Part 88
„Wel,” zeide zij; „ik ben bij de jonge dame geweest, en heb haar alles uitgelegd, zooals het mij door mijn zoon Nightingale verteld was. Zij kan nu geen twijfel meer omtrent den brief koesteren;—daarvan ben ik overtuigd; want ik zeide haar dat mijn schoonzoon gereed was om een eed te doen, dat hij zelf alles wat daarin staat bedacht, en opgesteld had. Ik verzekerde haar dat het zenden van dien brief juist eene reden te meer voor haar zijn moest om van u te houden, daar alles om harentwil geschied was, en tot een duidelijk bewijs strekken moest, dat gij besloten hadt in de toekomst alle losbandigheid vaarwel te zeggen;—dat gij nooit, sedert gij haar hier in Londen gezien hadt, haar op eenigerlei wijze ontrouw waart geweest,—hoewel ik vrees, dat ik daarmede wat al te veel verzekerde;—maar de hemel zal mij dat vergeven en ik hoop dat uw gedrag in het vervolg hetgeen ik beweerde, staven zal. Ik heb zeker alles gezegd wat ik slechts kon; maar te vergeefs. Zij blijft onwrikbaar. Zij verklaart vele gebreken der jeugd te hebben kunnen vergeven; maar drukte zooveel afkeur uit voor een losbandig mensch, dat zij mij bepaaldelijk tot stilzwijgen bragt. Ik trachtte u herhaaldelijk te verontschuldigen; maar de regtvaardigheid harer aanklagt, legde mij het stilzwijgen op. Op mijn woord, het is een heerlijk meisje en een der zachtste en verstandigste wezens, die ik ooit gezien heb. Ik had haar willen omhelzen, na één woord, dat zij zeide. Het was iets, een Seneca, of een bisschop waardig! „Ik verbeeldde me eens, jufvrouw,” zeide zij, „dat ik de meeste goedaardigheid in den heer Jones ontdekt had, en ik beken dat ik die naar waarde wist te schatten; maar overgroote losbandigheid zal het beste hart ter wereld bederven en een goedaardige losbol kan op zijn best verwachten, dat wij een weinig medelijden bij onze minachting en onzen afschuw voegen.”—Zij is een engel, dat is zeker!”
„O, jufvrouw Miller,” hernam Jones, „hoe kan ik dan er aan denken, dat ik dezen engel verloren heb!”
„Verloren?” riep jufvrouw Miller, „Neen! Ik hoop dat gij haar nog niet verloren hebt. Blijf er slechts bij, om alle ondeugd te laten varen, en wij mogen nog hopen.—Ja, als zij onverbiddelijk blijft, is er eene andere, lieve, schoone, jonge dame, met een groot vermogen, die doodelijk verliefd op u is. Dat heb ik heden morgen vernomen, en ik zeide het aan jufvrouw Western;—ja, ik ging zelfs iets verder dan hetgeen stipt waar is; want ik vertelde haar, dat gij die niet hebben wildet,—en ik wist wel dat gij haar ook niet zoudt nemen.—En een weinig troost kan ik u al geven; want toen ik de dame noemde (niemand anders dan de schoone weduwe Hunt), dacht ik al dat zij een weinig verbleekte; maar toen ik zeide, dat gij haar niet hebben wildet, wil ik er een eed op doen, dat zij dadelijk vuurrood werd, terwijl zij zeide: „Ik kan het niet loochenen;—ik geloof wel dat hij eenige liefde tot mij gevoelt.””
Thans werd het gesprek gestoord door het binnentreden van Western, die niet langer buiten de kamer te houden was zelfs door het gezag van Allworthy, hoewel, zooals wij dikwerf gezien hebben, deze zooveel op hem vermogt.
Western liep dadelijk op Jones toe, en riep uit: „Nu, vriend Tom, ik ben van harte blijde u weêr te zien! Alles wat voorbij is, zij vergeten en vergeven! Ik kon ook niets kwaads tegen u in den zin hebben, daar,—zooals Allworthy weet, en zooals gij zelf weet, ik u voor iemand anders hield, en als men geen kwaad bedoelt, komt het op een paar driftige woorden niet aan. Men moet als Christen weten te geven en te nemen!”
