Tom Jones

Part 86

Chapter 864,109 wordsPublic domain

„Wat er te doen is?” hernam Western. „Wel! Meer dan genoeg! Terwijl ik me verbeeldde, dat zij begon bij te draaijen;—ja, nadat zij, zoo te zeggen, in zekeren zin beloofd had mij te gehoorzamen en ik hoopte dat er niet anders te doen viel, dan met een notaris de noodige afspraak te maken,—en dan dat alles klaar zou zijn,—wel! Wat denkt gij dat ik ontdekt heb?—Niets anders dan dat die verwenschte kleine feeks mij den heelen tijd voor den gek gehouden heeft en eene briefwisseling onderhield met uw bastaard! Zuster Western, met wie ik ruzie gemaakt had over haar, liet mij dat weten en ik liet hare zakken onderzoeken terwijl zij sliep en hier heb ik een brief, eigenhandig onderteekend door het hoerenkind! Ik had het geduld niet om de helft er van te lezen; want het ding is nog langer dan eene preek van dominé Supple; maar ik zie dat het niets dan verliefdheid bevat,—en wat zou er ook anders in staan? Ik heb haar weder op hare kamer opgesloten en morgen vroeg zend ik haar weder naar buiten, als zij er niet dadelijk in toestemt om te trouwen, en daar zal ik haar op een zolderkamertje houden, op water en brood tot zij dood gaat,—en hoe eerder ik van zulk een bl—— kind af ben hoe beter;—maar waarachtig, daar is zij te taai toe! Zij zal lang genoeg leven om mij te plagen.”

„Mijnheer Western,” hernam Allworthy, „gij weet wel dat ik mij altijd tegen geweld verklaard heb, en gij hebt zelf beloofd er geen te bezigen.”

„Ja wel,” zeide Western; „maar alleen onder voorwaarde, dat zij zonder dwang hare toestemming tot het huwelijk gaf. Wat drommel! Mag ik niet doen wat ik wil met mijne eigene dochter,—vooral als ik niets dan haar best op het oog heb!”

„Nu, buurman” hernam Allworthy, „als gij mij verlof wilt geven, zal ik het eens op mij nemen met de jongedame te praten.”

„Zoo!” riep Western; „wel! dat is vriendschappelijk en lief en misschien zult gij meer van haar gedaan krijgen dan ik; want ik verzeker u dat zij goed over u denkt.”

„Best,” hernam Allworthy, „als gij dan nu naar huis wilt gaan en de jonge dame weder in vrijheid stellen, zal ik binnen het half uur mijne opwachting bij haar komen maken.”

„Maar verondersteld eens dat zij binnen dien tijd wegloopt?” zei Western. „Want Dowling vertelt mij dat er geene kans meer bestaat om dien kerel te doen opknoopen;—daar zijn tegenstander leeft en wel beter zal worden, en hij denkt dat Jones heel spoedig weder op vrije voeten gesteld zal zijn.”

„Hoe?” vroeg Allworthy. „Hebt gij dan Dowling gebruikt om onderzoek te doen, of iets in die zaak te ondernemen?”

„Wel neen! Ik niet!” antwoordde Western. „Hij vertelde het mij zelf zoo straks, uit eigene beweging.”

„Zoo straks?” vroeg Allworthy. „Waar hebt gij hem gezien? Ik moet juist nu noodzakelijk mijnheer Dowling spreken.”

„Wel, als gij verkiest, kunt gij hem aan mijne woning vinden;—want dáárkomen een stuk of wat van die regtsgeleerden bijeen, om over een hypotheek te spreken.—Verdraaid! Ik vrees dat ik bij de drie duizend pond verliezen zal door toedoen van dien eerlijken mijnheer Nightingale!”

„Nu, vriend,” hernam Allworthy, „binnen het half uur zal ik bij u zijn.”

