Part 82
„Vergeef me, schoonste,” viel hij haar in de rede, „daar kan geen middel bestaan om uwe dankbaarheid te verdienen! Al wat ik voor u zou kunnen doen, komt u van regtswege toe en zal mij zoo gelukkig maken, dat er geene sprake kan wezen van dankbaarheid.”
„Maar werkelijk, Milord,” hernam zij, „staat het aan u om mijne dankbaarheid, mijne welwillendheid, en mijne meest vriendschappelijke wenschen in alle opzigten waarin ik zulks vermag, te verwerven;—ja, en dat kunt gij gemakkelijk doen;—want, het zal een edel hart niet veel kosten om aan mijn verzoek te voldoen. Laat mij u smeeken dan eene vervolging te staken, waarin gij nooit slagen kunt. Om uwentwil, evenzeer als om den mijne, smeek ik deze gunst van u af; want gij zijt zeker te edelmoedig om er behagen in te scheppen een ongelukkig wezen te kwellen. Wat kunt gij, Milord, u anders voorstellen dan kwellingen ook voor u zelven door eene volharding, welke op mijn woord, ja, bij mijne zaligheid!—bij mij niets bewerken zal, aan welke ellende gij mij ook daardoor moogt blootstellen!”
Milord slaakte thans een zwaren zucht en zeide: „Is dit daaraan toe te schrijven, mejufvrouw, dat ik het ongelukkige voorwerp ben van uwen afkeer en uwe verachting,—of,—vergeef mij de veronderstelling,—is er iemand anders—?”
Hier aarzelde hij, en Sophia hernam, met eenige drift: „Milord, ik ben u geene verantwoording schuldig voor mijn gedrag. Ik ben u zeer dankbaar voor uw eervoel aanzoek; ik beken dat het mijne verdiensten en verwachtingen verre overtreft; maar ik hoop, Milord, dat gij er niet op staan zult, dat ik u eenige redenen geef, als ik zeg, dat ik het van de hand moet wijzen.”
Lord Fellamar gaf een heele boel hierop tot antwoord, dat niet zeer verstaanbaar was, en hetwelk welligt niet al te zeer onvereenkomstig de regels van de taalkunde en van het gezond verstand was; maar hij eindigde zijne hoogdravende redevoering met te zeggen: „Dat als zij reeds aan den een of anderen fatsoenlijken man verloofd was, hoe ongelukkig hij zich ook gevoelde, hij zich uit eergevoel genoodzaakt zou zien om zich verder terug te trekken.”
Welligt legde Milord te veel klem op het woord „fatsoenlijk man,” anders weten wij de verontwaardiging niet te verklaren, waarmede Sophia thans bezield was, die in haar antwoord zeer vertoornd scheen over de eene of andere beleediging, welke hij haar toegevoegd had.
Terwijl zij nog met meer verheffing van stem dan gewoonlijk sprak, trad mejufvrouw Western in de kamer, met gloeijende wangen en vlammende oogen.
„Ik moet mij schamen, Milord,” riep zij, „over de wijze waarop gij hier ontvangen wordt! Ik verzeker u, Milord, dat wij allen zeer gevoelig zijn voor de eer, welke gij ons aandoet, en ik moet u, mejufvrouw, verklaren, dat de geheele familie eene gansch andere houding van u eischt!”
Hier kwam Milord ten behoeve der jonge dame tusschenbeide, maar te vergeefs;—de tante hield vol tot Sophia den zakdoek te voorschijn haalde, zich op een stoel wierp en een vloed van tranen stortte..
Het overige van het gesprek tusschen mejufvrouw Western en Milord, tot deze laatste zich verwijderde, bestond uit bittere klagten van zijn kant en uit de krachtigste betuigingen van de hare, dat hare nicht toegeven moest, en dat ook doen zoude.