„Naar ik hoop, mijnheer,” zei Jones, „zal ik nooit de vele verpligtingen vergeten, welke ik jegens u heb;—maar dat ik u iets te vergeven zou hebben, klinkt mij heel vreemd.”
„Zoo!” riep Western, „geef me dan maar de hand! Een eerlijker bl— dan gij zijt, ken ik niet! Kom maar mede; ik zal je dadelijk bij je meisje brengen!”
Hier kwam Allworthy tusschenbeide en daar de landjonker noch den oom noch den neef overhalen kon, moest hij, na eenig pruttelen, er in toestemmen om te wachten tot den namiddag op het bezoek van Jones bij Sophia, toen Allworthy uit medelijden met Jones en uit zucht om Western te verpligten, zich liet overhalen om te beloven eene theevisite te maken.
Het gesprek dat nu volgde, was zeer aangenaam, en ware het vroeger voorgevallen, wij zouden onzen lezer er op onthaald hebben;—daar wij echter thans alleen den tijd hebben voor het meest belangrijke, zij het genoeg te zeggen, dat toen alles voor het bezoek in den namiddag geregeld was, de heer Western weêr naar huis ging.
HOOFDSTUK XI.
DE GESCHIEDENIS NADERT HOE LANGER ZOO MEER DE ONTKNOOPING.
Zoodra de heer Western weg was, begon Jones met den heer Allworthy en mejufvrouw Miller te berigten, dat zijne invrijheidstelling bewerkt was door twee edele lords, die tegelijk met twee heelmeesters en een vriend van den heer Nightingale voor den vrederegter verschenen waren, door wien hij naar de gevangenis gezonden was, en die thans, op eene beëedigde verklaring dat de gekwetste zich volstrekt in geen gevaar bevond, hem liet ontslaan.
Hij zeide, slechts één dezer lords ooit vroeger gezien te hebben, en dan ook slechts éénmaal; maar de andere had hem zeer verrast door zijne vergiffenis in te roepen voor eene beleediging, welke hij hem alleen aangedaan had, zoo als hij zeide, omdat hij in het geheel niet geweten had, wie Jones was.
Het ware van de zaak echter was—wat Jones pas later vernam,—het volgende: de luitenant door Lord Fellamar, op raad van Lady Bellaston, gebruikt om Jones als landlooper te pressen voor de zeedienst, had, toen hij aan Milord verslag kwam geven van zijne zending, welker afloop ons bekend is, in alle opzigten zeer gunstige berigten van den heer Jones gegeven, en den lord verzekerd, dat hij zich vergist moest hebben; want dat Jones ongetwijfeld een hoogst fatsoenlijk man was. Milord nu, die man van eer was, en volstrekt geene daad zou hebben willen begaan, welke hem de openlijke afkeuring op den hals kon halen, begon zich ongerust te maken, over den raad, welken hij gevolgd had.
Een paar dagen later at hij toevallig aan dezelfde tafel met den Ierschen pair, die, sprekende over het tweegevecht, het gezelschap bekend maakte met het karakter van Fitzpatrick, wien hij echter geen regt liet wedervaren, vooral in hetgeen zijne vrouw aanging. Hij zeide dat zij de onschuldigste en meest wreed behandelde vrouw ter wereld was, en dat hij zelf alleen uit medelijden partij voor haar trok. Hij verklaarde ook, den volgenden morgen bij Fitzpatrick te willen gaan, om hem, zoo mogelijk, over te halen zich van zijne vrouw te laten scheiden, die, zooals de pair verzekerde, haar leven niet veilig achtte als zij ooit weder in handen van haar echtgenoot viel. Lord Fellamar was dadelijk gereed om hem te vergezellen, ten einde zich meerder licht omtrent Jones en de omstandigheden van het tweegevecht te verschaffen; want hij was alles behalve op zijn gemak omtrent de rol welke hij zelf gespeeld had. Zoodra Milord een wenk gaf, dat hij gaarne het zijne zou doen om de dame te helpen, werd dit gretig aangenomen door den anderen edelman, die sterk rekende op den invloed van Lord Fellamar, welke, naar hij meende, in staat zou zijn door zijn invloed, Fitzpatrick te dwingen toe te geven, en misschien had hij goed gezien; want zoodra de arme Ier zag dat deze edele pairs zich het lot zijner vrouw aantrokken, onderwierp hij zich, en de voorwaarden der echtscheiding waren spoedig opgesteld en door de belanghebbende partijen onderteekend.
