Tom Jones

Part 83

Chapter 833,944 wordsPublic domain

Zij zeide nog veel meer van dezen aard, waarvan een heele boel haar weinig tot eer zou strekken in de meening van den lezer,—en wij zijn ook maar half overtuigd dat sommige lezers niet spotten zouden met de antwoorden van Jones. Wij zullen dus het overige van dit gesprek verzwijgen, en slechts verzekeren, dat het in alle eer en deugd afliep, en veel meer tot het genoegen van Jones dan tot dat der dame; want hij was zeer verheugd over de tijding welke zij hem bragt, terwijl zij minder in haar schik was met het berouwvolle gedrag van een man, van wien zij bij de eerste ontmoeting een heel ander denkbeeld opgevat had, dan zij thans koesterde.

Dus werd de droefheid door het berigt van den heer Nightingale veroorzaakt, voor goed uitgewischt, terwijl zijne neerslagtigheid over de tijding door jufvrouw Miller gebragt, steeds voortduurde. Hetgeen zij hem gemeld had, kwam zoo goed overeen met de woorden van Sophia zelve in haar brief, dat hij er volstrekt niet aan twijfelde, dat zij zijn schrijven aan hare tante medegedeeld had, en vast besloten had om hem op te geven. De kwellingen, welke deze gedachten veroorzaakten, konden nog slechts geëvenaard worden door eene andere tijding, welke hem te wachten stond, en die wij in het tweede hoofdstuk van het volgende boek zullen mededeelen.

BOEK XVIII.

Bevattende ongeveer zes dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN AFSCHEIDSGROET AAN DEN LEZER.

Thans zijn wij, lezer, gekomen tot het laatste rustpunt op onze lange reis. Na elkaar dus vergezeld te hebben op zoo vele bladzijden, laten wij ons nu gedragen als reizigers in den postwagen, die verscheidene dagen bij elkaar zijn geweest, en die, niettegenstaande eenige kleine twisten of vijandigheden onderweg, gewoonlijk ten slotte verzoend worden en voor den laatsten keer hunne plaatsen in het rijtuig innemen met de meeste opgeruimdheid en onderlinge welwillendheid,—daar, na deze laatste rust, het ons welligt gaan zal als hen, die elkaar gewoonlijk nooit wederzien.

Daar ik dit beeld nu eens gebruikt heb, zal ik zoo vrij zijn, het te blijven bezigen voor het oogenblik. Ik ben dus voornemens, in dit laatste boek, het goede gezelschap na te bootsen, dat het laatste eindje zamen reist.

Het is wel bekend, dat op zulk een oogenblik alle schertsen en grappen achterwege blijven, dat welke rol de een of andere reiziger, uit aardigheid, op zich genomen heeft, die vergeten wordt, en dat het gesprek gewoonlijk ernstig en bedaard is.

Op dezelfde wijze zal ik thans alle aardigheden, welke ik welligt om u, lezer, den tijd te korten, onderweg gebezigd heb, voortaan niet meer beproeven. De veelvuldige gebeurtenissen ook, welke ik in dit boek bijeenvoegen moet, zullen mij geene ruimte overlaten voor eenige dier belagchelijke opmerkingen, welke ik anders gemaakt heb, en die misschien gediend hebben om u tusschenbeide van den dreigenden slaap te redden.

In dit laatste boek zult gij niets (of slechts zeer weinig) van dezen aard vinden. Het zal niets anders dan een droog verhaal bevatten, en inderdaad, als gij de vele groote gebeurtenissen gelezen hebt, welke dit boek oplevert, zult gij u naauwelijks kunnen voorstellen, hoe het mogelijk is zoo veel stof op zoo weinige bladzijden bijeen te krijgen.

