Tom Jones

Part 81

Chapter 814,012 wordsPublic domain

Jones hernam, zeer ernstig, „dat wat ook zijn eigen lot mogt wezen, hij het steeds betreuren zou, als eene der grootste rampen welke hem ooit overkomen kon, dat hij eens menschen bloed gestort had. Maar ik heb een ander ongeluk ondervonden van den treurigsten aard.—O, jufvrouw Miller, ik heb alles verloren wat mij het dierbaarste op aarde was.”

„Dat is zeker eene beminde,” hernam jufvrouw Miller; „maar houd moed, zeg ik weêr! Ik weet meer dan gij u verbeeldt!” (Partridge had dan ook werkelijk alles bij haar verbabbeld) „Ik heb meer gehoord dan u bekend is; en ik verzeker u dat de zaken een beteren keer nemen dan gij veronderstelt. Ik zou dien Blifil geen duit geven voor zijne kans om de jonge dame te krijgen.”

„Gij weet wezenlijk volstrekt niet, lieve vriendin, welke reden ik tot droefheid heb,” hernam Jones. „Indien gij alle omstandigheden van de zaak kendet, zoudt gij moeten toegeven, dat mij geene hoop overblijft. Ik vrees niets van Blifil. Ik heb mij zelven te grond gerigt.”

„Wanhoop niet,” hernam jufvrouw Miller. „Ge weet niet wat eene vrouw vermag, en als er iets in mijne magt is, beloof ik u dat ik niets zal verzuimen wat u van dienst kan zijn. Dat is niet meer dan pligt! Mijn schoonzoon, die goede Nightingale, die mij verteld heeft welke verpligtingen hij aan u heeft, weet dat dit mijn pligt is. Zal ik zelve bij de dame gaan? Ik zal haar alles overbrengen wat gij haar wenscht mede te deelen.”

„Gij zijt de beste der vrouwen!” riep Jones hare hand grijpende;—„praat niet van mij dank schuldig te zijn!—Maar, nu gij de goedheid hebt gehad daarvan te spreken, is er welligt ééne dienst, welke gij mij bewijzen kunt. Ik zie inderdaad, zonder te begrijpen hoe,—dat gij weet welke dame mijn hart bezit. Als gij er een middel op kondt vinden om haar dit te doen geworden,”—en hij haalde een brief uit den zak,—„zoude ik u ten eeuwigen dage dankbaar blijven.”

„Geef maar hier,” zei jufvrouw Miller; „als ik haar het briefje niet zelve in handen geef eer ik slapen ga,—moge ik nooit weder wakker worden! Houd moed beste mijnheer! Laten vroegere dwaasheden u maar tot waarschuwing strekken, en ik sta er u borg voor, dat alles best gaan zal, en ik u nog gelukkig zal zien met de bekoorlijkste vrouw ter wereld,—want dat is zij, volgens iedereen, die haar kent!”

„Geloof mij, jufvrouw,” hernam hij, „ik spreek volstrekt niet de gewone huichelaarstaal van een mensch in mijn ongelukkigen toestand; maar eer dit vreesselijk ongeluk gebeurde, had ik al vast besloten eene leefwijze, welker slechtheid en dwaasheid ik had leeren inzien, vaarwel te zeggen. Ik verzeker u, dat, niettegenstaande al de onrust, welke ik ongelukkig bij u in huis veroorzaakte, en waarvoor ik van ganscher harte uwe vergiffenis inroep,—ik volstrekt geen losbandig mensch ben. Hoewel ik me door de ondeugd heb laten medeslepen, houd ik niet van het kwaad, en van heden af, zal ik het vermijden.”

