Part 84
„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als ik zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles zelf aan mijnheer Allworthy!”
Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.
„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones. Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had. Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde, dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis, mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk eene kiesche zaak te bemoeijen.”
„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep jufvrouw Miller.
„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner mij nog den onschuldigen hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij, inderdaad!”
En hier brak hij af met de tranen in de oogen.
Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard, dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt, en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver, zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk volstrekt niet het geval zal wezen.
De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen, en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen mededeelen.
HOOFDSTUK IV.
BEVATTENDE TWEE BRIEVEN IN GEHEEL VERSCHILLENDEN SCHRIJFTRANT.
„Zeer waardige vriend!
„In mijn laatsten brief meldde ik u dat men mij het gebruik der wateren verboden had, daar de ondervinding bewees dat ze mijne ziekte eerder deden verergeren dan verbeteren. Ik moet u thans eene tijding mededeelen, die, naar ik meen, mijne vrienden meer dan mij zelven bedroeven zal. Dr. Harrington en Dr. Brewster hebben mij namelijk medegedeeld, dat er voor mij geene hoop op beterschap bestaat.
„Ik heb ergens gelezen, dat het voornaamste nut der wijsbegeerte daarin gelegen is, dat zij ons leere hoe wij sterven moeten. Ik zal dus de mijne geene schande aandoen door eenige ontsteltenis te toonen als mij eene taak opgelegd wordt, welke men zich verbeelden zal, dat ik al zoo lang bestudeerd heb. Maar, om de waarheid te vertellen, ééne bladzijde van het Evangelie bereidt ons beter daarop voor, dan al de boekdeelen der oude en nieuwere wijsgeeren. De zekerheid welke ons dáár gegeven wordt van een toekomstig leven, is een veel krachtiger steun voor een verstandigen geest, dan al de troostredenen, welke geput worden uit de behoeften der natuur, de ijdelheid, of verzadiging van onze genoegens hier op aarde, of eenig ander onderwerp, waarover men kan uitweiden, om soms den geest te wapenen met standvastige lijdzaamheid tegenover de gedachte aan den dood;—maar die nooit eene wezenlijke minachting daarvan kunnen teweeg brengen en nog veel minder ons doen gelooven, dat de dood eene ware weldaad is.
„Men vatte het niet op alsof ik de verschrikkelijke beschuldiging van atheïsme, of zelfs van stellige loochening der onsterfelijkheid, iedereen naar het hoofd wilde slingeren, die zich wijsgeer noemt. Velen van die sekte, ouden en nieuweren, hebben door middel van het licht der rede, hoop gezien op een toekomstig leven; maar werkelijk was dat licht zoo zwak en schemerend, de hoop zoo onzeker en wankelend, dat men wel met regt mag twijfelen, naar welken kant hun geloof overhelde. Plato zelf besluit zijn Phaedo met de verklaring, dat zijne krachtigste redeneringen niets meer dan eene waarschijnlijkheid opleveren, en Cicero schijnt eerder geneigd te gelooven, dan wezenlijk eenig geloof te hechten aan de onsterfelijkheid. Wat mij betreft, om opregt jegens u te zijn, was het mij nooit ernst met mijn geloof, tot ik werkelijk een christen werd.
„Deze laatste uitdrukking zal welligt uwe verbazing opwekken; maar ik verzeker u dat ik pas sedert korten tijd mij dien naam heb mogen geven. De hoogmoed der wijsbegeerte had mijne rede bedwelmd, en de hoogste van alle wijsheid scheen mij, even als den Grieken van ouds, niets dan dwaasheid toe. God heeft echter de genade gehad mij mijne dwaling bij tijds te doen inzien, en mij op het pad der waarheid te brengen, eer ik voor altijd op den dwaalweg geraakte.
„Ik bemerk dat ik zwak begin te worden en zal dus tot het hoofddoel van dit schrijven zoo spoedig mogelijk komen.