Fitzpatrick, die ook door mevrouw Waters ingelicht was omtrent de onschuld van zijne vrouw ten opzigte van Jones, te Upton, en misschien ook om andere redenen, was nu zoo onverschillig op dat punt geworden, dat hij zich tegen Lord Fellamar zeer ten gunste van Jones uitliet, al de schuld op zich zelven nam en bekende dat de andere zich geheel en al als fatsoenlijk man gehouden had,—en toen Milord verder vroeg, verzekerde hij hem dat Jones de neef was van iemand van hoogen stand en groot vermogen,—een berigt dat hij pas zelf verkregen had door mevrouw Waters, na hare ontmoeting met Dowling.
Lord Fellamar begreep thans dat hij alles moest doen wat in zijne magt stond om vergoeding te schenken aan een fatsoenlijk man, dien hij zoo grievend beleedigd had en zonder Jones als mededinger te beschouwen (want hij dacht zelfs niet meer aan Sophia) besloot hij diens invrijheidstelling te bewerken, daar hij én van Fitzpatrick én van den geneesheer vernam dat de wond volstrekt niet gevaarlijk was. Hij haalde dus den Ierschen pair over om hem te vergezellen naar de gevangenis, waar toen verder voorviel, wat ons reeds bekend is.
Zoodra Allworthy weder te huis kwam, nam hij Jones mede op zijne kamer, en maakte hem met alles bekend, zoowel met hetgeen mevrouw Waters hem verteld had, als met wat hij van den heer Dowling vernomen had.
Jones toonde de meeste verwondering en niet minder leedwezen, maar maakte er geene aanmerkingen hoegenaamd op.
Thans echter kwam eene boodschap van mijnheer Blifil, die vroeg of zijn oom den tijd had om hem te spreken, daar hij zijne opwachting bij hem wenschte te maken.
Allworthy schrikte, verbleekte en beval toen, met meer drift dan hij welligt ooit vroeger had laten blijken, aan de dienstmeid, den heer Blifil te zeggen, dat hij hem in het geheel niet kende.
„Maar bedenk toch, waarde oom,—” riep Jones, met bevende stem.
„Ik heb alles bedacht,” hernam Allworthy, „en gij zult zelf mijne boodschap aan dien ellendeling brengen.—Niemand kan hem beter het vonnis van zijn ondergang mededeelen dan de man, dien hij zoo schandelijk trachtte zelf te grond te rigten.”
„Vergeef mij, waarde oom,” gaf Jones in bedenking; „ik ben overtuigd dat gij, na u één oogenblik bedacht te hebben, het anders zult inzien. Hetgeen welligt slechts regtvaardig zou zijn als het uit een anderen mond kwam, zou uit den mijne als eene terging luiden. En voor wien?—Voor mijn eigen broeder en uw neef?—Hij heeft me ook zóó wreed niet behandeld. Dat zou werkelijk onvergeefelijker geweest zijn dan al het overige dat hij misdaan heeft. De omstandigheden mogen menschen, die maar half bedorven van aard zijn, tot onregtvaardigheden aanzetten; maar beleedigingen kunnen slechts uit zwarte en kwaadaardige zielen voortkomen, die geene verleiding noodig hebben. Laat mij u smeeken, oom, niets omtrent hem te beslissen in dit oogenblik van drift. Bedenk, waarde oom, dat ik zelf niet ongehoord veroordeeld werd.”