En thans, vriend, neem ik deze gelegenheid waar (daar ik geene andere daartoe zal kunnen vinden) om hartelijk afscheid van u te nemen. Indien ik u, als reismakker, vermaakt heb, verzeker ik u dat dit mijn hoogste wensch was. Als ik u met iets beleedigd heb, geschiedde zulks werkelijk, zonder opzet. Welligt zal het een of ander in dit boek u, of uwe vrienden gelden; maar ik verklaar plegtig, dat ze noch op u noch op hen gemunt waren. Ik twijfel ook niet dat men, onder andere verhaaltjes, u ook van mij verteld heeft, dat gij reizen zoudt met een zeer smerigen kerel;—maar wie u dat verteld heeft, lasterde mij zwaar. Er is niemand, die een grooteren afkeer heeft dan ik van al wat gemeen is,—en niet zonder reden; want niemand is ooit gemeener behandeld dan ik:—en wat mijn lot nog zeer verzwaart, is dat men mij het vaderschap heeft toegedicht van vele lasterlijke geschriften juist van die menschen, die in andere hunner werken mij met de meeste verbittering gelasterd hebben.

Ik ben echter overtuigd dat al die werken reeds lang vergeten zullen wezen als gij deze bladzijden te lezen krijgt; want, hoe kort ook mijne eigene werken mogen bestaan, zullen ze toch waarschijnlijk én den gebrekkigen schrijver én de ziekelijke voortbrengselen van zijne lasterende tijdgenooten overleven.

HOOFDSTUK II.

EENE ZEER TRAGISCHE GEBEURTENIS BEVATTENDE.

Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had gezien, of zelf een spook ware.

Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?

„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is gekomen!”

„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.

„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u was?”

„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.

„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene bevende stem.

„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,” antwoordde Jones.

„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge, „zeg mij toch de waarheid!”

„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.

„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder geslapen!”

Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”

„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een wanbedrijf beraamde!”

„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones. „Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen, zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid! Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”

Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart, waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was, bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de ongelukkige vrouw zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.

Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt. Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.

Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug, zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt. Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het volgende schrijven ontving:

„Mijnheer,

Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te danken had!

„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,

Uwe ongelukkige

J. Waters.

„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke misdaden ook uw geweten bezwaard zij, gij den moord niet daaronder behoeft te rekenen.”

Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.

Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af te schilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn dan de Zwarte George.

Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier, merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.

De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem eenige dienst zou kunnen bewijzen.

„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”

Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen gebrek aan geld had.”

Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te dringen.

Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.

„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best afgebragt heeft!”

„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet; want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”

„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,” hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat nieuws mede te deelen.”

„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling als ik, haar zoo nog te noemen?”

„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja, mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik eventjes uit, om het u mede te deelen.”

De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen mogt om de oogen op te heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel ging.

Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken, om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne dochter bewerkt werd.

Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.

Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter, geraakte zijne zuster onmiddellijk in eene vlaag van woede, en sarde en tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen oogenblik daaraan gedacht had.

Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne dochter, dat als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.

HOOFDSTUK III.

ALLWORTHY BEZOEKT DEN OUDEN NIGHTINGALE,—EN DOET BIJ DIE GELEGENHEID EENE WONDERBAARLIJKE ONTDEKKING.

Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde, eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.

En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.

Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.

Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat deze bij hem te doen had?

„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur heeft voor dertig pond ’s jaars, en wien het toch gelukt is een vijfhonderd pond over te leggen.”

„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.

„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor koopen.”

Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.

Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy tegen hem gebezigd had.

Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.

Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon verkregen had.

Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde haar toen, hoe zich de dochter van den broeder van den ouden heer Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller en haren schoonzoon.

De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden, terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”

Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen. „Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben, die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”

Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde, en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó slecht niet met hem staat.”

„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen had.”

„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”

„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en ik schonk hem toch mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”

Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden, toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.

Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men zoo iemand kon doen straffen?

Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en uitriep:

„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u was.”

Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken afgedaan had.

De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten uitspreken, eer zij uitriep: