Part 87
„Vergeef mij als ik u in de rede val, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik kan niet meer aan die veronderstelling denken. Geloof mij, jufvrouw Western, ik verheug mij van ganscher harte,—ja, van ganscher harte, zeg ik, dat gij hem ontsnapt zijt. Ik heb pas ontdekt, dat de man om wien gij deze wreede behandeling van uw vader ondervonden hebt, een schurk is.”
„Hoe, mijnheer?” riep Sophia. „Ik sta verstomd!”
„Het heeft mij ook verbaasd,” hernam Allworthy. „En iedereen zal zich daarover verwonderen. Maar ik heb u niets dan de waarheid verteld.”
„Ik ben ook overtuigd,” antwoordde Sophia, „dat niets anders over de lippen van mijnheer Allworthy zou kunnen komen.—Maar de tijding klinkt zoo vreemd,—zoo onverwacht.—Gij hebt ontdekt dat hij een booswicht is—zegt gij;—moge de ondeugd steeds op die wijze ontmaskerd worden!”
„Gij zult weldra de geheele geschiedenis vernemen,” hernam Allworthy. „Laat ons voor het oogenblik zijn gehaten naam niet meer noemen. Ik heb ook eene andere zaak van zeer gewigtigen aard om u voor te stellen.—Ja, mejufvrouw, ik erken uwe waarde en kan zoo spoedig er niet toe besluiten om de hoop op te geven van u tot mijne familie te rekenen.—Ik heb een naastbestaande, mejufvrouw, een jongeling, die, daarvan ben ik overtuigd, in alle opzigten zeer verschilt van dien ellendeling, en wiens vermogen gelijk zal wezen aan dat wat ik den andere had willen geven.—Mag ik de hoop koesteren, mejufvrouw, dat gij hem vergunnen zult, zijne opwachting bij u te maken?”
Na een kort stilzwijgen, hernam Sophia: „Mijnheer Allworthy, ik zal zoo opregt mogelijk jegens u wezen. Uw karakter en de verpligtingen, welke gij mij thans opgelegd hebt, eischen dat van mijn kant. Ik heb, voor het oogenblik, vast besloten, het oor te leenen aan geen aanzoek van dien aard,—van wien het ook zij. Mijn eenige wensch is om de genegenheid van mijn vader te herwinnen, en om het bestuur over zijn huis weder op mij te nemen. Ik hoop, mijnheer, dat ik dit alles te danken zal hebben aan uw vriendelijken bijstand. Laat mij u bidden,—u smeeken,—in naam van al de goedheid welke ik en anderen van u ooit ondervonden hebben, om, op het oogenblik dat gij mij bevrijd hebt van de eene vervolging, mij niet bloot te stellen aan eene andere,—even wreed en ongelukkig!”
„Inderdaad, mejufvrouw Western,” zei Allworthy, „hebt gij niets van dien aard van mij tevreezen, en als dit uw besluit is, moet hij er zich aan onderwerpen, hoe rampzalig hij ook worden moge bij zulk eene teleurstelling.”
„Mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „ik moet wezenlijk glimlagchen als ik u hoor spreken van de rampen van een man, dien ik in het geheel niet ken,—en die ook zeker, om die reden, niet heel veel van mij kennen zal.”
„Vergeef mij, mijne lieve jonge dame,” hernam Allworthy, „als ik u verzeker dat hij u maar al te goed voor zijn toekomstig geluk kent;—want, ik ben overtuigd, dat als ooit een man tot eene opregte, vurige, en deugdzame liefde in staat is geweest,—dit ook het geval is met mijn ongelukkigen neef, ten opzigte van mejufvrouw Western.”
„Een neef van u, mijnheer?” riep Sophia. „Het komt mij vreemd voor, dat ik hem nu voor het eerst hoor noemen!”
„Hij is u alleen als mijn neef onbekend,” hernam Allworthy, „en het is eerst heden, dat ik zelf vernomen heb dat hij mijn neef was.—De heer Jones, die u sedert zoo lang bemint;—hij is mijn neef!”