„Als ik over de daden van mijn vroeger leven nadenk, weet ik niets, dat mijn geweten meer bezwaart, dan de onregtvaardigheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, ten opzigte van dien ongelukkige, uw aangenomen zoon. Ik heb, inderdaad, niet slechts anderen de hand geleend bij hunne schurkenstreken tegen hem, maar heb zelf vele ongeregtigheden ten zijnen opzigte gepleegd. Geloof mij, waarde vriend, als ik u verzeker, op het woord van een stervende, dat men hem schandelijk behandeld heeft! Wat het hoofdfeit betreft, dat u noopte om hem geheel op te geven, ik verzeker u dat het u verkeerd voorgesteld werd,—dat hij daaraan geheel onschuldig is.
„Toen gij, naar men meende, op uw sterfbed laagt, was hij de eenige persoon in huis, die eenig wezenlijk verdriet liet blijken, en hetgeen later gebeurde, moet toegeschreven worden aan zijne dolzinnige uitgelatenheid bij uw herstel;—alsmede, tot mijn leedwezen, aan de laagheid van iemand anders;—maar ik verlang slechts den onschuldige te regtvaardigen en geenszins wien ook aan te klagen.
„Wees dan overtuigd, waarde vriend, dat deze jongeling een edel hart bezit, de meeste gevoeligheid voor vriendschap, de hoogste eerlijkheid, en, inderdaad, alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken. Hij heeft ook wel eenige gebreken; maar daaronder volstrekt niet die van pligtverzuim en ondankbaarheid jegens u. Integendeel, ik ben overtuigd, dat toen gij hem uw huis ontzeidet, zijn hart bloedde meer om uwentwil, dan om den zijne.
„Het waren beweegredenen van wereldsch belang, die mij dit alles zoo lang voor u verborgen deden houden;—ik heb thans geene andere aanleiding om het u te openbaren, dan het verlangen om de waarheid te doen zegevieren, om den onschuldige regt te laten wedervaren, en om,—zoo ver ik zulks vermag,—eene vroegere misdaad uit te wisschen.
„Ik hoop dus dat deze verklaring voldoende zal wezen om de gewenschte gevolgen te hebben, en om dezen jongeling in uwe gunst te herstellen,—wat de grootste troost zou zijn, dien nog in dit leven ontvangen kan,
Mijnheer,
uw zeer verpligte, gehoorzame en onderdanige dienaar,
Thomas Square.
De lezer zal thans niet meer verwonderd zijn over den ommekeer in de gevoelens van den heer Allworthy, hoewel hij, met denzelfden post, een anderen brief ontving van den heer Thwackum, van zeer verschillenden aard, en welken wij hier eveneens laten volgen, daar het welligt de laatste keer is dat wij in de gelegenheid zullen zijn, iets van dien heer te vernemen.
Mijnheer,
Het verwondert mij volstrekt niet door uw waardigen neef een nieuw staaltje te vernemen van de slechtheid van den leerling van dien godloochenaar, Square. Het zal mij niet verrassen als hij nog zoovele moorden begaat, en ik bid den hemel, dat het uw bloed niet moge zijn, dat hem eindelijk tot die plaats doemt, waar geween en tandengeknars eeuwigdurend zijn!
„Hoewel het u niet aan gelegenheid zal ontbreken om berouw te gevoelen over de groote en onverantwoordelijke zwakheid, welke gij steeds tegenover dezen ellendeling aan den dag hebt gelegd,—waardoor gij uwe eigene bloedverwanten en uw eigen karakter zoo zeer benadeeld hebt,—hoewel, zeg ik, dit genoeg zal wezen om u vele gewetensbezwaren op dit oogenblik te veroorzaken, zou ik mijn pligt verzuimen als ik naliet u eenige vermaningen te doen, welke u tot besef uwer dwalingen kunnen brengen. Ik smeek u dus ernstig na te denken over het vonnis, dat waarschijnlijk dezen boosdoener treffen zal, en moge het u ten minste tot waarschuwing strekken om niet meer in het vervolg den raad van iemand in den wind te slaan, die steeds onvermoeid voor uw heil zal bidden.