„Volg dan eens van uw leven den raad van een dwaas op, en beproef het niet haar met zachtheid te behandelen;—want, geloof mij, dat zou nooit gelukken. Daar ben ik al lang genoeg aan den gang mee geweest! Gij moet haar een schrik aanjagen; anders zal het niets helpen. Zeg haar, dat ik haar vader ben, en hoe verschrikkelijk het is zijn ouders ongehoorzaam te zijn en hoe zwaar dat hiernamaals bestraft wordt;—en maak haar ook bang, door de bedreiging van haar levenslang op zolder te zetten, op water en brood!”

„Ik beloof u mijn best te doen,” hernam Allworthy; „want ik verzeker u dat ik niets vuriger verlang dan het lieve meisje in mijne familie opgenomen te zien.”

„Nu ja,” hernam de landjonker; „de meid is zoo kwaad niet, en een mensch zou ver kunnen zoeken en nog slechter er af komen dan bij haar, dat durf ik zeggen, al is het van mijne eigene dochter! En als zij slechts gehoorzamen wil, is er geen vader honderd mijlen in den omtrek, die meer van zijne dochter houdt dan ik; maar ik zie dat gij het druk hebt met de dame hier; dus ga ik naar huis om u af te wachten en blijf inmiddels uw onderdanige dienaar!”

Zoodra mijnheer Western weg was, zeide mevrouw Waters:

„Naar ik zie, mijnheer, weet mijnheer Western volstrekt niet meer wie ik ben. Ik geloof ook, mijnheer Allworthy, dat gij mij niet herkend zoudt hebben. Ik ben zeer veranderd sedert dien dag, waarop gij mij zoo veel goeden raad gaaft,—welken ik tot mijn ongeluk, in den wind sloeg.”

„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam Allworthy, „dat het mij zeer leed deed toen ik dat voor het eerst vernam.”

„Mijnheer,” hernam zij, „ik werd door een afschuwelijk sluw bedacht plan te gronde gerigt, en als gij het kendet (hoewel ik niet voorgeef dat het mij in uwe oogen zou regtvaardigen) zou het ten minste mijn slecht gedrag verschoonen, en uw medelijden opwekken. Het ontbreekt u thans aan tijd om de geheele geschiedenis te vernemen; maar ik verzeker u, dat ik door de plegtigste beloften van een huwelijk verraden werd;—ja, in het oog des hemels, was ik al gehuwd; want, na veel daarover gelezen te hebben, ben ik overtuigd dat zekere plegtigheden alleen vereischt worden om een huwelijk op aarde te wettigen en slechts een wereldsch doel hebben, als zij eene vrouw de voorregten eener echtgenoote toekennen; terwijl die vrouw, welke een man getrouw blijft, na plegtig in stilte met hem verloofd te zijn,—wat ook de wereld er van zegge,—weinig gedaan heeft om haar geweten te bezwaren.”

„Het spijt mij, mevrouw,” zei Allworthy, „te zien dat gij zulk een verkeerd gebruik van uwe geleerdheid maakt. Het ware veel beter voor u geweest als gij veel meer geweten hadt,—of geheel onwetend gebleven waart. En, ik geloof ook, mevrouw, dat gij meer dan deze ééne zonde te verantwoorden hebt.”

„Zoolang hij leefde,” hernam zij, „en dat was een twaalftal jaren, kan ik u plegtig van het tegendeel verzekeren. Bedenk ook, mijnheer, wat eene vrouw doen kan, die van haar goeden naam beroofd en verlaten is;—en of de liefderijke wereld toelaten zal, dat het afgedwaalde schaap tot het pad der deugd terugkeere, al verlangt zij dat nog zoo zeer? Ik verklaar echter, dat ik het gedaan zou hebben, als het in mijne magt gelegen had; maar de nood dreef mij in de armen van den kapitein Waters, met wien ik, hoewel ongehuwd, vele jaren als vrouw leefde, en wiens naam ik droeg. Ik scheidde van dien heer op den marsch naar Worcester, toen hij tegen de rebellen optrok, en daar ontmoette ik toevallig mijnheer Jones, die mij uit de handen van een ellendeling redde. Inderdaad, hij is een edel mensch! Ik geloof dat er slechts weinige jonge heeren zijn van zijn leeftijd, die minder ondeugden hebben of een twintigste gedeelte van zijne deugden;—ja, ik ben zelfs vast overtuigd, dat hij besloten heeft de weinige ondeugden, welke hij welligt gehad heeft, nu voor goed vaarwel te zeggen.”

