Part 85
De arme vrouw, die bijna zinneloos werd bij deze tijding, gevoelde zich nooit minder in staat om iets te bedenken dan op dit oogenblik. Daar de vrouwen echter veel vlugger zijn dan de mannen, bij zulke gelegenheden, vond zij toch een uitvlugt en bij Allworthy terugkeerende, zeide zij:
„Ik vrees, mijnheer, dat gij verwonderd zult zijn, dat ik eenig bezwaar zie in het vriendelijk aanbod door u gedaan;—maar ik zou voor de gevolgen vreezen, als men dadelijk uw plan ten uitvoer bragt. Gij moet niet vergeten, mijnheer, dat al de rampen, welke in den laatsten tijd dezen armen jongen overkomen zijn, hem vreesselijk gedrukt hebben, en thans, mijnheer, als hij onvoorbereid de geweldige vreugde ondervond, welke uw bezoek hem zeker verschaffen zal, zou dat, naar ik vrees, hem het een of ander plotseling ongeluk kunnen berokkenen,—vooral daar zijn knecht, die hier is, mij zegt dat hij lang niet wel is.”
„Is zijn knecht hier?” riep Allworthy. „Laat hem maar dadelijk binnenkomen. Ik wilde hem het een en ander omtrent zijn meester vragen.”
Partridge vreesde eerst voor den heer Allworthy te verschijnen; maar liet zich eindelijk overhalen, toen jufvrouw Miller, die van hem zelven zijne geheele geschiedenis gehoord had, beloofd had hem naar binnen te brengen.
Allworthy herkende Partridge zoodra hij in de kamer trad, hoewel hij hem in zoovele jaren niet gezien had. Jufvrouw Miller had zich dus thans best de moeite eener deftige redevoering kunnen besparen, die ook eenigzins langdradig was;—wat den lezer niet verwonderen zal, die reeds opgemerkt heeft, dat zij steeds zeer vlug ter taal was, als het gold om hare vrienden te helpen.
„Zijt gij,” vroeg de heer Allworthy, „de knecht van mijnheer Jones?”
„Precies zijn knecht, kan ik niet zeggen, mijnheer,” hernam Partridge; „maar, met uw goedvinden, mijnheer, ben ik thans bij hem. Non sum qualis eram, zooals mijnheer wel weet.”
De heer Allworthy deed hem thans eene reeks van vragen betreffende Jones, diens gezondheid en allerlei omstandigheden, welke door Partridge beantwoord werden zonder eenige inachtneming der waarheid, maar alleen met het doel om de zaken zóó te doen voorkomen als hij wenschelijk achtte;—want strenge waarheidsliefde behoorde niet tot de leer, of het geloof, van dien braven man.
Inmiddels verwijderde zich mijnheer Nightingale, en jufvrouw Miller verliet ook spoedig de kamer, waarop de heer Allworthy ook Blifil wegzond; want hij verbeeldde zich dat Partridge openhartiger met hem zou spreken als zij alleen waren dan in het bijzijn van anderen.
Zoodra zij dus onder vier oogen waren, begon Allworthy, zoo als te lezen staat in het volgende hoofdstuk.
HOOFDSTUK VI.
WAARIN DE GESCHIEDENIS VERDER VOORTGEZET WORDT.
„Wel, vriend,” zei de waardige man. „gij zijt zeker al een heel vreemd soort van mensch! Niet alleen hebt gij vroeger zwaar geleden door stijfhoofdig eene onwaarheid vol te houden; maar tot het laatste toe, blijft gij er bij, en wilt de menschen wijs maken dat gij de knecht zijt van uw eigen zoon! Welk belang kunt gij hierbij hebben? Welk doel zoekt gij te bereiken?”
„Ik zie best in, mijnheer,” riep Partridge, op de knieën neêrploffende, „dat gij steeds tegen mij ingenomen zijt, en vast besloten hebt niets te gelooven van hetgeen ik u zeg;—waartoe baat het dus meer te praten? Maar hierboven, is één in den hemel, die weet dat ik niet de vader ben van dien jongen!”