Jufvrouw Miller scheen zeer voldaan met deze betuigingen, aan welker opregtheid zij verklaarde volstrekt niet te twijfelen, en het overige van het gesprek bevatte niets dan de vereenigde pogingen van die goede vrouw en van den heer Nightingale om Jones eenigzins moed in te spreken,—wat in zoo ver gelukte, dat zij hem veel opgeruimder en geruster verlieten dan hij bij hunne komst geweest was. Niets had zoo zeer tot deze gelukkige verandering bijgedragen als de vriendelijke belofte van jufvrouw Miller om zijn brief aan Sophia te bezorgen, wat hem anders hopeloos scheen; want toen de Zwarte George het laatste schrijven van Sophia bragt, had hij Partridge verteld, dat de jonge dame hem bepaaldelijk gelast had om haar geen antwoord terug te brengen,—op straffe van aan haar vader overgeleverd te worden. Bovendien was Jones niet weinig blijde met de ontdekking dat de goede vrouw,—werkelijk een der beste schepselen ter wereld,—zoo vurig zijne zaak bepleitte bij den heer Allworthy zelven.

Nadat de dame een uur bij hem gezeten had (Nightingale was er veel langer geweest), namen beide afscheid van hem, met de belofte van spoedig terug te komen, als wanneer jufvrouw Miller zeide, dat zij hoopte hem goede tijding van zijne beminde te brengen, terwijl de heer Nightingale beloofde onderzoek te gaan doen naar de wond van mijnheer Fitzpatrick en ook sommige der menschen op te sporen, die getuigen van den strijd waren geweest.

Jufvrouw Miller begaf zich nu onmiddellijk naar Sophia, bij wie wij haar dadelijk zullen volgen.

HOOFDSTUK VI.

WAARIN JUFVROUW MILLER EEN BEZOEK AFLEGT BIJ SOPHIA.

Het was volstrekt niet moeijelijk om toegang tot de jonge dame te krijgen; want, daar zij nu op den meest vriendschappelijken voet met hare tante leefde, had zij volmaakte vrijheid, om zoo vele bezoekers, als zij verkoos, te ontvangen.

Sophia was juist bezig met zich te kleeden, toen men haar kwam zeggen, dat er eene dame beneden was, die haar verlangde te spreken. Daar zij niet vreesde om iemand van haar eigen geslacht te ontvangen en niets had waarvoor zij zich behoefde te schamen, werd jufvrouw Miller dadelijk boven gelaten.

Nadat de gewone groeten en pligtplegingen tusschen vrouwen, die elkaar vreemd zijn, gewisseld waren, zeide Sophia:

„Ik heb toch niet het genoegen van u te kennen, jufvrouw?”

„Dat is zoo, mejufvrouw,” antwoordde de andere, „en ik moet u wel verschooning vragen als ik u kom lastig vallen. Maar als gij weet, wat mij genoopt heeft om bij u te komen—”

„Wel, wat is er tot uwe dienst?” vroeg Sophia, al eenigzins ontroerd.

„Mejufvrouw, ik zou u gaarne onder vier oogen spreken,” hernam jufvrouw Miller, zachtjes.

„Betsy, ga maar naar beneden,” zei Sophia.

Zoodra de kamenier weg was, zeide jufvrouw Miller:

„Een jonge heer, die zeer ongelukkig is, verzocht mij u dezen brief over te geven.”

Sophia verbleekte toen zij het adres las, daar zij het schrift wel kende, en zeide eindelijk aarzelende:

„Naar uw uiterlijk te oordeelen, jufvrouw, zou ik me niet verbeeld hebben, dat gij mij iets van dezen aard te zeggen hadt. Van wien ook dezen brief kome, ik zal hem niet open maken. Het zou mij spijten iemand onbillijk te verdenken;—maar gij zijt mij geheel onbekend.”

„Als ik niet te veel van uw geduld verg, jufvrouw,” hernam de andere, „zal ik u zeggen wie ik ben en hoe ik aan dien brief ben gekomen.”

„Ik ben hoegenaamd niet nieuwsgierig, jufvrouw,” hernam Sophia, „en moet er op staan, dat gij den brief terug brengt aan den persoon, die hem u gegeven heeft.”