„Inderdaad, Milord,” zeide zij, „het meisje heeft eene allerdwaasste opvoeding gehad, die noch met haar vermogen, noch met hare afkomst overeenkomstig was. Het spijt mij te moeten bekennen, dat haar vader schuld aan alles heeft. Het meisje is behebt met eene domme, plattelandsche bedeesdheid. Het is anders niets, Milord, daar geef ik u mijn woord op. Ik ben ook overtuigd dat het haar eigenlijk niet aan verstand hapert, en dat zij spoedig naar rede zal luisteren.”
Dit laatste zeide zij in de afwezigheid van Sophia, die reeds de kamer verlaten had, met meer uiterlijke vertooning van drift, dan zij ooit bij eenige vroegere gelegenheid aan den dag had gelegd, en thans nam ook Milord afscheid van mejufvrouw Western, met vele dankbetuigingen en vurige verklaringen van eene liefde, die onoverwinnelijk was, en waarbij hij stellig voornemens was te volharden,—waartoe Sophia’s tante hem ten sterkste aanmoedigde.
Eer wij nu verder vermelden wat er tusschen mejufvrouw Western en Sophia voorviel, is het noodig iets te zeggen van eene zeer ongelukkige omstandigheid, welke tot de drift en plotselinge verschijning van mejufvrouw Western had aanleiding gegeven.
De lezer moet dan vernemen, dat de meid, die thans Sophia bediende, door Lady Bellaston aanbevolen was, bij wie zij een tijdlang als tweede kamenier gediend had. Het was een zeer vlug meisje, dat ook de stipste bevelen ontvangen had, om hare jonge meesteresse zeer streng te bewaken. Het spijt ons te moeten bekennen dat deze bevelen haar gegeven werden door jufvrouw Honour, in wier gunst Lady Bellaston thans zoo hoog geklommen was dat de hevige liefde, welke de kamenier vroeger Sophia toegedragen had, nu geheel uitgewischt was door de groote gehechtheid, welke zij thans koesterde tot hare nieuwe gebiedster.
Zoodra echter jufvrouw Miller weg was gegaan, en Betsy (gelijk zij heette) bij hare meesteresse terugkeerde, vond zij haar geheel en al verdiept in de lektuur van een langen brief, en de blijkbare aandoening, welke zij liet zien bij die gelegenheid, had wel bij het meisje eenige verdenking kunnen opwekken,—welke echter nog een beteren grondslag had,—daar zij alles gehoord had wat tusschen Sophia en jufvrouw Miller voorgevallen was.
Door Betsy werd dan mejufvrouw Western met alles bekend gemaakt, die na vele loftuitingen en eene ruime belooning voor hare getrouwheid, het bevel ontving om als die vrouw ooit wederkwam, haar dadelijk bij mejufvrouw Western zelve te brengen.
Ongelukkig verscheen nu jufvrouw Miller juist terwijl Sophia met Milord in gesprek was. Volgens het haar gegeven bevel, bragt Betsy haar dadelijk bij de tante, die al van zoo veel onderrigt zijnde, dat den vorigen dag gebeurd was, gemakkelijk de arme vrouw er toe bragt om te gelooven dat Sophia alles medegedeeld had;—waardoor het mejufvrouw Western ook gelukte om alles van haar te vernemen, wat den brief en Jones zelven betrof.
Het arme schepsel was dan ook de eenvoudigheid zelve. Zij was een van die menschen, welke geneigd zijn alles te gelooven wat men hun vertelt;—die van nature niet voorzien zijn van de offensieve of defensieve wapens van het bedrog, en die dus voorbestemd schijnen om door iedereen gefopt te worden, die zich de moeite verkiest te geven om het te beproeven. Mejufvrouw Western alles uit jufvrouw Miller gehaald hebbende, wat deze wist, hetwelk inderdaad niet heel veel was, maar toch genoeg om de tante een heele boel te doen gissen, ontsloeg haar met de verzekering dat Sophia haar niet zien wilde, dat zij geen antwoord op den brief wilde geven, en ook geen tweeden ontvangen, en liet haar niet vertrekken zonder eene strenge les over de verdiensten van een ambt, dat zij voor niets beters hield dan dat van eene koppelaarster.—Dit een en ander dan had de tante reeds eenigzins ontstemd, toen zij in de kamer trad, belendende aan die waarop de adellijke vrijer ontvangen werd, en waar zij Sophia met zoo veel vuur het aanzoek van Milord van de hand hoorde wijzen. Hierop brak de toorn, welken zij zoo lang verkropt had, in volle vlam uit, en zij viel hare nicht op eene woedende wijze aan, zooals wij reeds beschreven hebben, tegelijk met hetgeen verder voorviel, tot Milord vertrokken was.