„Dat hoop ik,” riep Allworthy, „en ik hoop ook dat hij bij zijn besluit zal blijven. Ik moet ook zeggen, dat ik dezelfde hoop omtrent u koester. Ik stem toe, dat de wereld bij deze gelegenheden geneigd is al te onbarmhartig te zijn; maar de tijd en de volharding komt ook deze afkeerigheid van medelijden,—zooals ik het noemen moet,—te boven;—want hoewel de menschen, niet zoo gereed zijn als de hemel om den berouwhebbenden zondaar te ontvangen,—zal toch aanhoudend berouw zelfs bij de wereld genade vinden. Reken in elk geval daarop, mevrouw Waters, dat als ik vind dat het u ernst is met uwe goede voornemens, het aan geene hulp van mijn kant ontbreken zal, om u daarin te versterken.”

Mevrouw Waters wierp zich thans op de knieën en bedankte hem met een vloed van tranen in de meest hartstogtelijke bewoordingen voor zijne goedheid, welke zij eerder goddelijk dan menschelijk noemde.

Allworthy hief haar op, sprak haar op de meest liefderijke wijze toe, en gebruikte al zijne welsprekendheid om haar troost in te spreken, toen hij gestoord werd door het binnentreden van mijnheer Dowling, die, zoodra hij mevrouw Waters zag, schrikte en eenige verlegenheid liet blijken; hij herstelde echter weldra eenigzins en zeide dat hij haast had om eene bijeenkomst bij te wonen bij mijnheer Western; maar dat hij het voor pligt had gehouden mijnheer Allworthy eerst het advies van den advokaat te komen mededeelen in de zaak waarover hij hem gesproken had, hetwelk luidde, dat er geene kwestie kon zijn van eene criminele vervolging wegens het zich toeëigenen van het geld; maar dat men zijn eigendomsregt voor de burgerlijke kamer kon doen gelden, en als het dáár bleek vóór de Jury, dat de banknoten den eischer toebehoorden, men zeker een vonnis ten zijnen voordeele zou kunnen wachten.

Zonder hierop eenig antwoord te geven, sloot Allworthy de deur digt, en daarop Dowling met een strengen blik naderende, zeide hij:

„Al hebt gij nog zoo veel haast, mijnheer, moet gij mij toch, eer gij weggaat, antwoord geven op een paar vragen.—Kent gij deze dame?”

„Die dame?” vroeg Dowling aarzelend.

Hierop hernam Allworthy op de meest indrukwekkende wijze: „Hoor eens, mijnheer Dowling, als gij eenigen prijs stelt op mijne gunst, of zelfs wenscht nog één oogenblik in mijne dienst te blijven, aarzel dan niet en zoek geene uitvlugten; maar geef rondborstig en trouw antwoord op al wat ik u vraag!—Kent gij deze dame, zeg ik?”

„Ja wel, mijnheer,” antwoordde Dowling; „ik heb die dame wel eens gezien.”

„Waar, mijnheer?”

„In hare eigene woning.”

„Wat deedt gij daar? En wie zond u daarheen, mijnheer?”

„Ik ging daarheen om iets te hooren, mijnheer,—iets omtrent de zaak van mijnheer Jones.”

„En wie zond u er heen, vraag ik?”

„Wie, mijnheer? Wel, mijnheer,—het was mijnheer Blifil, die mij er heen zond.”

„En wat hebt gij aan deze dame omtrent die zaak verteld?”

„Ja—mijnheer! Het is mij onmogelijk om elk woord te herinneren,”—

„Mevrouw, wilt gij zoo goed wezen de herinnering van mijnheer wat op te frisschen?”

„Hij zeide mij, mijnheer,” hernam mevrouw Waters, „„dat als mijnheer Jones mijn man vermoord had, men mij geldelijke ondersteuning zou verleenen, om den moordenaar in regten te vervolgen;—en dat het geld komen zou van een zeer waardigen heer, die wel wist met welk een schurk ik te doen had.” Ik durf op mijne eer te verzekeren, dat dit zijne woorden waren.”

