Part 90
Wij moeten thans nog afscheid nemen van den heer Jones en Sophia, die twee dagen na hun huwelijk, met den heer Western en Allworthy weder naar buiten gingen. Western heeft aan zijn schoonzoon het heerenhuis en het grootste gedeelte zijner landerijen afgestaan en heeft zich terug getrokken in een zijner kleinere huizen in een ander gedeelte van het graafschap, dat eene betere jagt oplevert. Hij bezoekt echter dikwerf den heer Jones, die, met Sophia, vreugde er in schept om alles te doen wat zij kunnen, om hem te behagen. En dit gelukt hun zoo goed, dat de oude heer verklaart, dat hij nu, voor het eerst van zijn leven, volmaakt gelukkig is. Hij heeft bij hen in huis eene zitkamer en spreekkamer tot zijne beschikking, waar hij zich dronken kan drinken met wien hij verkiest, terwijl zijne dochter even gereed blijft als vroeger om hem al wat hij wil, voor te spelen. Jones heeft hem ook verzekerd, dat, daar, na haar te behagen, het mede zijn dierbaarste wensch is om tot het geluk van den ouden heer bij te dragen, hij haar bijna evenzeer bemint om de wijze waarop zij haar pligt bij haren vader doet, als om de liefde welke zij hemzelven geschonken heeft.
Sophia heeft hem reeds twee schoone kinderen geschonken, een jongen en een meisje, op welke de oude man zoodanig verzot is, dat hij veel van zijn tijd op de kinderkamer doorbrengt, waar hij verklaart, dat het gebabbel van zijn kleindochtertje, dat reeds meer dan achttien maanden oud is, hem zoeter klinkt dan het geblaf van de fraaiste jagthonden in geheel Engeland.
Allworthy was ook zeer mild jegens Jones bij diens huwelijk en laat geene gelegenheid voorbijgaan om hem en zijner echtgenoote blijken zijner liefde te geven, terwijl zij hem als een vader vereeren. Al wat in de natuur van Jones hem tot ondeugd deed overhellen, is verbeterd door den onafgebroken omgang met dezen goeden man en door zijn huwelijk met de schoone en deugdzame Sophia. Door na te denken over zijne vroegere dwaasheden, heeft hij ook eene voorzigtigheid en overleg geleerd, die zelden gevonden worden bij iemand van zijn levendig karakter.
Eindelijk: even als men geen waardiger paar kan vinden dan deze twee menschen,—zoo kan er men zich ook geen gelukkiger voorstellen. Zij bewaren onderling de zuiverste en teederste liefde, welke dagelijks vermeerderd en bevestigd wordt door hartelijkheid en wederzijdsche achting. Zij zijn ook niet minder beminnelijk in hun gedrag jegens hunne betrekkingen en vrienden dan jegens elkaar. En zoo groot is hunne goedheid, toegevendheid en weldadigheid jegens hunne minderen, dat er geen buurman, pachter of bediende is, die niet dankbaar den dag zegent, waarop de heer Jones met zijne Sophia vereenigd werd.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Door dit woord bedoelen wij altijd menschen zonder deugd of verstand, in welken stand der maatschappij ook; en vele zeer hoog geplaatsten worden er onder begrepen. Noot van den Schr.
[2] Dit is de tweede persoon van lagen stand, die in deze geschiedenis vermeld wordt als van een geestelijke aftestammen. Het is te hopen, dat in latere eeuwen, als men eenige betere zorg gedragen heeft voor de huisgezinnen der lagere geestelijkheid, zulke voorbeelden vreemder zullen schijnen dan heden ten dage het geval is. Noot van den Schr.
[3] Eigenlijk Sehnsucht. Fielding kon in het Engelsch ook geen woord vinden om desiderium te vertalen,—en gebruikte in de noot onder den tekst eene lange omschrijving. Noot van den Vert.
[4] De Pretendent.
[5] Door dit woord bedoelen wij hier, en in de meeste andere gedeelten van dit werk, iederen lezer ter wereld. Noot van den Schr.
[6] „Geleerd en ongeleerd, dat schrijft maar toe!”
[7] Het is niet meer dan billijk om dezen grooten tooneelspeler en deze beide te regt zeer beroemde actrices te vermelden, daar zij zich alleen door de studie der natuur gevormd hebben;—en geene navolgers zijn van hunne voorgangers. Van daar is het hun gelukt allen, die hen voorgingen, te overtreffen,—en op eene hoogte te komen, welke de slaafsche kudde der navolgers nooit bereiken kan. Noot van den Schr.
[8] Wiens ondeugden door geene enkele deugd vergoed zijn.
[9] Eene bekende modemaakster in Londen, die beroemd was om de schoone tailles, welke zij de dames wist te maken. Noot van den Schr.
[10] Bedoelde zij welligt Circassische? Noot van den Schr.
[11] Het dorp waar Jones den kwaker ontmoet had. Noot van den Schr.
[12] Othello; vertaling van Moulin. M. P. L.
[13] „Plaats mij in ’t koud en grimmig Noord, Waar geen geboomte, struik noch hagen Het zomerkoeltje ruischen hoort, En waar door mist en nevelvlagen Geen enkle hemellichtstraal boort; Plaats mij in ’t onherbergzaamst oord, Te digt bij Phoebus zonnenwagen, Steeds zal mij Lalage behagen, Wier gulle lach, wier vriendlijk woord Me altijd en overal bekoort.”
[14] Nerva, Trajanus, Hadrianus en de beide Antonini.
[15] Zie Odyss. B. II. 175.
[16] Opdat de nakomelingschap niet door deze woorden in de war gebragt worde, verklaar ik ze door eene advertentie, welke verscheen op 1 Februarij 1747.
„Let wel! De heer Broughton stelt zich voor, om met de noodige hulp eene Akademie te openen in zijn huis in de Hay-Market, voor het onderwijs van diegenen, die ingewijd wenschen te worden in de geheimen van het boxen; waar de geheele theorie en praktijk van die echt Britsche kunst, met de verschillende slagen, finten, enz., door de kampvechters gebruikt, geleerd en verklaard zullen worden. En ten einde personen van rang en onderscheiding, niet af te schrikken om dezen Akademischen Cursus te volgen, zal men met de uiterste zorg en teederheid te werk gaan, met een oog op den fijneren ligchaams-bouw en het gestel van den leerling, om welke reden hij met opgevulde, weeke handschoenen voorzien zal wezen, die hem geheel en al vrijwaren tegen blonde oogen, gebroken kakebeenen en een bebloeden neus.” Noot van den Schr.
[17] Hiermede bedoelde zij waarschijnlijk de banknoot van honderd pond sterling. Noot van den Schr.
[18] Dit is een feit, dat, naar ik weet, een armen predikant in Dorsetshire is overkomen, door de schurkenstreken van een zaakwaarnemer, die op deze wijze de kosten wist op te jagen, eene handelwijze, welke dikwerf gebezigd wordt om de armen te onderdrukken en om de beurzen der zaakwaarnemers te vullen, tot groote schande van de wet, van het volk, van het christendom en zelfs van de menschelijke natuur. Noot van den Schr.