„Indien men mijne hand niet tegengehouden had, toen ik gepaste ligchamelijke straffen wilde toedienen, zou ik veel van dat duivelsche uit een jongen geranseld hebben, die, zooals mij van het begin af duidelijk werd, geheel door den Satan bezeten was;—maar het is te laat voor overdenkingen van dezen aard!
„Het spijt mij dat gij zoo overhaast over de collatie te Westerton beschikt hebt. Ik zou u vroeger daarom verzocht hebben, als ik mij had kunnen verbeelden dat gij ze zoudt wegschenken zonder mij vooraf te raadplegen. Dat gij er bezwaar in ziet, dat iemand meer dan ééne plaats tegelijk zou hebben, is overdrevene regtvaardigheid. Als er eenige misdaad in ware, dan zouden zoovele godvreezende mannen er niet in berusten, dat hun zoo iets gewerd. Als nu de predikant te Aldergrove mogt komen te vallen,—en ik verneem dat hij nog al sukkelende is,—hoop ik dat gij mij niet vergeten zult, daar ik zeker ben, dat gij overtuigd zijt van mijne opregte belangstelling in uw eeuwig welzijn,—een welzijn, waarbij alle wereldsche bezwaren even nietig zijn als de tienden van de dille en het komijn, in de Heilige Schrift vermeld, als men ze vergelijkt bij de gewigtige zaken der wet.
„Ik verblijf, mijnheer,
uw getrouwe en dienstwillige dienaar,
Roger Thwackum.”
Dit was de eerste keer dat Thwackum zich dien toon van gezag tegenover Allworthy aanmatigde, en later had hij reden genoeg om het te betreuren, dat hij zich vergist had even als zoovelen, die den hoogsten graad van goedheid voor den laagsten graad van zwakheid houden.
Allworthy had inderdaad nooit van dezen mensch gehouden. Hij wist dat hij hoogmoedig en boosaardig was; hij begreep dat zijne godgeleerdheid gekleurd was naar zijn aard, en hij keurde ze in vele opzigten alles behalve goed;—intusschen was hij een uitstekend geleerde, en onvermoeid in zijn onderwijs bij de twee jongens. Men voege hierbij dat hij onberispelijk was van leefwijze en gedrag, dat er geene smet op zijne eerlijkheid kleefde, en dat hij zeer gehecht scheen aan zijne godsdienst. Dus over het geheel, hoewel Allworthy hem noch hoogachtte noch beminde, had hij er niet toe kunnen komen om een leermeester weg te zenden, die door kennis en ijver zoo goed voor zijn ambt geschikt scheen, en hij hoopte dat daar de jongens in zijn eigen huis groot gebragt werden, en onder zijn eigen oog, hij in staat zou zijn om al wat hun Thwackum verkeerds leerde, tegen te gaan.
HOOFDSTUK V.
WAARIN DE GESCHIEDENIS VOORTGEZET WORDT.
Uit de laatste woorden, welke de heer Allworthy tot jufvrouw Miller gesproken had, bleek het dat de eene of andere aandoenlijke herinnering aan Jones de tranen in zijne oogen gelokt had, en zoodra jufvrouw Miller dit opmerkte, zeide zij:
„Ja, ja, mijnheer, uwe goedheid voor dezen armen jongen is wel bekend, niettegenstaande de moeite, welke gij u geeft om ze geheim te houden;—maar er is geen woord waarheid in al wat die schelmen vertellen! Mijnheer Nightingale heeft de heele zaak onderzocht. Het schijnt dat die menschen gehuurd waren door een Lord, een mededinger van mijnheer Jones,—om hem te pressen en hem aan boord van een schip te brengen.—Ik zou wel willen zien, wien zij nu zullen pressen! Mijnheer Nightingale heeft den officier zelven gesproken, die een zeer fatsoenlijk man is, en hem alles verteld heeft, en die veel spijt heeft over hetgeen hij op zich genomen had, wat hij nooit gedaan zou hebben, als hij geweten had dat mijnheer Jones een fatsoenlijk man, en geen gemeene landlooper was.”