„Mijnheer Jones,—uw neef?” riep Sophia. „Zou dat mogelijk zijn?”
„Ja, inderdaad!” hernam Allworthy. „Hij is de zoon van mijne eigene zuster,—en als zoodanig zal ik hem steeds erkennen; en schaam mij ook niet dat te doen. Ik schaam mij veel meer over mijn vroeger gedrag ten zijnen opzigte;—maar ik kende evenmin zijne deugden als zijne afkomst. Ik heb hem inderdaad wreed behandeld, jufvrouw Western!—Dat is zeker waar!”—Hier brak de waardige man af, om zich de tranen af te vegen, en hervatte daarop, na eene korte stilte: „Ik zal hem zijn lijden nooit kunnen vergoeden zonder uw bijstand;—geloof mij, mijne lieve, ik weet u naar waarde te schatten. Ik weet ook dat hij veel gedaan heeft, dat niet betaamde; maar dat hij, inderdaad, een uitstekend goed hart heeft!—Geloof mij,—dat is zoo!”
Hier brak hij weder af, schijnbaar op antwoord wachtende, en Sophia, zoodra zij eenigzins hersteld was van de ontroering, welke deze vreemde en onverwachte tijding opwekte, zeide dan ook:
„Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, met eene ontdekking, welke, naar het schijnt, u zoo gelukkig maakt. Ik twijfel ook niet dat ze u al het geluk zal opleveren, hetwelk gij u voorstelt. Die jonge heer bezit zeker zeer vele goede hoedanigheden, welke het onmogelijk maken, dat hij zich niet goed zou gedragen tegenover zulk een oom als hij gevonden heeft.”
„Ik vertrouw ook dat hij die goede hoedanigheden bezit, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „welke hem tot een goed echtgenoot zullen maken. Hij moest ook inderdaad de slechtste der menschen wezen, als—indien eene zoo begaafde dame als gij zijt—”
„Vergeef mij, mijnheer Allworthy,” riep Sophia, „dat ik naar geen voorstel van dien aard luisteren kan. Ik ben van de groote verdiensten van mijnheer Jones overtuigd; maar ik kan hem nooit ontvangen als iemand, die tot mijn echtgenoot bestemd is.—Op mijn woord, dat kan nooit gebeuren!”
„Duid mij niet euvel, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „als ik eenige verwondering toon,—na al wat ik van mijnheer Western gehoord heb.—Ik hoop toch dat de ongelukkige jongen niets gedaan heeft om uwe gunst te verbeuren, als hij ooit zoo gelukkig geweest is ze te genieten.—Misschien heeft men hem evenzeer bij u belasterd als bij mij. Dezelfde schurkenstreken kunnen hem overal benadeeld hebben.—Ik verzeker u dat hij geen moordenaar is, zooals men hem genoemd heeft.”
„Mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „ik heb u mijn besluit medegedeeld. Ik verwonder me niet over hetgeen mijn vader u welligt verteld heeft; maar wat hij ook vermoed, of gevreesd heeft,—als ik mijn eigen hart ken, heb ik geene aanleiding daartoe gegeven, daar het altijd bij mij vast gestaan heeft, dat ik nooit een huwelijk zou aangaan, zonder zijne toestemming. Ik houd dit voor pligt van een kind tegenover zijne ouders, en ik hoop dat niets ter wereld mij ooit zou kunnen overhalen om daarvan af te wijken. Ik zie, wel is waar, ook niet in, dat de ouders ons dwingen mogen regtstreeks tegen onze neiging in het huwelijk te treden. Om zulk een dwang te vermijden, welken ik alle reden had te duchten, verliet ik het ouderlijke huis, en zocht elders bescherming. Dit is de geheele waarheid, en als de wereld, of mijn eigen vader, mijne bedoelingen miskennen, zal mijn eigen geweten mij steeds vrijspreken.”