„Is dat zoo, mijnheer?” vroeg Allworthy.

„Ik kan me de juiste woorden niet herinneren,” hernam Dowling; „maar ik geloof wel dat ik iets van dien aard zeide.”

„En was dat op last van mijnheer Blifil?”

„Wel, mijnheer, ik zou zeker niet uit eigene beweging bij mevrouw zijn gegaan, en evenmin zou ik gaarne den mij gegeven last overschreden hebben in eene zaak van dezen aard. Als ik zoo iets zeide, moet dat geweest zijn omdat ik mijnheer Blifil zóó begreep.

„Hoor eens, mijnheer Dowling,” zei Allworthy, „ik beloof u in het bijzijn van deze dame, dat wat gij ook in die zaak op last van mijnheer Blifil gedaan hebt, u vergeven zal worden, mits gij mij de stipte waarheid zegt;—want ik geloof wel, dat gij, zooals gij verklaart, niet uit eigene beweging en zonder eenige aansporing in deze zaak gehandeld zult hebben.—Het was dus ook mijnheer Blifil, die u zond om die twee menschen te Aldersgate te ondervragen?”

„Ja, mijnheer.”

„Nu,—welken last gaf hij u bij die gelegenheid? Bedenk u goed en herhaal, zoo mogelijk, zijne eigene woorden.”

„Wel:—mijnheer Blifil zond mij er op uit om de menschen op te sporen, die het gevecht op straat gezien hadden. Hij zeide te vreezen dat zij door mijnheer Jones, of sommige zijner vrienden, omgekocht zouden worden. Hij zeide, dat bloed bloed eischte, en dat niet slechts diegenen die een moordenaar verbergen, maar ook diegenen, welke iets verzuimen, wat in hunne magt staat, om hem te doen straffen, zijne medepligtigen worden. Hij zeide, dat het hem gebleken was, dat gij zeer verlangdet om den schurk aan den regter over te leveren, hoewel het niet betamelijk was, dat gij zelf tegen hem optraadt,—”

„Heeft hij dat gezegd?” riep Allworthy.

„Ja, mijnheer,—zeker!” hernam Dowling. „Ik zou voor niemand anders ter wereld dan voor u ook zoo ver zijn gegaan.”

„Zoo ver gegaan, mijnheer? Wat bedoelt gij daarmede?” vroeg Allworthy.

„Wel, mijnheer, ik zou niet wenschen, dat gij dacht, dat ik mij, om welke reden ook, aan meineed of omkooping zou willen schuldig maken;—maar, er zijn twee wijzen, waarop men vóór den regter getuigenis afleggen kan. Ik vertelde hun dus, dat als hun het een of ander geboden werd van den anderen kant, zij verzekerd mogten zijn, dat zij niets verliezen zouden door als eerlijke mannen zich aan de waarheid te houden. Ik zeide, dat wij vernomen hadden, dat mijnheer Jones eerst den anderen heer aangevallen had, en dat, als dat waar was, zij het maar zeggen moesten,—en ik wil niet ontkennen, dat ik hun ook een wenk gaf, dat zoo iets niet onvoordeelig voor hen zou wezen.”

„Ja, ja!—gij zijt nog al heel ver gegaan;—dat zie ik nu in!” riep Allworthy.

„Wel, mijnheer,” hernam Dowling, „ik weet zeker dat ik niet bepaaldelijk verlangde, dat zij iets onwaars zouden getuigen;—en ik zou ook niet zoo ver gegaan zijn als ik deed, tenzij om u te verpligten.”

„Ik verbeeld mij, dat gij niet gedacht zoudt hebben mij daarmede te verpligten, als gij geweten hadt dat mijnheer Jones mijn eigen neef was!” merkte Allworthy op.

„Maar het betaamde mij niet, mijnheer, om notitie van iets te nemen, dat gij niet scheent te willen weten,” hernam hij.

„Hoe!” riep Allworthy. „Was het u dan al bekend?”