Jufvrouw Miller viel nu op de knieën, en riep met de meeste hartstogtelijkheid haar medelijden in; waarop Sophia zeide:

„Wel, jufvrouw, ik sta verbaasd, dat gij zooveel belang stelt in dien persoon! Ik zou niet willen denken, dat—”

„Gij moet niets denken dan de waarheid, jufvrouw!” riep de andere; „ik zal u alles vertellen en gij zult u er niet over verwonderen dat ik belang in hem stel. Hij is de goedaardigste mensch ter wereld!”—Hierop ging zij voort met het verhaal van hetgeen er met Henderson was gebeurd.—Daarna vervolgde zij met te zeggen: „Dit, jufvrouw, is slechts één staaltje van zijne goedheid; maar ik heb nog verpligtingen van veel teederder aard aan hem. Hij heeft mijne dochter van den ondergang gered.”—En hiermede, onder vele tranen, verhaalde zij alles, alleen met uitzondering van die omstandigheden, welke hare dochter benadeeld zouden hebben, en eindigde met te zeggen: „En nu, jufvrouw, laat ik het aan u over te oordeelen, of ik ooit genoeg kan doen voor zulk een vriendelijken, goedigen, edelmoedigen jongeling,—die zeker de beste en waardigste der menschen is!”

Alle veranderingen op het gelaat van Sophia, waren, tot dusver, voornamelijk op kosten harer schoonheid geweest, daar ze haar sterk hadden doen verbleeken;—maar nu bloosde zij, zoo mogelijk, rooder dan karmozijn, en riep uit:

„Ik weet werkelijk niet wat ik zeggen moet!—Zeker, kan men u niets kwalijk nemen, wat gij alleen uit dankbaarheid doet;—maar, ik begrijp niet, waartoe het dienen zou als ik dezen brief van uw vriend las, daar ik vast besloten heb—”

Hier begon jufvrouw Miller op nieuw met smeeken, en zeide, Sophia’s vergiffenis inroepende, dat zij den brief toch niet terugnemen kon.

„Nu, jufvrouw,” hernam Sophia, „het is mijne schuld niet als gij mij het schrijven opdringen wilt!—Het staat aan u den brief hier te laten of niet,—met of tegen mijn zin!”

Wat Sophia bedoelde, en òf zij iets bedoelde, waag ik niet te beslissen; maar jufvrouw Miller vatte dit als een wenk op, en den brief op tafel nederleggende, nam zij afscheid van haar, na eerst verlof gevraagd te hebben om nog eens bij haar te mogen aankomen,—een verzoek waarop Sophia ja noch neen zeide.

De brief echter bleef alleen zoo lang op tafel liggen tot jufvrouw Miller weg was; want toen greep Sophia daarnaar en brak hem open.

Het schrijven baatte Jones echter zeer weinig; want het bevatte weinig meer dan de bekentenis van zijne eigene onwaardigheid, en bittere, wanhopige klagten, tegelijk met de plegtigste verklaringen van onveranderlijke getrouwheid aan Sophia,—waarvan, zooals hij zeide, hij haar hoopte te overtuigen, als hem ooit weder het geluk beschoren werd haar onder de oogen te treden;—terwijl hij hoopte den brief aan Lady Bellaston zoodanig te kunnen verklaren, dat hoewel hij geen regt kon doen gelden op vergiffenis, hij vertrouwen mogt, dat zij hem die uit barmhartigheid zou schenken. Hij eindigde met te zweren, dat hij nooit eenig voornemen gekoesterd had om met Lady Bellaston in het huwelijk te treden.

Hoewel Sophia den brief tot tweemaal toe, met de meeste aandacht overlas, bleef haar zijne bedoeling toch raadselachtig, en kon zij, hoe zij ook hare verbeelding inspande, geene verontschuldiging voor Jones bedenken. Zij bleef ook zeker zeer boos op hem, hoewel Lady Bellaston zelve in zulk eene hevige mate het voorwerp van haren toorn geworden was, dat er slechts weinig van overbleef ten behoeve van anderen.

Die dame zou, ongelukkig, juist dien dag bij mejufvrouw Western aan tafel komen, en ’s namiddags zouden alle drie op de receptie gaan bij Lady Hatchett. Sophia zou zich gaarne overal verontschuldigd hebben, maar wenschte hare tante niet te ergeren, en wat eene voorgewende ziekte betreft,—het veinzen was iets zoo vreemds aan haar karakter, dat zij daar niet eens aan dacht.