„Hoe?” zei Allworthy. „Zult gij nog loochenen dat gij vroeger veroordeeld zijt op ontegensprekelijke,—op de meest treffende bewijzen? Ja, door u te vinden bij dien jongen, zie ik thans weer nieuwe bewijzen bij die welke een twintigtal jaren geleden tegen u ingebragt werden. Ik dacht dat gij het land verlaten hadt;—ja, ik hield u al lang voor dood. Hoe hebt gij dan kennis gemaakt met dezen jongen? Hoe hebt gij hem ontmoet, als gij geene verstandhouding met hem hebt gehad? Ontken dit niet; want ik verzeker u, dat het uw zoon zeer in mijne achting zal doen rijzen, als ik ondervind dat hij, door kinderlijke liefde gedreven, sedert zoovele jaren in stilte zijn vader onderhouden heeft.”
„Als mijnheer maar geduld wil hebben om mij aan te hooren, zal ik hem alles vertellen,” zei Partridge, en hervatte zoodra hij verlof had gekregen, als volgt: „Toen mijnheer kwaad op mij werd, berokkende mij dat weldra den ondergang; want mijne kleine school verliep en de dominé, in de veronderstelling denkelijk, van mijnheer zijn zin te doen, benam mij den post van voorzanger, zoodat ik niets had waarop ik rekenen kon dan den barbierswinkel, die weinig oplevert op het platte land;—en toen mijne vrouw stierf (want zoolang zij leefde had ik van een onbekende jaarlijks de som van twaalf pond ontvangen—en die kwamen waarschijnlijk van u; want ik heb nooit van iemand anders gehoord, die zoo iets deed),—nu, toen mijne vrouw stierf, zeg ik, hield het jaargeld op, zoodat, daar ik eenige kleine schulden had, die me begonnen lastig te vallen,—vooral ééne, welke een zaakwaarnemer van vijftien shilling tot op bijna dertig pond sterling opdreef, [18] en ik geene middelen van bestaan meer had, ik mijn boeltje pakte en vertrok.
„Ik ging eerst naar Salisbury, waar ik in dienst trad bij een regtsgeleerde, een der beste heeren, die ik ooit gekend heb; want hij was niet alleen goed voor mij, maar ik ken duizenderlei goede handelingen van hem zoolang ik bij hem was, terwijl ik hem vele zaken heb zien afwijzen, die hij voor beuzelachtig of onregtvaardig hield.”
„Gij behoeft niet zoo langdradig te zijn,” viel hem Allworthy in de rede; „ik ken dien heer; hij is een best mensch en doet zijn beroep eer aan.”
„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „van daar ging ik naar Lymington, waar ik meer dan drie jaren bij een anderen regtsgeleerde woonde, ook een best soort van mensch, en zeker een der vrolijkste klanten in geheel Engeland. En toen, mijnheer, na verloop van drie jaren, begon ik weêr met eene kleine school en het scheen me goed te zullen gaan, toen mij toevallig een groot ongeluk overkwam. Ik hield namelijk een varken, en op zekeren dag wilde het noodlot dat het beest los kwam, en wat schade aanrigtte in een tuin, toebehoorende aan een mijner buren, een trotsch, wraakzuchtig mensch, die een advokaat inriep,—zekeren—zekeren—nu, ik kan niet meer op zijn naam komen,—die mij liet dagvaarden voor het geregt. Toen ik nu voor de heeren verscheen,—hemel en aarde!—hooren en zien vergingen mij bij al wat de advokaten van mij vertelden! Er was er één, die den regter eene menigte leugens op de mouw spelde; hij zeide, dat het mijne gewoonte was, om mijne varkens bij andere menschen in den tuin te jagen, en een heele boel meer, en voegde er bij, dat hij hoopte, dat mijn spek mij nu duur te staan zou komen! Als men hem hoorde, zou men zich verbeeld hebben dat ik de grootste spekslager van het rijk was! Nu—”
„Kom,” zei Allworthy, „maak niet zoovele praatjes! Ik heb nog geen woord van uw zoon vernomen.”