„Ik hoor en bewonder u tegelijk, mejufvrouw Western,” hernam Allworthy. „Ik bewonder de juistheid uwer inzigten;—maar zeker komt er nog iets bij dit alles. Ik zou vreezen u te beleedigen, mejufvrouw; maar moet ik al wat ik tot dusver gehoord en gezien heb, als een droom beschouwen? En hebt gij zooveel wreedheid van uw vader uitgestaan alleen om den wille van een man, die u geheel onverschillig was?”
„Ik smeek u, mijnheer Allworthy,” hernam Sophia, „niet naar al mijne redenen te vragen!—Ja, ik heb geleden;—inderdaad,—neen, mijnheer Allworthy, ik wil voor u niets verzwijgen,—ik wil geheel opregt met u wezen;—ik beken, dat ik zeer gunstig over mijnheer Jones dacht,—ik geloof,—ik weet, dat ik daardoor zeer veel geleden heb;—mijne tante, zoowel als mijn vader, heeft mij daarom zeer wreed behandeld;—maar dat is thans alles voorbij;—ik smeek u niet verder bij mij aan te dringen;—want wat er ook gebeurd moge zijn, mijn besluit is nu genomen. Uw neef, mijnheer, heeft vele deugden;—zeer vele deugden, mijnheer Allworthy! Ik twijfel er ook niet aan, of hij zal u in de wereld eer aandoen,—en u gelukkig maken—”
„Ik wenschte hem gelukkig te maken, mejufvrouw,” zei Allworthy; „maar ik ben overtuigd, dat zulks alleen in uwe magt is,—en het is die overtuiging, welke mij zoo ernstig voor hem doet pleiten!”
„Wezenlijk, mijnheer,” hernam Sophia, „men heeft u misleid,—ik hoop niet, dat hij u misleid heeft,—het moest genoeg voor hem wezen mij misleid te hebben;—maar, mijnheer Allworthy, ik moet er op staan, dat gij niet verder bij mij aandringt.—Het zou mij spijten—neen, ik wil hem niet in uwe oogen benadeelen! Ik wensch mijnheer Jones al wat goed is, toe;—het allerbeste!—en ik herhaal, dat welke grieven ik tegen hem hebben moge, ik ook overtuigd ben van zijne vele uitstekende hoedanigheden. Ik loochen mijne vroegere gevoelens niet; maar ik kan ze nooit weder voor hem koesteren. Op het oogenblik is er geen man ter wereld, wiens hand ik met meer standvastigheid zou weigeren, dan die van mijnheer Jones;—zelfs het aanzoek van mijnheer Blifil kon mij niet onaangenamer zijn!”
Western was al lang ongeduldig geweest om den afloop van dit onderhoud te vernemen, en stond nu te luisteren aan het sleutelgat, waar hij, slechts de laatste woorden van zijne dochter vernomen hebbende, in drift geraakte, de deur open deed en in zijne woede uitriep:
„Dat is een leugen! Een verd— leugen! Dat komt alles van dien verwenschten schelm van een Jones! Als zij hem maar krijgen kon, zou zij ten allen tijde gereed zijn!”
Hier viel hem Allworthy in de rede en zich eenigzins vertoornd tot den landjonker wendende, zeide hij: „Mijnheer Western, gij vergeet, dat gij mij beloofd hebt tot geen geweld uwe toevlugt te nemen!”
„Nu dat heb ik ook zoo lang mogelijk volgehouden,” riep Western; „maar ik kan al die vervloekte leugens niet aanhooren!—Wat drommel! Verbeeldt zij zich dat zij alle menschen zoo voor den gek kan houden, als zij met mij gedaan heeft?—Neen, neen! Gij kent haar niet zoo goed als ik dat doe!”