Zoodra zij gekleed was, ging zij dus naar beneden, zich onderwerpende aan al de kwellingen, die haar dien dag nog te wachten stonden,—en die dan ook bleken niet gering te zijn; want Lady Bellaston nam iedere gelegenheid waar om haar hoogst beleefd en onder water een steek toe te brengen, terwijl zij te neerslagtig was om zich te verweren,—en inderdaad, om de waarheid te bekennen, ten allen tijde slechts heel middelmatig de kunst verstond om een scherp antwoord te geven.

Een ander ongeluk voor de arme Sophia was het bijzijn van Lord Fellamar, dien zij in de opera ontmoetten en die haar naar de receptie volgde. En hoewel beide plaatsen te druk bezocht waren dan dat hij haar afzonderlijk spreken kon, en zij verder verligt werd door de muzijk in de ééne en het kaartspel op de andere plaats, kon zij zich echter niet op haar gemak gevoelen in zijn gezelschap; want er is zekere kieschheid in de vrouw, welke haar belet om gerust te zijn in de tegenwoordigheid van een man, die, zooals zij weet, aanspraken op haar maakt, welke zij niet geneigd is te begunstigen.

Daar wij in dit hoofdstuk reeds tweemaal het woord „receptie” genoemd hebben,—een woord, dat naar wij hopen onverstaanbaar zal wezen voor het late nageslacht in de beteekenis, waarin wij het gebezigd hebben, zullen wij, hoeveel haast wij ook anders hebben, ons een oogenblik ophouden, om de feestelijkheid te beschrijven, welke hier bedoeld is,—en dat doen wij te eerder, daar wij heel kort kunnen zijn.

Eene „receptie” dan, is eene vergadering van goedgekleede menschen, van beiderlei kunne, van welke de meesten aan de speeltafel gaan zitten, en de anderen niets doen, terwijl de vrouw des huizes de rol van herbergierster op zich neemt,—en even als deze zich verhoovaardigt over het aantal harer gasten, hoewel het niet altijd gebeurt, dat zij, even als de herbergierster, er iets aan verdient.

Geen wonder dus, dat, daar zoovele opgeruimdheid vereischt wordt om deze droevige tooneelen te verlevendigen, dat wij menschen van hoogen stand zoo dikwerf hooren klagen over gebrek aan levenslust,—eene ziekte, die zich overigens bepaalt tot de groote wereld.

Wij kunnen ons dan verbeelden hoe ondragelijk deze ijdele kring voor Sophia moet geweest zijn, op dit oogenblik,—hoe moeijelijk het haar viel, om den schijn van vrolijkheid aan te nemen, terwijl hare ziel vervuld was met de diepste smart en elke gedachte eene kwelling voor haar opleverde.

De nacht echter schonk haar de eenzaamheid harer slaapkamer, en wij zullen haar daar laten, om ten minste hare droefgeestigheid tot bedaren te brengen, hoewel zij, naar wij vreezen, buiten staat zal zijn om eenige rust te vinden, en zullen thans onze geschiedenis voortzetten, welke nu,—te oordeelen naar een zeker voorgevoel,—op het punt staat om eene zeer gewigtige gebeurtenis op te leveren.

HOOFDSTUK VII.

EEN AANDOENLIJK TOONEEL TUSSCHEN DEN HEER ALLWORTHY EN JUFVROUW MILLER.

Jufvrouw Miller had een lang gesprek met den heer Allworthy, toen hij, na tafel, naar huis kwam, waarin zij hem vertelde hoe de heer Jones, ongelukkig al het geld verloren had, hetwelk zijn weldoener bij hunne scheiding hem gegeven had, en hem verhaalde van den nood waarin hij, ten gevolge van dat verlies, verkeerd had;—wat zij zelve vernomen had van den getrouwen babbelaar Partridge. Daarop legde zij uit welke verpligtingen zij aan Jones had, zonder evenwel alles te zeggen van hare dochter; want hoewel zij het meeste vertrouwen stelde in den heer Allworthy, en er geene hoop bestond om de zaak geheim te houden, die reeds aan meer dan een half dozijn menschen bekend was, kon zij toch niet over zich verkrijgen om die omstandigheden, welke de arme Nancy tot schande strekken moesten, te vermelden;—maar onderdrukte dat gedeelte van hare getuigenis even voorzigtig, alsof zij voor den regter geroepen ware geweest en het meisje wegens kindermoord te regt stond.