Zoodra Lord Fellamar zich verwijderd had, keerde mejufvrouw Western tot Sophia terug, die zij met veel bitsheid het misbruik verweet van het in haar gestelde vertrouwen,—tegelijk met hare oneerlijkheid, dat zij briefwisseling onderhield met een man, van wien zij den vorigen dag zich bij eede had willen verbinden nooit iets meer te zullen aannemen.
Sophia verklaarde dat zij hoegenaamd geene briefwisseling met hem onderhield.
„Hoe! Wat! Durft gij, gij mejufvrouw Western, loochenen, dat gij gisteren een brief van hem ontvingt?” gilde hare tante.
„Een brief!” riep Sophia, eenigzins verbaasd.
„Het is niet zeer beleefd, mejufvrouw, om mijne woorden te herhalen,” hernam de tante; „maar ja, een brief, zeg ik! En ik sta er op dat gij mij dien laat lezen!”
„Ik zou het beneden mij achten om eene onwaarheid te vertellen, tante,” hernam Sophia. „Ik heb gisteren wèl een brief ontvangen, maar zonder mijn toedoen,—ja zelfs, tegen mijn zin, mag ik wel zeggen.”
„Zoo, mejufvrouw!” riep hare tante; „gij moest u schamen te bekennen dat gij zoo’n brief ontvangen hadt;—maar waar is die brief? Want zien zal ik hem!”
Op dit stellig bevel aarzelde Sophia een tijdlang eenig antwoord te geven; eindelijk echter verontschuldigde zij zich met te verklaren dat zij hem niet op zak had, wat stipt waar was,—waarop haar tante’s geduld uitgeput scheen, en deze haar kortaf vroeg, of zij Lord Fellamar wilde trouwen, ja of neen?—Wat Sophia ten stelligste weigerde.
Mejufvrouw Western hernam hierop met een vloek, of met iets dat er digtbij kwam, dat zij haar den volgenden morgen weder aan haar vader zou overleveren.
Sophia begon nu op de volgende wijze met hare tante te redeneren.
„Wel, tante, welke noodzakelijkheid bestaat er toch dat ik ooit huwen zou? Bedenk maar hoe zwaar gij dat zelve, in uw eigen geval vondt, en hoe veel liefderijker uwe ouders waren, die u vrij lieten! Wat heb ik gedaan om die vrijheid te verbeuren? Ik zal nooit in het huwelijk treden zonder mijns vaders toestemming,—of zonder de uwe te vragen. En als ik die tegen uw zin verlang, zal het vroeg genoeg wezen om mij tot een ander huwelijk te dwingen.”
„Mijn hemel! Hoe zou ik dit kunnen aanhooren van een meisje, dat met een brief van een moordenaar op zak loopt?” riep mejufvrouw Western.
„Ik heb dien brief niet bij mij, dat houd ik vol,” hernam Sophia, „en als het schrijven van een moordenaar komt, zal hij spoedig buiten staat zijn om u eenige verdere zorg te baren!”
„Hoe, mejufvrouw Western!” hernam de tante, „hebt gij de onbeschaamdheid om zoo van hem te spreken,—om mij, in het aangezigt, uwe liefde tot zulk een schurk te bekennen?”
„Gij legt toch mijne woorden op eene zeer vreemde wijze uit, tante!” riep Sophia.