„O,” hernam Partridge, „het duurde nog verscheidene jaren eer ik mijn zoon, zooals gij hem nog gelieft te noemen, mijnheer, te zien kreeg.—Ik ging eerst naar Ierland, waar ik onderwijs gaf op eene school te Cork, want door dat regtsgeding was ik weder aan den bedelstaf gebragt en ik sleet zeven jaren in de gevangenis te Winchester—”
„Nu,” riep Allworthy, „sla maar alles over tot gij weêr naar Engeland kwaamt.”
„Wel, mijnheer,” hervatte Partridge, „ongeveer een half jaar geleden landde ik te Bristol, waar ik korten tijd bleef, daar ik er niets te doen vond, en vernemende dat op eene plaats tusschen die stad en Gloucester, de barbier pas gestorven was, ging ik daarheen, en was er ongeveer twee maanden geweest, toen mijnheer Jones daar aankwam.”
Hierop gaf hij Allworthy naauwkeurig verslag van hunne eerste ontmoeting en al wat hij zich herinneren kon, sedert dien dag, zijn verhaal dikwerf afbrekende om Jones te roemen, en vooral niet vergetende van de groote liefde en eerbied, welke deze tot Allworthy koesterde, melding te maken. Hij eindigde met te zeggen: „En nu, mijnheer, heb ik u de geheele waarheid verteld,” op de meest plegtige wijze verzekerende, „dat hij evenmin als de paus te Rome de vader van Jones was,”—en des hemels vloek over zich inroepende als hij de waarheid niet sprak.
„Wat moet ik van dit alles denken?” riep Allworthy. „Welk doel zoudt gij hebben met zoo stellig een feit te loochenen, dat het eerder tot uw voordeel zou wezen te bekennen?”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, die nu niet langer zwijgen kon, „als gij mij niet gelooven wilt, zult gij waarschijnlijk spoedig op eene andere wijze overtuigd worden. Ik wenschte maar dat gij u evenzeer vergissen kondt omtrent zijne moeder als omtrent zijn vader!”
Toen Allworthy hem vroeg wat hij bedoelde, vertelde hij hem, met alle blijken van den meesten afschuw op zijn gelaat, de geheele geschiedenis, welke hij kortte voren aan jufvrouw Miller verzekerd had, dat voor Allworthy verzwegen moest worden.
Deze ontstelde bijna evenzeer als Partridge zelf bij die ontdekking.
„Genadige hemel!” riep hij, „tot welke diepe ellende worden de menschen niet gebragt door ondeugd en ligtzinnigheid! Hoe veel verder gaan niet dikwerf de uitwerkselen onzer slechtheid dan wij bedoelen!”
Hij had naauwelijks deze woorden gesproken, toen mevrouw Waters, overhaast en onverwacht in de kamer verscheen, en zoodra Partridge haar ontwaarde, riep hij uit:
„Daar, mijnheer! Daar hebt gij de vrouw zelve! Dit is de ongelukkige moeder van mijnheer Jones;—zij zal mij zeker vrijspreken!—Mevrouw,—niet waar—”
Zonder op iets te letten dat Partridge zeide, en zelfs zonder eenig acht op hem te slaan, trad mevrouw Waters op Allworthy toe en zeide:
„Mijnheer, het is al zoo lang sedert ik de eer had van u te zien, dat gij mij niet meer herkent.”
„Inderdaad,” hernam Allworthy, „gij zijt zoo zeer veranderd in vele opzigten, dat als deze man mij niet verteld had wie gij waart, ik u niet dadelijk herkend zou hebben. Hebt gij, mevrouw, het een of ander van belang dat u hierheen brengt?”