Allworthy antwoordde haar, dat er slechts weinige menschen waren, zoo geheel bedorven, dat zij hoegenaamd tot niets goeds in staat zijn. „Ik kan echter niet ontkennen,” zeide hij, „dat gij eenige verpligtingen aan dien vent hebt, hoe slecht hij ook zij, en ik zal u dus alles wat er voorgevallen is, vergeven; maar sta er toch op, dat gij hem nooit weder in mijn bijzijn noemt; want ik verzeker u, dat ik slechts na de duidelijkste en meest overtuigende bewijzen, heb kunnen besluiten tot de maatregelen, waartoe ik me verpligt zag ten zijnen opzigte.”

„Nu, mijnheer,” hernam zij, „daaraan mag ik volstrekt niet twijfelen; maar, met der tijd, zal alles in het ware daglicht verschijnen, en dan zult gij overtuigd worden, dat deze arme jongen meer goeds van u verdient dan andere menschen, die ik me wel wachten zal te noemen.”

„Jufvrouw,” riep Allworthy, eenigzins driftig; „ik wil geene betichtingen hooren van mijn neef, en als gij ooit weder een enkel woord van dien aard zegt, zal ik oogenblikkelijk uw huis verlaten. Hij is een beste, brave jongen, en ik herhaal nog eens, dat hij eigenlijk zijne vriendschap tot dien vent tot zwakheid toe overdreven heeft, door te lang de zwartste misdaden, die hij bedreven had, geheim te houden. Ik ben het meeste kwaad om de ondankbaarheid van dien ellendeling ten opzigte van dezen goeden jongen; want, jufvrouw, ik heb zeer gegronde redenen om te veronderstellen dat hij een plan beraamd had om mijn neef in mijne gunst te verdringen en om hem door mij te doen onterven.”

„Ik weet zeker, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, niet zonder benaauwdheid;—want hoe zoet en bekoorlijk ook de glimlach van den heer Allworthy was, had zijn vertoornde blik steeds iets zeer ontzagwekkends,—„dat ik nooit een woord zal zeggen tegen iemand met wien gij ingenomen zijt. Ik ben overtuigd, mijnheer, dat zoo iets mij zeer misstaan zou, vooral als het een uwer naaste bloedverwanten is; maar, mijnheer, gij moogt werkelijk niet op mij boos worden omdat ik partij trek voor dien ongelukkige!—Zóó mag ik hem nu zeker noemen; hoewel gij stellig eens boos op mij zoudt geweest zijn, als ik het gewaagd had om zijn naam zonder den meesten eerbied uit te spreken! Hoe dikwerf heb ik u niet hem uw zoon hooren noemen? Hoe dikwerf hebt gij niet met vaderlijke liefde van hem gesproken? Neen, mijnheer! Ik kan al de liefderijke uitdrukkingen, het vele goede niet vergeten dat gij mij verteld hebt van zijne schoonheid, zijn aanleg, zijne deugden, zijne goedaardigheid en zijne edelmoedigheid! Neen, mijnheer, dat kan ik niet vergeten; want ik weet nu dat alles waar was! Ik heb er bewijzen van gehad in mijn eigen huisgezin. Hij is de redder mijner familie geweest. Gij moet mij mijne tranen vergeven, mijnheer,—werkelijk, dat moet gij doen, als ik bedenk welk een wreeden ommekeer in zijn lot deze arme jongen, aan wien ik zoo veel te danken heb, ondervonden heeft;—vooral als ik daarbij het verlies van uwe liefde in aanmerking neem, welke hij, naar ik zeker weet, op hooger prijs stelde dan zijn eigen leven. Ja, ik moet, en zal hem beklagen! Al hadt gij een dolk in de hand, om mij het hart te doorboren, ik zou nog de ellende beklagen van den ongelukkige, dien gij bemind hebt, en dien ik steeds beminnen zal!”