„Wat mij betreft, mejufvrouw Western,” hernam de andere, „ik verkies niet langer mij zoo door u te laten behandelen;—gij hebt dat van uw vader geleerd;—hij heeft u geleerd mij tot eene leugenaarster te maken! Hij heeft u geheel bedorven, door zijn verkeerd stelsel van opvoeding, en zoo de hemel wil, zal hij er de schoone vruchten van plukken; want, nog eens! morgen zal ik u bij hem terug brengen, dat verzeker ik u! Ik zal mijne strijdkrachten uit het veld terugtrekken, en voortaan, even als de wijze koning van Pruisen, de strengste onzijdigheid in acht nemen. Gij verbeeldt u beide te wijs te zijn om u naar mijn raad te schikken; dus houd u gereed; want morgen zult gij hier de deur uit!”
Sophia deed haar best om haar te vermurwen; maar hare tante bleef doof voor al wat zij zeggen kon,—en in dezen toestand moeten wij thans die dame verlaten, daar er geene hoop schijnt te bestaan om haar van zin te doen veranderen.
HOOFDSTUK IX.
HETGEEN DEN HEER JONES IN DE GEVANGENIS OVERKWAM.
De heer Jones bragt meer dan vier en twintig uren zeer droevig in de eenzaamheid door,—alleen getroost door het gezelschap van Partridge,—tot mijnheer Nightingale eindelijk terugkeerde. Men verbeelde zich echter niet, dat deze waardige jonge man zijn vriend verlaten of vergeten had, want, inderdaad, het grootste gedeelte van dien tijd, had hij ten zijnen behoeve besteed.
Na onderzoek, had hij vernomen, dat de eenige menschen, die het begin van den ongelukkigen strijd gezien hadden, tot de manschap behoorden van een oorlogschip, dat toen te Deptford lag.
Daarheen ging hij dan, om de menschen te zoeken, die, zoo als hij vernam, allen aan wal waren. Hij spoorde hen na, van huis tot huis, tot hij er eindelijk twee van vond, die met een vreemde zamen zaten te drinken, in eene herberg aan den weg bij Aldersgate.
Nightingale verzocht thans om Jones onder vier oogen te mogen spreken,—want Partridge was er toen hij binnentrad,—en zoodra zij zich alleen bevonden, vatte hij Jones bij de hand en riep uit: „Hoor eens, beste vriend, gij moet u niet uit het veld laten slaan door hetgeen ik u kom melden.—Het spijt mij de overbrenger van slechte tijdingen te zijn;—maar ik houd het voor pligt om u niets te verbergen.”
„Ik gis al wat die slechte tijding is,” hernam Jones; „de arme Fitzpatrick zal overleden zijn?”
„Ik hoop van neen,” hernam Nightingale; „hij leefde nog heden morgen, hoewel, volgens de berigten, welke ik kreeg, ik u niet vleijen kan, dat de wond niet doodelijk is. Maar, als de zaak zich zóó toegedragen heeft, als gij zegt, zoudt gij, wat er ook gebeure, niets te vreezen hebben dan uwe eigene gewetenswroeging;—maar, vergeef me, waarde Tom, als ik u smeek, met de meeste openhartigheid tegen uwe vertrouwde vrienden te spreken; als gij ons iets verbergt, zult gij slechts u zelven benadeelen!”
„Mijn waarde Jaap,” riep Jones, „welke aanleiding heb ik u ooit kunnen geven, mij met zulke wreede verdenkingen te pijnigen?”
„Geduld maar,” hernam Nightingale, „en ik zal u alles mededeelen. Na lang zoeken, vond ik eindelijk twee der menschen, die tegenwoordig waren geweest bij dezen ongelukkigen twist, en het spijt mij te moeten zeggen, dat zij de zaak minder voordeelig voor u voorstelden, dan gij dat zelf doet.”
„Wel! wat zeggen zij dan?” vroeg Jones.