„Het spijt mij zeer, mijnheer,” hernam Allworthy, „dat het uit uw gedrag tegenover deze jonge dame in ’t geheel niet blijkt, dat gij haar kent. Ik vraag verschooning voor hetgeen ik zeggen moet; maar gevoel mij daartoe geregtigd door onze gemeenzaamheid met elkaar, door uwe eigene wenschen en door de omstandigheden. Zij is uwe dochter, mijnheer Western, en naar mijn gevoelen, doet zij u eer aan. Als ik iemand om iets benijden kon, zou ik u eerder om die reden dan om wat ook ter wereld benijden!”
„Wat drommel!” riep de landjonker; „ik wou maar van ganscher harte dat zij uwe dochter ware!—Gij zoudt al heel spoedig wenschen weer van haar af te zijn!”
„Wezenlijk, waarde vriend,” hernam Allworthy, „gij hebt niemand anders dan aan u zelven al het verdriet dat gij ondervindt, te wijten. Stel in de jonge dame het vertrouwen, dat zij verdient, en ik ben zeker dat gij de gelukkigste vader ter wereld zult wezen!”
„Ik vertrouwen in haar stellen!” riep de landjonker. „Wel ja! Hoe zou ik vertrouwen in haar stellen zoo lang zij niet doen wil wat ik verlang? Als zij maar hare toestemming geeft om te trouwen naar mijn zin, zal ik haar verder zoo veel vertrouwen als gij wilt!”
„Gij hebt het regt niet, buurman,” hernam Allworthy „om hare toestemming te eischen. Uwe dochter kent u het regt toe om uwe toestemming te weigeren,—en dat is ook alles wat God en de natuur u gegeven heeft.”
„Het regt om mijne toestemming te weigeren!” brulde de andere. „Ja, ja! Ik zal je laten zien, of ik een regt heb! Pak je maar weg, naar je kamer, gij koppige—”
„Mijnheer Western,” kwam Allworthy tusschenbeide, „gij behandelt haar werkelijk al te wreed!—Ik kan zoo iets in mijn bijzijn niet dulden.—Gij zult en moet haar beter behandelen! Want zij verdient ook de meest liefderijke behandeling!”
„Ja, ja!” hernam de landjonker. „Ik weet wat zij verdient.—Kijk eens hier, mijnheer;—nu zij weg is, zult gij het zien! Daar hebt ge een brief van mijne nicht, Lady Bellaston, waarin zij de goedheid heeft mij te kennen te geven, dat die kerel weêr uit de gevangenis los geraakt is, en mij den raad geeft zoo goed mogelijk op het meisje te passen. Wat drommel, buurman! Gij weet niet wat het is op eene dochter te moeten passen!”
De landjonker eindigde dezen uitval met eenige complimenten aan zijne eigene scherpzinnigheid, en Allworthy, na eene gepaste inleiding, maakte hem thans bekend met al wat hij ontdekt had van Jones, met zijne verontwaardiging tegen Blifil en met alle bijzonderheden, welke de lezer in de vorige hoofdstukken vernomen heeft.
Menschen, die al te driftig zijn, zijn ook over het algemeen, even veranderlijk van aard. Zoodra de heer Western vernam dat Allworthy voornemens was Jones tot zijn erfgenaam te maken, vereenigde hij zich opregt met den oom om dien neef te roemen, en hij verlangde thans evenzeer Sophia aan Jones uit te huwen als vroeger aan Blifil.
Maar de heer Allworthy moest hem nu weder in de rede vallen en herhalen wat er voorgevallen was in het onderhoud, dat hij pas met Sophia had gehad, waarover Western zijne groote verwondering te kennen gaf.
Met verwilderde blikken bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, maar riep daarop uit: „Wel! Wat beteekent dit, buurman? Ik wil er een eed op zweren, dat zij van hem hield!—Wat drommel! Ja, ik heb het gevonden! Zoo waar ik leef, ik heb den spijker op den kop getroffen. Het is alles het werk van mijne zuster! Zij heeft het meisje verzot gemaakt op dien beroerden lord! Ik vond hen te zamen bij mijne nicht, Lady Bellaston! Hij heeft haar het hoofd op hol gebragt,—dat is zeker maar; verd— als hij haar krijgen zal!—Ik wil noch lords noch hovelingen in mijn huis hebben!”