Hij sprak deze woorden op zeer koelen toon, en de lezer zal wel begrijpen, dat hij niet zeer ingenomen was met deze dame, noch wegens haar vroeger gedrag, noch wegens hetgeen Partridge hem nu medegedeeld had.
Mevrouw Waters hernam: „Ja, mijnheer, ik heb u inderdaad iets heel belangrijks mede te deelen,—iets dat ik u alleen kan mededeelen. Ik moet dus vergunning vragen om u onder vier oogen te spreken; want ik verzeker u dat hetgeen ik te melden heb van zeer gewigtigen aard is.”
Partridge kreeg nu bevel om zich te verwijderen, maar eer hij vertrok, smeekte hij de dame om mijnheer Allworthy van zijne onschuld te overtuigen.
„Wees volstrekt niet bang, mijnheer,” hernam zij. „Ik zal mijnheer Allworthy spoedig daarvan verzekeren.”
Daarop verliet Partridge de kamer, en had het gesprek plaats tusschen den heer Allworthy en mevrouw Waters, dat in het volgende hoofdstuk te lezen staat.
HOOFDSTUK VII.
VERVOLG DER GESCHIEDENIS.
Daar mevrouw Waters eenige oogenblikken bleef zwijgen, kon de heer Allworthy niet nalaten te zeggen:
„Het spijt mij zeer, mevrouw uit hetgeen ik vernomen heb te moeten opmaken dat gij zulk een slecht gebruik hebt gemaakt van—”
„Mijnheer Allworthy,” viel zij hem in de rede, „ik weet wel dat ik gebreken heb, maar daaronder moet gij geene ondankbaarheid jegens u tellen. Ik kan noch zal ooit uwe goedheid vergeten, welke, dat beken ik, zeer weinig door mij verdiend werd;—maar wil, voor het oogenblik mij niets verwijten, daar ik u iets heel belangrijks mede te deelen heb aangaande den jongeling, wien gij mijn familienaam, Jones,—geschonken hebt.”
„Heb ik dan,” vroeg Allworthy, „uit onwetendheid een onschuldige gestraft in den persoon van hem, die ons pas verlaten heeft? Is hij niet de vader van den jongen?”
„Neen, werkelijk niet!” hernam mevrouw Waters. „Gij zult u welligt herinneren, mijnheer, dat ik u vroeger zeide dat gij eens weten zoudt wie dat was, en ik beken, dat ik mij aan een wreed verzuim heb schuldig gemaakt door het zoo lang te verzwijgen. Maar, inderdaad, ik vermoedde niet hoe veel kwaad ik daarmede stichtte!”
„Ga voort, als ik u bidden mag, mevrouw!” riep Allworthy.
„Gij zult u zeker een jong mensch herinneren, mijnheer,” zeide zij, „die Summer heette.”
„O ja!” riep Allworthy, „hij was de zoon van een predikant, een zeer geleerd en best mensch, voor wien ik eene opregte vriendschap koesterde.”
„Dat was duidelijk, mijnheer,” hernam zij; „want ik geloof dat gij den jongen opgevoed en aan de akademie onderhouden hebt,—waar hij, naar ik meen, zijne studiën volbragt had toen hij bij u in huis kwam wonen. Ik moet zeggen, dat hij een der schoonste mannen was, die ooit geleefd heeft; en behalve door zijn uiterlijk, muntte hij uit door verstand, fatsoen en beschaving.”
„Die arme jongen!” riep Allworthy; „hij stierf heel jong en ik dacht niet dat hij eenige zonde van dezen aard te verantwoorden had; want ik begrijp nu dat gij mij gaat vertellen, dat hij de vader van uw kind was.”
„Neen, mijnheer,” hernam zij, „dat was hij toch niet!”
„Hoe!” riep Allworthy; „waartoe dient dan dit heele verhaal?”