Allworthy zweeg een oogenblik en daarop Jones omhelzende, met tranen in de oogen, riep hij uit: „O mijn kind, hoe heb ik zoo lang verblind kunnen zijn voor zooveel goedheid?”
Op dit oogenblik trad jufvrouw Miller, na zachtjes aan de deur getikt te hebben, zonder gehoord te worden, binnen en Jones in de armen van zijn oom ziende, viel de goede vrouw in hare verrukking op de knieën, en dankte den hemel, in de vurigste bewoordingen, voor hetgeen er gebeurd was. Daarna liep zij op Jones toe, sloot hem hartstogtelijk in de armen en riep uit: „Waarde vriend, ik wensch u duizendmaal geluk,—duizendmaal met dezen dag!” waarop zij zich met dezelfde gelukwenschen tot Allworthy wendde.
Hierop hernam hij: „Ja, jufvrouw Miller, ik gevoel mij inderdaad onuitsprekelijk gelukkig!”
Nadat beiden zich nog een oogenblik aan hunne vreugde overgegeven hadden, verzocht jufvrouw Miller Jones en den heer Allworthy naar beneden te komen eten, waar zij verzekerde, dat zij een zeer gelukkig gezelschap bijeen zouden vinden; namelijk niemand anders dan den heer Nightingale met zijne jonge vrouw, en zijne nicht Harris met haren bruidegom.
Allworthy verontschuldigde zich voor het middagmaal, verklarende, dat hij iets voor zich en zijn neef al besteld had op zijne eigene kamer, want dat zij vele gewigtige zaken zamen te bepraten hadden, maar beloofde aan de goede vrouw, dat hij en Jones bij het avondmaal tegenwoordig zouden zijn.
Mejufvrouw Miller vroeg daarop wat zij met Blifil beginnen moest; „want,” zeide zij, „ik heb geene rust zoolang zulk een schurk nog onder mijn dak schuilt.”
Allworthy hernam dat hij hare ongerustheid deelde.
„O,” riep zij, „als dat het geval is, laat het dan maar aan mij over! Ik zal hem heel vlug de deur uitkrijgen;—daarvoor sta ik u borg! Ik heb een stuk of wat krachtige mannen beneden,—die—”
„Het is volstrekt niet noodig geweld te gebruiken,” hernam Allworthy. „Als gij hem eene boodschap van mij wilt overbrengen, zal hij dadelijk vrijwillig vertrekken;—daarvan ben ik overtuigd!”
„Of ik dat doen wil?” riep jufvrouw Miller. „Ik zou nooit van mijn leven iets liever doen!”
Hier kwam Jones tusschenbeide en zeide, „dat hij de zaak nader overlegd had, en dat hij, met goedkeuring van den heer Allworthy, zelf de boodschap zou overbrengen. Ik weet,” ging hij voort, „reeds genoeg hoe gij over die zaak denkt, oom, en ik vraag vergunning hem dat zelf, in mijne eigene bewoordingen, te mogen mededeelen. Laat mij u smeeken, oom, eindigde hij, aan de verschrikkelijke gevolgen te denken, als gij hem plotseling tot wanhoop brengt. Hoe ongeschikt, helaas, is die arme jongen om in zijn tegenwoordigen toestand te sterven!”
Dit denkbeeld had in het minst geen vat op jufvrouw Miller. Zij liep de kamer uit, roepende: „Gij zijt veel te goed, mijnheer Jones,—veel te goed voor deze wereld!”
Maar het maakte dieper indruk op Allworthy.
„Mijn beste jongen,” zeide hij, „ik sta evenzeer verbaasd over de goedheid van uw hart als over de vlugheid van uw verstand. De hemel verhoede inderdaad, dat die ellendeling van de middelen of van den tijd tot berouw beroofd worde! Dat zou werkelijk eene verschrikkelijke gedachte zijn. Ga dus bij hem en handel volgens uw eigen oordeel;—vlei hem echter niet met eenige hoop op vergiffenis van mij; want ik zal hem zijne schelmenstreken alleen in zoo ver vergeven als de godsdienst dat eischt,—en die vordert noch mildheid noch omgang met hem.”