Allworthy hield thans eene lange redevoering, waarin hij zijn besluit herhaalde om geene maatregelen van geweld te zullen dulden, terwijl hij den heer Western met den meesten ernst de grootste zachtheid aanried, als het beste middel om bij zijne dochter te slagen. Daarop nam hij afscheid van hem, en ging terug bij jufvrouw Miller, maar moest het dringende verzoek van den landjonker toestaan, om Jones dien namiddag bij hem te brengen, ten einde zich, zooals hij het uitdrukte, „met den jongen te kunnen verzoenen.”
Bij het vertrek van mijnheer Allworthy, beloofde Western zijn raad te volgen ten opzigte van zijn gedrag jegens Sophia, terwijl hij zeide: „Ik weet niet hoe ’t komt, Allworthy, maar verdraaid, als gij mij niet altijd juist alles laat doen wat u goed dunkt, en toch heb ik even veel geld als gij en ben, even als gij, vrederegter!”
HOOFDSTUK X.
DE GESCHIEDENIS NADERT DE ONTKNOOPING.
Bij de terugkomst van den heer Allworthy in zijne woning, vernam hij dat mijnheer Jones juist vóór hem dáár aangekomen was. Hij haastte zich dus in eene kamer te gaan, waar zich niemand anders bevond en beval dat de heer Jones dadelijk alleen bij hem komen zou.
Het is onmogelijk zich een treffender of aandoenlijker tooneel voor te stellen dan de ontmoeting tusschen den oom en zijn neef; want mevrouw Waters, zooals men begrijpen zal, had hem bij haar laatste bezoek het geheim zijner geboorte medegedeeld. Het gaat dan ook mijne magt te boven om de eerste uitbarstingen van de wederzijdsche vreugde te beschrijven, en ik zal het dus niet beproeven.
Allworthy had Jones, die zich aan zijne voeten geworpen had, opgerigt, en klemde hem in de armen, terwijl hij uitriep: „O, mijn kind, hoeveel heb ik mij niet te verwijten! Wat heb ik u wreed behandeld! Welke vergoeding kan ik u ooit schenken voor die hatelijke, onbillijke verdenkingen, die ik gekoesterd heb, en voor al het lijden u daardoor berokkend?”
„Is mij dat alles nu niet vergoed?” riep Jones. „Al had ik tienmaal zooveel geleden, zou mij dat nu niet rijkelijk vergoed zijn? O, waardste oom, uwe goedheid overweldigt mij, verplettert mij geheel en al! Ik kan de verrukking niet dragen, die me nu overstelpt! Om nogmaals bij u te mogen wezen,—om hersteld te zijn in uwe gunst,—om weder door mijn grooten, edelen, onvergelijkelijken weldoener in genade opgenomen te worden!”
„O, mijn zoon,” zeide Allworthy, „ik heb u wezenlijk al heel wreed behandeld!”—Hierop legde hij hem het verraad van Blifil uit, en herhaalde de uitdrukkingen van zijn diep leedwezen, dat hij zich daardoor had laten verleiden om Jones zoo te miskennen.
„Praat daar niet van, oom,” hernam Jones; „gij hebt mij inderdaad altijd met de meeste edelmoedigheid behandeld. De wijsste der stervelingen had zóó kunnen bedrogen worden, en slechts de beste zou in die omstandigheden gehandeld hebben als gij. Uwe goedheid was blijkbaar te midden van uwe verontwaardiging,—hoe billijk die u toen nog scheen. Ik heb alles te danken aan uwe goedheid, die ik geheel onwaardig was. Dwing mij niet om mijzelven te beschuldigen, door uwe edelmoedigheid te overdrijven. Helaas, oom, ik ben niet zwaarder gestraft dan ik verdiend had, en het zal de taak van mijn leven zijn om mij voortaan het geluk waardig te maken dat gij mij schenkt; want, geloof me, beste oom, de straf welke ik ondervonden heb, is niet verspild. Hoewel ik een groot zondaar ben, ben ik niet verhard, en ik dank den hemel dat ik den tijd heb gehad om over het verledene na te denken, en hoewel ik me niet schuldig weet aan eenige groote schurkenstreek, heb ik dwaasheden en fouten genoeg begaan om mij er over te schamen en berouw te gevoelen;—dwaasheden, welke de verschrikkelijkste gevolgen voor mij hebben gehad, en mij tot den rand van het verderf gebragt hebben.”