Allworthy stond over dit een en ander verstomd en verklaarde niets te begrijpen van al wat zij vertelde.
„Ja, ja, mijnheer,” hernam zij; „dat zal wel waar zijn!—Het is heel iets anders dan hetgeen die matrozen aan den zaakwaarnemer wijs maakten!”
„Welken zaakwaarnemer, jufvrouw? Wien bedoelt gij toch?” vroeg Allworthy.
„Wel!” riep zij, „dat is weer iets van u! Om uwe eigene goedheid te loochenen! Maar mijnheer Nightingale zelf heeft hem gezien.”
„Wien heeft hij toch gezien, jufvrouw?” vroeg weder Allworthy.
„Wel, uw zaakwaarnemer, mijnheer,” hernam zij, „dien gij de goedheid hadt te zenden om de zaak te onderzoeken.”
„Op mijn woord van eer,” zei Allworthy; „ik begrijp niets van al wat gij vertelt.”
„Leg gij het dan uit,” zeide zij tot Nightingale.
„Ja! Wezenlijk, mijnheer,” verzekerde deze, „heb ik dienzelfden zaakwaarnemer, die u verliet toen ik binnenkwam, ontmoet in eene herberg te Aldersgate, in gezelschap van twee der menschen, die door Lord Fellamar gebezigd werden om mijnheer Jones te pressen, en die dus tegenwoordig waren bij diens ongelukkigen twist met den heer Fitzpatrick.”
„En ik beken, mijnheer,” viel jufvrouw Miller hier in, „dat toen ik dien heer bij u zag komen, ik aan mijn schoonzoon vertelde, dat ik het er voor hield, dat hij door u gezonden was om de zaak te onderzoeken.”
Allworthy toonde de meeste verbazing bij dit berigt en verstomde zelfs eenige minuten. Eindelijk zich tot den heer Nightingale rigtende, zeide hij:
„Ik moet bekennen, mijnheer, dat ik van mijn leven niet zóó verwonderd ben geweest als over hetgeen ik thans van u verneem. Weet gij zeker, dat het dezelfde heer was?”
„Ja, daarin kan ik mij niet vergissen,” hernam de heer Nightingale.
„En te Aldersgate?” vroeg Allworthy. „Zijt gij daar in gezelschap geweest met dezen zaakwaarnemer en die twee menschen?”
„Ja, mijnheer, zeker!” hernam de andere. „Bijna een half uur, onafgebroken!”
„Nu, mijnheer,” hervatte Allworthy, „en hoe hield zich de zaakwaarnemer? Hebt gij alles gehoord wat er tusschen hem en die menschen voorgevallen is?”
„Neen, mijnheer,” antwoordde de andere. „Zij waren zamen geweest eer ik aankwam. In mijn bijzijn, zeide de zaakwaarnemer niet veel; maar nadat ik herhaaldelijk de menschen ondervraagd had, die met een verhaal volhielden dat lijnregt in strijd was met hetgeen mijnheer Jones verzekerde, en dat ook volgens den heer Fitzpatrick van het begin tot het einde onwaar is, verzocht de zaakwaarnemer hen om niets dan de zuivere waarheid te zeggen, en scheen hij zoo zeer ten gunste van mijnheer Jones te spreken, dat toen ik denzelfden persoon bij u zag, ik dadelijk begreep, dat uwe goedheid u er toe gebragt had om hem daarheen te zenden.”
„Hebt gij het dan niet gedaan?” vroeg jufvrouw Miller.
„Wezenlijk niet,” hernam de heer Allworthy, „en ik verneem pas op dit oogenblik dat hij dáár geweest is.”