„Inderdaad, iets dat het mij spijt te moeten herhalen, daar ik vrees dat het treurige gevolgen voor u zal hebben. Zij verklaren, dat zij te ver afstonden om iets te vernemen van de woorden, maar zij zijn het beiden eens, dat gij den eersten slag hebt gegeven.”
„Dan spreken zij onwaarheid, bij mijne ziel!” riep Jones. „Hij gaf mij niet slechts den eersten slag; maar hij deed dat zelfs zonder eenige aanleiding daartoe van mijn kant. Wat zou die schelmen kunnen bewegen om mij valsch te beschuldigen?”
„Ja, dat kan ik in de verste verte niet gissen,” hernam Nightingale, „en als gij zelf, en ik, die zoo zeer uw vriend ben, geene reden kunnen bedenken waarom zij u lasteren zouden, dan laat ik aan u zelven over te beslissen, welken grond een onpartijdige regter zou kunnen aanvoeren om hun geen geloof te schenken? Ik deed hun de vraag herhaaldelijk, en dat deed ook een andere heer, die er bij zat,—en die, denkelijk, een zeeman is, en wezenlijk zich op de meest vriendschappelijke wijze gedroeg; want hij drukte hun telkens op het hart, dat eens menschen leven met die zaak gemoeid was, en vroeg, bij herhaling, of zij zeker wisten wat zij zeiden;—waarop beiden van ja verklaarden, en dat zij gereed waren hunne getuigenis met een eed te bekrachtigen. In ’s hemels naam, beste vriend, bedenk u wel; want als dit het geval bleek te zijn, moet gij er bij tijds aan denken om alle protectie die gij hebt, in te roepen. Ik wilde u geen schrik aanjagen; maar gij weet, geloof ik, hoe streng de wet is op dit punt,—al is men nog zoo zwaar door woorden getergd!”
„Helaas, vriend,” hernam Jones, „hoe zou een ongelukkige als ik eenige protectie hebben? Gelooft gij ook, dat ik iets om het leven zou geven, als men mij voor een moordenaar hield? Als ik vrienden had (wat helaas, het geval niet is!) hoe zou ik dan nog den moed hebben om hunne hulp in te roepen ten behoeve van een mensch, die om de verfoeijelijkste van alle misdaden veroordeeld wordt? Geloof mij, op zulken bijstand reken ik niet;—maar ik heb toch nog eenig vertrouwen op eene hoogere magt, die mij alle bescherming zal verleenen, die ik verdien.”
Hij eindigde nu met herhaalde, plegtige en vurige verklaringen, dat hij van het begin af niets dan de zuivere waarheid verteld had.
Nightingale begon nu in zijn geloof te wankelen, en was weder geneigd om zijn vriend vertrouwen te schenken, toen jufvrouw Miller binnen kwam en een droevig berigt van den afloop harer zending bragt.
Zoodra Jones dit vernam, riep hij, zeer heldhaftig:
„Nu, vriend, ben ik geheel onverschillig omtrent wat er verder gebeuren moge,—ten minste wat mijn leven aangaat,—en als de hemel wil dat ik boeten zal voor het bloed dat ik gestort heb, hoop ik dat de hemelsche goedheid vroeger of later mijne eer zal zuiveren, en dat men de woorden van een stervende zal gelooven, als het er op aankomt om alleen zijne eer te redden.”
Thans volgde er een zeer droevig tooneel tusschen den gevangene en zijne vrienden, en daar het waarschijnlijk zeer weinige lezers bevallen zou hebben om er bij te zijn, zullen er ook denkelijk weinigen wezen, die eene uitvoerige beschrijving daarvan verlangen. Wij zullen dus alles met stilzwijgen voorbijgaan, tot de cipier binnentrad en Jones meldde dat er eene dame gekomen was, die hem wenschte te spreken, als het hem niet ongelegen kwam.