Jones begaf zich nu op de kamer bij Blifil, dien hij in een toestand vond, welke zijn medelijden opwekte, hoewel die bij menigen lezer eene minder beminnelijke gewaarwording zou hebben doen ontstaan. Hij wierp zich op zijn bed gaf zich aan de wanhoop over, en smolt weg in tranen,—geene tranen echter van berouw, die de schuld uitwisschen van eene ziel, die tegen haren aangeboren aard tot de misdaad verleid of vervallen is;—wat soms der menschelijke zwakheid overkomt,—zelfs bij den goede,—maar tranen zooals de misdadiger stort op weg naar het schavot, en welke inderdaad afgeperst worden door het medelijden, hetwelk de meest wreede mensch zelden nalaat met zich zelven te gevoelen.
Het zou onaangenaam en vervelend zijn, dit tooneel uitvoerig te schilderen. Genoeg dus, als wij zeggen, dat de houding van Jones uitermate liefderijk was. Hij vergat niets, dat hij bedenken kon om Blifil te troosten en op te beuren eer hij hem het besluit van zijn oom mededeelde, dat hem nog dien avond uit het huis verbande. Hij bood aan, hem van geld te voorzien, verzekerde hem dat hij hem opregt alles vergaf wat hij gedaan had om hem te benadeelen, en dat hij voortaan streven zoude om als broeder met hem te leven en niets verzuimen om eene verzoening tusschen hem en zijn oom te weeg te brengen.
Blifil was eerst stug en stil, terwijl hij overwoog of hij alles nog zou blijven ontkennen; maar inziende, dat de bewijzen te sterk waren om ontzenuwd te worden, besloot hij eindelijk alles te bekennen. Hij smeekte nu met de meeste drift om vergiffenis, wierp zich neder voor Jones en kuste hem de voeten,—met één woord, hij was nu even laag als hij vroeger slecht was geweest.
Jones kon niet nalaten zijne minachting te toonen voor deze laagheid, in de uitdrukking welke op zijn gezigt lag; hij hief echter zijn broeder zoo spoedig mogelijk op, ried hem aan zijne rampen als man te dragen, en herhaalde tevens zijne belofte om alles te doen, wat in zijne magt stond om ze te lenigen. Hierop herhaalde Blifil de verklaring zijner onwaardigheid, overlaadde hem met dankbetuigingen, en verklaarde, dat hij dadelijk eene andere woning zou zoeken, waarop Jones tot zijn oom terugkeerde.
Allworthy deelde nu onder anderen, aan Jones de ontdekking mede welke hij gedaan had omtrent de vijfhonderd pond aan bankpapier.
„Ik heb,” zeide hij, „reeds een regtsgeleerde geraadpleegd, die mij tot mijne verbazing verzekert, dat een bedrog van dezen aard volgens de wet niet strafbaar is. Maar inderdaad, als ik denk aan de zwarte ondankbaarheid van dezen kerel ten uwen opzigte, houd ik een straatroover voor geheel onschuldig, bij hem vergeleken.”
„Goede hemel!” riep Jones, „is het mogelijk? Dit nieuws grieft me oneindig. Ik hield hem voor den eerlijksten kerel ter wereld. De verleiding van zulk eene som was te groot voor hem;—want dingen van mindere waarde heb ik veilig door zijne tusschenkomst ontvangen. Inderdaad, waarde oom, ik houd het eerder voor zwakheid dan voor ondankbaarheid; want ik ben overtuigd dat de arme kerel aan mij gehecht is, en hij heeft me ook eenige diensten bewezen, welke ik nooit vergeten zal;—ik geloof zelfs, dat hij al berouw gevoelt over hetgeen hij misdaan heeft; want slechts een paar dagen geleden, kwam hij bij mij, toen mijne zaken in den wanhopigsten toestand schenen, en bood mij, in de gevangenis, zooveel geld aan als ik maar noodig mogt hebben. Bedenk, oom, hoe groot de verleiding wezen moest voor een man, die in zulken nood verkeerd had, en eene som in handen kreeg, welke hem en zijn huisgezin waarborgen moest voor alle toekomstige ellende van dien aard.”