„Het verheugt mij, waarde jongen,” hernam de heer Allworthy, „u zoo verstandig te hooren spreken;—want daar ik overtuigd ben, dat de huichelarij (hoe heb ik me toch zóó kunnen laten misleiden door die van anderen?) niet onder uwe gebreken is, schenk ik gaarne geloof aan hetgeen gij verklaart. Gij ziet nu in, Tom, aan welke gevaren de onvoorzigtigheid de deugd (welke ik weet dat gij bemint) blootstellen kan! De voorzigtigheid is inderdaad een pligt, welken wij ons zelven verschuldigd zijn, en als wij ons zelven tot vijand worden door ze te verwaarloozen, moeten wij ons niet verwonderen als de wereld zich aan hetzelfde pligtverzuim ten onzen opzigte schuldig maakt;—want als iemand den grondslag legt tot zijn eigen ongeluk, is het te vreezen dat anderen slechts al te zeer geneigd zullen zijn, verder daarop voort te bouwen. Gij beweert echter uwe dwalingen ingezien te hebben, en ze voortaan te zullen vermijden. Ik geloof u onvoorwaardelijk, mijn jongen, en van dit oogenblik af, zult gij er van mij niets meer over vernemen. Gedenk ze alleen zelf in zoo ver, dat gij in de toekomst u herinnert ze niet meer te begaan; maar herinner u tevens, tot uw troost, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen de dwaasheden, welke men uit onvoorzigtigheid begaat en die, welke alleen aan slechtheid toe te schrijven zijn. De eersten zullen den mensch welligt ligter ongelukkig maken; maar, als hij zich betert, zal hij toch eindigen met zijn goeden naam te herwinnen;—de wereld zal met der tijd, hoewel niet dadelijk, zich met hem verzoenen, en hij mag de gevaren, welke hij ontgaan is, niet zonder eenig welgevallen, herdenken. Maar de slechtheid, mijn jongen, als ze eens ontmaskerd wordt, is reddeloos verloren; de smetten, welke zij achterlaat, kunnen niet uitgewischt worden;—de tijd kan ze niet doen verbleeken. Het afkeurend oordeel der menschen zal den ellendeling vervolgen; hunne minachting zal hem in het openbaar beschamen, en als de schande hem dwingt de afzondering te zoeken, zal hij er zijn toevlugt in zoeken met denzelfden schrik als een vermoeid kind, dat spoken vreest, en alléén naar bed moet gaan. Zijn beangstigd geweten zal hem daar steeds pijnigen. De rust, als een ontrouwe vriend, zal hem in den nood verlaten. Waarheen hij ook de oogen wende, zal hij niets dan het afgrijsselijke zien. Als hij omkijkt, treedt hem nutteloos berouw op de hielen;—als hij vooruit ziet, staart hem de vreesselijke wanhoop in het aangezigt, totdat hij, als een tot den dood veroordeelde gevangene in de cel, zijn tegenwoordigen toestand verfoeit en toch schrikt voor het uur, dat hem daaruit bevrijden zal. Acht u gelukkig, mijn kind, zeg ik, dat dit uw geval niet is, en verheug u, dankbaar, dat de hemel u uwe dwalingen heeft doen inzien eer ze u den ondergang berokkend hadden, welke u dreigde, als gij daarin volhard hadt. Gij hebt ze thans verzaakt, en het vooruitzigt is zoodanig, dat het geluk in uw bereik schijnt te wezen.”