Jones uitte zijne verrassing over deze boodschap. Hij zeide, „dat hij geene dame ter wereld kende, van wie hij bij mogelijkheid een bezoek wachten kon.”
Daar hij echter geene reden zag om te weigeren iemand te ontvangen, namen jufvrouw Miller en Nightingale spoedig afscheid van hem, en gaf hij bevel om de dame binnen te laten.
Zoo Jones al verrast was door het aangekondigde bezoek eener dame, stond hij geheel verstomd toen hij ontdekte dat die dame niemand anders was dan mevrouw Waters! Wij zullen hem dan een oogenblik zoo laten staan, ten einde aan de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, die, waarschijnlijk, ook niet weinig verrast zal zijn door het verschijnen dezer dame.
Wie mevrouw Waters was, weet de lezer zoo wat; wat zij was,—daarvan heeft hij de bewijzen gehad. Hij zal dus gelieven zich te herinneren, dat deze dame in dezelfde koets met den heer Fitzpatrick en den anderen Ier van Upton vertrokken was, en dat zij hem naar Bath vergezeld had.
Nu was er toen zeker ambt, dat de heer Fitzpatrick te vergeven had, tijdelijk onbezet,—namelijk dat van zijne echtgenoote; want de dame, die tot dusver dat ambt bekleed had, had haar ontslag genomen,—of had ten minste de dienst verzaakt. De heer Fitzpatrick dus, na mevrouw Waters op reis onderzocht te hebben, bevond dat zij de vereischte hoedanigheden bezat, en bood haar, bij hunne aankomst te Bath, het ambt aan, dat zij zonder schroom op zich nam. De heer en de dame hadden dus als man en vrouw te Bath geleefd, en als man en vrouw kwamen zij te Londen aan.
Hetzij dan dat de heer Fitzpatrick te wijs was om de ééne op te geven eer hij de andere teruggevonden had,—of dat mevrouw Waters haar ambt zoo goed vervulde, dat hij haar in het bezit daarvan wilde laten, en zijne vrouw slechts als plaatsvervangster gebruiken (wat meer gebeurt),—zeker is het dat hij nooit zijne vrouw bij haar noemde, haar nooit den brief mededeelde, hem door mejufvrouw Western gegeven, en haar zelfs nooit een wenk gaf, dat hij steeds naar zijne vrouw zocht;—terwijl hij den naam van Jones niet eens genoemd had. Want ofschoon, hij zich voorgenomen had met hem te vechten waar hij hem ook vond, handelde hij niet naar het voorbeeld van zekere voorzigtige menschen, die zich verbeelden, dat eene vrouw eene moeder, eene zuster, of soms zelfs de geheele familie, bij dergelijke gelegenheden de veiligste getuigen zijn. Het eerste woord, dus, dat zij van dit een en ander vernam kwam, over zijne lippen toen hij naar huis gebragt werd uit de herberg, waar men hem verbonden had.
Daar de heer Fitzpatrick echter nooit op de meest duidelijke wijze iets wist te vertellen en thans welligt iets meer verward was dan anders, duurde het een tijdlang eer zij ontdekte dat de heer, die hem gewond had, dezelfde persoon was, die in haar hart eene wond geslagen had, welke, ofschoon niet doodelijk, zoo diep was, dat ze een zwaar lidteeken achterliet. Zoodra zij echter vernam dat de heer Jones zelf de man was, dien men, wegens den veronderstelden moord, naar de gevangenis had gebragt, nam zij de eerste gelegenheid waar om den heer Fitzpatrick aan de zorg der ziekenoppaster over te laten en haastte zich om zijn overwinnaar op te zoeken.
Zij trad nu met de meeste opgeruimdheid binnen, welke echter dadelijk getemperd werd door de bedroefde houding van den armen Jones, die, zoodra hij haar herkende, van verbazing opsprong.