„Mijn waarde jongen,” riep Allworthy, „gij overdrijft deze vergevensgezindheid. Zulke verkeerd geplaatste goedheid is niet slechts zwakheid, maar grenst zelfs aan onregtvaardigheid, en is verderfelijk voor de maatschappij, daar ze tot ondeugd aanspoort. Ik zou welligt dezen mensch zijne oneerlijkheid hebben kunnen vergeven; maar zijne ondankbaarheid vergeef ik hem nooit. Vergun mij ook te zeggen, dat, als wij de oneerlijkheid wegens de verleiding daartoe vergeven, wij zoo ver gaan met onze genade en ons medelijden als ons veroorloofd is,—en ik beken dat ik zelf dikwerf zoo ver gegaan ben; want ik heb als lid van de Jury dikwerf een straatroover beklaagd en meer dan eens heb ik den regter vermindering van straf gevraagd voor diegenen, bij wie eenige verzachtende omstandigheden te vinden waren; maar als de oneerlijkheid vergezeld gaat van eenige nog zwartere misdaad, zooals wreedheid, moord, ondankbaarheid, of iets van dien aard, dan worden medelijden en vergiffenis misdadig. Ik ben overtuigd dat die vent een schelm is, en hij zal gestraft worden, ten minste in zoover ik hem straffen kan!”
Dit werd op zulk een strengen toon gezegd, dat Jones het ongepast achtte om iets verder daarop te antwoorden;—en inmiddels was het bepaalde uur voor zijn bezoek bij den heer Western thans zoo digtbij, dat hij naauwelijks den tijd had om zich te gaan kleeden. Hiermede liep dus het gesprek voor het oogenblik af, en Jones verwijderde zich naar eene andere kamer, waar Partridge, volgens zijn bevel aanwezig was, om hem bij het kleeden behulpzaam te zijn.
Partridge had, sedert de gelukkige ontdekking, zijn meester naauwelijks gezien en de arme kerel was evenzeer buiten staat zijne verrukking te verbergen als om ze uit te drukken. Hij gedroeg zich als een waanzinnige en maakte bijna even vele vergissingen terwijl hij Jones kleedde, als ik dikwerf Harlekijn op het tooneel heb zien begaan, als hij zich zelven verkleedt.
Zijn geheugen echter liet hem niet in den steek. Hij herinnerde zich dadelijk hoevele voorteekens en voorboden van de gelukkige gebeurtenis er geweest waren,—waarvan hij sommige reeds vroeger had opgemerkt, en andere thans eerst begreep. Hij verzuimde ook niet melding te maken van zijne droomen in den nacht eer hij Jones ontmoette, en eindigde met te zeggen: „Ik heb mijnheer altijd verzekerd, dat ik steeds een voorgevoel had, dat hij het eens in zijne magt zou hebben om mijn fortuin te maken.”
Jones verzekerde hem thans van zijn kant, dat dit voorgevoel even zeker verwezenlijkt zou worden als alle voorteekens voor hem zelven vervuld waren, en dit vermeerderde niet weinig de vreugde, waarmede de arme kerel reeds bezield was, alleen om den wille van zijn meester.
HOOFDSTUK XII.
NOG DIGTER BIJ DE ONTKNOOPING.
Jones thans behoorlijk gekleed zijnde, vergezelde zijn oom naar de woning van den heer Western. Hij had, inderdaad, eene der schoonste gestalten, die ooit gezien werd, en zijn uiterlijk alleen zou genoeg geweest zijn om de meeste vrouwen te bekoren; maar wij willen hopen dat het uit deze geschiedenis al genoegzaam gebleken is, dat de natuur, toen zij hem schiep, zich niet alleen verliet op deze verdiensten (wat zij soms wèl doet) om haar werk aan anderen aan te bevelen.