Allworthy was zeer aangedaan door deze woorden, maar naar het scheen volstrekt niet vertoornd, want, na eene korte stilte, reikte hij jufvrouw Miller de hand en zeide, zeer liefderijk: „Kom, jufvrouw, laten wij thans over uwe dochter spreken. Ik kan het u niet kwalijk nemen, dat gij u zoo ingenomen toont met een huwelijk, dat zoo voordeelig belooft te zijn; maar gij weet wel, dat dit laatste grootendeels afhangt van eene verzoening met haren schoonvader. Ik ken den ouden heer Nightingale zeer goed, en heb vroeger zaken met hem gehad; ik zal hem dus een bezoek brengen en trachten u in deze zaak bij te staan. Ik geloof wel dat het een heel wereldsch mensch is; maar daar het zijn eenigen zoon geldt, en aan de zaak thans niet meer te veranderen valt, zal hij welligt op den duur geneigd zijn naar rede te luisteren. Ik beloof u mijn best voor u te doen.”

De arme vrouw dankte Allworthy herhaaldelijk voor dit vriendelijk en edelmoedig aanbod, maar kon niet nalaten op nieuw de gelegenheid waar te nemen, om van hare dankbaarheid tot Jones gewag te maken.

„Aan hem,” zeide zij, „is het toe te schrijven, dat ik nu in het geval ben om gebruik van uwe goedheid te kunnen maken.”

Allworthy legde haar vriendelijk het stilzwijgen verder op; maar hij was een te goed mensch om zich werkelijk beleedigd te gevoelen door de uitwerking van zulk een edel grondbeginsel als dat waarmede jufvrouw Miller thans bezield was;—en wezenlijk, als hetgeen hem pas van Jones verteld was door Blifil zijn toorn niet weder opgewekt had, is het niet onmogelijk, dat hij eenigzins gunstiger voor hem gestemd zou zijn geworden na het vernemen van eene handeling, welke de boosheid zelve aan geene slechte beweegreden had kunnen toeschrijven.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller waren reeds meer dan een uur bij elkaar geweest, toen hun gesprek afgebroken werd door de komst van Blifil met iemand anders,—namelijk, met den zeer gewigtigen mijnheer Dowling, den zaakwaarnemer, die een groote gunsteling was geworden van den heer Blifil en dien de heer Allworthy, op verzoek van zijn neef, tot zijn rentmeester benoemd had, terwijl hij hem tevens aan den heer Western aanbeval, van wien de zaakwaarnemer de belofte ontving van ook door hem tot hetzelfde ambt benoemd te worden zoodra de gelegenheid zich daartoe voordeed. Inmiddels was hij bezig met eenige zaken te Londen,—welke betrekking hadden tot een hypotheek,—voor den landjonker in orde te brengen.

Dit was de voornaamste aanleiding tot mijnheer Dowlings aanwezigheid in Londen, terwijl hij de gelegenheid waarnam om zich met wat geld voor den heer Allworthy te belasten, en hem zijn rapport te doen over andere zaken,—waarin wij den oom, den neef en den zaakwaarnemer verdiept zullen laten, daar ze veel te vervelend van aard waren om in deze geschiedenis vermeld te worden,—terwijl wij ons met iets anders bezig houden.

HOOFDSTUK VIII.

BEVATTENDE ALLERLEI ZAKEN.

Eer wij tot den heer Jones terugkeeren, moeten wij nog een blik op Sophia werpen.