„Nu, mijnheer,” antwoordde Dowling, „daar gij de waarheid van mij hooren wilt, zal ik ze ook niet meer verbergen. Ja, mijnheer, ik wist het wel;—want het waren bijna de laatste woorden, welke mevrouw Blifil tegen mij zeide, toen ik, aan haar sterfbed, geheel alleen bij haar stond, en zij mij den brief gaf, welken mijnheer van haar ontvangen heeft.”

„Welken brief?” riep Allworthy.

„Den brief, mijnheer, welken ik van Salisbury bragt,” hernam Dowling, „en zelf mijnheer Blifil in handen gaf.”

„Genadige Hemel!” riep Allworthy. „Hoe luidden dan hare woorden? Wat zeide mijne zuster?”

„Zij vatte mijne hand,” hernam hij, „en terwijl zij mij den brief overgaf, zeide zij: „Ik weet naauwelijks wat ik geschreven heb;—zeg aan mijn broeder, dat mijnheer Jones zijn neef is;—mijn zoon—de hemel zegene hem!” En daarop zeeg zij als dood op het kussen terug. Ik riep dadelijk de menschen er bij; maar zij sprak geen woord meer en binnen weinige oogenblikken was alles gedaan.”

Allworthy bleef een oogenblik staan, met ten hemel gewende blikken, en zich daarop tot Dowling keerende, zeide hij: „Hoe zijt gij er toe gekomen, mijnheer, om mij die boodschap te verzwijgen?”

„Gij zult u wel herinneren, mijnheer,” hernam de andere, „dat gij destijds ziek te bed laagt,—en daar ik zeer gehaast was,—wat altijd het geval is,—gaf ik den brief en de boodschap aan mijnheer Blifil, die mij beloofde beide aan u over te brengen,—wat hij mij later verklaarde gedaan te hebben, er bijvoegende dat gij, mijnheer, gedeeltelijk uit vriendschap jegens mijnheer Jones en gedeeltelijk uit eerbied voor de nagedachtenis uwer zuster, niet dulden wildet, dat men er ooit meer een woord van sprak, daar het uw voornemen was de geheele zaak geheim te houden. Daarom, mijnheer,—als gij er mij niet eerst van gesproken hadt, zou ik het zeker nooit gewaagd hebben om er een woord van te reppen, tegen u of iemand anders.”

Wij hebben reeds vroeger opgemerkt dat het mogelijk is tevens de waarheid te spreken en een leugen te zeggen, en dit was thans ook het geval; want Blifil had inderdaad Dowling alles verteld zooals deze het thans herhaalde; maar zonder hem te foppen,—of zelfs zich te verbeelden dat hij daartoe in staat was. De ware beweegredenen tot Dowlings stilzwijgen waren de beloften hem door Blifil gedaan, en daar hij nu best inzag, dat Blifil ze niet meer zou kunnen vervullen, vond hij goed om alles te bekennen, wat hem afgeperst werd door het vooruitzigt op vergiffenis, of door bedreigingen,—door de stem en de blikken van Allworthy en door hetgeen deze reeds ontdekt had,—terwijl hij zoo onverhoeds overvallen werd en geen tijd had om uitvlugten te bedenken.

Allworthy scheen genoegzaam ingelicht door al wat hij gehoord had, en na Dowling het diepste stilzwijgen opgelegd te hebben, bragt hij dien heer zelf naar de deur, om hem te beletten Blifil te spreken, die nu op zijne kamer teruggekeerd was, waar hij zich zat te verheugen over het laatste bedrog jegens zijn oom gepleegd, en weinig vermoedde wat er inmiddels beneden in huis geschied was.

Terwijl Allworthy naar de kamer terugkeerde, ontmoette hij jufvrouw Miller in den gang, die met een bleek en verschrikt gelaat tot hem zeide:

„O, mijnheer, naar ik merk, is die slechte vrouw bij u geweest, en gij weet zeker alles. Maar verlaat toch, om die reden den armen jongen niet! Bedenk, mijnheer, dat hij niet weten kon dat het zijne moeder was, en de ontdekking is al genoeg om hem het hart te breken, ook zonder eenige wreedheid van uwen kant.”