„Het is de inleiding,” zeide zij, „tot eene geschiedenis, welke het mij leed doet, mijnheer, u te moeten mededeelen.—O, mijnheer! Gij moet er op voorbereid wezen iets te vernemen dat u evenzeer verrassen als grieven zal!”
„Spreek maar op!” riep Allworthy. „Ik heb geen kwaad gedaan en behoef niets te vreezen.”
„Mijnheer,” zeide zij, „die Summers, de zoon van uw vriend, op uwe kosten groot gebragt, die, na een jaar bij u in huis als zoon geleefd te hebben, dáár stierf, aan de pokken, door u diep betreurd werd, en als uw eigen kind begraven werd,—die Summer, mijnheer, was de vader van dien jongen!”
„Hoe!” riep Allworthy; „nu spreekt gij u toch tegen!”
„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam zij. „Hij was inderdaad de vader van den jongen;—maar ik was de moeder niet.”
„Pas op wat gij zegt, mevrouw!” riep Allworthy. „Maak u aan geene onwaarheid schuldig, ten einde u van eene misdaad vrij te pleiten. Vergeet niet, dat er Eén is, voor wiens regterstoel de leugen slechts de schuld vermeerdert.”
„Wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „ik ben zijne moeder niet,—en om alles ter wereld, zou ik dat niet willen zijn.”
„Ik weet welke reden gij hebt om dat te zeggen, en het zal mij evenzeer als u verheugen, als het blijkt dat gij waarheid spreekt; maar herinner u, dat gij mij eens bekend hebt, dat het zóó was.”
„Ik heb in zoo ver de waarheid gezegd,” antwoordde zij, „dat ik het was, die het kind in uw bed legde;—ik legde het daar neder op bevel zijner moeder;—op haar bevel hield ik mij alsof het mijn zoontje was;—en door hare mildheid achtte ik me ruim beloond voor mijne geheimhouding en voor de schande, welke ik op mij nam.”
„Maar wie was toch die vrouw?” vroeg Allworthy.
„Ik durf waarlijk haar naam haast niet te noemen,” hernam mevrouw Waters.
„Na deze inleiding gis ik dat zij ééne mijner bloedverwanten was?” riep Allworthy.
„Inderdaad—eene uwer naastbestaanden,” riep zij.
Bij deze woorden schrikte Allworthy en mevrouw Waters hervatte; „Gij hadt eene zuster, mijnheer!”
„Eene zuster!” riep hij, verbleekende.
„Zoo waar er een God in den Hemel is,” zeide zij, „was uwe zuster de moeder van dat kind, hetwelk gij in uw bed vondt.”
„Is het mogelijk?” riep hij. „Mijn hemel!”
„Een oogenblik geduld, mijnheer,” hervatte mevrouw Waters, „en ik zal u de geheele geschiedenis vertellen.—Kort na uw vertrek naar Londen, kwam mejufvrouw Brigitta op zekeren morgen bij mijne moeder aan huis. Het behaagde haar te zeggen, dat zij vernomen had, dat ik alle meisjes in de buurt in opvoeding en verstand verre overtrof, en zij beval mij bij haar te komen, waar zij mij bezigde om haar voor te lezen. Zij toonde veel voldoening over de wijze, waarop ik mijne taak vervulde, en gaf mij eenige rijke geschenken. Eindelijk begon zij mij te vragen, of ik een geheim bewaren kon, waarop ik haar zoo gerust stelde, dat zij na de deur van hare kamer op slot te hebben gedaan, mij in haar kabinetje bragt, dat zij ook afsloot, en mij toen zeide, dat zij mij een groot bewijs van haar vertrouwen op mijne eerlijkheid wilde geven, door mij een geheim mede te deelen, waarmede hare eer, en dus ook haar leven gemoeid was. Zij brak toen af en hervatte eerst na eenige oogenblikken van stilte, gedurende welke zij zich de tranen afdroogde, door mij te vragen, of men ook in mijne moeder vertrouwen stellen kon? Ik hernam dat ik