Sophia, die, hoe verontwaardigd ook, zich op de sierlijkste wijze uitgedost had,—om welke reden laat ik aan mijne lezeressen over te verklaren,—was zoo schoon, dat zelfs Allworthy, toen hij haar zag, niet nalaten kon om Western in te fluisteren, dat hij haar voor het bekoorlijkste meisje ter wereld hield, waarop Western, zoo hardop fluisterende, dat iedereen in de kamer hem hooren kon, hernam: „Nu des te beter voor Tom; want verd— als hij haar niet hebben zal!”
Sophia werd vuurrood bij deze woorden, terwijl Tom even sterk verbleekte en bijna van den stoel zeeg. Naauwelijks was de theetafel opgeruimd, of Western sleepte Allworthy uit de kamer, onder voorwendsel dat hij hem iets zeer belangrijks mede te deelen had, wat hij hem dadelijk, onder vier oogen, eer hij het vergat, zeggen moest.
De minnenden bleven nu alleen, en ik twijfel niet, dat het aan vele lezers vreemd zal schijnen, dat diegenen, welke te midden van gevaar en bezwaren elkaar zooveel te vertellen hadden, en die zoo gereed schenen elkaar in de armen te vliegen als zij zoovele hinderpalen overwinnen moesten, nu dat zij veilig en vrij alles zeggen en doen mogten wat hun goed dunkte, beiden een tijdlang bleven zwijgen en bewegingloos zitten,—zoodat een verstandige vreemdeling had kunnen vermoeden, dat zij geheel onverschillig voor elkaar waren. Hoe vreemd het dan ook schijne, was dit echter het geval; beiden zaten met neêrgeslagen blikken, en bewaarden eenige minuten lang een diep stilzwijgen.
In dezen tusschentijd echter trachtte de heer Jones een paar maal te spreken, maar kon er bepaaldelijk geen woord uitkrijgen;—hij mompelde slechts, of zuchtte eerder, eenige onzamenhangende woorden, totdat Sophia eindelijk, uit medelijden, en gedeeltelijk om het gesprek van een onderwerp af te brengen, dat zij wèl begreep dat hij zocht te naderen, zeide:
„Gij zijt zeker, mijnheer, door deze ontdekking de gelukkigste der stervelingen geworden.”
„En kunt gij mij wezenlijk gelukkig noemen, mejufvrouw,” hernam Jones met een zucht, „zoolang ik gebukt ga onder uwe afkeuring?”
„Wel, mijnheer,” hernam zij, „wat dat betreft, gij weet best zelf in hoever gij ze verdiend hebt of niet.”
„Wezenlijk, mejufvrouw,” antwoordde hij, „gij kent zelve, even goed als ik, al mijne wanbedrijven. Jufvrouw Miller heeft u de geheele waarheid medegedeeld. O, mijne Sophia, mag ik nooit op vergiffenis hopen?”
„Naar ik mij verbeeld, mijnheer Jones,” hernam zij, „mag ik het aan uw eigen gevoel van regt en billijkheid overlaten om over het door u gehouden gedrag het vonnis uit te spreken.”
„Helaas,” riep hij, „het is genade en geene regtvaardigheid, welke ik van u afsmeek! Ik weet wel, dat de regtvaardigheid mij veroordeelen zoude.—Maar toch niet wegens dien brief aan Lady Bellaston! Ik verzeker u, bij al wat heilig is, dat gij daaromtrent de stipte waarheid vernomen hebt.”
Hierop drong hij sterk aan op de verzekering hem door Nightingale gegeven hoe gemakkelijk het vallen zou een voorwendsel te vinden om de zaak af te breken, als, tegen alle verwachting, Milady hem bij het woord had willen nemen; maar hij bekende dat hij zich aan eene zeer groote onvoorzigtigheid had schuldig gemaakt door haar zulk een brief ooit in handen te geven, „en dat,” zeide hij, „heb ik zwaar geboet, als ik zie welke uitwerking het op u heeft gehad.”