„Jufvrouw,” hernam Allworthy, „ik heb allerlei zaken vernomen, waarover ik verstomd sta. Maar hier kan ik u niet alles vertellen. Kom mede op mijne kamer. Ik heb inderdaad merkwaardige ontdekkingen gedaan, en gij zult alles vernemen.”

De arme vrouw volgde hem bevende; maar Allworthy op mevrouw Waters toetredende, vatte hare hand en op jufvrouw Miller wijzende, vroeg hij: „Hoe zal ik deze dame beloonen voor al de diensten, welke zij mij bewezen heeft? O, jufvrouw Miller, gij hebt mij wel duizendmaal den jongen van wien gij eene zoo getrouwe vriendin zijt, mijn zoon hooren noemen,—zonder dat ik mij echter ooit verbeeldde dat hij eenigzins met mij verwant was. Maar uw vriend jufvrouw, is mijn neef;—de broeder van die slang, welke ik zoolang aan mijn hart heb gekoesterd. Mevrouw Waters zelve zal u de geheele geschiedenis vertellen en hoe het kwam dat de jongen voor haar zoon doorging. Waarlijk, jufvrouw Miller, ik ben overtuigd dat men hem gelasterd, en mij bedrogen heeft;—dat ik bedrogen ben door iemand, dien gij, slechts met al te veel regt, voor een schurk hieldt;—want, inderdaad, hij is een erge schelm!”

De vreugde van jufvrouw Miller over dit berigt, benam haar het vermogen om met woorden hare gevoelens te uiten en zou haar welligt van het verstand,—zoo niet van het leven beroofd hebben,—indien een verzachtende tranenvloed haar niet tijdig verligt had. Eindelijk, toen zij genoegzaam bedaard was om hare stem weder te kunnen gebruiken, riep zij uit:

„Dus is die beste mijnheer Jones uw neef, mijnheer?—En niet de zoon van deze dame? Zijn u ook eindelijk de oogen opengegaan? Zal ik het beleven om hem het geluk te zien genieten, dat hij zoo rijkelijk verdient?”

„Mijn neef is hij, zonder twijfel,” hernam Allworthy, „en ik hoop ook dat al uwe overige wenschen voor hem vervuld zullen worden.”

„En is deze lieve, goede dame de persoon aan wie gij de ontdekking te danken hebt?”

„Ja, werkelijk is dat het geval,” antwoordde Allworthy.

„Nu dan,” riep jufvrouw Miller, zich op de knieën werpende, „moge de hemel zijn rijksten zegen over haar uitstorten, en wegens deze ééne goede daad haar alles doen vergeven, al heeft zij nog zoo veel kwaad bedreven!”

Mevrouw Waters vertelde hun thans, dat zij geloofde dat Jones al heel spoedig weder in vrijheid zou wezen; want dat de geneesheer, door zekeren edelman vergezeld, bij den vrederegter gegaan was, die Jones had doen aanhouden, om te verklaren dat de heer Fitzpatrick buiten gevaar verkeerde, en om hem over te halen den gevangene weder vrij te laten.

Allworthy zeide, dat het hem verheugen zou bij zijne tehuiskomst zijn neef te vinden; maar dat hij nu voor zaken van belang de deur uit moest. Hij liet daarop een draagstoel bestellen en de twee dames bleven verder alleen.

Zoodra mijnheer Blifil vernam dat de draagstoel vóór was, kwam hij naar beneden om zijn oom uit te laten; want hij bleef nooit in gebreke bij zulke plegtigheden. Hij vroeg zijn oom of hij uitging?—wat eene beleefde wijze is van iemand te vragen waarheen hij gaat?—Daar echter de andere hem geen antwoord gaf, vroeg hij weder, hoe laat zijn oom welligt dacht weder te huis te zijn?—Allworthy antwoordde ook hierop met geen enkel woord, tot hij bezig was met in den draagstoel te klimmen, toen hij zich omkeerde en zeide: „Hoor eens, mijnheer, maak dat gij, eer ik weder te huis ben, den brief gevonden hebt, welken mij uwe moeder op haar sterfbed zond!”