met mijn leven voor haar borg wilde blijven. Zij openbaarde mij daarop het groote geheim dat haar bezwaarde,—wat, naar ik geloof, haar pijnlijker viel dan de latere barensweeën. Er werd afgesproken, dat mijne moeder en ik haar zouden bijstaan, en dat jufvrouw Wilkins tegen dien tijd uit den weg gezonden zou worden,—zooals gebeurde, door haar naar een uithoek van het graafschap Dorset te zenden, om daar naar eene dienstbode te vernemen. De dame had ook reeds drie maanden te voren hare eigene kamenier ontslagen, gedurende welken tijd ik op de proef bij haar bleef, zooals voorgegeven werd, terwijl zij later verklaarde, dat ik te onhandig was om bij haar te blijven. Dit en veel meer van dezen aard, zeide zij om alle vermoedens van den kant van de huishoudster te voorkomen,—als ik bekende dat ik de moeder van het kind was; want zij begreep, dat men nooit gelooven zoude, dat zij het waagde kwaad te spreken van een meisje, dat eenig geheim van zooveel gewigt van haar kende. Gij zult wel gelooven, mijnheer, dat ik zwaar betaald werd voor deze grieven, en daar ik de aanleiding daartoe kende, was ik er best mede tevreden. Inderdaad, de dame was banger voor jufvrouw Wilkins dan voor iemand anders,—niet dat zij niet van haar hield,—maar omdat zij dacht dat zij buiten staat was om een geheim te bewaren,—vooral tegenover u, mijnheer;—want ik heb jufvrouw Brigitta dikwerf hooren zeggen, dat als de huishoudster een moord begaan had, zij het niet zou kunnen laten alles aan u te biechten. Eindelijk kwam de langverwachte dag en jufvrouw Wilkins, die al eene week gereed was om te vertrekken, maar die telkens, onder allerlei voorwendselen, opgehouden werd, om te beletten dat zij te vroeg zou terugkeeren, werd de deur uitgezonden. Het kind werd geboren in het bijzijn van mij en van mijne moeder alleen, en werd naar ons huis gebragt, waar het bewaard werd tot den avond van uw terugkomst, toen ik, op bevel van jufvrouw Brigitta, het in het bed legde, waar het door u gevonden werd. Elk vermoeden werd dan ook later voorkomen door de listige houding van uwe zuster, die veinsde den jongen ongenegen te zijn, en dat alle welwillendheid, welke zij jegens hem betoonde, alleen aan inschikkelijkheid voor u toe te schrijven was.”
Mevrouw Waters betuigde met de meeste plegtigheid dat dit verhaal stipt waar was, en eindigde met te zeggen: „Dus hebt gij, mijnheer, uw neef ontdekt,—want voor zoodanig zult gij hem zeker verder houden,—en ik twijfel niet dat hij onder dien naam u eer zal aandoen en uw geluk vermeerderen.”
„Mevrouw,” zei Allworthy, „ik behoef u niet te zeggen hoe verbaasd ik sta over al wat gij mij vertelt, en zeker zoudt gij zoovele kleine omstandigheden niet hebben kunnen bedenken, om eene onwaarheid ingang te doen vinden. Ik beken ook dat ik mij sommige kleinigheden dienaangaande herinner, welke mij vroeger deden denken dat mijne zuster ingenomen met hem was. Ik sprak er over met haar; want ik hield zoo veel van dien jongen, zoowel om zijn eigen wil als om dien van zijn vader, dat ik gaarne er in toegestemd zou hebben hen gehuwd te zien; maar zij drukte zoo veel verontwaardiging uit over hetgeen zij eene beleedigende veronderstelling noemde, dat ik er verder van zweeg.—Goede hemel! Nu, de Voorzienigheid heeft beschikt!—Maar het was toch zeker onvergeefelijk in mijne zuster dit geheim mede in het graf te nemen!”