Hoewel die jonge dame hare tante in den besten luim gebragt had door de verzoenende maatregelen, waarvan wij reeds gesproken hebben, had zij haar toch niet kunnen overhalen om het minst in haren ijver te verflaauwen voor het huwelijk met Lord Fellamar. Deze ijver werd dan ook aangeblazen door Lady Bellaston, die mejufvrouw Western den vorigen avond verzekerd had, dat zij door het gedrag van Sophia en door hare houding tegenover Milord, overtuigd was, dat eenig uitstel hoogst gevaarlijk zou zijn, en dat de eenige wijze om te slagen, zou zijn om het huwelijk zoo overhaast door te zetten, dat de jonge dame geen tijd kreeg om zich te bedenken, en zich hare toestemming liet afpersen eer zij eigenlijk wist wat zij deed. Op deze wijze, hield zij vol, worden de meeste huwelijken onder menschen van hoogen stand gesloten;—een feit dat hoogst waarschijnlijk ontegenzeggelijk is, en waaraan, denkelijk, de onderlinge liefde toe te schrijven is, welke later onder zoo vele gelukkige paren heerscht.

Een wenk van dezen aard werd door dezelfde dame aan Lord Fellamar gegeven en beiden waren zóó met den raad ingenomen, dat, op verzoek van Milord, de volgende dag vastgesteld werd door mejufvrouw Western, voor de eerste ontmoeting van het jonge paar onder vier oogen. Dit werd aan Sophia door hare tante medegedeeld, die er zoo stellig en vast op aandrong, dat Sophia, na te vergeefs alles in het midden te hebben gebragt, wat zij bij mogelijkheid bedenken kon, eindelijk genoodzaakt was, het hoogste bewijs van beleefdheid te geven, dat men van eene jonge dame vergen kan, en er in toe te stemmen dat zij Milord zou ontvangen.

Daar gesprekken van dezen aard weinig onderhoudends opleveren, zal men het ons ten goede houden, indien wij het geheele onderhoud niet herhalen, gedurende hetwelk Milord op de meest hartstogtelijke wijze zijne opregte en vurige liefde betuigde, tot dat Sophia, die tot dus ver gezwegen en gebloosd had, eindelijk moed vatte, en met eene zachte, bevende stem zeide:

„Milord, gij moet zelf u bewust zijn of uwe vorige houding overeenkomstig is geweest met uwe tegenwoordige verzekeringen.”

„Is er dan geene wijze,” hernam hij, „waarop ik vergiffenis kan krijgen voor mijn waanzin? Ik vrees maar, dat mijne handelingen u bewezen moeten hebben, dat de hevigheid mijner liefde mij van het verstand beroofd had.”

„Het hangt inderdaad alleen van u af, Milord,” zeide zij, „om mij een bewijs eener toegenegenheid te geven, hetwelk ik op hoogen prijs zou stellen, en waarvoor ik u werkelijk dankbaar zou wezen.”

„Noem het slechts!” riep Milord, met vuur.

„Milord,” hernam zij, de oogen nederslaande op haren waaijer, „ik weet dat het u bekend moet wezen hoe ongelukkig ik gemaakt word door deze uwe geveinsde liefde—”

„Kunt gij de wreedheid hebben,” riep hij, „om ze geveinsd te noemen?”

„Ja, Milord,” luidde haar antwoord; „alle liefdesbetuigingen tegenover menschen, die wij vervolgen, zijn beleedigende voorwendselen. Uw aanzoek wordt voor mij nu eene wreede vervolging;—ja,—gij maakt een onedelmoedig gebruik van mijn ongelukkigen toestand!”

„Beminde, aanbiddenswaardige!” riep hij, „beschuldig mij niet van eene onedelmoedige vervolging, terwijl ik geene andere gedachte koester dan om tot uw belang, uwe eer bij te dragen,—terwijl ik alleen met het voornemen bezield ben, om mijzelven, mijn stand, mijn vermogen, mijn alles aan uwe voeten neder te leggen!”

„Milord,” hernam zij, „het is juist door uw stand en vermogen dat gij een voordeel bezit, waarover ik me beklaag. Dat zijn bekoorlijkheden, welke mijne bloedverwanten verleid hebben;—ik ben er geheel onverschillig voor. Als gij, Milord, mij werkelijk dankbaar wilt maken, is er slechts één middel—”