Op deze woorden slaakte Jones een zwaren zucht, en toen Allworthy hem ondervroeg, zeide hij: „Oom, ik zal niets voor u verbergen. Ik vrees dat mijne ondeugden één noodlottig gevolg hebben gehad, dat onherstelbaar is. O waarde oom, ik heb een schat verloren—”
„Ge behoeft geen woord meer daarover te spreken,” antwoordde Allworthy: „ik weet wat gij betreurt;—ik heb de jonge dame gezien en haar over u onderhouden. Ik moet thans ook, als een blijk van uwe opregtheid en van uwe standvastigheid, in één opzigt eischen dat gij mij gehoorzaamt: namelijk, dat gij berust in het besluit der jonge dame, hetzij ten uwen gunste, of omgekeerd. Zij heeft reeds genoeg geleden door een aanzoek waaraan ik niet meer denken kan;—zij zal om den wille van mijne familie aan geen verderen dwang onderworpen worden. Ik weet dat haar vader thans even gereed zal wezen om haar om uwentwil te plagen, als hij het vroeger was om den wille van een ander;—maar ik heb vast besloten dat zij niet meer opgesloten zal worden,—en onder geen geweld of plagerij meer zal bukken.”
„O, waarde oom,” riep Jones, „ik bid u, eisch gehoorzaamheid van mij in eene zaak, welke moeijelijker valt! Geloof mij, het eenige waarin ik u ooit zou kunnen ongehoorzaam wezen, zou zijn in het veroorzaken van slechts één oogenblik van onrust aan mijne Sophia! Neen, oom, als ik het ongeluk heb gehad, om haar te mishagen in een graad, die haar belet mij ooit vergiffenis te schenken, dat alleen, met de droevige herinnering van haar ooit eenige onrust veroorzaakt te hebben, zal genoeg wezen om mij te verpletteren. Sophia de mijne te mogen noemen is de grootste en thans de eenige zegen, welken de hemel mij nog schenken kan;—maar een zegen, welken ik haar alleen te danken wil hebben.”
„Ik mag u niet vleijen, mijn jongen,” zei Allworthy; „ik vrees dat uw kans wanhopig staat;—ik heb nooit sterkere blijken van een onveranderlijk besluit gezien, dan toen zij met zoo veel drift verklaarde dat zij uw aanzoek van de hand moest wijzen;—en dat kunt gij welligt beter dan ik zelf verklaren.”
„O, waarde oom, ik kan het maar al te goed verklaren,” riep Jones. „Ik heb zoo tegen haar gezondigd, dat ik op geene vergiffenis hopen kan;—en hoe schuldig ik ook ben, ongelukkig moet mijne schuld in hare oogen tienmaal zwaarder schijnen dan ze wezenlijk is. Ja, beste oom, ik zie dat de gevolgen mijner dwaasheid onherstelbaar zijn, en al uwe goedheid kan mij niet van den ondergang redden!”
Op dit oogenblik kwam een der dienstboden zeggen, dat mijnheer Western beneden was; want hij was zoo ongeduldig dat hij niet wachten kon tot den namiddag om Jones te zien. Deze, wien de tranen in de oogen stonden, smeekte zijn oom den heer Western eenige minuten bezig te houden, tot hij den tijd gevonden had om te bedaren, wat de goede man gaarne beloofde, en na bevolen te hebben den heer Western in de spreekkamer te brengen, ging hij hem dáár opzoeken.
Zoodra jufvrouw Miller vernam dat Jones alleen was (zij had hem namelijk niet gezien sedert hij uit de gevangenis verlost werd), vloog zij in de kamer, en wenschte hem hartelijk geluk met de ontdekking van zijn oom en zijne gelukkige verzoening met hem, terwijl zij er bijvoegde: „Ik wenschte wel dat ik u ook met iets anders geluk kon wenschen, waarde vriend; maar zoo iets onverbiddelijks, heb ik van mijn leven niet gezien!”
Jones vroeg haar, met eenige verwondering, wat zij toch bedoelde.