Hiermede vertrok hij, Blifil achterlatende in een toestand die slechts benijdenswaardig zou schijnen aan iemand, die naar de galg gaat.

HOOFDSTUK IX.

VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS.

Allworthy nam, terwijl hij in den draagstoel zat, de gelegenheid waar om den brief van Jones aan Sophia te lezen, welken Western hem gegeven had, en vond er eenige uitdrukkingen in over zich zelven, welke hem tranen uit de oogen lokten. Eindelijk bereikte hij de woning van mijnheer Western en werd dadelijk bij Sophia toegelaten.

Na de eerste begroetingen, en toen de heer en de jonge dame beide plaats genomen hadden, volgde er eene stilte van eenige oogenblikken, gedurende welke deze laatste, die door haren vader op het bezoek was voorbereid, met haren waaijer zat te spelen, en vele blijken gaf van verlegenheid op haar gelaat en in hare houding. Eindelijk begon Allworthy, die zelf eenigzins verlegen was, aldus:

„Naar ik vreezen moet, jufvrouw Western, heeft mijn huisgezin u menig benaauwd oogenblik veroorzaakt,—en tot mijn leedwezen, heb ik zelf, op de meest onschuldige wijze meer daartoe bijgedragen, dan ik ooit zou hebben willen doen. Wees verzekerd, mejufvrouw, dat als ik in het begin geweten had, hoe onaangenaam u alles was, ik niet geduld zou hebben dat men u zoo lang plaagde. Ik hoop dus dat gij u niet verbeelden zult, dat het doel van dit bezoek wezen kan om u lastig te vallen met eenig verder aanzoek van dezen aard;—maar integendeel om u voor goed daarvan te bevrijden.”

„Mijnheer,” hernam Sophia, eenigzins bedeesd en aarzelend, „uw gedrag is lief en zeer edelmoedig;—zoodanig als ik alleen van mijnheer Allworthy kon wachten. Daar gij echter de goedheid hebt gehad van deze zaak te spreken,—bid ik u mij te vergeven als ik beken, dat ze me werkelijk veel onrust gebaard heeft, en de aanleiding is geweest tot veel wreedheid van den kant van mijn vader, die vóór dien tijd de teederste en liefderijkste der ouders was. Ik ben echter overtuigd, mijnheer, dat gij te goed en te edelmoedig zijt om het op mij te willen wreken, dat ik de hand van uw neef niet kan aannemen. Onze neigingen zijn niet in onze magt, en hoe groot ook zijne verdiensten mogen wezen, kunnen ze bij mij niets ten zijnen gunste bewerken.”

„Ik verzeker u, mijne lieve,” hernam Allworthy, „dat het niet in mij ligt om zoo iets euvel te duiden,—al ware hij zelf mijn zoon, een zoon, dien ik in alle opzigten hoogachten moest. Want, gij hebt groot gelijk met te zeggen, dat wij onze neigingen niet dwingen kunnen;—en nog veel minder kan iemand anders ze voor ons dwingen.”

„O, mijnheer,” riep Sophia, „elk woord dat gij spreekt bewijst dat gij met regt den naam draagt van goed, groot en weldadig! Ik verzeker u ook, mijnheer, dat niets minder dan het zekere vooruitzigt op toekomstige ellende, mij er toe gebragt zou hebben om de bevelen van mijn vader niet te gehoorzamen.”

„Ik geloof u gaarne, mejufvrouw,” hernam Allworthy, „en wensch u van harte geluk met uwe standvastigheid; want, door zulken regtmatigen wederstand zijt gij inderdaad de grootste ellende ontloopen!”

„Mijnheer Allworthy,” hernam zij, „gij spreekt met eene kieschheid, waartoe slechts weinige menschen in staat zijn;—maar, zeker, naar mijn gevoelen, moet het een ellendig iets wezen, om zijn leven te slijten met iemand jegens wien men onverschillig is;—misschien zou zelfs die ellende vergroot worden door het besef van de groote verdiensten van hem, wien wij onze liefde niet schenken kunnen. Als ik dus met mijnheer Blifil getrouwd ware—”