„Nu begrijp ik alles!” riep jufvrouw Miller. „Bij mijne ziel! Het wordt mij alles duidelijk! Geen wonder dat zij in den laatsten tijd zoo druk met elkaar zijn opgesloten geweest! Zoon Nightingale! Wat ik u bidden mag! Ga er dadelijk op uit die twee menschen te zoeken; spoor hen op als zij nog in het land der levenden zijn! Neen! Ik zal zelve gaan!”
„Beste jufvrouw,” riep Allworthy, „heb slechts voor een oogenblik geduld en laat mijnheer Dowling naar beneden komen, als hij nog hier is;—anders, mijnheer Blifil.”
Mejufvrouw Miller verliet de kamer, terwijl zij iets binnensmonds mompelde, en keerde daarop spoedig terug met het berigt, dat de heer Dowling al weg was; maar dat „de andere,” zooals zij hem noemde, dadelijk naar beneden zou komen.
Allworthy was kalmer gebleven dan de goede vrouw wier ijver nu ten hoogste gespannen was voor haar vriend. Hij koesterde evenwel reeds eenige verdenkingen, welke niet veel van de haren verschilden.
Toen Blifil dus in de kamer trad, vroeg hij hem met een zeer ernstig gelaat en met een minder vriendelijken blik dan hij hem ooit te voren geschonken had, „of hij er iets van wist dat mijnheer Dowling iemand van de getuigen van het tweegevecht tusschen Jones en een anderen heer gesproken had?”
Er is niets zoo gevaarlijks voor iemand, die het tot zijn dagelijksch werk maakt om de waarheid te verbloemen, of om de onwaarheid te verspreiden, als eene regtstreeksche, onverwachte vraag.
Het is om deze reden, dat zekere waardige menschen, die op zich nemen om „de onschuld te verdedigen,” en om het leven hunner medemenschen bij de geregtshoven te beveiligen, zich de moeite geven, door voorafgaand onderzoek, achter de vragen te komen, welke men hunne kliënten zal doen als zij voor het hof komen, ten einde hen met geschikte en vlugge antwoorden te voorzien, welke de vruchtbaarste verbeelding in den nood van het oogenblik niet oplevert. Bovendien, veroorzaakt de plotselinge toestrooming van het bloed bij zulke verrassingen dikwerf zulk eene verandering van gelaatskleur, dat de mensch zoodoende gedwongen wordt tot zijn eigen nadeel getuigenis af te leggen. Het gelaat van den heer Blifil onderging dan ook eene zoo plotselinge verandering, dat het naauwelijks vreemd is, als, in hare drift jufvrouw Miller dadelijk uitriep: „Hij is schuldig! Op mijn woord! Schuldig!”
De heer Allworthy verweet haar streng deze onstuimigheid, en zich daarop tot Blifil wendende, die als vernietigd scheen, vroeg hij:
„Waarom aarzelt gij, mijnheer, met uw antwoord? Gij hebt hem zeker gezonden; want ik verbeeld mij, dat hij uit eigene beweging zoo’n stap niet zou gedaan hebben;—vooral niet, zonder mij vooraf te raadplegen.”
Hierop hernam Blifil: „Ik beken, oom, dat ik mij aan eene dwaling heb schuldig gemaakt; maar mag toch op uwe vergiffenis rekenen?”
„Mijne vergiffenis!” riep Allworthy, zeer vertoornd.
„Ja, oom,” hernam Blifil. „Ik wist wel dat gij boos zoudt zijn; maar zeker zal mijn beste oom de gevolgen vergeven van eene der meest beminnelijke der menschelijke zwakheden. Ik beken dat medelijden met diegenen, die het niet verdienen, eene misdaad is,—en toch is het eene misdaad, waarvan gij u zelven niet geheel vrijpleiten kunt. Ik weet dat ik mij daaraan bezondigd heb, meer dan eens ten opzigte van dezen mensch;—en ik beken dat ik mijnheer Dowling uitzond, niet om een ijdel en nutteloos onderzoek in te stellen, maar om de getuigen op te sporen en om te trachten hunne verklaringen te verzachten. Dit is de waarheid, oom,—en ik loochen ze niet, hoewel ik ze voor u wilde verbergen,”
„Ik moet bekennen,” zei Nightingale, „dat naar het gedrag van den zaakwaarnemer te oordeelen, het mij ook in dit licht voorkwam.”
