoodanig verduisterd door de schoonheid van Sophia, dat als zij niet een paar der goedaardigste schepselen ter wereld geweest waren, deze omstandigheid haren nijd zou opgewekt hebben; want geen van de beide echtgenooten kon lang de oogen van Sophia afhouden, die aan de tafel zat als eene koningin om gehuldigd te worden, of liever als een bovennatuurlijk wezen, dat iedereen aanbidden moest. Maar het was eene aanbidding, die geschonken en niet afgeperst werd; want zij onderscheidde zich evenzeer door hare zedigheid en vriendelijkheid als door hare overige volmaaktheden.
De avond ging in de meest ongemaakte vreugde voorbij. Allen waren gelukkig;—maar de gelukkigste waren diegenen, die vroeger het meest geleden hadden. Hun vroeger lijden en angst verhoogde thans hun geluk in eene mate, zooals zelfs de hoogste liefde en het fortuin niet hadden kunnen doen zonder bijgestaan te zijn door de tegenstelling van het verledene met het tegenwoordige. Daar echter de groote vreugde, vooral na zulk eene plotselinge verandering en ommekeer, geneigd is om te zwijgen, en eerder in het hart dan op de lippen zetelt, schenen Jones en Sophia de minst opgeruimden te zijn onder het gezelschap. Western merkte dit met veel ongeduld op, en riep herhaaldelijk uit: „Waarom praat ge niet, jongen? Waarom kijkt ge zoo ernstig? Meisje! Zijt ge stom geworden? Drink nog eens! Ge zult nog eens drinken!”
En om haar op te vrolijken, zong hij tusschenbeide allerlei grappige liederen, welke toespelingen bevatten op het huwelijk en op de verandering van een meisje in eene vrouw. Ja, hij zou zelfs over dit laatste onderwerp zoover uitgeweid hebben, dat zij de kamer had moeten verlaten, als de heer Allworthy hem niet telkens met blikken en een paar maal met een „Foei, foei, Western!” in toom had gehouden. Eens begon hij zelfs de zaak breedvoerig te bespreken, en zijn regt te doen gelden om al wat hij verkoos aan zijne eigene dochter te zeggen; daar hij echter bij niemand ondersteuning vond, werd hij weldra tot de orde geroepen.
Niettegenstaande dezen dwang, was hij zóó ingenomen met de opgeruimdheid en vreugde van het gezelschap, dat hij er op stond dat allen den volgenden dag in zijne woning als gasten zouden verschijnen. Dit deden zij en de schoone Sophia, die inmiddels in stilte bruid was geworden, trad op als dame des huizes, of zooals men in de beschaafde kringen zegt, „nam de honneurs aan tafel waar;” want zij had reeds dien morgen hare hand aan Jones geschonken, in de kerk van Doctors Commons, waar de heeren Allworthy en Western met mejufvrouw Miller de eenige getuigen van de plegtigheid waren.
Sophia had haren vader ernstig gesmeekt, dat niemand van het gezelschap, dat dien dag bij hem eten zou, met haar huwelijk zou bekend gemaakt worden. Hetzelfde stilzwijgen werd aan jufvrouw Miller opgelegd, en Jones stond voor Allworthy in.
Dit verzoende de bedeesde Sophia eenigzins met de drukte van het feest, dat zij, volgens den wensch van haar vader, zoo zeer tegen haar eigen zin moest bijwonen. Vertrouwende op deze geheimhouding hield zij het tamelijk goed vol totdat de landjonker, die nu zijne tweede flesch bijna geleêgd had, zijne vreugde niet meer verbergen kon, en een vollen beker inschenkende, op de bruid dronk. Allen ledigden dadelijk de glazen om haar geluk te wenschen, tot groote verlegenheid van de arme blozende Sophia, om wier wil ook Jones zich ergerde. Om de waarheid echter te bekennen, was er geen mensch tegenwoordig, die uit het gebabbel van den vader iets nieuws vernomen had; want jufvrouw Miller had het al vroeger hare dochter in ’t oor gefluisterd; de dochter had het haren man verteld; haar man aan zijne zuster,—en deze aan al de overigen.
Sophia nam thans de eerste gelegenheid waar om zich met de dames te verwijderen, en de landjonker bleef bij de flesch, en werd langzamerhand verlaten door het geheele gezelschap,—uitgezonderd den jongen Nightingale, die evenveel van een glas wijn hield als de heer Western zelf. Deze beiden bleven er dan den geheelen avond dapper bij, en lang na het gelukkige uur, dat de bekoorlijke Sophia in de armen van haren verrukten echtgenoot gevoerd had.