„Ik verzeker u, mijnheer,” zei mevrouw Waters, „dat zij steeds verklaarde dat niet te zullen doen, en zij betuigde mij dikwerf, dat zij voornemens was u ééns alles te openbaren. Zij zeide ook, zich zeer gelukkig te gevoelen dat zij in hare list zoo goed geslaagd was, en omdat gij vrijwillig zoo gehecht waart geworden aan het kind, dat er geene haast was met u alles te zeggen. O, mijnheer, als die arme dame het had moeten beleven, den ongelukkigen jongen als een schelm door u te zien wegjagen, als zij had moeten toezien, dat gij zelf een zaakwaarnemer gebezigd hadt om hem wegens een moord te vervolgen, waaraan hij geheel onschuldig is,—vergeef mij als ik het zeg, mijnheer Allworthy;—maar dit laatste was wreed!—Wezenlijk,—men heeft u misleid;—zoo iets heeft hij nooit aan u verdiend!”
„Inderdaad, mevrouw, het is laster van hem, die u verteld heeft dat ik ooit zoo iets gedaan had,” hernam Allworthy.
„Neen, mijnheer,” zeide zij; „begrijp me niet verkeerd:—ik waagde het niet te zeggen, dat gij iets onregtvaardigs begaan wildet. De heer, die bij mij kwam, stelde mij niets oneerlijks voor. Hij zeide slechts, daar hij mij hield voor de vrouw van mijnheer Fitzpatrick, dat als mijnheer Jones mijn echtgenoot vermoord had, ik van geld voor de regtskosten zou voorzien worden door een zeer waardigen man, die, naar hij verzekerde, wel wist tegen welken schurk ik zou moeten optreden. Door dien heer ontdekte ik dat het mijnheer Jones was, die in de gevangenis zat, en die heer is, zooals mijnheer Jones mij verzekert, uw rentmeester Dowling. Ik ontdekte zijn naam op de meest toevallige wijze; want hij wilde hem mij zelf niet openbaren; maar Partridge, die hem aan mijne woning aantrof, den tweeden keer dat hij er kwam, had hem vroeger te Salisbury gekend.”
„En,” vroeg mijnheer Allworthy, met de meeste verbazing, „heeft deze Dowling u verteld, dat ik hulp zou verleenen om Jones in regten te vervolgen?”
„Neen, mijnheer,” hernam zij. „Onregtvaardig mag ik hem niet beschuldigen. Hij zeide, dat ik geholpen zou worden; maar hij noemde geene namen. Maar gij zult het mij ten goede houden, mijnheer, als ik, de omstandigheden in aanmerking nemende, begreep dat het niemand anders kon zijn dan gij.”
„Inderdaad, mevrouw,” riep Allworthy, „door de omstandigheden, ben ik maar al te zeer overtuigd dat er iemand anders in het spel was!—Genadige hemel! Op welke wonderbaarlijke wijze komt soms de grootste en zwartste misdaad aan het licht!—Mag ik u verzoeken mevrouw, te wachten tot de persoon door u genoemd hier komt; ik wacht hem elk oogenblik;—welligt is hij zelfs al in huis.”
Allworthy ging nu naar de deur om een der dienstboden te roepen, toen er iemand in de kamer trad—een heer—mijnheer Dowling echter was het niet;—maar wie—dat zullen wij in het volgende hoofdstuk zien.
HOOFDSTUK VIII.
VERVOLG.
De binnentredende was niemand anders dan de heer Western. Zoodra deze Allworthy zag, begon hij, zonder iets om het bijzijn van mevrouw Waters te geven, met uit te schreeuwen:
„Daar is wat moois bij mij te koop! Ik ben achter fraaije dingen gekomen! Wie drommel zou met eene dochter geplaagd willen worden.”
„Wat is er toch te doen, buurman?” vroeg Allworthy.