„Nu, jufvrouw,” riep Allworthy, „geloof ik dat gij ditmaal bekennen zult, dat gij onregtvaardige vermoedens gekoesterd hebt, en dat gij niet meer zoo zeer tegen mijn neef ingenomen kunt wezen als tot dusver.”
Jufvrouw Miller bewaarde het stilzwijgen; want hoewel zij zoo spoedig niet met Blifil ingenomen kon worden, dien zij als den bewerker van de rampen van Jones beschouwde, had hij haar toch bij deze gelegenheid,—even als de overigen gefopt;—want de Satan had hem niet in den steek gelaten. En inderdaad, ik beschouw de opmerking „dat de duivel dikwerf zijne vrienden verzaakt en hen in den nood laat zitten,” als onverantwoordelijken laster van dien persoon. Hij moge welligt soms diegenen verlaten, welke hem eventjes kennen, of die hem slechts half toegedaan zijn; maar, gewoonlijk, staat hij diegenen trouw bij, die hem opregt dienen, en redt hen telkens uit den nood, tot de tijd van hunne overeenkomst verloopen is.
Even als een gedempt oproer eene regering versterkt, of, even als de gezondheid volmaakt gevestigd wordt door het overwinnen van sommige ziekten, zoo doet soms gestilde gramschap de liefde met nieuwe kracht herleven. Dit was thans het geval met mijnheer Allworthy; want nadat Blifil het zwaarste vermoeden weggeruimd had, werd natuurlijk het mindere, door den brief van Square opgewekt, uitgewischt, en Thwackum, die hem zeer beleedigd had, moest den last dragen van al de toespelingen, welke Square op de vijanden van Jones gemaakt had.
Wat dien jongen man aanging, de verontwaardiging welke mijnheer Allworthy tegen hem gekoesterd had, begon langzamerhand te verminderen. Hij zeide tot Blifil, „dat hij niet slechts vergeven kon wat hij uit goedaardigheid gedaan had, maar dat hij hem het genoegen zou doen van zijn voorbeeld te volgen.” Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende met een engelachtigen glimlach, riep hij uit: „Hoe denkt gij er over, jufvrouw? Zullen wij eene huurkoets nemen en zamen rijden om uw vriend te bezoeken? Ik verzeker u, dat het de eerste keer niet is, dat ik een bezoek in de gevangenis afgelegd heb.”
Iedere lezer zal zich denkelijk het antwoord der goede vrouw kunnen verbeelden; maar zij moeten al van bijzonderen goeden aard zijn en zeer op de hoogte der vriendschap om te kunnen gevoelen wat haar op dit oogenblik bezielde. Weinigen zijn, hoop ik, in staat om zich te verbeelden wat er nu in Blifils hart omging; maar diegenen, die dat kunnen zullen, ook wel begrijpen dat het onmogelijk was voor hem om eenige bezwaren te opperen. Vrouw Fortuna, evenwel, of de andere ook reeds vroeger hier genoemde persoonaadje, kwam hem ter hulpe en voorkwam dezen zwaren schok voor hem; want op het oogenblik dat men om de koets zond, kwam Partridge in huis en na jufvrouw Miller te hebben laten roepen, maakte hij haar bekend met de verschrikkelijke gebeurtenis, welke pas aan het licht gekomen was, en Allworthy’s voornemen vernomen hebbende, smeekte hij haar om middelen te beramen om hem tegen te houden; „want,” zeide hij, „de zaak moet in elk geval voor hem een geheim blijven, en als hij er nu heen gaat, zal hij mijnheer Jones en zijne moeder,—die juist kwam toen ik de deur uitging,—zamen vinden, treurende over de vreesselijke misdaad, welke zij in hunne onwetendheid bedreven hebben.”