Hierop zeide zij: „Het verwondert me geenszins, dat gij verrast zijt. Ik denk niet dat gij u voorsteldet mij te zullen zien; want weinige heeren worden hier geplaagd door andere dames dan door hunne vrouwen. Maar gij ziet, mijnheer Jones, welke magt gij nog over mij bezit! Ik dacht weinig, inderdaad, toen wij te Upton van elkaar scheidden, dat wij elkaar voor het eerst op zulk eene plaats als deze weerzien zouden!”
„Ik moet u wezenlijk zeer dankbaar zijn voor dit bezoek, mevrouw,” hernam Jones. „Slechts weinige menschen volgen den ongelukkige,—vooral niet naar zulk een treurig verblijf als dit.”
„Wel, mijnheer Jones,” riep zij, „ik kan me werkelijk naauwelijks verbeelden dat gij dezelfde prettige mensch zijt, dien ik te Upton ontmoette! Wel! Uw gezigt is droeviger dan de droevigste gevangenis ter wereld! Wat scheelt u toch?”
„Ik verbeeldde mij, mevrouw,” antwoordde Jones, „dat, daar gij wist dat ik hier was, gij ook weten zoudt om welke ongelukkige reden.”
„Bah!” riep zij; „gij hebt een man in een tweegevecht overhoop gestoken! Is dat alles?”
Jones drukte zijne verontwaardiging uit over deze ligtzinnigheid, en sprak met het meeste berouw over hetgeen er gebeurd was.
„Kom, kom!” riep zij, „als gij het u zóó aantrekt, mijnheer, zal ik u dadelijk licht geven! Die mijnheer is niet dood, en ik ben zoo wat zeker, dat er geen gevaar voor zijn leven bestaat. De heelmeester, die het eerste verband legde, was een jong mensch, die goedvond om de zaak zoo ernstig mogelijk voor te stellen, om des te meer eer in te oogsten als hij hem genas; maar ’s Konings heelmeester is er later bij geroepen, en zegt, dat als er geene koortsen bij komen, waarvan tot nu toe geen spoor is te bemerken, zijn leven volstrekt niet in gevaar is.”
Het gelaat van Jones helderde op bij dit berigt, welks juistheid zij bevestigde door te zeggen: „Door een der vreemdste toevallen ter wereld, woon ik in hetzelfde huis met hem, en heb ik dien heer zelve gesproken. Ik kan u verzekeren, dat hij u regt laat wedervaren, en zegt, dat, wat ook de gevolgen zijn, hij de eerste aanvaller was en dat gij hoegenaamd geen schuld hebt.”
Jones was zeer verheugd over hetgeen mevrouw Waters hem mededeelde, en maakte haar thans bekend met allerlei dingen die zij reeds wist, zoo als wie de heer Fitzpatrick was, de aanleiding tot diens wrok, enz. Hij deelde haar ook het een en ander mede dat haar onbekend was, zoo als het avontuur met de mof, en andere bijzonderheden, terwijl hij alleen den naam van Sophia verzweeg. Daarop betreurde hij de dwaasheden en de ligtzinnigheid, waaraan hij zich schuldig had gemaakt, welke, naar hij zeide, zulke treurige gevolgen hadden gehad, dat het onvergeefelijk zou zijn als hij ze niet als eene waarschuwing beschouwde, om voor het vervolg alles van dien aard te vermijden. Eindelijk besloot hij met haar te verzekeren, dat hij zich vast voorgenomen had nooit meer te zondigen, ten einde zich geene zwaardere bestraffing op den hals te halen.
Mevrouw Waters dreef zeer geestig den spot met dit voornemen, als niets anders dan het gevolg van neerslagtigheid en opsluiting. Zij rakelde een oud spreekwoord op, over den duivel, „die monnik wilde worden toen hij ziek was,” en verzekerde hem, „dat zij de gegronde hoop koesterde van hem spoedig in vrijheid te zien, en even levenslustig als vroeger; en dan,” zeide zij, „twijfel ik niet dat uw geweten bevrijd zal blijven van al die knagingen, welke slechts door een ziekelijken toestand worden veroorzaakt.”