Eindelijk dan, lezer, hebben wij onze geschiedenis tot een einde gebragt, waarbij, tot ons groot genoegen, hoewel misschien tegen uwe verwachting, de heer Jones ons de gelukkigste der stervelingen moet toeschijnen;—want ik beken gaarne, dat ik nog niet ontdekt heb welk geluk gelijk staat met het bezit van zulk eene vrouw als Sophia.
Wat de andere personen aangaat, die eene rol gespeeld hebben in deze geschiedenis, daar welligt sommige lezers nog het een en ander omtrent hen wenschen te vernemen, zal ik, zoo kort mogelijk, aan hunne nieuwsgierigheid voldoen.
Men heeft Allworthy, tot dusver, niet kunnen overhalen, om Blifil te zien; maar hij heeft toegegeven aan het dringende verzoek van Jones, door Sophia ondersteund, om hem een jaargeld van tweehonderd pond te geven,—waarbij Jones, in stilte, een derde honderdtal gevoegd heeft. Van dit inkomen leeft hij in een der noordelijke graafschappen, ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van Londen, en legt er jaarlijks tweehonderd pond van over, om eene plaats te koopen in het Parlement, waarover hij in onderhandeling staat met een zaakwaarnemer in eene der naburige stadjes. Hij is ook in den laatsten tijd Methodist geworden, in de hoop om eene zeer rijke weduwe, tot die sekte behoorende en die goederen heeft in die streek, tot zijne vrouw te krijgen.
Square stierf kort nadat hij den reeds vroeger vermelden brief geschreven had, en wat Thwackum aangaat, deze leeft steeds nog op zijne pastorij. Hij heeft vele vruchtelooze pogingen gedaan om het vertrouwen van Allworthy te herwinnen, of om zich in de gunst van Jones in te dringen en hij vleit beiden in hun gezigt en scheldt hen uit achter hun rug. In plaats van hem, heeft de heer Allworthy onlangs den heer Abraham Adams bij zich in huis genomen, die een groote lieveling van Sophia is en wien zij voornemens is de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen.
Mevrouw Fitzpatrick is van haar man gescheiden en heeft het kleine overschot van haar vermogen behouden. Zij geniet een zeer goeden naam, leeft in een der deftigste buurten van de stad en weet zoo goed met het geld om te gaan, dat zij het driedubbele van het bedrag van haar inkomen uitgeeft, zonder schulden te maken. Zij is zeer intiem geworden met de echtgenoote van den Ierschen pair, en vergoedt door vriendschapsdiensten aan haar, alles wat zij aan den man van die dame te danken heeft.
Mejufvrouw Western was weldra weder met hare nicht verzoend en heeft een paar maanden hij haar, buiten doorgebragt. Lady Bellaston legde een deftig bezoek bij Sophia af zoodra deze weder te Londen kwam, gedroeg zich tegenover Jones alsof zij hem nooit gekend had, en wenschte hem zeer beleefdelijk geluk met zijn huwelijk.
De heer Nightingale heeft in de buurt van Jones eene buitenplaats gekocht voor zijn zoon, waar deze, met zijne jonge vrouw, jufvrouw Miller en haar dochtertje wonen, terwijl de beide familiën op de prettigste wijze met elkaar omgaan.
Wat de menschen betreft, die eene minder belangrijke rol speelden: mevrouw Waters heeft van Allworthy een jaargeld van zestig pond sterling gekregen, en is gehuwd met dominé Supple, wien Allworthy, op Sophia’s verzoek, eene zeer goede predikantsplaats schonk.
De Zwarte George, vernemende hoe hij ontdekt was, liep weg, en men heeft verder nooit iets van hem vernomen. Jones echter schonk het geld aan zijn huisgezin, maar deelde het niet gelijkmatig uit; want Molly kreeg op verre na het grootste aandeel.
Aan Partridge schonk Jones vijftig pond ’s jaars, en hij heeft weer eene school opgerigt, waarbij hij veel meer aanmoediging vindt dan vroeger. Er wordt thans over een huwelijk onderhandeld tusschen hem en mejufvrouw Molly Seagrim, en door Sophia’s bemiddeling zal de zaak waarschijnlijk gelukken.